Home

Gerechtshof Den Haag, 19-05-2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1204, K14/0043

Gerechtshof Den Haag, 19-05-2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1204, K14/0043

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19 mei 2015
Datum publicatie
19 mei 2015
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2015:1204
Zaaknummer
K14/0043
Relevante informatie
Wetboek van Strafvordering [Tekst geldig vanaf 15-05-2025 tot 01-07-2025], Wetboek van Strafvordering [Tekst geldig vanaf 15-05-2025 tot 01-07-2025] art. 12

Inhoudsindicatie

Het Gerechtshof Den Haag heeft op 19 mei 2015 een klacht van klanten van de Rabobank in een artikel 12 strafvorderingsprocedure afgewezen. Een aantal particuliere klanten van de Rabobank heeft in 2014 bij het Haagse gerechtshof een klacht ingediend tegen afdoening door het Openbaar Ministerie in de Libor-kwestie, waarbij door medewerkers van de Rabobank frauduleuze handelingen zouden zijn gepleegd in de periode 2005 tot en met 2010.

De betreffende Rabobankklanten houden die medewerkers, hun leidinggevenden, de Raad van Bestuur en de bank zelf strafrechtelijk aansprakelijk voor het uit eigen gewin manipuleren van de wereldwijd bepalende rentetarieven onder de naam Libor en Euribor. Ze voelen zich als klant met aan rente gekoppelde financiële producten daardoor benadeeld. Klagers maken bezwaar tegen de manier waarop het OM de zaak heeft afgedaan.

Het OM had samen met de Fiod en De Nederlandse bank en in samenwerking met buitenlandse justitiële autoriteiten en financiële toezichthouders onderzoek gedaan naar die manipulaties en aan de Rabobank een boete opgelegd van 70 miljoen euro. De bank heeft die boete betaald. Betrokken medewerkers die niet meer werken bij de bank worden door buitenlandse autoriteiten vervolgd. Het OM zag af van strafvervolging van de bankbestuurders en de betrokken medewerkers die nog bij de Rabobank werken.

Het gerechtshof is het met klagers eens dat de rechtsorde en voor de financiële markt en alle deelnemers zo noodzakelijke rust en vertrouwen ernstig zijn geschaad. Dergelijke wereldwijd ingrijpende en schokkende malversaties in de financiële markt hadden in beginsel aan de strafrechter moeten worden voorgelegd. Strafvervolging van de feitelijke daders zou zijn aangewezen.

Om een aantal redenen geeft het hof (echter) niet het verlangde bevel tot vervolging. Ook nader strafrechtelijk onderzoek kan achterwegen blijven. Kort samengevat zijn dat de volgende redenen:

1. Volgens het gerechtshof is de Rabobank als organisatie voor de internationale Libor-rentemanipulaties verantwoordelijk en strafbaar. Gelet op de aan de Rabobank wereldwijd opgelegde en betaalde boetes van in totaal ruim 700 miljoen euro, is de door het OM aangeboden transactie van 70 miljoen euro passend, mede in aanmerking genomen dat tegen een rechtspersoon in een strafzaak als deze een andere dan financiële afdoening niet goed denkbaar is en dit bedrag past bij een in een strafzaak maximaal op te leggen boete.

2. Het hof oordeelt dat de toenmalige bestuurders van de Rabobank niet alert zijn geweest en dat naar de normen van de financiële toezichthouders bezien waarschijnlijk kritiek op zijn plaats is, maar dat naar de normen van het strafrecht gemeten niet kan worden vastgesteld dat deze bestuurders opzettelijk en uit eigen gewin of ernstig nalatig hebben gehandeld. Zij worden daarom niet vervolgd.

3. Betrokken ex-medewerkers die in het buitenland worden vervolgd voor deze feiten kunnen niet ook in Nederland voor dezelfde feiten worden vervolgd. Over andere ex-medewerkers heeft het OM nog geen sepotbesluit genomen, zodat een klacht over niet vervolging van deze betrokkenen niet ontvankelijk is.

4. Betrokken medewerkers die nog wel voor Rabobank werken, zouden volgens het hof vervolgd moeten worden vanwege de ernst van de verdenkingen en de daarmee in onduidelijke verhouding staande opgelegde interne maatregelen. Strafvervolging op basis van het opgebouwde dossier is echter niet mogelijk. Dit heeft te maken met het feit dat er internationaal is samengewerkt tussen opsporingsautoriteiten en toezichthouders, waarbij niet altijd is voldaan aan de eisen van het strafprocesrecht met betrekking tot de vergaring van bewijsmateriaal. Een nieuw zuiver strafrechtelijk onderzoek is niet goed denkbaar nu zoveel essentiële gegevens en verklaringen al zijn vastgelegd en in brede kring bekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

raadkamer beklagzaken

BESCHIKKING

gegeven op het beklag, op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), ingediend door:

de Stichting Justitia Distributiva,

statutair gevestigd te Amsterdam,

klaagster,

in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van haar raadsman mr. G. Spong, advocaat, kantoor houdende aan de Keizersgracht 278, Postbus 15812 te 1001 NH Amsterdam.

1 Het verloop van de procedure

Het klaagschrift is op 24 januari 2014 door het hof ontvangen. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de officier van justitie te Amsterdam om Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. (hierna: Rabobank), niet te vervolgen tegen onder meer betaling van een transactiebedrag van € 70,- miljoen, van welke gelegenheid Rabobank gebruik heeft gemaakt.

Het beklag is tevens gericht tegen het niet-vervolgen van toenmalige bestuursleden en/of medewerkers van Rabobank.

Ingevolge artikel 12a Sv heeft het hof, na ontvangst van het klaagschrift, de advocaat-generaal opgedragen te dien aanzien schriftelijk verslag te doen.

2 Het dossier

2.1

Inbreng van het openbaar ministerie

Het hof heeft kennisgenomen van het verslag van de advocaat-generaal mr. T.W. d’Anjou van 29 augustus 2014, met de daarbij gevoegde adviezen van de hoofdofficier van justitie en de officier van justitie van het Functioneel Parket te Amsterdam van 26 augustus 2014, alsmede van het verslag van de advocaat-generaal van 27 oktober 2014, met het daarbij gevoegde advies van de hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket te Amsterdam van 27 oktober 2014 en het verslag van de officier van justitie van het Functioneel Parket te Amsterdam van

24 oktober 2014. Het hof heeft voorts kennisgenomen van het nader schriftelijk standpunt van de advocaat-generaal van 15 januari 2015.

Klaagster en Rabobank hebben integraal de beschikking gekregen over voormelde ambtsberichten.

Voorts heeft het hof kennisgenomen van de door de advocaat-generaal verstrekte stukken, te weten de zogenoemde Tafelbergnotities (een samenvatting van het onderzoeksdossier) gedateerd 6 mei 2013 en 13 augustus 2013 en van de Vaststellingsovereenkomst d.d. 29 oktober 2013 tussen de Staat der Nederlanden (het openbaar ministerie) en Rabobank, op basis waarvan de zaak door het openbaar ministerie is afgedaan.

De advocaat-generaal heeft vervolgens, op verzoek van het hof, het integrale Tafelbergdossier aan het hof overgelegd. Op grond van artikel 12f Sv is het Tafelbergdossier uitgezonderd van kennisneming door klaagster en haar raadslieden en Rabobank en haar raadsman, zulks in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de (verdere) opsporing en eventuele vervolging van strafbare feiten.

Klaagster en Rabobank hebben wel inzage gehad in de Tafelbergnotities, ingevolge artikel 12f Sv, wat betreft de daarin genoemde betrokken personen, in geanonimiseerde vorm.

2.2

Inbreng van klaagster

Het hof heeft van klaagster de volgende stukken ontvangen.

 Klaagschrift d.d. 24 januari 2014;

 Een brief van de minister van Financiën aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 8 november 2013;

 Final Notice d.d. 29 oktober 2013 van de Financial Conduct Authority, FCA, toezichthouder te Londen in het Verenigd Koninkrijk, naar aanleiding van de schikking met Rabobank (die in opdracht van het hof in het Nederlands is vertaald);

 Statement of Facts, Attachment A, van de United States Department of Justice, Criminal Division, Fraud Section, Antritrust Division (FSA) d.d. 29 oktober 2013 naar aanleiding van de schikking met Rabobank (die in opdracht van het hof in het Nederlands is vertaald);

 Complaint Federal National Mortgage Association Plaintiff v. Barclays Bank PLC etc;

 Persbericht openbaar ministerie d.d. 29 oktober 2013;

 Persbericht Functioneel Parket d.d. 15 januari 2014;

 Oprichtingsakte van de Stichting Justitia Distributiva d.d. 10 januari 2014;

 Door klaagster opgestelde overzichten van bestuursleden van Stichting Justitia Distributiva, alsmede van de activiteiten sinds de oprichting van de stichting d.d. 25 september 2014;

 56 machtingsformulieren en een overzicht d.d. 24 oktober 2014 van de volmachtgevers met daarbij vermeld hun bij Rabobank afgenomen financiële producten;

 Een namenoverzicht d.d. 22 september 2014 met 2296 adhesiebetuigingen met de Stichting Justitia Distributiva;

 Een nadere conclusie d.d. 26 maart 2015 (naar aanleiding van de afsluitende schriftelijke ronde).

2.3

Inbreng van Rabobank

Het hof heeft van Rabobank de volgende stukken ontvangen.

 Final Notice d.d. 29 oktober 2013 van de FCA, toezichthouder te Londen in het Verenigd Koninkrijk, naar aanleiding van de schikking met Rabobank (die in opdracht van het hof in het Nederlands is vertaald);

 Commodity Futures Trading Commission (CFTC) Order instituting proceedings d.d. 29 oktober 2013;

 United States District Court, District Court of

Connecticut, Defferred Prosecution Agreement, d.d. 29 oktober 2013;

 Statement of Facts, Attachment A, van de United States Department of Justice, Criminal Division, Fraud Section, Antritrust Division (FSA) d.d. 29 oktober 2013 naar aanleiding van de schikking met Rabobank (die in opdracht van het hof in het Nederlands is vertaald);

 United States District Court, District of Connecticut,

Order Excluding Speedy Trial Time, d.d. 1 november 2013;

 Betalingsbevestiging openbaar ministerie (OM) d.d. 29 oktober 2013;

 Betaalopdrachten FCA, CFTC en Department of Justice (DOJ), d.d. 1 november 2013;

 European Banking Federation Euribor Code of Conduct;

 Afdruk van een tekst op de website van The European Securities and Markets Authority (ESMA), d.d. 11 januari 2013;

 BBA Terms of Reference for Libor Contributors Banks, d.d. 15 juli 2009;

 Persbericht OM, persbericht De Nederlandse Bank(DNB),

persbericht Rabobank d.d. 29 oktober 2013;

 Transcript van verklaring [voormalig bestuurder] en transcript van verklaring [voormalig bestuurder] d.d. 29 oktober 2013;

 een afdruk van een tekst op de website Rabobank betreffende Libor-dossier en betreffende Missie en Strategie;

 Relevante passages uit jaarverslag 2013 van Rabobank;

 Brief De Nederlandse Bank (DNB) d.d. 29 oktober 2013 gericht aan Rabobank met bijlage onderzoeksrapport;

 Brief Minister van Financiën, houdende beantwoording Kamervragen van het lid Tony van Dijck (PVV) over de schikking van Rabobank in de Libor-affaire d.d. 8 november 2013;

 Artikel uit tijdschrift Opportuun, Schikkingen doen ook pijn: Interview met Marianne Bloos, hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket, over de Libor-zaak, mei 2014;

 Rapport DNB en Autoriteit Financiële Markten (AFM), Langs de financiële meetlat d.d. 11 februari 2015;

 Persbericht FCA en persbericht CFTC d.d. 29 oktober 2013;

 Statement van de voorzitter van de CFTC, Gary Gensler d.d. 29 oktober 2013;

 CFTC, Examples of Misconduct from Written Communications;

 Persbericht DOJ, Rabobank admits wrongdoing in Libor investigation, agrees to pay $ 325 million criminal penalty, d.d. 29 oktober 2013;

 Persbericht DOJ, Two former Rabobank traders indicted for alleged manipulation of U.S. Dollar, Yen Libor interest rates, d.d. 16 oktober 2014;

 Rabobank, Concept voor tekst jaarverslag 2014;

 Schriftelijke verklaring Rabobank d.d. 20 februari 2015 (naar aanleiding van de afsluitende schriftelijke ronde);

 producties x en y, een overzicht van de interne

maatregelen die tegen medewerkers van Rabobank zijn

genomen en de gerechtelijke procedures van medewerkers

tegen Rabobank, in verband met die maatregelen.

2.4

Het hof heeft van de advocaat-generaal, naast de ambtsberichten, de volgende stukken ontvangen.

 Organogram Rabobank;

 print van een overzicht van koersen d.d. 17 november 2014;

 Artikel uit tijdschrift Opportuun van mei 2014, Schikkingen doen ook pijn: Interview met Marianne

Bloos, hoofdofficier van justitie van het Functioneel Parket, over de Libor-zaak;

Tenslotte ontving het hof een schriftelijk slotadvies d.d. 4 april 2015 van de advocaat-generaal (naar aanleiding van de afsluitende schriftelijke ronde).

3 De behandeling in raadkamer

3.1

Eerste zitting

De meervoudige beklagkamer heeft op 30 september 2014 het klaagschrift in raadkamer behandeld. Namens klaagster zijn haar raadslieden mr. G. Spong en mr. E. van Reydt, advocaten te Amsterdam, verschenen, die het beklag hebben toegelicht. Voorts zijn verschenen [bestuurslid], [bestuurslid], [bestuurslid] en [bestuurslid], bestuursleden van klaagster. Aan de heer [stagiair], stagiair bij het kantoor van mr. Spong, is bijzondere toegang verleend.

Beklaagden zijn voor die behandeling niet opgeroepen.

Het hof heeft de behandeling van het beklag toen aangehouden teneinde de advocaat-generaal en klaagster in de gelegenheid te stellen nadere informatie aan het hof te verstrekken.

Van het verhandelde in raadkamer is een proces-verbaal opgemaakt dat aan de advocaat-generaal, de raadslieden van klaagster en de raadsman van Rabobank is toegezonden.

3.2

Tweede zitting

De meervoudige beklagkamer heeft op 18 november 2014 het klaagschrift in raadkamer verder behandeld. Namens klaagster zijn haar raadslieden verschenen, die een nadere toelichting op het beklag hebben gegeven. Voorts zijn verschenen de bestuursleden [bestuurslid], [bestuurslid] en [bestuurslid].

Beklaagden zijn voor die behandeling niet opgeroepen.

Het hof heeft de behandeling van het beklag aangehouden teneinde de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen nadere informatie aan het hof te verstrekken en Rabobank op te roepen om te worden gehoord.

Ook van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan de advocaat-generaal, de raadslieden van klaagster en de raadsman van Rabobank is toegezonden.

3.3

Derde zitting

De meervoudige beklagkamer heeft op 30 januari 2015 het klaagschrift in raadkamer verder behandeld. Namens klaagster is verschenen haar raadsman mr. E. van Reydt.

Namens Rabobank zijn verschenen de gemachtigden [ ], lid van de Raad van Bestuur van Rabobank en [ ], hoofd Juridische Zaken. Hun schriftelijke machtigingen zijn op voorhand aan het hof toegezonden. Namens Rabobank zijn voorts verschenen de raadslieden mr. R. van Staden ten Brink en mr. H.J. de Kluiver, advocaten te Amsterdam. Aan [ ] en [ ], werkzaam bij het kantoor van de raadslieden van Rabobank, is bijzondere toegang verleend.

Rabobank heeft tijdens het onderzoek in raadkamer als standpunt geformuleerd, kort samengevat, dat zij maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft genomen voor het wangedrag dat zich binnen haar organisatie heeft voorgedaan, een nieuwe weg is ingeslagen en zich inspant om het vertrouwen van klanten, leden en medewerkers terug te winnen. Rabobank wil deze weg vervolgen en hoopt niet een weg van langdurige strafrechtelijke onzekerheid en daaruit resulterende vertrouwensschade te hoeven inslaan.

De advocaat-generaal mr. T.W. d’Anjou heeft in raadkamer

geadviseerd klaagster primair niet-ontvankelijk te verklaren in het beklag, subsidiair het beklag af te wijzen.

3.4

Schriftelijke ronde

Het hof heeft daarna achtereenvolgens Rabobank, klaagster en de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld in een schriftelijke ronde hun standpunten nader toe te lichten en aan het hof en elkaar te doen toekomen.

Het hof heeft kennisgenomen van de schriftelijke standpunten en aanvullende stukken ter onderbouwing daarvan en deze zijn in het dossier gevoegd.

4 De feiten

5 De klacht

6 Standpunt openbaar ministerie

7 Standpunt Rabobank

8 Ontvankelijkheid van klaagster

9 De beoordeling van het beklag

10 Verdenking, beklaagden en beoordeling van het beklag

11 De beslissing