Home

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 04-12-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3722, 18/00636

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 04-12-2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:3722, 18/00636

Gegevens

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
4 december 2020
Datum publicatie
8 december 2020
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2020:3722
Zaaknummer
18/00636

Inhoudsindicatie

Verzetszaak. Het hof heeft belanghebbende in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het door belanghebbende verschuldigde griffierecht niet betaald is binnen de daarvoor in de wet gestelde termijn. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht. Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet slaagt in haar beroep op betalingsonmacht, omdat de directeur-grootaandeelhouder in staat kon en moest worden geacht belanghebbende de financiële middelen te verstrekken om het wettelijke verschuldigde griffierecht te voldoen.

Uitspraak

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 18/00636

Uitspraak op het verzet van

[belanghebbende] ,

gevestigd in [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van het hof als bedoeld in artikel 8:54, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 14 mei 2020 (hierna: de uitspraak) op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 september 2018, nummer BRE 18/1947, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2020 te ’s-Hertogenbosch. Daar is verschenen en gehoord, namens belanghebbende, [A] . De inspecteur is met bericht van verhindering niet verschenen.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

Belanghebbende heeft vóór de zitting een pleitnota met drie bijlagen toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. De pleitnota wordt met instemming van belanghebbende geacht ter zitting te zijn voorgelezen.

De gronden

1. Het hof heeft belanghebbende in de uitspraak niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat het door belanghebbende verschuldigde griffierecht niet betaald is binnen de daarvoor door de wet gestelde termijn.

2. Belanghebbende is tijdig in verzet gekomen tegen de uitspraak.

3. Als uitgangspunt geldt dat van de indiener van het hoger beroepschrift door de griffier van het hof een griffierecht wordt geheven van € 5081. De griffier wijst de indiener van het hoger beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling moet zijn bijgeschreven op de rekening van het hof, dan wel ter griffie moet zijn gestort.2 Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4. Naar aanleiding van het hoger beroep dat op 14 november 2018 door belanghebbende is ingesteld, is met dagtekening 17 november 2018 een nota griffierecht tot een bedrag van € 508 aan belanghebbende verzonden.

5. Belanghebbende heeft bij brief van 15 december 2018 een beroep op betalingsonmacht gedaan (hierna tevens: het verzoek). Het hof heeft ter zake van het verzoek een aantal vragen gesteld die op 1 februari 2019 door belanghebbende zijn beantwoord.

6. Het verzoek is bij brief van 14 februari 2019 voorlopig afgewezen. In de brief wordt vermeld dat belanghebbende een nieuwe nota griffierecht ontvangt.

7. De nieuwe nota griffierecht is op 27 juli 2019 naar belanghebbende verzonden. In de nota is vermeld dat het verschuldigde griffierecht van € 508 uiterlijk op 24 augustus 2019 dient te zijn bijgeschreven op de in de nota vermelde bankrekening. Deze nota is op 9 augustus 2019 terugontvangen.

8. De betalingsherinnering voor het griffierecht is op 25 augustus 2019 per aangetekende post verzonden naar het adres van belanghebbende. Deze betalingsherinnering is op 29 augustus 2019 terugontvangen met de vermelding ‘vertrokken’. De griffier van het hof heeft vervolgens het adres van belanghebbende gecontroleerd in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Uit de verkregen informatie bleek dat het op de betalingsherinnering vermelde adres juist was, waarop de griffier de betalingsherinnering op 30 augustus 2019 nogmaals per gewone brief aan belanghebbende heeft verzonden.3

9. Belanghebbende heeft het griffierecht niet op de uiterlijke betaaldatum voldaan. Niet-ontvankelijkheidverklaring kan dan nog slechts achterwege blijven, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest.

10. Belanghebbende heeft in haar verzetschrift geen redenen aangevoerd op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat zij ten aanzien van de tijdige betaling van het griffierecht niet in verzuim is geweest. Wel geeft belanghebbende aan dat het hof er, gelet op het beroep op betalingsonmacht, bekend mee had moeten zijn dat de financiële positie van de aandeelhouder van belanghebbende als technisch failliet moet worden beschouwd. Het hof begrijpt het betoog van belanghebbende dat zij van mening is dat het beroep op betalingsonmacht ten onrechte niet is gehonoreerd.

11. De Hoge Raad heeft in het arrest van 28 maart 20144 beslist dat een natuurlijk persoon bij niet-betaling van het griffierecht niet in verzuim is in gevallen waarin heffing van het griffierecht het voor de rechtzoekende onmogelijk, althans uiterst moeilijk, maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang (hierna: in gevallen waarin hij in betalingsonmacht verkeert). De Hoge Raad heeft in het arrest van 20 februari 20155 richtlijnen gegeven waaraan rechters zich moeten houden bij het antwoord op de vraag of een natuurlijk persoon in betalingsonmacht verkeert. In de uitspraak van het hof van 20 februari 20166 is geoordeeld dat rechtspersonen eveneens in betalingsonmacht kunnen verkeren.

12. In het onderhavige geval loopt de periode die van belang is voor de beoordeling van het beroep op betalingsonmacht van 17 november 2018 tot 15 december 2018.7 Belanghebbende stelt dat zij vanaf 30 november 2018 geen bezittingen meer had. Ter onderbouwing van die stelling heeft belanghebbende een bankafschrift overgelegd dat betrekking heeft op de periode van 1 december 2018 tot en met 30 december 2018. Daaruit blijkt dat er in die periode geen geld op haar naam gestelde bankrekening stond en dat er geen mutaties hebben plaatsgevonden. Belanghebbende heeft eveneens een (voorlopige) resultatenrekening voor 2017 en 2018 overgelegd. Het (geprognotiseerde) resultaat voor die jaren bedraagt nihil. Op grond van deze omstandigheden acht het hof aannemelijk dat belanghebbende zelf niet over voldoende inkomen of vermogen beschikte om het griffierecht mee te kunnen voldoen.

13. Dat betekent echter nog niet dat belanghebbende in betalingsonmacht verkeert in de hierboven vermelde zin. Daarvoor moet worden beoordeeld of er een natuurlijke persoon is die in staat moeten worden geacht om aan belanghebbende de financiële middelen te verstrekken om het verschuldigde griffierecht te voldoen,8 zoals de aandeelhouder(s) en/of de bestuurder(s) van de rechtspersoon. Gegeven het feit dat de aandelen in belanghebbende (indirect) worden gehouden door één aandeelhouder die tevens enig bestuurder is, te weten de gemachtigde van belanghebbende, heeft het hof hem verzocht te onderbouwen dat hij in de periode van 17 november 2018 tot 15 december 2018 in betalingsonmacht verkeerde.

14. De richtlijnen die de Hoge Raad gegeven heeft voor het aannemen van betalingsonmacht gelden alleen voor betalingsonmacht bij natuurlijke personen. Voor betalingsonmacht bij rechtspersonen heeft de Hoge Raad geen richtlijnen gegeven. Het ligt naar het oordeel van het hof voor de hand om voor het antwoord op de vraag of de directeur-grootaandeelhouder in staat is om het bedrag van het griffierecht aan belanghebbende te verstrekken zoveel mogelijk aan te sluiten bij de door de Hoge Raad gegeven richtlijnen voor natuurlijke personen. Hierbij is de gezinssamenstelling niet van belang en dient het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld.9Het voorgaande brengt het hof tot de volgende uitgangspunten:

( i) de rechtspersoon is geen griffierecht verschuldigd indien de natuurlijke persoon als bedoeld in 13 aannemelijk maakt dat, in de periode waarin betaald moest worden, het netto-inkomen waarover hij of zij maandelijks kon beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm;

(ii) indien het maandelijkse netto-inkomen van de natuurlijke persoon als bedoeld in 13 hoger was dan de eerder genoemde 90%-norm, dient het meerdere te worden aangewend om griffierecht te voldoen; en

(iii) indien het maandelijkse netto-inkomen van de natuurlijke persoon als bedoeld in 13 hoger was dan de eerder genoemde 90%-norm, dient ten minste aan griffierrecht te worden voldaan het bedrag aan griffierecht dat geldt voor natuurlijke personen.

(iv) indien de natuurlijke persoon als bedoeld in 13 beschikte over vermogen, is griffierecht verschuldigd indien en voor zover dat vermogen toereikend was om daaruit griffierecht te voldoen, waarbij als ondergrens geldt het tarief dat van natuurlijke personen wordt geheven.

De hiervoor vermelde uitgangspunten onder (ii) en (iv) kunnen er dus toe leiden dat van rechtspersonen ook een gedeelte van het voor rechtspersonen geldende griffierecht kan worden geheven.

15. Met inachtneming van het voorgaande heeft het hof in het onderhavige geval beoordeeld of het inkomen en vermogen van de directeur-grootaandeelhouder en diens fiscale partner in de periode waarin het griffierecht betaald moest worden toereikend was voor voldoening van ten minste het tarief voor natuurlijke personen. Uit de overgelegde aangifte inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2017 blijkt dat het netto-maandinkomen van de directeur-grootaandeelhouder en diens fiscale partner in 2017 minimaal € 2.000 bedroeg. Ter zitting heeft de directeur-grootaandeelhouder bevestigd dat hij niet over nadere financiële gegevens beschikt om zijn verzoek te onderbouwen. Het hof neemt, bij een gebrek aan nadere onderbouwing voor het jaar 2018, aan dat het inkomen in 2018 niet significant afweek van het daaraan voorafgaande jaar. De directeur-grootaandeelhouder heeft aangegeven dat hij een betalingsregeling heeft met het UWV en uit dien hoofde maandelijks € 50 dient (terug) te betalen. Gelet op de verklaring van de directeur-grootaandeelhouder dat deze betalingsregeling in 2018 reeds van kracht was, zal het hof uitgaan van een (gezamenlijk) netto-maandinkomen van € 1.950. De bijstandsnorm voor gehuwden / samenwonenden bedroeg per 1 juli 2018 € 1.423,66 netto per maand; 90% daarvan is € 1.281,30. Het inkomen van de directeur-grootaandeelhouder en diens partner gaat het bedrag van 90% van de bijstandsnorm te boven met € 668,70 per maand. Uitgaande van de betalingsperiode van vier weken om het griffierecht te voldoen, is het hof van oordeel dat de directeur-grootaandeelhouder in staat kon en moest worden geacht belanghebbende de financiële middelen te verstrekken om het wettelijke verschuldigde griffierecht voor rechtspersonen van € 508 te voldoen. Het hof wijst daarom het verzoek om betalingsonmacht af.

16. Nu belanghebbende niet slaagt in haar beroep op betalingsonmacht, oordeelt het hof dat belanghebbende met het achterwege laten van betaling van het griffierecht in verzuim was en het verzet als ongegrond dient te worden afgewezen.

De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

De beslissing

Het hof verklaart het verzet ongegrond.

Aldus gedaan door J.M. van der Vegt, in tegenwoordigheid van A.S. van Middelkoop, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op 4 december 2020 aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303

2500 EH Den Haag

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.