Home

Parket bij de Hoge Raad, 12-09-1997, ECLI:NL:PHR:1997:25, 16.453

Parket bij de Hoge Raad, 12-09-1997, ECLI:NL:PHR:1997:25, 16.453

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12 september 1997
Datum publicatie
6 november 2020
ECLI
ECLI:NL:PHR:1997:25
Formele relaties
Zaaknummer
16.453

Inhoudsindicatie

Overeenkomstenrecht. Is de tussen partijen gesloten overeenkomst tot het verrichten van werk tegen betaling een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7A:1637a (oud) BW? Is sprake van een verboden aanvulling van feitelijke stellingen (art. 176 (oud) Rv en art. 48 (oud) Rv)?

Conclusie

Rolnummer 16 453

Zitting 12 september 1997

Mr De Vries Lentsch-Kostense

[eiser]

tegen

Instituut Schoevers B.V.

Edelhoogachtbaar College,

Inleiding

1. In deze zaak gaat het om de vraag of tussen thans eiser tot cassatie, [eiser], en thans verweerster in cassatie, Schoevers, een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7A:1637a (oud) BW heeft bestaan.

Schoevers stelt dat geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst tussen haar en [eiser]. Zij betoogt dat niet [eiser] haar contractspartij is geweest doch [A] C.V., hierna ook: de vennootschap, waarvan [eiser] vennoot is; zij stelt dat tussen haar en de vennootschap een overeenkomst van opdracht bestond — een overeenkomst die zij per 1 november 1993 heeft beëindigd — krachtens welke overeenkomst de vennootschap [eiser] tegen betaling aan Schoevers ter beschikking stelde om onderwijswerkzaamheden te verrichten.

[eiser] daarentegen betoogt dat wel degelijk tussen hem en Schoevers een arbeidsovereenkomst heeft bestaan; hij voert daartoe aan dat tussen Schoevers en hem een gezagsverhouding bestond en dat hij als tegenprestatie loon heeft ontvangen dat aan de vennootschap werd betaald ingevolge zijn bevoegdheid zulks te bedingen. Hij vordert in het onderhavige geding — kort gezegd — Schoevers te gelasten de dienstbetrekking te herstellen met veroordeling van Schoevers tot (aanvullende) schadevergoeding, subsidiair Schoevers te veroordelen tot een billijke schadevergoeding.

Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is geoordeeld dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst in de zin der wet heeft bestaan. Het cassatieberoep moet mijns inziens stranden. Voordat ik hierop inga geef ik eerst een overzicht van de feiten en het verloop van het geding.

2. In eerste aanleg en in appel is van het volgende uitgegaan:

- [eiser] is een zelfstandig gevestigd belastingadviseur; hij drijft zijn onderneming in de rechtsvorm van een commanditaire vennootschap, de c.v. [A] voornoemd.

- [eiser] heeft sinds 1 maart 1991 uit hoofde van een mondelinge overeenkomst onderwijswerkzaamheden voor en bij Schoevers verricht.

- Schoevers heeft ingevolge die overeenkomst, behoudens twee maal, steeds betaald aan de vennootschap na door deze gezonden facturen waarbij ook BTW in rekening werd gebracht; door Schoevers werd noch loonbelasting ingehouden noch premies sociale verzekeringen of premies AOW; door Schoevers werd geen vakantiegeld uitbetaald. Een en ander is aldus overeengekomen op voorstel van [eiser].

3. De Kantonrechter heeft op grond van bovenvermelde feiten geoordeeld dat in casu geen sprake is van een (arbeids)overeenkomst tussen Schoevers en [eiser], doch van een overeenkomst tussen Schoevers en de vennootschap welke ertoe strekte dat de vennootschap [eiser] ter beschikking stelde voor het verrichten van onderwijswerkzaamheden. Overwogen werd in dat verband:

‘’4. Dat eiser ([eiser]; DVL) zich in menig opzicht had te gedragen overeenkomstig hem door of namens gedaagde (Schoevers; DVL) gegeven aanwijzingen ligt in de lijn van de overeenkomst tussen de vennootschap en gedaagde. Dat de uitzendkracht zich heeft te gedragen naar de aanwijzingen van de inlener heeft ook niet ten gevolge dat zijn verhouding tot de inlener een dienstverhouding wordt.’’

[eiser] vorderingen werden mitsdien door de Kantonrechter afgewezen.

4. De Rechtbank heeft dit vonnis bekrachtigd. Verworpen werden [eiser] grieven, onder meer inhoudende dat de Kantonrechter ten onrechte oordeelde dat tussen Schoevers en de vennootschap een overeenkomst tot stand is gekomen. De Rechtbank overwoog daartoe — kort samengevat — het volgende.

In rechtsoverweging 7 stelde zij voorop:

‘’7. Vast staat dat tussen partijen geen schriftelijke arbeidsovereenkomst (…) is opgemaakt.

Of niettemin sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin der wet zal daarom aan de hand van de gestelde en gebleken feiten en/of omstandigheden moeten worden beoordeeld.

De rechtbank zal daarbij doorslaggevende betekenis toekennen aan de vraag of partijen de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst hebben beoogd.’’

Daarop concludeerde de Rechtbank dat geen sprake is geweest van loon in de zin van een door [eiser] als werknemer uit hoofde van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst bedongen tegenprestatie en dat uit het handelen van partijen kan worden afgeleid dat zij een dergelijke beloning op grond van een arbeidsovereenkomst ook niet hebben beoogd. Tot die conclusie kwam de Rechtbank op grond van — kort gezegd — de hiervoor onder 2 genoemde vaststaande feiten met betrekking tot de door Schoevers gedane betalingen. Daarbij nam zij in aanmerking

‘’dat de overeengekomen wijze van betaling tot stand is gekomen op initiatief van [eiser], terwijl — naar vaste jurisprudentie — een werkgever het recht ontbeert om achteraf niet ingehouden loonbelasting en sociale verzekeringspremies alsnog op de werknemer te verhalen.’’

In rechtsoverweging 11 overwoog de Rechtbank — onder meer — nog het volgende:

‘’Het bestaan van een arbeidsovereenkomst kan evenmin worden afgeleid uit een tussen partijen bestaand hebbende gezagsverhouding. Dat [eiser] op vastgestelde tijden aanwezig diende te zijn en door Schoevers gegeven richtlijnen diende te respecteren schept onder de gegeven omstandigheden onvoldoende basis om een gezagsverhouding aan te nemen.’’

5. [eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld; Schoevers heeft geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht waarna Schoevers nog heeft gedupliceerd.

Het cassatiemiddel

6. Het cassatiemiddel dat ruim 9 bladzijden beslaat, bevat 5 middelonderdelen die elk uit een aantal subonderdelen bestaan. Ik behandel de diverse subonderdelen steeds gezamenlijk in het kader van de door 'hun' middelonderdeel aangesneden kwestie.

7. Middelonderdeel 1 richt zich tegen rechtsoverweging 7 van het bestreden vonnis waar de Rechtbank overweegt dat zij bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst in de zin der wet doorslaggevende betekenis zal toekennen aan de vraag of partijen de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst hebben beoogd. Geklaagd wordt — kort gezegd — dat de Rechtbank aldus ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds het vaststellen van de inhoud van de overeenkomst, een kwestie van uitleg waarbij de partijbedoeling een prominente rol speelt, en anderzijds de kwalificatie van het overeengekomene, waarbij de bedoeling van partijen geen, althans geen doorslaggevende, rol speelt.

Dit middelonderdeel faalt. Uit de bestreden overwegingen van de Rechtbank blijkt geenszins dat de Rechtbank niet ervan is uitgegaan dat aan de hand van objectieve criteria, waaronder met name het al dan niet bestaan van een gezagsverhouding, moet worden beoordeeld of een tussen twee partijen gesloten overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Dat de Rechtbank in haar gewraakte rechtsoverweging 7 vooropstelt dat zij aan de partijbedoeling doorslaggevende betekenis zal toekennen, kan worden verklaard door de omstandigheid dat de rechtsstrijd in casu ook betrof de vraag tussen welke partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, tussen Schoevers en [eiser] dan wel tussen Schoevers en de vennootschap (vertegenwoordigd door [eiser]). Met name bij de beantwoording van de in dat kader belangrijke vraag of de betalingen van Schoevers aan de vennootschap konden worden aangemerkt als betalingen (van loon) aan [eiser] in privé, kon de Rechtbank doorslaggevende betekenis toekennen aan de bedoeling van partijen gerelateerd aan de omtrent die betaling vaststaande feiten.

8. Middelonderdeel 2 mist feitelijke grondslag aangezien het ten onrechte veronderstelt dat de Rechtbank ervan is uitgegaan dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen en dat slechts ter discussie stond of deze overeenkomst als arbeidsovereenkomst gekwalificeerd diende te worden.

De Rechtbank heeft geconcludeerd dat tussen partijen geen (arbeids)overeenkomst tot stand is gekomen omdat de door Schoevers aan de vennootschap verrichte betalingen niet konden worden aangemerkt als betalingen (van loon) aan [eiser] en omdat tussen Schoevers en [eiser] geen gezagsverhouding bestond die noopte tot het oordeel dat tussen deze partijen een arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen. In de gegeven omstandigheden kon de Rechtbank reeds op grond van haar overwegingen omtrent de aan de vennootschap verrichte betalingen tot de slotsom komen dat tussen [eiser] en Schoevers geen (arbeids)overeenkomst is gesloten. In zoverre kan haar overweging omtrent het ontbreken van een gezagsverhouding tussen Schoevers en [eiser] worden gekwalificeerd als een tweede zelfstandige grond voor haar oordeel dat geen arbeidsovereenkomst tussen Schoevers en [eiser] heeft bestaan.

Het is mij overigens niet geheel duidelijk of de Rechtbank deze laatste overweging ook als zodanig heeft bedoeld. Schoevers suggereert in haar schriftelijke toelichting dat de Rechtbank met bedoelde overweging heeft willen onderschrijven het oordeel van de Kantonrechter dat het enkele feit dat Schoevers aan de door de vennootschap krachtens contract ter beschikking gestelde [eiser] instructies kon geven op zichzelf niet impliceert dat tussen [eiser] en Schoevers een arbeidsovereenkomst bestond. Is deze suggestie juist, dan falen de tegen deze overweging in de middelonderdelen 4 en 5 gerichte klachten wegens een verkeerde lezing van de bestreden beslissing. Bevat bedoelde overweging echter een zelfstandig dragende grond, dan kunnen deze middelonderdelen reeds niet tot cassatie leiden omdat de overige overwegingen de beslissing van de Rechtbank kunnen dragen en de tegen die overwegingen gerichte klachten moeten falen.

9. Middelonderdeel 3 mist feitelijke grondslag voor zover het veronderstelt dat de Rechtbank ervan is uitgegaan dat de door Schoevers aan de vennootschap verrichte betalingen niet zijn gedaan als tegenprestatie voor de werkzaamheden van [eiser]. Hetzelfde geldt voor zover het middel ervan uitgaat dat de Rechtbank heeft verondersteld dat een werknemer niet kan verzoeken het hem toekomende loon aan een ander — een gemachtigde — uit te betalen. Voor het overige bouwt het middelonderdeel voort op middelonderdeel 2.

De klacht dat de Rechtbank heeft miskend dat vaststaat dat twee door de vennootschap verzonden facturen — op verzoek van [eiser] — aan [eiser] en niet aan de vennootschap zijn voldaan ziet eraan voorbij dat uit de overgelegde produkties blijkt dat de betreffende betalingen zijn verricht ten behoeve van de vennootschap. Evenmin doel treft de klacht dat de Rechtbank niet in aanmerking had mogen nemen op wiens initiatief de betalingsregeling is getroffen. Met name bij de beantwoording van de vraag of tussen [eiser] en Schoevers een overeenkomst tot stand is gekomen mocht de Rechtbank in aanmerking nemen dat op initiatief van [eiser] is overeengekomen dat niet [eiser] doch de vennootschap recht op de bedongen tegenprestatie had. De klacht dat de Rechtbank niet bij haar beoordeling mocht betrekken dat naar vaste jurisprudentie een werkgever het recht ontbeert om achteraf alsnog niet ingehouden loonbelasting en sociale verzekeringspremies te verhalen op de werknemer, ziet eraan voorbij dat in de overwegingen van de Rechtbank kennelijk ligt besloten dat Schoevers niet met het initiatief van [eiser] zou hebben ingestemd ingeval zij niet ervan overtuigd was geweest dat zij met [eiser] zelf geen arbeidsovereenkomst had gesloten. Het stond de Rechtbank vrij deze laatste omstandigheid mee te wegen bij de beantwoording van de vraag of tussen [eiser] en Schoevers een overeenkomst tot stand was gekomen.

10. De middelonderdelen 4 en 5 falen op de gronden als hiervoor aan het slot van nr. 8 aangegeven.

Conclusie

Nu ik het middel in al zijn onderdelen ongegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,og