Home

Gerechtshof Leeuwarden, 15-03-2010, BL7563, 24-002560-09

Gerechtshof Leeuwarden, 15-03-2010, BL7563, 24-002560-09

Inhoudsindicatie

Artikel 6 WVW. Verkeersongeval met 2 dodelijke slachtoffers. Begrip roekeloos a.b.i. art. 175 WVW heeft feitelijke betekenis en moet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Gemotiveerde vrijspraak 'roekeloos'.

Uitspraak

Parketnummer: 24-002560-09

Parketnummer eerste aanleg: 19-830123-09

Arrest van 15 maart 2010 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 29 september 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in P.I. Noord - De Grittenborgh te Hoogeveen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Assen heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven en een overtreding veroordeeld tot straffen en heeft beslist op de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen en heeft schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ten aanzien van de feiten 1 meer subsidiair, 2 en 3 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar en 3 maanden, dat het hof verdachte ten aanzien van feit 1 meer subsidiair de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal ontzeggen voor de duur van 5 jaar en dat het hof verdachte ten aanzien van feit 4 zal veroordelen tot een geldboete van € 250,-, subsidiair 5 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel zal toewijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, overeenkomstig de in eerste aanleg gewijzigde tenlastelegging, ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 8 mei 2009, te [plaats 1], althans in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk en wederrechtelijk een motorvoertuig, te weten een (bedrijfs)auto, merk VW Golf, toebehorende aan [slachtoffer 1], althans aan een ander dan aan verdachte, en welke auto in de periode van 7 mei 2009 tot en met 8 mei 2009 te [plaats 2] in de gemeente [gemeente 2] (door verdachte en/of (een) onbekend gebleven perso(o)n(en)) is weggenomen/ontvreemd, heeft doen verongelukken en/of heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet, terwijl hem niet door de bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven die bedrijfsauto bestuurd, waarbij

- in de laadruimte van die (bedrijfs)auto, die ongeschikt was voor het vervoer van personen, twee personen vervoerd werden en/of

- passagiers werden vervoerd, terwijl ze geen deugdelijke gordels om hadden en/of

- hij, verdachte onder invloed was van alcohol en/of cannabis en/of amfetamine was en aldus in een toestand verkeerde, als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994,

en aldus rijdende over de weg, de [straat 1], met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u, op een gegeven moment de controle over de door hem bestuurde (bedrijfs)auto heeft verloren en/of daarbij (vervolgens) met de door hem bestuurde (bedrijfs)auto in de linker berm van die weg is terechtgekomen en daarbij (vervolgens) tegen een in die berm staande boom is gebotst,

waardoor die (bedrijfs)auto is verongelukt en/of werd vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

terwijl daarbij levensgevaar voor een ander of anderen, te weten de inzittende(n) van die (bedrijfs)auto en/of mede-weggebruikers te duchten was, en welk feit de dood van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] tot gevolg heeft gehad;

althans, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 8 mei 2009, te [plaats 1], althans in de gemeente [gemeente 1], opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet een bedrijfsauto (Volkswagen Golf met (grijs) kenteken [kenteken]) bestuurd, terwijl hem niet door de bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven, waarbij

- in de laadruimte van die (bedrijfs)auto, die ongeschikt was voor het vervoer van personen, twee personen vervoerd werden en/of

- passagiers werden vervoerd, terwijl ze geen deugdelijke gordels om hadden en/of

- hij, verdachte onder invloed was van alcohol en/of cannabis en/of amfetamine was en aldus in een toestand verkeerde, als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994,

aldus rijdende over de weg, de [straat 1], met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u, op een gegeven moment de controle over de door hem bestuurde (bedrijfs)auto heeft verloren en/of daarbij (vervolgens) met de door hem bestuurde (bedrijfs)auto in de linker berm van die weg is terechtgekomen en daarbij (vervolgens) tegen een in die berm staande boom is gebotst,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zijn/is overleden;

althans, indien ook terzake van het laatstvermelde geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 8 mei 2009, te [plaats 1], althans in de gemeente [gemeente 1], als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een (bedrijfs)auto, merk VW Golf, daarmede rijdende over de [straat 1], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, te weten een aanrijding/botsing tussen de/het door hem, verdachte bestuurd(e) (bedrijfs)auto/motorrijtuig en een boom heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, immers heeft verdachte, terwijl hem niet door de bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven die bedrijfsauto bestuurd, waarbij

- in de laadruimte van die (bedrijfs)auto, die ongeschikt was voor het vervoer van personen, twee personen vervoerd werden en/of

- passagiers werden vervoerd, terwijl ze geen deugdelijke gordels om hadden en/of

- hij, verdachte onder invloed was van alcohol en/of cannabis en/of amfetamine was en aldus in een toestand verkeerde, als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994,

en aldus rijdende over de weg, de [straat 1], met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u, op een gegeven moment de controle over de door hem bestuurde (bedrijfs)auto heeft verloren en/of daarbij (vervolgens) met de door hem bestuurde (bedrijfs)auto in de linker berm van die weg is terechtgekomen en daarbij (vervolgens) tegen een in die berm staande boom is gebotst,

tengevolge van welke aanrijding/botsing [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] werd(en) gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede en/of derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij in of omstreeks de periode van 7 mei 2009 tot en 8 mei 2009, te [plaats 2] in de gemeente [gemeente 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (bedrijfs)auto (merk: VW Golf), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de weg te nemen auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 08 mei 2009 in de gemeente [gemeente 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij tankstation "[bedrijf]) aan/nabij de [straat 2], heeft weggenomen een hoeveelheid diesel, althans brandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of tankstation "[bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 08 mei 2009 in de gemeente [gemeente 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een hoeveelheid diesel, in elk geval een hoeveelheid brandstof, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] en/of tankstation [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke benzine verdachte en/of zijn mededader(s) bij een voor zelfbediening ingerichte benzinepompinstallatie, gelegen aan de [straat 2], had(den) getankt, onder gehoudenheid die benzine te betalen en welke benzine verdachte en/of zijn mededader(s) aldus anders dan door misdrijf onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft toege?igend;

4.

hij op of omstreeks 08 mei 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], als bestuurder van een motorrijtuig (auto) heeft gereden op de weg, de [straat 1], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat het hoger beroep van het openbaar ministerie niet ziet op het onder 1 primair tenlastegelegde opzettelijk doen verongelukken van een voertuig. De advocaat-generaal heeft derhalve gevorderd dat het hof verdachte hiervan zal vrijspreken. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair tenlastegelegde op de grond dat de rechtbank, evenals de officier van justitie en verdachte en diens raadsman, met name niet bewezen acht dat verdachte de bedrijfsauto opzettelijk heeft doen verongelukken. Het hof oordeelt dienovereenkomstig en zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof verdachte zal vrijspreken van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde doodslag. De advocaat-generaal heeft hiertoe aangevoerd dat uit de wijze van rijden niet kan worden afgeleid dat er bij verdachte sprake is geweest van opzet gericht op de levensberoving van [slachtoffer 2]. en [slachtoffer 3], ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn wijze van rijden anderen het leven zouden verliezen. Voor het bewijs van opzet is er te weinig bekend over de wijze van rijden van verdachte kort voor de botsing tegen de boom en over de reden voor verdachte om steeds verder naar links te gaan en uiteindelijk tegen de boom te botsen. De bewijsmiddelen maken wel duidelijk dat verdachte verkeerde onder invloed van diverse middelen, namelijk alcohol, speed en hennep. Het gezamenlijke gebruik van deze middelen is onverenigbaar met het besturen van een motorrijtuig. Uit dit gebruik mag, aldus de advocaat-generaal, ook worden afgeleid dat verdachte niet tot behoorlijk besturen in staat was. Uit deze toestand van de bestuurder kan echter niet het vereiste opzet worden afgeleid. Dat opzet moet als het ware van de wijze van rijden kunnen worden afgelezen (de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging). Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte, in relatie tot de botsing tegen de boom, bewust een groot risico heeft genomen of bewust zijn rijgedrag heeft doorgezet in een situatie waarin hij, juist vanwege de gevaarlijkheid van dat rijgedrag, zijn rijgedrag had moeten aanpassen.

Het hof constateert dat de raadsman zich met het standpunt van de advocaat-generaal verenigt. Het hof is van oordeel dat in de gedragingen van verdachte, die bestaan uit het middelengebruik en het rijgedrag van verdachte, niet het bewijs voor opzet kan worden gevonden ook niet in een voorwaardelijke vorm. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde.

Gelet op het bovenstaande zal het hof verdachte vrijspreken van hetgeen hem onder 1 primair en subsidiair is ten laste gelegd.

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 1 meer subsidiair

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het weggedrag van verdachte voorafgaand aan het ongeval dient te worden aangemerkt als roekeloos. De advocaat-generaal betrekt hierbij, naast de in de tenlastelegging genoemde gedragingen, met name gedragingen die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen en die zich voorafgaande aan de fatale rit hebben voorgedaan.

Het hof overweegt het volgende.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , dient acht te worden geslagen op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van die gedragingen alsmede de overige omstandigheden van het geval. Met de term roekeloosheid in de zin van artikel 175 van de Wegenverkeerswet wordt gedoeld op de zwaarste vorm van schuld. Het gaat dan om gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen.

In de onderhavige zaak leidt het hof uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af.

Verdachte, die niet in het bezit is van een rijbewijs, is op 8 mei 2009 met zijn neven [slachtoffer 3] en [slachtoffer 3] en met zijn nicht [slachtoffer 2] in een gestolen bedrijfsauto naar [plaats 3] gereden. Daar hebben zij bier, weed en speed gebruikt. 's Avonds zijn ze weer terug gereden richting [plaats 4]. Verdachte was de bestuurder van de auto. Op de passagiersstoel naast hem zat zijn nicht. Zij had geen gordel om. Achterin de bedrijfsauto, die geen achterbank heeft, zaten of lagen zijn neven. Op de [straat 1] te [plaats 1] reed verdachte sneller dan de toegestane snelheid van 50 kilometer per uur. Verdachte is om onbekende reden de controle over de auto verloren, in de linkerberm terecht gekomen en vervolgens tegen een in die berm staande boom gebotst. Ten gevolge van deze botsing zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] overleden.

Verdachte heeft na het ongeval meegewerkt aan een bloedonderzoek. Uit het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) blijkt dat het alcoholgehalte van het bloed van verdachte 0,55 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg. Voorts blijkt uit het toxicologisch onderzoek van het NFI dat in het bloed van verdachte (omzettingsproducten van) drugs en/of geneesmiddelen, die de rijvaardigheid kunnen be?nvloeden, zijn aangetoond, te weten cannabino?den THC en 11-OH-THC. Op grond van de concentratie van THC in het bloed en de onderlinge verhoudingen van cannabino?den kan worden geconcludeerd dat ten tijde van de bloedafname de rijvaardigheid waarschijnlijk negatief be?nvloed was.

Ook blijkt uit dit onderzoek dat in het bloed van verdachte een aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van amfetamine in een lage concentratie, maar dat de stof niet met zekerheid is aangetoond.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat verdachte roekeloos heeft gereden als bedoeld in artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994 waarin deze vorm van schuld als strafverzwarende omstandigheid is aangeduid.

De advocaat-generaal heeft aangegeven dat voor het aannemen van roekeloosheid sprake moet zijn van een bewustheid van het risico van ernstige gevolgen. Daarbij kan ook het gedrag van verdachte voorafgaand aan het ongeval in aanmerking worden genomen. Het gedrag van verdachte wijst volgens de advocaat-generaal op een vorm van lichtzinnig wegwuiven van gevaren in het wegverkeer met de kennelijke gedachte dat het toch wel goed zal gaan.

De gedragingen die de advocaat-generaal aan zijn standpunt ten grondslag heeft gelegd bestaan uit:

- Het dagenlang in een staat van dronkenschap verkeren; zo heeft verdachte gezegd dat hij in de tijd dat hij de auto onder zich had op niets anders heeft geleefd dan bier zonder in de tussentijd iets te eten en zonder fatsoenlijk zijn roes uit te slapen;

- Het gebruik van hennep en het verkeren onder invloed van hennep ten tijde van het rijden;

- Het gebruik van speed voorafgaande aan het rijden;

- Het op de dag van het ongeval en de dag daarvoor in een staat van onbekwaamheid voortdurend rijden met de auto over grotere afstanden;

- Eerder die avond hebben verdachte en [slachtoffer 3] gesproken over het besturen van de auto in verband met het verkeren onder invloed van middelen. Verdachte heeft er toen bewust voor gekozen om te gaan rijden, niet omdat hij zich daartoe beter in staat achtte, maar uit boosheid, omdat hij niet werd toegelaten in een woning.

Het hof merkt op dat een aantal van de door de advocaat-generaal genoemde gedragingen niet in de tenlastelegging zijn opgenomen, dit terwijl in de appelschriftuur het standpunt van het openbaar ministerie voor het vaststellen dat er sprake is van roekeloosheid wordt gewezen op in de tenlastelegging genoemde omstandigheden. Desgevraagd heeft de advocaat-generaal ter zitting toegelicht dat het begrip roekeloos feitelijke betekenis heeft en dat dit kan worden afgeleid uit de bewijsmiddelen en dat dit geen uitwerking behoeft in de tenlastelegging.

Het hof is van oordeel dat dit standpunt steun vindt in de memorie van toelichting van de Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima (28484 nr 3 bladzijde 11) waar de Minister in reactie op het advies van de Raad van State aangeeft dat in het begrip roekeloosheid feitelijke en normatieve elementen samenkomen. Voorts valt uit jurisprudentie van de Hoge Raad af te leiden dat aan het begrip 'roekeloosheid' feitelijke betekenis toekomt en dat het als zodanig waarderen van gedragingen uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid, waarbij het aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (vergelijk HR 10-09-1991, LJN: AC1605 en zie HR 01-06-2004, LJN: AO5822).

Gelet op het voorgaande zal het hof dan ook de door de advocaat-generaal genoemde gedragingen beoordelen waarbij het hof opmerkt dat het de vraag kan zijn - indien het om essenti?le gedragingen zou gaan voor de vaststelling van roekeloosheid - in hoeverre de beginselen van fair trial deze zienswijze zouden moeten begrenzen nu deze omstandigheden voor het eerst in hoger beroep in het requisitoir zijn opgevoerd en in de wijze van tenlastelegging een keuze lijkt te zijn gemaakt om met een nadere feitelijke omschrijving reeds invulling te geven aan deze begrippen.

Het hof is van oordeel dat van de door de advocaat-generaal genoemde gedragingen uitsluitend het gebruik van hennep en het gebruik van speed valt af te leiden. Door de advocaat-generaal is niet aangegeven uit welke bewijsmiddelen de andere gedragingen zouden blijken, anders dan de eigen verklaringen van verdachte. Het hof kan uit het proces-verbaal en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen niet wettig en overtuigend bewijzen dat verdachte dagenlang in staat van dronkenschap verkeerde noch dat verdachte in staat van onbekwaamheid verkeerde noch dat boosheid verdachte tot zijn keuze bracht om te gaan rijden. Voor het vaststellen van een staat van dronkenschap is meer nodig dan het gebleken alcoholgebruik en de staat van onbekwaamheid om te rijden blijkt niet uit eerder rijgedrag of verklaringen van verdachte en de overlevende inzittende. Verdachte heeft de hele tijd als bestuurder opgetreden en de boosheid waar de advocaat-generaal aan refereert kan daarom niet gezien worden als een van belang zijnde factor om als bestuurder te gaan optreden.

De door het hof wel bewezen te achten gedragingen die ook in de tenlastelegging zijn omschreven, leveren in samenhang bezien naar het oordeel van het hof geen roekeloos rijgedrag op.

Gelet op voorgaande overwegingen zal het hof verdachte vrijspreken van het roekeloos rijgedrag.

Het hof is voorts van oordeel dat uit de in de tenlastelegging genoemde en te bewijzen gedragingen van verdachte, te weten: het rijden zonder rijbewijs met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid, het vervoer van passagiers in een hiervoor ongeschikte laadruimte dan wel zonder gebruik te maken van de bij de passagierstoel aanwezige gordel en het rijden onder invloed van alcohol, cannabis en amfetamine, kan worden afgeleid dat het rijgedrag van verdachte ten tijde van het ongeval zeer onvoorzichtig is geweest.

Het hof zal derhalve het zeer onvoorzichtig rijgedrag bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1 meer subsidiair:

hij op 8 mei 2009, te [plaats 1] als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een (bedrijfs)auto, merk VW Golf, daarmede rijdende over de [straat 1], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval, te weten een botsing tussen de door hem, verdachte, bestuurde (bedrijfs)auto en een boom, heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden, immers heeft verdachte, terwijl hem niet door de bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven die bedrijfsauto bestuurd, waarbij

- in de laadruimte van die (bedrijfs)auto, die ongeschikt was voor het vervoer van personen, twee personen vervoerd werden en

- een passagier werd vervoerd, terwijl ze geen deugdelijke gordel om had en

- hij, verdachte, onder invloed was van alcohol en cannabis en amfetamine en aldus in een toestand verkeerde, als bedoeld in artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994,

en aldus rijdende over de weg, de [straat 1], met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 km/u, op een gegeven moment de controle over de door hem bestuurde (bedrijfs)auto heeft verloren en daarbij met de door hem bestuurde (bedrijfs)auto in de linker berm van die weg is terechtgekomen en daarbij (vervolgens) tegen een in die berm staande boom is gebotst,

tengevolge van welke botsing [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] werden gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij in de periode van 7 mei 2009 tot en 8 mei 2009, te [plaats 2] in de gemeente [gemeente 2], tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (bedrijfs)auto (merk: VW Golf) toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders;

3 primair.

hij op 08 mei 2009 in de gemeente [gemeente 2], tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij tankstation "[bedrijf] aan de [straat 2], heeft weggenomen een hoeveelheid dieseltoebehorende aan tankstation [bedrijf];

4.

hij op 08 mei 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], als bestuurder van een motorrijtuig (auto) heeft gereden op de weg, de [straat 1], zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer subsidiair, 2, 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

feit 1 meer subsidiair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl degene die aan dat feit schuldig is verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid van die wet, meermalen gepleegd;

feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen;

en de overtreding:

feit 4:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn neven [medeverdachte] en [slachtoffer 3] een bedrijfsauto gestolen. Vervolgens hebben zij met deze auto diesel getankt zonder hiervoor te betalen. Op de avond van 8 mei 2009 heeft verdachte de auto bestuurd. In de laadruimte van de auto werden de neven van verdachte vervoerd, terwijl deze laadruimte hiervoor ongeschikt was, en de nicht van verdachte had als passagier van de auto geen gordel om. In [plaats 1] heeft verdachte de controle over de auto verloren, waardoor de auto in de linkerberm raakte en tegen een in die berm staande boom is gebotst. Ten gevolge van deze botsing zijn [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] overleden.

Verdachte heeft gereden terwijl hij niet in het bezit was van een geldig rijbewijs en terwijl hij verkeerde onder invloed van bier, weed en speed, hetgeen als gevaarzettend rijgedrag moet worden beschouwd. Voorts is - daargelaten de eigen verantwoordelijkheid van de passagiers - verdachte als bestuurder van de auto verantwoordelijk voor de wijze waarop passagiers in de auto worden vervoerd.

Het is aan verdachtes schuld te wijten dat de levens van de nog maar 21-jarige [slachtoffer 3] en de nog maar 22-jarige [slachtoffer 2] zo abrupt zijn afgebroken. Daarmee heeft verdachte de nabestaanden onherstelbaar leed berokkend.

Het hof heeft ter terechtzitting kennis genomen van de verklaring van de moeder van het slachtoffer [slachtoffer 3], [naam], die gebruik heeft gemaakt van haar spreekrecht. Uit deze slachtofferverklaring komt een groot, ondraaglijk en onherstelbaar leed naar voren, zowel voor haar als voor haar andere kinderen, die hun broer moeten missen.

Daarnaast heeft verdachte door de diefstal van de auto en de diesel een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaren van de betreffende goederen.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het de verdachte betreffende Uittreksel Justiti?le Documentatie d.d. 25 februari 2010, waaruit blijkt dat verdachte reeds meermalen in aanraking is geweest met justitie. Zo is verdachte reeds eerder veroordeeld voor het rijden onder invloed van alcohol en is verdachte ook reeds eerder veroordeeld voor het rijden zonder rijbewijs.

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door hem en zijn raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht en waaruit de impact van de gebeurtenissen blijkt op het leven van verdachte. Het hof heeft echter tevens acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte - blijkens de retourzending van het rapportageverzoek door Palier, forensische en intensieve zorg - niet met de reclassering wenst samen te werken en dat verdachte ook al eerder diverse hulptrajecten zijn aangeboden welke op niets zijn uitgelopen omdat verdachte niet mee wilde werken.

Het hof heeft voorts gelet op de landelijk geldende oriëntatiepunten.

De door verdachte gepleegde feiten zijn zodanig ernstig dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Naar het oordeel van het hof dient aan verdachte een gevangenisstraf te worden opgelegd van langere duur dan door de rechtbank is opgelegd, waarbij het hof zwaar tilt aan de omstandigheid dat verdachte reeds eerder is veroordeeld ter zake van het rijden onder invloed en het rijden zonder rijbewijs. Het hof zal echter een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd, gelet op de omstandigheid dat het hof - anders dan de advocaat-generaal - van oordeel is dat er geen sprake was van roekeloos rijgedrag.

Het hof ziet in het bovenstaande voorts aanleiding om aan verdachte de maximale ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op te leggen.

Daarnaast zal het hof aan verdachte een geldboete opleggen ter zake van het rijden zonder rijbewijs.

Benadeelde partij [benadeelde]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en deels niet-ontvankelijk is verklaard. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van de eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als direct gevolg van de bewezenverklaarde feiten schade heeft geleden. Naar het oordeel van het hof is de schade genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 874,32, zoals ook door de rechtbank is toegewezen. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in de vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aangezien verdachte jegens voornoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal het hof voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 62, 63 en 310, 311, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 107, 175, 177, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 meer subsidiair, 2, 3 primair en 4 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 meer subsidiair, 2, 3 primair en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vijf jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van achthonderdvierenzeventig euro en twee?ndertig cent;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van achthonderdvierenzeventig euro en twee?ndertig cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zeventien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. K. Lahuis, voorzitter, mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. H.K. Elzinga, in tegenwoordigheid van mr. W. Landstra als griffier, zijnde mr. H.K. Elzinga buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.