Home

Gerechtshof Leeuwarden, 08-11-2006, AZ1838, 0500618

Gerechtshof Leeuwarden, 08-11-2006, AZ1838, 0500618

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
8 november 2006
Datum publicatie
9 november 2006
ECLI
ECLI:NL:GHLEE:2006:AZ1838
Zaaknummer
0500618
Relevante informatie
Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 01-07-2022], Burgerlijk Wetboek Boek 6 [Tekst geldig vanaf 01-07-2022]

Inhoudsindicatie

[appellant] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een gebrek aan bedoelde weg, zodat de provincie, op grond van het bepaalde in artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de schade die [appellant] ten gevolge van de val heeft geleden. [appellant] vordert vergoeding van door hem reeds geleden en in de inleidende dagvaarding in eerste aanleg gespecificeerde schade, alsmede veroordeling van de provincie tot vergoeding van overigens door hem geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en een voorschot op laatstbedoelde schade van euro 42.500,--.

Uitspraak

Arrest d.d. 8 november 2006

Rolnummer 0500618

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr P.H. Redeker,

tegen

de Provincie Groningen,

zetelend te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: de provincie,

procureur: mr J.V. van Ophem.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 1 juni 2005 door de rechtbank Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 15 augustus 2005, zoals hersteld bij exploot van 18 augustus 2005, is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van de provincie tegen de zitting van 14 december 2005.

Bij memorie van grieven zijn door [appellant] een vijftal producties overgelegd. De conclusie van deze memorie luidt:

"te vernietigen het vonnis van de Rechtbank te Groningen, op 1 juni 2005 onder rolnummer 73725 HA ZA 04-658 tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoende, appellant, oorspronkelijk eiser in conventie, alsnog zijn vorderingen, op basis van de door appellant genoemde redenen, danwel om andere, alsdan door Uw Hof te duiden redenen, toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door de provincie verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest het vonnis van de Rechtbank van 1 juni 2005, zonodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep, een en ander voorzover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 1 (1.1 t/m 1.3) van het beroepen vonnis is, behoudens het gestelde in grief I geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof van die feiten uit zal gaan, zulks met in achtneming van hetgeen hierna ten aanzien van grief I zal worden overwogen.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende. Van der Hoef is op 9 augustus 2001 om ongeveer 19.40 uur rijdend op een racefiets ten val gekomen vlak voor de Wierumerschouwsterbrug over het Reitdiep in de gemeente Winsum. [appellant] was de brug genaderd, komende van de openbare weg, de Paddepoelsterweg, die kort voor de brug een bocht naar links maakt en aansluit op de Wierumerschouwsterweg. Vlak voor bedoelde brug bevond zich over een breedte van ca 50 cm en een lengte van ca 30 cm een door de rechtbank en de provincie als uitholling en door [appellant] als gat betitelde verdieping in het wegdek.

[appellant] heeft ten gevolge van deze val ernstig aangezichtsletsel opgelopen waarvoor hij in het ziekenhuis opgenomen is geweest en diverse operaties heeft ondergaan. [appellant] ondervond (in ieder geval tot op het moment van vonniswijzen in eerste aanleg) hinder van het opgelopen letsel.

De provincie is de wegbeheerder van Wierumerschouwsterweg.

3. [appellant] stelt zich op het standpunt dat sprake is van een gebrek aan bedoelde weg, zodat de provincie, op grond van het bepaalde in artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de schade die [appellant] ten gevolge van de val heeft geleden. [appellant] vordert vergoeding van door hem reeds geleden en in de inleidende dagvaarding in eerste aanleg gespecificeerde schade, alsmede veroordeling van de provincie tot vergoeding van overigens door hem geleden en te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en een voorschot op laatstbedoelde schade van euro 42.500,--.

4. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat van een gebrekkige onderhoudstoestand van bedoelde weg geen sprake was en heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure in eerste aanleg.

Met betrekking tot grief I:

5. De grief is gericht tegen de vaststelling door de rechtbank dat het om een uitholling in het wegdek ging van 2 cm diep. [appellant] beroept zich daarbij op een door hem overgelegd rapport van [rapporteur] van Visus Technicon. Bedoeld rapport maakt er melding van dat er aan de straatzijde sprake was van een verdieping van 2 cm, doch aan de brugzijde plaatselijk van 3 cm. Bedoeld rapport kwalificeert de verdieping als een gat in de weg.

6. Het hof stelt vast dat [appellant] zich in eerste aanleg zelf op het standpunt heeft gesteld dat het een verdieping van circa 2 cm betrof. Voorzover in hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft gesteld al zou moeten worden gelezen dat [appellant] zich thans - in het voetspoor van genoemde [rapporteur] - op het standpunt stelt dat de verdieping plaatselijk 3 cm bedroeg, gaat het hof daaraan voorbij. Elke nadere onderbouwing ter zake ontbreekt en de provincie heeft het gemotiveerd betwist, terwijl een bewijsaanbod op dit punt niet voorligt.

7. Het hof laat in het midden of de betiteling uitholling (rechtbank en provincie) of gat ([appellant], het in eerste aanleg als productie 1 bij de dagvaarding overgelegde proces-verbaal van de politie en [rapporteur]) als juist moet worden aangemerkt en zal in het vervolg de hiervoor reeds gebezigde term verdieping gebruiken.

Met betrekking tot de overige grieven:

8. De grieven hebben de kennelijke strekking het afwijzende vonnis van de rechtbank en de aan die afwijzing ten grondslag liggende rechtsoverwegingen in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen.

9. Het hof leest in hetgeen [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd geen wezenlijk andere stellingen en verweren dan welke reeds in eerste aanleg door hem waren aangevoerd. [appellant] beroept zich weliswaar ter onderbouwing van zijn stellingen in hoger beroep op het door hem overgelegde rapport van [rapporteur], doch de provincie heeft de deskundigheid van genoemde [rapporteur] betwist en die deskundigheid blijkt verder nergens uit, nog daargelaten dat de provincie niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van bedoeld rapport. Aan dat rapport kan derhalve geen doorslaggevende rol van betekenis worden toegekend, temeer daar het rapport nauwelijks feitelijkheden of op deskundigheid berustende conclusies bevat, doch veeleer juridisch getinte beschouwingen en oordelen.

10. De rechtbank heeft in het beroepen vonnis duidelijk en gemotiveerd aangegeven op grond waarvan zij de stellingen en verweren van [appellant] heeft verworpen en zijn vorderingen heeft afgewezen. Het hof verenigt zich met deze overwegingen en neemt die hierbij over. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe.

11. Van aansprakelijkheid in de zin van artikel 6: 174 BW is eerst dan sprake als een weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, waardoor gevaar voor weggebruikers ontstaat. Een verdieping als de onderhavige bij een overgang van een weg naar een brug maakt naar het oordeel van het hof niet dat de weg niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Weggebruikers dienen, zeker als zij kwetsbaar zijn, hetwelk bij iemand die op een racefiets van een weg gebruik maakt zeker het geval is, rekening te houden met verdiepingen als waarvan in casu sprake was. Dat de provincie zich als fietsprovincie bij uitstek profileert, maakt dat niet anders.

Ook het enkele feit dat de provincie na het ongeval herstelwerkzaamheden aan bedoelde weg heeft verricht, kan niet tot de conclusie leiden dat de weg voorheen niet voldeed aan de daaraan in redelijkheid te stellen.

12. De grieven treffen derhalve geen doel.

De slotsom.

13. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris procureur: 1 punt tarief IV).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van de provincie tot aan deze uitspraak op euro 1.825,-- aan verschotten en euro 1.631,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Breemhaar en Zandbergen, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 8 november 2006.