Home

Hoge Raad, 15-04-2016, ECLI:NL:HR:2016:666, 15/01044

Hoge Raad, 15-04-2016, ECLI:NL:HR:2016:666, 15/01044

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15 april 2016
Datum publicatie
15 april 2016
ECLI
ECLI:NL:HR:2016:666
Formele relaties
Zaaknummer
15/01044

Inhoudsindicatie

(Appel)procesrecht, octrooirecht. Kort geding, spoedeisend belang. Belang bij hoger beroep in verband met proceskostenveroordeling in eerste aanleg; taak appelrechter. Aanhouding van beslissing door hof; waken tegen onredelijke vertraging van de procedure (art. 20 Rv); ongenoegzame gronden. Proceskosten in cassatie.

Uitspraak

15 april 2016

Eerste Kamer

15/01044

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

De vennootschap naar vreemd recht ASTELLAS PHARMA INC.,gevestigd te Tokyo, Japan,

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. W.A. Hoyng,

t e g e n

SYNTHON B.V.,gevestigd te Nijmegen,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. R.P.J.L. Tjittes en mr. G.R. den Dekker.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Astellas en Synthon.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak C/09/441842/KG ZA 13-461 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 24 juli 2013;

b. het arrest in de zaak 200.134.315/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 november 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft Astellas beroep in cassatie ingesteld. Synthon heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Synthon heeft geconcludeerd tot verwerping van het principale beroep met betrekking tot de onderdelen 1 en 2 onder c en tot (gedeeltelijke) referte ten aanzien van de onderdelen 2 onder a en b en 3. Astellas heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele beroep, met veroordeling van Synthon in de kosten op de voet van art. 1019h Rv.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt in het principale cassatieberoep en in het incidentele cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van Astellas heeft bij brief van 24 december 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1–1.10. Deze komen, voor zover thans van belang, op het volgende neer.

(i) Astellas is houdster van een Europees octrooi voor een zogenaamd hydrogelpreparaat met aanhoudende afgifte (hierna: het octrooi). Het octrooi is wegens het bereiken van de maximale beschermingsduur geëxpireerd op 10 september 2013 (derhalve kort na het hierna in 3.2 genoemde vonnis in eerste aanleg in de onderhavige procedure).

(ii) Astellas heeft op diverse Europese markten producten aangetroffen waarvan in de bijsluiters Synthon als fabrikant wordt vermeld (hierna: de Synthon-producten).

3.2

In dit kort geding vorderde Astellas in eerste aanleg Synthon te verbieden om inbreuk op het octrooi te maken en om onrechtmatig te handelen door anderen in staat te stellen inbreuk op het octrooi te maken. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen en Astellas veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde van Synthon begroot op € 75.000,--.

3.3.1

Astellas heeft in hoger beroep, in verband met het feit dat het octrooi inmiddels was geëxpireerd, haar eis gewijzigd en gevorderd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en Synthon beveelt de namen en adressen van de producenten van de Synthon-producten te verstrekken, met veroordeling van Synthon in de proceskosten in beide instanties op de voet van art. 1019h Rv.

3.3.2

Het hof heeft iedere beslissing aangehouden totdat in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure onherroepelijk is beslist ter zake van de gestelde octrooi-inbreuk of onrechtmatig handelen door Synthon wegens verhandeling van de Synthon-producten, dan wel totdat die procedure anderszins definitief is geëindigd.

Het hof heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat Astellas geen spoedeisend belang heeft bij haar vordering tot verkrijging van informatie omtrent de identiteit van de producenten van Synthon-producten, zodat deze vordering reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt (rov. 4.1).

Voorts heeft het hof ten aanzien van de vordering van Astellas tot veroordeling van Synthon in de proceskosten in beide instanties, als volgt overwogen:

“4.2 (…) Niet bestreden is dat Astellas alleen al vanwege de proceskostenveroordeling in de eerste aanleg belang heeft bij haar hoger beroep en dus bij de beoordeling van het bestreden vonnis. In aanmerking nemend dat ook ten aanzien hiervan spoedeisend belang ontbreekt en – naar ter zitting is medegedeeld – een bodemprocedure over de inbreukvraag reeds aanhangig is, ziet het hof aanleiding de beoordeling van de grieven – waarbij Astellas uitsluitend nog belang heeft in het kader van de proceskostenveroordeling – en de beslissing ter zake van de gevorderde proceskosten aan te houden totdat in de bodemprocedure onherroepelijk is beslist, dan wel deze procedure anderszins definitief is beëindigd.”

3.4

De klachten van middel 1 van het principale beroep – dat gericht is tegen het oordeel in rov. 4.1 dat Astellas geen spoedeisend belang bij haar vordering heeft – kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.5

Zowel de middelen 2 en 3 van het principale beroep als het middel in het incidentele beroep zijn gericht tegen rov. 4.2 (hiervoor in 3.3.2 geciteerd). De in deze middelen aangevoerde klachten komen, naar de kern genomen, erop neer dat het hof ten onrechte spoedeisend belang heeft vereist voor de beoordeling of Astellas in eerste aanleg terecht in de proceskosten is veroordeeld, en ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, iedere beslissing heeft aangehouden totdat in de bodemprocedure onherroepelijk zal zijn beslist dan wel totdat de bodemprocedure op andere wijze is beëindigd.

3.6.1

Aan de beslissing tot aanhouding heeft het hof ten grondslag gelegd (i) dat spoedeisend belang ontbreekt bij beoordeling van het bestreden vonnis met het oog op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, en (ii) dat een bodemprocedure over de inbreukvraag reeds aanhangig is.

3.6.2

Met betrekking tot eerstgenoemde grond wordt als volgt overwogen. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad levert voor een partij die in eerste aanleg in de proceskosten is veroordeeld, deze veroordeling een voldoende belang op bij het instellen van hoger beroep tegen die uitspraak (HR 22 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9705, NJ 2007/188). Dat geldt tevens indien de appelrechter in kort geding oordeelt dat spoedeisend belang ontbreekt bij de in hoger beroep te beoordelen vordering. De appelrechter dient ook in een dergelijk geval te beslissen over de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling. Daartoe moet hij onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht is toe- of afgewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep (afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen) (vgl. HR 3 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1050, NJ 1993/714).

3.6.3

Het hof heeft evenwel niet miskend dat geen spoedeisend belang vereist is voor de vordering van Astellas tot vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter, voor zover zij daarin is veroordeeld in de proceskosten. De daarop gerichte rechtsklachten kunnen dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. De overweging van het hof dat Astellas weliswaar belang, maar geen spoedeisend belang heeft bij beoordeling van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, diende immers slechts ter motivering van zijn beslissing om de beoordeling van de grieven en de beslissing ter zake van de proceskosten voorlopig aan te houden.

3.7.1

Naar aanleiding van de klachten die gericht zijn tegen de aanhouding door het hof van zijn beslissing, wordt het volgende vooropgesteld.

Ingevolge art. 20 lid 1 Rv waakt de rechter tegen onredelijke vertraging van de procedure. Dat geldt ook in een kort geding, ongeacht of (nog) spoedeisend belang bestaat bij de aan de orde zijnde vorderingen. Dat brengt mee dat, indien partijen om uitspraak hebben verzocht en geen nadere instructie meer nodig is, de rechter in beginsel einduitspraak zal moeten doen. De rechter kan echter in bepaalde, door hem (in het proces-verbaal van de zitting of in een tussenuitspraak) te vermelden omstandigheden aanleiding zien de einduitspraak aan te houden. Zo is denkbaar dat de rechter in kort geding, in verband met de regel dat hij zijn uitspraak dient te richten naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure (HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1705, NJ 1996/462), zijn uitspraak – indien de spoedeisendheid daaraan niet in de weg staat – aanhoudt op de grond dat de uitspraak in de bodemprocedure binnenkort te verwachten valt.

3.7.2

In het onderhavige geval hadden beide partijen uitspraak gevraagd en was nadere instructie met het oog op het wijzen van een eindarrest kennelijk niet nodig. Mede gelet op de onbepaalde en daarom mogelijk (zeer) lange duur van de door het hof bepaalde aanhouding, zijn de aan zijn beslissing tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheden – dat het belang van Astellas bij beoordeling van de in eerste aanleg uitgesproken proceskostenveroordeling niet spoedeisend is en dat inmiddels een bodemprocedure over de inbreukvraag aanhangig is – in het licht van hetgeen hiervoor in 3.7.1 is overwogen, onvoldoende om die aanhouding te kunnen rechtvaardigen. De daarop gerichte klachten van de middelen in de beide beroepen zijn derhalve gegrond.

3.8

Nu de klachten van beide beroepen in zoverre gegrond zijn, worden partijen over en weer in het ongelijk gesteld. Hierin ziet de Hoge Raad aanleiding de kosten van het geding in cassatie aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Daaraan doet niet af dat Synthon zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad ter zake van de middelen 2, onder a en b, en 3 in het principale beroep. Synthon heeft hieraan immers de clausulering verbonden dat haar referte zich niet uitstrekt tot de door Astellas aan het slagen van die middelen verbonden gevolgtrekkingen. Mede blijkens haar schriftelijke toelichting (onder 22 en 25) kan volgens Synthon het slagen van de onderdelen 2 (onder a) en 3 (onder a) in het principale beroep niet ertoe leiden dat het vonnis van de voorzieningenrechter alsnog vernietigd wordt op de grond dat de vordering van Astellas ten onrechte is afgewezen. Dit standpunt van Synthon is echter onjuist, omdat die kwestie na verwijzing nog openstaat, hetgeen vervolgens van belang is voor het oordeel omtrent de proceskostenveroordeling van zowel de eerste aanleg als het hoger beroep.

4 Beslissing