Home

Gerechtshof Den Haag, 10-02-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:192, 200.211.898/01

Gerechtshof Den Haag, 10-02-2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:192, 200.211.898/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
10 februari 2026
Datum publicatie
18 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:192
Formele relaties
Zaaknummer
200.211.898/01

Inhoudsindicatie

schadevergoeding na het ten onrechte laten stellen van een bankgarantie

Uitspraak

Civiel recht

Team Handel

Uitspraakdatum : 10 februari 2026

Zaaknummer : 200.211.898/01

ECLI verwijzingsarrest : ECLI:NL:HR:2017:281

Arrest

in de zaak van:

AMAGGI EUROPE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante in principaal, geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: Amaggi,

advocaat: mr. M.M. van Leeuwen (Rotterdam),

tegen

SANIBEL MARITIME INC.,

gevestigd te Panama City, Panama,

geïntimeerde in principaal, appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: Sanibel,

advocaat: mr. R.L. Latten (Rotterdam).

1 Het verdere verloop van het geding na verwijzing

Bij tussenarrest van 17 december 2024 is een mondelinge behandeling gelast. De mondelinge behandeling is gehouden op 29 april 2025. Na de mondelinge behandeling is de zaak enige tijd aangehouden voor schikkingsonderhandelingen. Daarna hebben partijen elk een akte ingediend – Amaggi (met 2 producties) op 29 juli 2025, Sanibel op 26 augustus 2025 – en aansluitend opnieuw arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling

rendementsverlies

2.1

In deze zaak is aan deskundigen gevraagd om een onderzoek in te stellen naar de juistheid van Amaggi’s stelling dat zij winstgevende transacties heeft moeten laten lopen doordat zij niet vrijelijk kon beschikken over een deel (USD 1 miljoen) van haar vermogen. Die USD 1 miljoen is van januari 2010 tot juni 2013 geblokkeerd geweest vanwege de bankgarantie die Amaggi heeft moeten stellen voor een uiteindelijk ongegrond gebleken claim van Sanibel.

2.2

De uitkomst van het deskundigenonderzoek is dat Amaggi’s stelling niet als juist kan worden aanvaard. Amaggi wenst zich niet neer te leggen bij die uitkomst en heeft kritiek geuit op zowel de werkwijze als de bevindingen van de deskundigen. De kritiek op de werkwijze is in het vorige arrest verworpen. Naar aanleiding van de kritiek op hun bevindingen zijn de deskundigen uitgenodigd voor een verhoor op zitting. Amaggi had daar op aangedrongen.

2.3

Ter zitting hebben de deskundigen desgevraagd verklaard dat, anders dan Amaggi suggereert, zij wel degelijk rekening ermee hebben gehouden (a) dat voor transacties zoals Amaggi die sloot eigen kapitaal nodig was en (b) dat er ook vermogen van Amaggi vast zat in bijvoorbeeld lopende transacties, goederen in transit en in opslag. Ondanks die beperkingen was er volgens hen nog steeds voldoende faciliteit beschikbaar voor meer of andere transacties, mocht Amaggi die hebben willen afsluiten; de lopende transacties en verplichtingen in dat verband vormden daarvoor geen belemmering, evenmin als de blokkering die het gevolg was van de bankgarantie. Ook overigens zijn beide deskundigen gebleven bij hun bevindingen en conclusies zoals die in het rapport zijn vermeld en hebben zij die, waar gewenst, nader toegelicht.

2.4

In haar na de zitting ingediende akte noemt Amaggi argumenten die volgens haar aantonen dat de deskundigen, in haar woorden, door het ijs zijn gezakt, althans niet hebben begrepen waar het in deze zaak om gaat. Die argumenten ontleent zij deels aan citaten uit het van de zitting opgemaakte proces-verbaal (met daarin een zakelijke weergave van wat er op de zitting is gezegd). Zo zou de deskundige [deskundige 1] – die volgens het proces-verbaal heeft verklaard dat er nog genoeg faciliteit was om meer transacties te kunnen doen – niet hebben doorgehad dat het ‘niet om de faciliteit (de afspraken met de bank voor het verstrekken van leningen) [gaat] maar om de vraag of aan de voorwaarden voor het gebruik van die faciliteit (lees: het opnemen van leningen) voldaan kon worden.’ Ook heeft hij gezegd rekening te hebben gehouden met de omstandigheid dat er geld vast zat in verband met lopende transacties, terwijl dat niet blijkt en het bovendien niet daar om gaat, maar ‘om het miljoen dat geblokkeerd stond als zekerheid voor de garantie die Sanibel (onrechtmatig) had afgedwongen’, aldus Amaggi. Onder verwijzing naar de mededeling van de deskundige [deskundige 1] dat (uit wat hij gezien heeft) hij begrepen heeft dat vooral sprake was van financiering op borrowing base (waarbij, aldus [deskundige 1], de financiering voor een bepaalde periode geldt en er voor de bank geen reden is om de financiering te staken of in te trekken als tijdens die periode aan de garantie-eisen van de bank wordt voldaan), meent zij de onjuistheid van het deskundigenrapport te kunnen onderbouwen door te bewijzen dat de financiering plaatsvond op transactiebasis.

2.5

Deze door Amaggi tegen de verklaringen van de deskundigen (en hun rapport) ingebrachte argumenten missen overtuigingskracht. Er worden misverstanden gesuggereerd die er in werkelijkheid niet zijn. Uit bedoelde verklaringen – als geheel genomen en bezien tegen de achtergrond van het deskundigenrapport – volgt geenszins dat de deskundigen hebben gemeend (a) dat het bestaan van een kredietfaciliteit inhield dat Amaggi daar vrijelijk tot de limiet uit kon putten (vgl. de opmerking van de deskundige [deskundige 1] dat een 100% bankfinanciering niet voorkomt) of (b) dat er alleen geld vast zat in transacties en opslag e.d., waarbij de zekerheid voor de bankgarantie is vergeten. Dat de bevindingen van de deskundigen niettemin onjuist zijn en dat, anders dan zij concluderen, Amaggi door de blokkering van het bedrag van USD 1 mln. geen financiële armslag had om door haar gewenste (winstgevende) transacties aan te gaan, volgt evenmin uit wat Amaggi verder heeft aangevoerd. Dit wordt niet anders indien ten aanzien van de transacties die Amaggi in de relevante periode wel afsloot in geen enkel opzicht sprake is geweest van een financiering op borrowing base (in de door de deskundige [deskundige 1] bedoelde zin), reeds niet omdat het niet gaat om de transacties die wel zijn afgesloten, maar om de stelling van Amaggi dat zij (door de blokkering van de USD 1 mln. minder onderpand bij de bank had en daardoor) geen nieuwe winstgevende transacties kon afsluiten. De juistheid of aannemelijkheid van die stelling is niet gebleken, te minder nu Amaggi over de gehele periode niet één afgewezen aanvraag voor een financiering (onder een bestaande kredietfaciliteit) heeft laten zien, noch een verklaring (achteraf) van (één van) haar banken dat gebruikmaking van de kredietfaciliteit voor een gewenste transactie (vanwege het ontbreken van de op het onderpand toe te passen ‘haircut’ als bedoeld in productie 31 van Amaggi) zou zijn geweigerd als een aanvraag daartoe zou zijn ingediend. Dat is temeer opmerkelijk nu [CFO] in zijn (als bijlage 48 bij het deskundigenbericht gevoegde) e-mailbericht van 10 januari 2023 schrijft dat er een continu debat met de banken was over de beschikbare zekerheden.

Los hiervan is wat de deskundige [deskundige 1] heeft verklaard niet iets wezenlijk anders dan wat [CFO] schrijft in zijn zojuist bedoelde e-mailbericht van 10 januari 2023, namelijk ‘je kan alleen maar een gedeelte [van een kredietfaciliteit, toev. hof] gebruiken als je kunt voldoen aan de voorwaarden.’ Dat niet aan die voorwaarden kon worden voldaan volgt niet reeds uit de opmerking van [managing director] ter zitting van 11 april 2025 dat de bankstanden van Amaggi een paar keer bijna op ‘nul’ stonden, te minder nu [CFO] (in bedoeld e-mailbericht) schrijft dat er vaak roodstanden waren bij de banken. Die roodstanden zijn kennelijk geen aanleiding geweest voor het staken of intrekken van de financiering, althans blijkt daarvan niet uit wat Amaggi heeft aangevoerd. Al met al bestaat geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de deskundigen dat de financiële positie van Amaggi en meer speciaal de blokkering van de USD 1 mln. geen beperkende factor is geweest voor het afsluiten van destijds gewenste transacties.

2.6

Toegevoegd wordt nog dat het door Amaggi opgeroepen beeld als zou het deskundigenbericht vooral een weergave zijn van de opvatting van een niet in de materie ingevoerde accountant of diens kantoor, waarbij de inbreng van de deskundige [deskundige 1] er niet toe heeft gedaan, althans marginaal is geweest, ter zitting niet juist is gebleken. De deskundige [deskundige 1] – ondernemer en deskundige op het gebied van de internationale graanhandel/commodity, tevens voorzitter van de Koninklijke vereniging Het Comité van Graanhandelaren – is op de zitting als eerste gehoord. Hij heeft verklaard alle door Amaggi gevraagd en ongevraagd verstrekte gegevens en informatie te hebben bestudeerd en achter alles te staan wat erover door en namens hem in het deskundigenrapport is vermeld. Verder heeft hij uiteengezet dat de graanhandel een dynamische branche is, waarin het niet moeilijk is om de jaaromzet te verdubbelen, maar wel om daarmee dan ook meer te verdienen. Wat hij en zijn mededeskundige hebben gezien is dat er bij Amaggi steeds ruimte genoeg is geweest om meer transacties af te sluiten dan zij heeft gedaan. Hij heeft, op een slotvraag van het hof, ook verklaard dat hij zich zeker iets kan voorstellen bij hoe [managing director] er tegenaan kijkt en het heeft beleefd, maar heeft daaraan meteen toegevoegd dat hij ([deskundige 1]) alleen niet weet of de geblokkeerde USD 1 mln. echt het verschil maakt. Volgens Amaggi volgt uit deze toevoeging – die zij loskoppelt van de rest van de verklaring – dat [deskundige 1] dus (ook) geen weet heeft van de juistheid van de conclusies in het deskundigenrapport. Ook daarin heeft Amaggi ongelijk. Op de zitting ging het er tussen [deskundige 1] en [managing director] vriendelijk, althans hoffelijk, aan toe, wat onder meer tot uitdrukking kwam in het afzien van een aanspraak op een kostenvergoeding door de deskundige [deskundige 1]. [deskundige 1] heeft begrip willen tonen voor de zienswijze van [managing director], maar had er óók met die bril op moeite mee om zich voor te stellen dat en waarom de blokkering van de USD 1 mln. een beletsel zou hebben gevormd om gewenste transacties af te sluiten. Twijfel ten aanzien van de door hemzelf getrokken, andersluidende, conclusies blijkt daar niet uit.

Voor zover Amaggi de kennis en kunde van de deskundige [deskundige 2] met betrekking tot het onderhavige onderzoek in twijfel heeft willen trekken, is zij ook daarin niet geslaagd. Steekhoudende argumenten ontbreken. Dat de bevindingen van de deskundige haar onwelgevallig zijn, is niet voldoende.

2.7

Amaggi wil nu nog [managing director] en [CFO], respectievelijk haar managing director en CFO, als getuigen doen horen. Daartoe bestaat volgens haar aanleiding, omdat tijdens de laatste zitting – toen de deskundigen werden gehoord, waarbij [managing director] en [CFO] aanwezig waren – gebleken is dat de deskundigen zijn uitgegaan van verkeerde gegevens en zaken niet goed hebben begrepen, aldus Amaggi. Amaggi heeft hierin echter geen gelijk. Van misverstanden en onjuiste aannames als door haar bedoeld is geen sprake, althans is daarvan niet gebleken. Reeds daarom kan het horen van bedoelde getuigen achterwege blijven. Ook overigens bestaat geen goede grond voor dat verhoor, in aanmerking nemende dat het deskundigenbericht nu juist bedoeld was om na te gaan of klopt wat [managing director] destijds tijdens een zitting bij het Hof Amsterdam heeft verklaard over het rendementsverlies door de blokkade. De uitslag van het deskundigenonderzoek is negatief uitgevallen voor Amaggi. Amaggi is vervolgens niet met bijvoorbeeld een deskundig tegenbericht of een verklaring van de kredietverlenende banken gekomen waaruit blijkt dat de gerechtsdeskundigen ernaast zitten. Amaggi heeft dat laatste ook zelf niet aannemelijk weten te maken. Evenmin heeft zij opgegeven wat [managing director] en [CFO] meer of anders kunnen melden dan door of namens hen en door haarzelf al is gezegd, gesteld en geschreven, terwijl de onjuistheid van de bevindingen en conclusies van de deskundigen daar niet uit blijkt. Het bewijsaanbod is ook om die reden niet ter zake doende.

conclusie ten aanzien van het gevorderde rendementsverlies

2.8

De conclusie na dit alles moet zijn dat Amaggi’s vordering in hoger beroep – die recht zou moeten geven op het restant bedrag (USD 154.000) van de door Sanibel gestelde contragarantie – niet kan worden toegewezen voor zover zij strekt tot vergoeding van rendements-/winstdervingsschade.

de grieven in het principaal appel

2.9

Het voorgaande betekent dat grief 2 van Amaggi – voor zover die strekt ten betoge dat zij het resterende bedrag van de contragarantie kan claimen als vergoeding voor de door haar gestelde rendementsschade – in dat opzicht geen doel treft. Subsidiair wil Amaggi, in plaats van wettelijke rente zoals de rechtbank die toewees, wettelijke handelsrente over het geblokkeerde bedrag. Die subsidiaire vordering is evenmin toewijsbaar. Omdat het hier om een schadevergoedingsactie gaat (Amaggi vordert op basis van een aan Sanibel verweten onrechtmatige daad vergoeding van rendementsschade) is de aanspraak op wettelijke handelsrente ongegrond. De grief faalt daarom ook in dit opzicht.

2.10

Naar aanleiding van grief 1 van Amaggi heeft het Hof Amsterdam geoordeeld (3.9.2) dat het door Amaggi gevorderde bedrag van € 18.826,76 aan kosten voor de bankgarantie toewijsbaar is. Die toewijsbaarheid is in de cassatiefase niet bestreden. Evenmin de daarbij gebezigde motivering dat deze kosten als rechtstreeks schadelijk gevolg van de onrechtmatige daad van Sanibel voor vergoeding in aanmerking komen.

In de toelichting op de grief maakt Amaggi tevens aanspraak op rente over dit bedrag. Deze renteaanspraak, waarop nog niet expliciet is beslist, is toewijsbaar. In het petitum van de memorie van grieven (blz. 11, tweede tekstblok) maakt Amaggi aanspraak rente met ingang van de datum van het arrest. Als ingangsdatum wordt daarom genomen 6 oktober 2015 de datum van het arrest van het Hof Amsterdam, waarin het gevorderde bedrag is toegewezen.

2.11

Met haar grief 3 wil Amaggi bereiken dat over de periode van 6 juni 2013 tot 14 november 2014 rente wordt toegewezen over het door de rechtbank becijferde en toegewezen bedrag van USD 115.074,64. De grief treft geen doel, reeds niet omdat Amaggi de wijze waarop de rechtbank de schade heeft berekend – namelijk abstract, door de blokkering gelijk te stellen met de situatie waarin sprake is van vertraging in de voldoening van een geldsom – onjuist acht. Het Hof Amsterdam, dat daarin meeging en oordeelde dat een concrete schadebegroting op zijn plaats is, heeft het vonnis vernietigd, maar niet wegens het ontbreken van een toewijzing van de wettelijke rente over de periode tot 14 november 2014 over het abstract berekende bedrag. Dat na verwijzing een toewijzing van het op basis van een concrete berekening gestelde rendementsverlies niet mogelijk blijkt, betekent niet dat alsnog wettelijke rente over het abstract berekende bedrag kan worden verkregen.

2.12

Grief 4 gaat over de door Amaggi gevorderde advocatenkosten. Het arrest van het Hof Amsterdam bevat daarover een overweging in 3.9.3 en een daarop aansluitende eindbeslissing in het dictum die in cassatie niet zijn bestreden en daarom nog overeind staan.

2.13

Grief 5 is ingetrokken (3.2 van het arrest van het Hof Amsterdam).

de grieven in het incidenteel appel

2.14

Sanibel is in het bestreden vonnis van 9 april 2014 veroordeeld tot betaling aan Amaggi van een bedrag van USD 115.074,64 aan schadevergoeding en een bedrag van € 2.571,89 aan proceskosten.

2.15

Sanibel heeft incidenteel appel ingesteld tegen het vonnis. Onder aanvoering van drie grieven heeft zij gevorderd dat het hof, onder vernietiging van het bestreden vonnis, ‘alsnog de vorderingen van Amaggi geheel zal afwijzen’, met veroordeling van Amaggi in de kosten (weergave bovenaan blz. 2 van het arrest van het Hof Amsterdam). Afgaande op het citaat in 5.2 van haar laatste akte had zij dit incidentele appel en de doelstelling ervan blijkbaar al aangekondigd bij haar betaling van het door de rechtbank toegewezen bedrag: volgens dat citaat zou zij eventueel incidenteel hoger beroep instellen tegen het vonnis van de Rechtbank Amsterdam waarin het bedrag van USD 115.074,64 was toegewezen en zou dat bij succes kunnen leiden tot een gehoudenheid van Amaggi om (een deel van) dat bedrag terug te betalen.

2.16

Het Hof Amsterdam heeft in het incidentele appel de grieven echter verworpen en Sanibel veroordeeld in de proceskosten.

2.17

Grief 1 van Sanibel was gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Sanibel onrechtmatig tegenover Amaggi heeft gehandeld. Tegen de verwerping van die grief is Sanibel in cassatie niet opgekomen.

2.18

Ten aanzien van de incidentele grieven 2 en 3 overwoog het Hof Amsterdam dat die uitgaan van een abstracte schadeberekening en daarom falen, aangezien de schade concreet moet worden begroot. Ook daartegen is niet opgekomen in cassatie. Dit betekent niet dat daarmee voor het incidentele appel de kous af is, reeds niet omdat Sanibel, die als gezegd (ook) in het incidenteel appel heeft geconcludeerd tot afwijzing van de gehele vordering van Amaggi, daartoe ook in algemene zin heeft betwist dat Amaggi schade heeft geleden door het niet kunnen beschikken over het geblokkeerde bedrag; zie bijv. de verwijzing in de toelichting op haar 2e grief naar nr. 31 van haar memorie van antwoord in het principaal appel.

2.19

Uit het voorgaande (zie 2.8) volgt dat die betwisting slaagt voor zover het door de Amaggi gestelde rendementsschade betreft: Amaggi’s claim is niet toewijsbaar voor zover deze op die door haar gestelde rendementsschade is gebaseerd. De mogelijkheid dat Amaggi door de (door het Hof Amsterdam aangenomen (3.10.2 van het arrest) en in cassatie niet bestreden) blokkade van de USD 1 mln. andere schade dan rendementsschade heeft geleden is wel voldoende aannemelijk. Daarbij kan worden gedacht aan rentederving. Volgens Sanibel is Amaggi’s concrete renteschade lager dan het bedrag dat door de rechtbank aan wettelijke rente is toegewezen. Dat is door Amaggi niet gemotiveerd betwist. Sanibel heeft in dit verband ook percentages genoemd, maar door de concentratie op de gestelde winstderving is het debat daarover niet afgerond. Voor toewijzing, als voorschot, van een concreet bedrag bevat het dossier daardoor, anders dan met betrekking tot de kosten van de bankgarantie, onvoldoende aanknopingspunten. Daarom volgt ook op dit punt een verwijzing naar de schadestaatprocedure.

Toegevoegd wordt dat voor zover Sanibel zich heeft willen beroepen op het toepassen van een eigen schuld correctie op de concrete renteschade dit beroep wordt verworpen. De rechtbank verwierp het eigen schuld verweer in rov. 4.7 van het vonnis. Die overweging is juist en dient als hier herhaald te worden beschouwd. Wat Sanibel ertegen heeft ingebracht – in het kader van haar incidentele grief 3 – is door Amaggi gemotiveerd betwist en tegenover die betwisting niet voldoende onderbouwd. Uitgangspunt blijft dat Sanibel onrechtmatig heeft gehandeld door Amaggi ertoe te brengen om de bankgarantie te stellen. Die onrechtmatigheid geldt voor de gehele periode dat de bankgarantie vervolgens heeft uitgestaan. Het was aan Sanibel om die periode zo kort mogelijk te houden. Zij kan Amaggi niet met recht verwijten dat Amaggi het (als rugdekking voor de bankgarantie) gestorte dollardepot niet eigener beweging heeft vastgezet op een termijndeposito. Dat er – aan Amaggi verwijtbaar – rente over het contant gestorte depotbedrag is misgelopen, volgt niet uit wat Sanibel hierover in algemeenheden heeft aangevoerd.

Overigens heeft het Hof Amsterdam geconcludeerd dat de incidentele grief 3 faalt en is daartegen op dit punt in cassatie niet met de vereiste duidelijkheid opgekomen.

2.20

Voor zover Amaggi heeft bedoeld te stellen dat Sanibel het door de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis toegewezen bedrag heeft erkend als schadevergoeding waar Amaggi sowieso recht op had, is de juistheid van die – door Sanibel betwiste – stelling niet gebleken. Die juistheid volgt niet reeds uit de omstandigheid dat bedoeld bedrag in mindering is gebracht op de door Sanibel gestelde contragarantie. Aangezien een nadere onderbouwing van deze (mogelijke) stelling ontbreekt wordt er verder aan voorbijgegaan

Slotsom

2.21

De slotsom in het principaal appel is dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd voor zover daarin niet is toegewezen (i) € 18.826,76 aan kosten voor de bankgarantie, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2015 en (ii) de verwijzing naar de schadestaat procedure ten aanzien van de beweerdelijke kosten gemoeid met pogingen van de advocaat van Amaggi om de schade te beperken. Op die punten volgt alsnog een toewijzing. Het in principaal appel meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Amaggi is in het principaal appel de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partij. Zij moet daarom de kosten van het principaal appel dragen, inclusief de kosten van het deskundigenbericht. Laatstbedoelde kosten zijn gemaakt om de juistheid te onderzoeken van Amaggi’s stellingen over het rendementsverlies. Die stellingen zijn onjuist gebleken. Bij die uitkomst past dat bedoelde kosten voor haar rekening komen. Sanibel heeft aan voorschoten betaald € 28.850 + € 15.000 = € 43.850 exclusief btw. Van dat inclusief btw € 52.211,50 belopende bedrag is € 51.927,91 inclusief btw uitbetaald aan de deskundigen. Dat bedrag moet aan Sanibel worden vergoed.

2.22

De slotsom in het incidenteel appel is dat het bestreden vonnis, waarin op basis van een abstracte schadeberekening een bedrag van USD 115.074,64 is toegewezen, dient te worden vernietigd. In plaats daarvan komt een veroordeling tot betaling van de bankgarantiekosten (2.10) en een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat (2.12 + 2.19). Omdat partijen over een weer op enige punten in het ongelijk worden gesteld (Sanibel o.a. op het punt van haar betwisting van de onrechtmatigheid van haar handelen) worden de kosten van de eerste instantie en die van het incidenteel appel gecompenseerd, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

2.23

Voor de overzichtelijkheid volgt hieronder een (geheel nieuw) dictum, dat in de plaats komt van dat in het bestreden vonnis.

3 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep (na verwijzing):

in het principaal en in het incidenteel appel:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt Sanibel om aan Amaggi te betalen € 18.826,76, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2015 (tot de dag waarop dit bedrag is betaald);

- veroordeelt Sanibel tot schadevergoeding op te maken bij staat (zie hierboven 2.12 + 2.19);

- veroordeelt Amaggi in de kosten van principale appel, aan de zijde van de zijde van Sanibel tot aan deze uitspraak bepaald op € 7.796 voor de procedure bij het Hof Amsterdam + € 18.985 aan salaris van de procesadvocaat na de verwijzing + € 51.927,91 inclusief btw aan kosten deskundigen, vermeerderd met de gebruikelijke nakosten;

- compenseert de kosten van de eerste instantie en die van het incidenteel appel, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, D.A. Schreuder en R.F. Groos en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026, in aanwezigheid van de griffier.