Home

Hoge Raad, 22-04-2016, ECLI:NL:HR:2016:703, 15/03701

Hoge Raad, 22-04-2016, ECLI:NL:HR:2016:703, 15/03701

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22 april 2016
Datum publicatie
22 april 2016
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:703
Formele relaties
Zaaknummer
15/03701

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting; art. 3.91, lid 3, en art. 3.94 Wet IB 2001; lening aan een meerderjarig kind voor de financiering van een door dat kind gedreven onderneming; in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling; onzakelijke lening; aanvaarden van een onzakelijk debiteurenrisico beïnvloedt het resultaat uit overige werkzaamheden niet.

Uitspraak

22 april 2016

nr. 15/03701

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 9 juli 2015, nr. 14/00434, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/4302) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende en zijn echtgenote, met wie hij in gemeenschap van goederen is gehuwd, hebben in de jaren 2003 tot en met 2011 in rekening-courant gelden verstrekt aan hun zoon (hierna: de zoon). Het uitgeversbedrijf van de zoon – in de vorm van een eenmanszaak - beschikte op dat moment over onvoldoende kapitaal om voldoende nieuwe titels te kunnen produceren en banken waren niet bereid om de onderneming van de zoon te financieren. Ter zake van de geldverstrekkingen is geen rente overeengekomen noch een aflossingsplan opgesteld en evenmin zijn zekerheden gesteld.

2.1.2.

Vanwege de verlieslijdende situatie van de onderneming hebben belanghebbende en de zoon op diverse wijzen getracht financiering voor de onderneming te verkrijgen en gebruik te maken van ondersteuningsregelingen. In dat kader stelden een zakenpartner van de zoon en de bank als voorwaarde dat belanghebbende en zijn echtgenote de ontstane rekening-courantverhouding met de zoon zouden afbouwen door middel van schenkingen, omdat terugbetaling voorlopig niet haalbaar was voor de zoon. Daarop hebben belanghebbende, zijn echtgenote en de zoon bij overeenkomsten van 17 maart 2009 vastgelegd dat belanghebbende en zijn echtgenote per 31 december 2008 en per 11 maart 2009 bedragen aan hun zoon hebben geschonken. Daarbij is overeengekomen dat deze bedragen werden verrekend met de bestaande rekening-courantschuld van de zoon.

2.2.

Voor het Hof was in geschil of het door belanghebbende ter beschikking gestelde en met de schenking van 11 maart 2009 verrekende bedrag met het oog op de heffing van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2009 als negatief resultaat uit overige werkzaamheden – in dit geval een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 3.91, lid 3, Wet IB 2001 - in aanmerking dient te worden genomen.

2.3.

Bij de beoordeling van dit geschilpunt heeft het Hof aannemelijk geacht dat geen niet‑winstdelende rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest om onder overigens dezelfde voorwaarden en omstandigheden dezelfde leningen te verstrekken aan de onderneming van de zoon. In dat geval moet worden verondersteld dat bij die geldverstrekkingen door belanghebbende een debiteurenrisico werd gelopen dat deze derde niet zou hebben aanvaard en dat voorts - behoudens bijzondere omstandigheden - ervan moet worden uitgegaan dat belanghebbende het onzakelijke debiteurenrisico heeft aanvaard vanwege de familierelatie met de zoon met de bedoeling het belang van de onderneming van de zoon te dienen, aldus het Hof. Dit brengt volgens het Hof mee dat het verlies op de geldlening niet op het resultaat uit overige werkzaamheden in mindering kan worden gebracht. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan afwaardering van de vordering toch zou kunnen plaatsvinden, zijn naar ’s Hofs oordeel niet aannemelijk geworden. Tegen de hiervoor omschreven oordelen van het Hof zijn de klachten gericht.

2.4.1.

Artikel 3.94 Wet IB 2001 bepaalt dat het resultaat uit een werkzaamheid is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid. De wetgever heeft met deze bepaling beoogd aan te sluiten bij het totaalwinstbegrip dat geldt voor winst uit onderneming. Gelet daarop heeft ook voor een onder de werking van artikel 3.92, lid 1, letter a, Wet IB 2001 vallende geldlening te gelden hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in de onderdelen 3.3.1 tot en met 3.3.6 van het arrest van 25 november 2011, nr. 08/05323, ECLI:NL:HR:2011:BN3442, BNB 2012/37 (vgl. ook onderdeel 3.3 van het arrest HR 25 november 2011, nr. 10/04588, ECLI:NL:HR:2011:BP8952, BNB 2012/78, hierna: het arrest BNB 2012/78).

2.4.2.

Hetzelfde heeft te gelden voor onder artikel 3.91, lid 1, letters a en b, Wet IB 2001 vallende geldleningen (vgl. HR 26 september 2014, nr. 13/02261, ECLI:NL:HR:2014:2781, BNB 2015/12, en HR 18 december 2015, nr. 15/00942, ECLI:NL:HR:2015:3599, BNB 2016/38). Ook al wordt bij laatstbedoelde geldleningen, anders dan in het in het arrest BNB 2012/78 behandelde geval, niet aan een vennootschap geleend, ook dan heeft te gelden dat het aanvaarden van een onzakelijk debiteurenrisico niet het resultaat uit overige werkzaamheden beïnvloedt. Het onzakelijk genomen debiteurenrisico bevindt zich dan – zowel bij de crediteur als bij de debiteur – in de privésfeer, dus bij de crediteur buiten de terbeschikkingstellingssfeer en bij de debiteur buiten de ondernemingssfeer. Dat laatste heeft tot gevolg dat als definitief vaststaat dat de debiteur niet meer aan zijn aflossingsverplichting zal voldoen, zoals bij kwijtschelding van de lening, de daardoor optredende vermogensvermeerdering bij de debiteur opkomt in de privésfeer en niet is aan te merken als een voordeel uit de onderneming. Er is geen reden anders te oordelen voor een in het maatschappelijk verkeer ongebruikelijke terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 3.91, lid 3, Wet IB 2001.

2.4.3.

In het licht van het hiervoor in 2.4.1 en 2.4.2 overwogene geeft ’s Hofs oordeel dat het verlies op de geldlening niet op het resultaat uit overige werkzaamheden in mindering kan worden gebracht, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. De klachten falen in zoverre.

2.5.

De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing