Home

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-11-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9072, 19/01390

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 03-11-2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9072, 19/01390

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
3 november 2020
Datum publicatie
13 november 2020
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2020:9072
Zaaknummer
19/01390

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Netto verkoopopbrengst appartement belast als resultaat uit overige werkzaamheden?

Uitspraak

locatie Arnhem

nummer 19/01390

uitspraakdatum: 3 november 2020

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de Inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 september 2019, nummer AWB 17/3086, ECLI:NL:RBGEL:2019:4232, in het geding tussen belanghebbende en

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2011 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikkingen is heffingsrente berekend en is een boete opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraken van de Inspecteur, de navorderingsaanslag en de beschikkingen heffingsrente en boete vernietigd.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft op digitale wijze (via beeldbellen) plaatsgevonden op 17 september 2020. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Op 21 januari 2012 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 ingediend. In deze aangifte heeft hij een pand in [A] (hierna: pand in [A] ) en een pand in [B] (hierna: pand in [B] ) tot de rendementsgrondslag van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (hierna: Box 3) gerekend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 62.534; belastbaar inkomen uit werk en woning (hierna: Box 1) € 60.942 en belastbaar inkomen Box 3 € 1.592.

2.2.

De aanslag IB/PVV 2011 is conform de ingediende aangifte aan belanghebbende opgelegd met dagtekening 25 januari 2013.

2.3.

In het jaar 2014 is door de Inspecteur een meeromvattend onderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van delen van de aangiften IB/PVV van belanghebbende, zijn echtgenote en van de heer [C] (hierna: [C] ). Met dagtekening 30 juni 2014 is in dit kader de eerste vragenbrief aan belanghebbende verzonden.

2.4.

De heer [D] (hierna: [D] ) was in 2008 eigenaar van het pand in [B] - een appartement aan de [a-straat] 35 - in [E] . Dit appartement werd door [D] verhuurd aan zijn moeder. De huurprijs bedroeg € 204,20 per maand.

2.5.

De personal holding van [D] : ' [F] B.V.', was in 2008 eigenaar van het pand in [A] - een kantoorpand aan de [b-straat] 18 - in [E] . Dit pand in [A] werd verhuurd aan de [a-bank] tegen een huurprijs van € 6.500 per jaar.

2.6.

Medio 2008 is [D] in financiële problemen geraakt. Ter verbetering van

zijn liquiditeitspositie heeft [D] in het vierde kwartaal van 2008 besloten de panden in

[B] en [A] te verkopen. Daartoe is een taxatie uitgevoerd. Met peildatum 6 oktober 2008

is de vrije verkoopwaarde van het pand in [B] getaxeerd op € 145.000 en van het pand in [A] op € 110.000.

2.7.

[D] en 'zijn' vennootschappen werden op financieel gebied geadviseerd en bijgestaan door de [G] (hierna: [G] ), waaraan onder andere [C] is verbonden.

2.8.

[D] c.s. had ultimo november 2008 een betalingsachterstand bij [G] van € 12.504,80. Op verzoek van [C] heeft [D] zich hiervoor persoonlijk borg gesteld.

2.9.

[C] en belanghebbende kennen elkaar en zijn al jarenlang bevriend. Op 30 december 2008 zijn belanghebbende en zijn echtgenote bij [C] op bezoek geweest. Tijdens dit bezoek heeft [C] belanghebbende op de hoogte gebracht van het feit dat de panden in [B] en [A] te koop waren. Belanghebbende heeft vervolgens direct telefonisch contact gezocht met [D] om hiernaar te informeren. Nog diezelfde dag zijn belanghebbende en [C] langs de panden in [B] en [A] gereden om deze uitpandig te bekijken.

2.10.

Na het bezoek aan de panden heeft belanghebbende - op dezelfde dag - opnieuw contact opgenomen met [D] en is een mondelinge koopovereenkomst tot stand gekomen. Overeengekomen is dat belanghebbende de beide panden zou kopen voor een totaalbedrag van € 137.500.

2.11.

Ter financiering van de koopsom is belanghebbende op 30 december 2008 met [C] overeengekomen dat [C] het volledige bedrag zou voorfinancieren. Later is mondeling afgesproken dat [C] , belanghebbende de helft van het te financieren bedrag zou lenen tegen een 50% winstdeling.

2.12.

In de ochtend van 30 december 2008 heeft [G] verlof aan de voorzieningenrechter

gevraagd om beslag op het pand in [B] te leggen. Na verleend verlof is dat beslag de volgende dag ook daadwerkelijk gelegd.

2.13.

Op 19 januari 2009 is in opdracht van mevrouw [H] , een stille vennoot in een door

[D] gedreven onderneming, op onder andere het pand in [B] beslag gelegd.

2.14.

De juridische levering van de panden aan belanghebbende was oorspronkelijk gepland op 23 januari 2009. Als gevolg van de gelegde beslagen heeft die levering op dat moment niet plaatsgevonden.

2.15.

In een brief van 23 januari 2009 aan [D] heeft belanghebbende bevestigd dat de koopovereenkomst per direct is ontbonden. De inhoud van de brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

"(…)

Heden zou het transport plaatsvinden van de panden [b-straat] 18 te [A] en [a-straat] 35 te [B] . In verband met gelegde beslagen op de panden bent u, alsmede [F] B.V., waarvan u directeur-bestuurder bent, niet in staat uw verplichtingen, welke voortvloeien uit de koop/verkoopovereenkomst na te komen.

Telefonisch zijn wij overeengekomen, dat de koop/verkoopovereenkomst tussen partijen [D] en [F] B.V. (de verkopers) enerzijds en [X] (de koper) anderzijds met ingang van heden is ontbonden.

Tevens zijn partijen [D] en [F] B.V. enerzijds en [X] anderzijds overeengekomen, dat [X] met betrekking tot bovengenoemde panden te [A] en [B] het eerste recht van koop (voorkeursrecht) heeft en wel onder dezelfde voorwaarden, zoals vermeld in de concept transportakte.

Indien dit een juiste weergave is van hetgeen is overeengekomen, verzoek ik u deze overeenkomst te dateren en te ondertekenen en de getekende exemplaren te retourneren.

(…)."

2.16.

Op 26 januari 2009 is [D] overleden. De brief van belanghebbende van 23 januari 2009 (zie 2.15.) is nooit voor akkoord ondertekend en geretourneerd. Voor de afwikkeling van de nalatenschap van [D] is bij beschikking van de rechtbank Roermond van 8 april 2009 een professionele vereffenaar (hierna: de vereffenaar) benoemd.

2.17.

Door middel van een brief van 5 mei 2009 heeft de vereffenaar zich tot belanghebbende gewend. Na zich te hebben geïntroduceerd, heeft deze, voor zover van belang, geschreven:

"(…)

Blijkens een brief van u gericht aan wijlen de heer [D] van 23 januari 2009 heeft u op of omstreeks die datum een voorlopige koopovereenkomst met wijlen de heer [D] en diens gelieerde B.V. [F] B.V. met betrekking tot de registergoederen [b-straat] 18 te [A] en [a-straat] 35 te [B] , welke koopovereenkomst bij gemelde brief werd ontbonden nu tussentijds een derde conservatoir beslag op de gemelde panden heeft gelegd waardoor verkopers niet meer in staat waren hun verplichtingen uit die koopovereenkomst na te komen. Ondergetekende en de voornoemde boedelnotaris zijn voornemens de gemelde registergoederen uit de boedel te verkopen.

Daarvoor worden kopers aangezocht. Ik verzoek u mij te berichten of u nog bereid bent tot aankoop van de gemelde registergoederen.

Dit schrijven dient u te beschouwen als een uitnodiging om tot onderhandeling te komen.

(…)."

2.18.

Belanghebbende is op deze uitnodiging ingegaan. Op 19 mei 2009 heeft de vereffenaar verlof aan de rechtbank gevraagd voor verkoop van de panden in [B] en [A] voor € 47.500 respectievelijk € 90.000. Dit verlof is verleend. De levering van beide panden heeft op 28 juli 2009 plaatsgevonden.

2.19.

Op 22 juni 2011 is de moeder van [D] - die ernstig ziek was - op 78-jarige leeftijd overleden. Zij heeft het pand in [B] tot kort voor haar overlijden bewoond.

2.20.

Bij overeenkomst van 28 september 2011 heeft belanghebbende het pand in [B] aan een derde verkocht. De verkoopprijs bedroeg € 102.000 en de levering heeft op 24 november 2011 plaatsgevonden.

2.21.

Op 28 november 2011 heeft belanghebbende € 49.000 overgemaakt naar [C] met de omschrijving: “aflossing lening”.

2.22.

In een vertrouwelijk memo: 'verslag derdenonderzoek [a-bank] 29 mei 2015 inzake dossier [I] ' van 3 juni 2015 en gericht aan de Inspecteur, wordt onder andere het volgende gememoreerd:

"(…)

In vervolg op een aan de [a-bank] gericht verzoek in de brief van 30 maart 2015 voor een derdenonderzoek in het kredietdossier van de wijlen de heer [D] en zijn vennootschappen is voor 29 mei 2015 om 11.00 uur een afspraak gemaakt bij de [a-bank] [c-straat] 111 in [J] .

In dit memo heb ik een globaal verslag opgenomen van hetgeen tijdens het bezoek aan de orde is gekomen en aan informatie en stukken is uitgewisseld. (…)

(…)

Voor wat betreft de lage prijsstelling heeft de heer [K] in het dossier van de [a-bank] wel enige aanvullende stukken dan wel verklaringen aangetroffen die als basis hebben gediend voor de accordering van de in de brief van de notaris genoemde totaal verkoopprijs zoals verwoord in de aflossingsnota van 21 januari 2009. Wij hebben desgevraagd van zowel de brief van de notaris, als van de aflossingsnota en in tussenliggende interne stukken een integrale kopie ontvangen. Uit de stukken in onderling verband beschouwd komt het volgende beeld naar voren:

  1. De [a-bank] heeft op de betreffende onroerende zaken per 26 januari 2009 een openstaande schuld inclusief lopende- en boeterente van € 117.225,88.

  2. De WOZ waarde van het pand te [B] is aanzienlijk hoger dan de tussen partijen bedongen koopprijs maar dit lijkt te worden veroorzaakt door een verhuursituatie waarbij door huurder (moeder van de heer [D] ) een zeer lage huur wordt betaald en die aanleiding geeft tot een neerwaartse bijstelling van de waarde. (…)

  3. De WOZ waarde van het pand te [A] blijkt in de loop van 2007 ambtshalve een neerwaartse bijstelling te hebben plaatsgevonden vanuit de betreffende gemeente Maasgouw, waarbij de WOZ waarde van ruim € 114.000 is gecorrigeerd naar € 71.662. Desgevraagd hebben wij een kopie van het betreffende stuk uit het dossier van de [a-bank] ontvangen.

Uiteindelijk heeft de [a-bank] volgens de heer [K] gezien voorgaande bevindingen ingestemd met de verkoop tegen de door de notaris genoemde waarde mede vanwege de wens om te komen tot een obligoreductie en omdat na betaling van de aflossing nog zekerheden voor de [a-bank] resteerden.

(…)."

2.23.

De Inspecteur heeft met dagtekening 31 december 2016 een navorderingsaanslag IB/PVV 2011 aan belanghebbende opgelegd, waarbij hij voor de verkoop van het pand in [B] een opbrengst van € 24.954 in aanmerking heeft genomen als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW). Het eerder vastgestelde belastbaar inkomen uit Box 3 is niet gecorrigeerd. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 87.488 (belastbaar inkomen Box 1: € 85.896 en belastbaar inkomen Box 3: € 1.592). Daarnaast is een vergrijpboete van 25% van de nagevorderde belasting aan belanghebbende opgelegd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is de navorderingsaanslag IB/PVV 2011. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of de Inspecteur beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Indien het antwoord daarop bevestigend luidt, is in geschil of het resultaat dat door belanghebbende is behaald bij de verkoop van het pand in [B] moet worden gekwalificeerd als ROW. Partijen zijn het erover eens dat ingeval het gelijk aan de Inspecteur is, de navorderingsaanslag moet worden verminderd en worden berekend naar een belastbaar inkomen uit Box 1, tevens verzamelinkomen, van € 79.298.

3.2.

De Inspecteur beantwoordt de vragen bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken op bezwaar, vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2011 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit Box 1, tevens verzamelinkomen, van € 79.298 en tot een dienovereenkomstige vermindering van de beschikkingen heffingsrente en boete.

3.3.

Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4.

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing