Home

Hoge Raad, 04-02-2000, AA4728, C98/177HR

Hoge Raad, 04-02-2000, AA4728, C98/177HR

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
4 februari 2000
Datum publicatie
13 augustus 2001
ECLI
ECLI:NL:HR:2000:AA4728
Formele relaties
Zaaknummer
C98/177HR

Inhoudsindicatie

-

Uitspraak

4 februari 2000

Eerste Kamer

Nr. C98/177HR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser], wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2] PARTICIPATIE B.V., gevestigd te [woonplaats],

3. STICHTING [eiser 3], gevestigd te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr M.A. Leijten,

t e g e n

[verweerster] BEHEER B.V.,

gevestigd te Kruiningen, gemeente Reimerswaal,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr E. van Staden ten Brink.

1. Het geding in voorgaande instanties

De Hoge Raad verwijst voor het verloop van het geding in voorgaande instanties tussen eisers tot cassatie - verder te noemen: [eisers] - en verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - naar zijn arrest van 26 januari 1996, NJ 1996, 361. Bij dat arrest heeft de Hoge Raad [eisers] niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoep tegen het tussenarrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 november 1994.

Nadat de zaak weer ter rolle van Hof was aangebracht, hebben ingevolge voormeld tussenarrest getuigenverhoren plaatsgevonden.

Bij arrest van 25 februari 1998 heeft het Hof het tussenvonnis van de Rechtbank te Middelburg van 12 mei 1993 vernietigd, voor zover het principaal beroep daartegen is gericht, en het incidenteel beroep verworpen. Voorts heeft het Hof de tussen [verweerster] enerzijds en [eiser] en [eiser 2] Participatie B.V. anderzijds op 26 juni 1992 gesloten overeenkomst van koop en verkoop van de aandelen [eiser] Holding B.V., thans Provamo Holding B.V., gevestigd te [woonplaats], ontbonden, [eiser] en [eiser 2] Participatie B.V. veroordeeld tot medewerking aan de teruglevering van aandelen aan hen door [verweerster] tegen betaling van een bedrag van ƒ 900.000,-- aan [verweerster], zulks binnen twee dagen na betekening van dit arrest bij akte, te verlijden voor de in het dictum van dit arrest genoemde notaris, diens plaatsvervanger of opvolger op een door deze te bepalen tijd en plaats, op verbeurte van een dwangsom van ƒ 50.000,-- per dag. Ten slotte heeft het Hof [eiser] en [eiser 2] Participatie B.V., des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, veroordeeld om aan [verweerster] te betalen een bedrag van ƒ 1.400.000,-- met de wettelijke rente conform de wet, en de zaak ter verdere behandeling teruggewezen naar de Rechtbank te Middelburg.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het tweede geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 De Hoge Raad verwijst voor de feiten waarvan in cassatie kan worden uitgegaan, naar zijn hiervoor onder 1 genoemde arrest van 26 januari 1996, nr. 15.885, NJ 1996, 361.

3.2 Het Hof heeft in zijn arrest van 25 februari 1998, kort samengevat en voorzover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld.

[Eisers] zijn niet geslaagd in het hun opgedragen bewijs. Dat leidt ertoe dat de overwegingen 7 tot en met 11 van het tussenarrest van 9 november 1994 - waarin voorshands is aangenomen dat [eisers] toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van een aantal verbintenissen, waardoor [verweerster] schade heeft geleden zodat op grond daarvan ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd is - worden gehandhaafd. Het beroep op de redelijkheid en billijkheid ter afwering van de vordering tot ontbinding gaat niet op. Er bestaat geen grond voor een “beperkte lezing” van de garantiebepalingen in die zin (i) dat zij slechts een verplichting tot schadevergoeding scheppen, (ii) dat eerst bij schending van die verplichting een tekortkoming optreedt en (iii) dat ontbinding is uitgesloten. [Eisers] moeten meewerken aan de teruglevering van de aandelen. De contractsbepalingen f en g brengen mee dat [eisers] hoofdelijk verbonden zijn. De vordering tot betaling van ƒ 1.400.000,-- is dadelijk toewijsbaar, nu tot die totale som - naar uit een accountantsrapport blijkt en door [eisers] is erkend - na de overname bedragen in Provamo Holding B.V. en in Provamo B.V. zijn gestort.

3.3 Het eerste middel, dat uit twee onderdelen bestaat, bestrijdt de betekenis die het Hof heeft toegekend aan de garantiebepalingen in de koopovereenkomst van de aandelen.

Het eerste onderdeel betoogt dat de aard en de strekking van die bepalingen in het algemeen meebrengen dat er pas van een tekortkoming sprake is als de aan de garantie verbonden verplichting tot schadevergoeding niet wordt nagekomen.

Het onderdeel faalt, omdat aan het begrip garantie te dezen niet een vaste betekenis toekomt. De vraag of de onderhavige garantiebepalingen de door [eisers] gestelde aard en strekking hebben, moet worden beantwoord door de uitleg ervan, waarbij het aankomt op de zin die partijen bij de overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs daaraan mochten toekennen en op hetgeen zij redelijkerwijs te dien aanzien van elkaar mochten verwachten.

Onderdeel 2 van het middel bestrijdt de uitleg van het Hof met een motiveringsklacht. De uitleg die het Hof aan de onderhavige bepalingen heeft gegeven, is echter niet onbegrijpelijk. Het oordeel van het Hof is toereikend gemotiveerd en kan in cassatie voor het overige niet op juistheid worden getoetst omdat de uitleg van contractuele bepalingen is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.

Het eerste middel kan dus niet tot cassatie leiden.

3.4 Het tweede middel keert zich tegen de verwerping door het Hof van de stelling van [eisers] dat hun tekortkoming de ontbinding van de overeenkomst niet rechtvaardigt.

Het eerste onderdeel van het middel berust kennelijk op de stelling dat naar huidige rechtsopvattingen van de mogelijkheid van ontbinding van een overeenkomst wegens een tekortkoming in de nakoming van een contractuele verbintenis een terughoudend gebruik moet worden gemaakt in dier voege, dat ook indien zich niet het geval voordoet dat wegens de bijzondere aard of geringe betekenis van de tekortkoming - als bedoeld in art. 6:265 lid 1 BW - ontbinding ongerechtvaardigd is, het de schuldeiser niet vrijstaat te kiezen voor ontbinding van de overeenkomst wanneer aan hem een voor de schuldenaar minder bezwaarlijke mogelijkheid van redres ter beschikking staat. Deze stelling kan niet als juist worden aanvaard, zodat het onderdeel faalt.

Anders dan onderdeel 2 verdedigt, is er ook geen grond om in het geval van een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst strekkende tot overdracht van (de aandelen in) een onderneming, de bevoegdheid tot ontbinding verder te beperken dan in art. 6:265 lid 1 is voorzien. Wel kan de aard van een dergelijke overeenkomst van invloed zijn op de vraag of de tekortkoming voldoende ernstig is om ontbinding te rechtvaardigen.

Het derde onderdeel strekt ten betoge dat ontbinding niet is gerechtvaardigd, omdat de onderhavige overeenkomst (wat de hoofdverplichtingen van de koper en de verkoper betreft) volledig was uitgevoerd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag, nu het Hof heeft vastgesteld dat er aan de zijde van [eisers] sprake is van een (ernstige) toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen. Voorzover het onderdeel betoogt dat ontbinding na uitvoering van de overeenkomst niet of slechts onder bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd is, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.

Het vierde onderdeel van het middel bevat een rechtsklacht met betrekking tot het oordeel van het Hof dat ondanks de zwaarwegende gevolgen van de ontbinding van de overeenkomst in een geval als het onderhavige een beroep op de redelijkheid en billijkheid ter afwering van de ontbinding slechts “in beperkte mate” mogelijk is. Het bestreden oordeel van het Hof moet aldus worden begrepen dat uit de bewoordingen en de ontstaangeschiedenis van artikel 6:265 BW blijkt dat in geval van tekortkoming een vordering tot ontbinding van de overeenkomst toewijsbaar is, tenzij de bijzondere aard of de geringe betekenis van de tekortkoming daaraan in de weg staat, zodat voor de werking van de redelijkheid en billijkheid te dezer zake slechts een beperkte ruimte is opengelaten. Dit oordeel is juist, zodat het onderdeel faalt.

Het vijfde onderdeel ziet eraan voorbij dat het Hof heeft geoordeeld dat [eisers] geen omstandigheden hebben gesteld en te bewijzen aangeboden als in rov. 9 van zijn eindarrest bedoeld. Dit oordeel houdt in dat [eisers] niet voldoende zwaarwegende omstandigheden hebben gesteld die de grondslag kunnen vormen voor een afwijzing van de gevraagde ontbinding, zodat er ook geen grond bestaat hen tot bewijs toe te laten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en het kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie voor het overige niet op juistheid worden getoetst. Daarop strandt ook onderdeel 7 van het middel.

Het zesde onderdeel faalt, omdat het faillissement van Provamo B.V. niet een omstandigheid is die aan ontbinding van de overeenkomst in de weg staat.

Het achtste onderdeel mist feitelijke grondslag voorzover het betoogt dat het Hof de daarin bedoelde regels met betrekking tot de ongedaanmaking van de prestatie heeft miskend. Dat blijkt niet uit de - in het licht van de vastgestelde omstandigheden met betrekking tot de tekortkoming toereikende - motivering van het Hof.

Middel 2 treft geen doel.

3.5 Middel 3 kan niet tot cassatie leiden, nu het Hof blijkens het dictum van zijn arrest de hoofdelijkheid alleen van toepassing heeft geacht ten aanzien van de veroordeling tot schadevergoeding.

3.6 De onderdelen 2 en 3 van middel 4 treffen doel, zodat onderdeel 1 onbesproken kan blijven. [Eisers] hebben in dit geding gemotiveerd betwist dat de hiervóór aan het slot van 3.2 bedoelde stortingen een schade opleveren die het gevolg is van de in dit geding bedoelde tekortkoming van [eisers] in de nakoming van hun verbintenis. Zonder een nadere motivering, die echter ontbreekt, is onbegrijpelijk waarom het Hof dit causale verband aanwezig heeft geacht. Voorts is onbegrijpelijk dat het Hof in de stellingen van [eisers] met betrekking tot het rapport van Coopers & Lybrand en de storting van het bedrag van ƒ 1.400.000,-- een erkenning heeft gelezen, nu die stellingen er geen twijfel over laten bestaan dat het standpunt van [verweerster] Beheer wordt bestreden.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep voorzover het is gericht tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 november 1994;

vernietigt het arrest van dat Hof van 25 februari 1998;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op ƒ 8.985,53 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Roelvink als voorzitter en de raadsheren Herrmann, Van der Putt-Lauwers, De Savornin Lohman en Hammerstein,

en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 4 februari 2000.