Home

Gerechtshof Amsterdam, 16-02-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:512, 200.260.279/01

Gerechtshof Amsterdam, 16-02-2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:512, 200.260.279/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16 februari 2021
Datum publicatie
29 maart 2021
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2021:512
Zaaknummer
200.260.279/01

Inhoudsindicatie

Verkoop woning. Uitleg overeenkomst. Betekenis kwijtingsbeding in akte van levering. Overeenkomst van geldlening tussen verkoper en koper of schuldoverneming door een derde met betrekking tot deel van de koopsom? Geen instemming verkoper met schuldoverneming. De kwijting voor de koopsom in de leveringsakte strekt zich niet uit tot de betalingsverplichting van de koper uit hoofde van de met verkoper gesloten overeenkomst van geldlening.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2019:2234.

Uitspraak

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.260.279/01

zaak/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/276494 / HA ZA 18-471

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 februari 2021

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. C.I.M. Molenaar te Watergang,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellant,

advocaat: mr. F.T. Zoutberg te Almere.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 28 mei 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2019, onder bovenvermeld zaak/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel appel.

Na het aanbrengen van de dagvaarding in hoger beroep heeft het hof, bij tussenarrest van 2 juli 2019, een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 4 november 2019. Uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal blijkt dat partijen niet tot een minnelijke regeling zijn gekomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover daarbij een deel van zijn vordering is afgewezen en [geïntimeerde] alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – aanvullend zal veroordelen tot betaling van € 55.500,=, te vermeerderen met de overeengekomen rente, althans de wettelijke rente, en € 1.663,75, inclusief btw, met wettelijke rente, en de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft in principaal appel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de grieven en in incidenteel appel tot vernietiging van het bestreden vonnis en integrale afwijzing van de vordering van [appellant] , met – uitvoerbaar bij voorraad – restitutie van al hetgeen hij op grond van het bestreden vonnis aan [appellant] heeft voldaan en veroordeling van [appellant] in de kosten van de eerste aanleg en het principale en incidentele appel.

[appellant] heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de grief, bekrachtiging van het bestreden vonnis en beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.13 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep nog van belang komen deze feiten neer op het volgende.

2.1.

Op 11 maart 2016 heeft [appellant] zijn (vakantie)woning aan de [adres 1] , (hierna: de woning) verkocht en geleverd aan [geïntimeerde] . De koopsom bedroeg € 850.000,=.

2.2.

Over de betaling van de koopsom is in de (in het Nederlands vertaalde) leveringsakte, voor zover van belang, het volgende opgenomen:

Volgens de comparanten vindt de betaling als volgt plaats:

Een bedrag van vijftienduizend euro (€ 15.000) is op 7 september 2015 voldaan door middel van een bankoverboeking vanaf de rekening van de kopers bij de entiteit Rabobank, rekeningnummer (…) op de rekening van de verkopers bij [X] , rekeningnummer (…).

Een bedrag van honderdvijftigduizend euro (€ 150.000) is op 28 december 2015 voldaan door middel van een bankoverboeking van de rekening van de kopers bij BankInter, rekeningnummer (…), op de rekening van de verkopers bij ABN AMRO, rekeningnummer (…).

(…)

Op 9 februari 2016 is een bedrag van honderdvijftigduizend euro (€ 150.000) voldaan vanaf de voornoemde rekening van de kopers bij de entiteit BankInter op de rekening van de verkopers bij [X] die eerst is vermeld.

Heden wordt een bedrag van tienduizend euro (€ 10.000) in contanten voldaan.

Heden wordt een bedrag van vijfhonderdduizend tweehonderdvijftig euro voldaan door middel van een bankcheque op naam van de heer [appellant] . Zij verklaren dat de cheque is uitgeschreven ten laste van de rekening van de kopers bij de entiteit BankInter voornoemd. Door mij gewaarmerkte afschriften daarvan hecht ik hierbij aan de onderhavige akte.

Wat betreft de rest van de prijs, dat wil zeggen, een bedrag van vierentwintigduizend zevenhonderdvijftig euro (€ 24.750), gelijk aan 3% van de prijs, is door de kopende partij ingehouden ter betaling aan de [Spaanse] Belastingdienst uit hoofde van belasting op de overdracht van onroerende goederen gelegen in Spanje door niet-ingezetenen belastingplichtigen die handelen zonder permanente vestiging. (…)

De verkopende partij verleent kwijting aan de kopende partij voor de koopprijs.

2.3.

In afwijking van hetgeen in de leveringsakte is vermeld, is een deel van de koopsom van de woning onbetaald gebleven. Zo heeft [appellant] op 2 november 2015 een bedrag van € 100.000,= (met omschrijving ‘lening [adres 1] ’) en op 2 februari 2016 een bedrag van € 150.000,= (met omschrijving ‘Huis Spanje’) aan [geïntimeerde] overgemaakt. [geïntimeerde] heeft deze bedragen op 28 december 2015 en op 9 februari 2016 weer teruggestort aan [appellant] . De in de akte genoemde betalingen van ieder € 150.000,= waren in feite grotendeels terugbetalingen aan [appellant] van eerdergenoemde geleende bedragen. Alleen de door [geïntimeerde] extra betaalde € 50.000,= was een aanbetaling op de koopsom van de woning.

2.4.

Partijen hebben na levering van de woning in onderling overleg het hierna opgenomen overzicht opgesteld. Uit dit overzicht blijkt het bedrag dat nog aan [appellant] (‘ [appellant] ’) is verschuldigd:

[appellant] [adres 1]

huis gekocht € 850.000,00

inhouding 3% belasting spanje € 24.750,00

betalingen

robert € 67.500,00

boot € 50.000,00

[A] bank € 15.000,00

[A] bank € 50.000,00

hypotheek € 500.250,00

€ 850.000,00 € 707.500,00

Nog te betalen [geïntimeerde] € 142.500,00

2.5.

[appellant] heeft (contante) betalingen van een derde, [B] (hierna: [B] , door partijen ook wel ‘ [B] ’ genoemd), in ontvangst genomen, die in mindering strekten op de te betalen koopprijs. [B] is (kennelijk) op zijn beurt een aanzienlijk geldbedrag verschuldigd aan [geïntimeerde] . De betalingen van [B] aan [appellant] strekten in mindering op zijn schuld aan [geïntimeerde] .

2.6.

Bij e-mail van 1 januari 2017 heeft [appellant] onder meer het volgende aan [geïntimeerde] (‘ [geïntimeerde] ’) geschreven:

[geïntimeerde] , ik checkte gisteren mijn bankrekening en zag dat de beloofde 150K nog niet zijn gestort. Wil je aub zo vriendelijk zijn dat deze week te doen. [appellant] (rekeningnummer) met als vermelding betaling huis Javea. Jullie hebben al eerder geld naar dit rekeningnummer overgemaakt. Het restantbedrag zou ik ook graag zo snel mogelijk hebben.

2.7.

Op 3 mei 2017 heeft [appellant] een Facebook-bericht gestuurd aan de echtgenote van [geïntimeerde] (‘ [A] ’) met onder meer de volgende inhoud:

Hi [A] en [geïntimeerde] (…). Ik stel voor dat ik voor 1 juli de ongeveer 2 ton op mijn bankrekening heb ontvangen plus de 5,5K aan kosten. Mijn mensen die mij geld hebben geleend rekenen mij 4% rente. Het lijkt mij redelijk om dat bij jullie ook in rekening te brengen. Gerekend vanaf de datum dat we bij de notaris waren. Doe je best AUB. Jullie willen er vanaf, mijn broer, zus, etc. willen ervan af. Let’s go.

2.8.

Sinds juli 2017 verblijft [B] in detentie.

2.9.

Op 29 augustus 2017 hebben [appellant] en [geïntimeerde] via WhatsApp de volgende berichten gewisseld:

14.55

uur [ [appellant] aan [geïntimeerde] ]

Hi [geïntimeerde] , 4 september moet je het voor elkaar krijgen. (…) Zorg ervoor dat ik mijn 210 K in september heb, dat scheelt een inbeslagname bij mij aub!

14.57

uur [ [geïntimeerde] aan [appellant] ]

Ik ga 4 sep met de bank overleggen. En ga mijn best doen.

14.58

uur [ [appellant] aan [geïntimeerde] ]

Top, regel het want de druk op mij wordt onhoudbaar.

14.58

uur [ [geïntimeerde] aan [appellant] ]

Ik had gehoopt om al een klein bedrag te betalen vanaf de zaak. Maar Metropop, mijn grootste opdrachtgever, heeft betalingsproblemen. Dat heb ik maandag te horen gekregen.

2.10.

Op 9 oktober 2017 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] per WhatsApp geschreven:

Hoi [appellant] , ben super druk. Betaling komt eraan. Pfff, loopt niet lekker. Maar komt goed.”

Later, diezelfde dag, heeft [geïntimeerde] nog aan [appellant] geschreven:

Ja, komt goed. Ga vandaag weer op pad! Kan [B] ook niet vragen. De afspraak was dat hij je ging betalen. Maar die zit nog een paar jaar in de gevangenis. Ik ga snel iets regelen.

2.11.

Op 6 november 2017 heeft [geïntimeerde] een bedrag van € 10.000,= aan [appellant] betaald. [appellant] heeft [geïntimeerde] sindsdien diverse aanmaningen gestuurd. [geïntimeerde] heeft nadien geen betalingen meer aan [appellant] gedaan.

3 Beoordeling

3.1.

[appellant] heeft in de eerste aanleg van deze procedure, kort weergegeven, gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van (i) een hoofdsom van € 188.000,=, met de overeengekomen rente van 4% vanaf 11 maart 2016, (ii) een bedrag van € 2.775,=, met wettelijke rente, wegens buitengerechtelijke incassokosten, en (iii) de proceskosten.

Hij heeft daartoe, kort weergegeven, gesteld dat hij [geïntimeerde] de gevorderde hoofdsom heeft geleend ten behoeve van de verkoop van de woning en [geïntimeerde] met de terugbetaling in gebreke blijft.

[geïntimeerde] heeft primair aangevoerd dat [appellant] hem kwijting heeft verleend bij de notariële leveringsakte, zodat [appellant] niets meer van hem heeft te vorderen. Subsidiair heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [B] zijn schuld heeft overgenomen en dat [appellant] daarom [B] en niet [geïntimeerde] moet aanspreken tot betaling van het gevorderde bedrag.

3.2.

De rechtbank heeft de in conventie gevorderde hoofdsom toegewezen tot een bedrag van € 132.500,=. [geïntimeerde] is, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, belast met de kosten van het geding, met inbegrip van de kosten van het beslag, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten. Voor het overige is de vordering van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft ook beslist op een vordering van [geïntimeerde] in reconventie, maar deze is in hoger beroep niet meer aan de orde.

3.3.

Tegen de beslissing in conventie en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen beide partijen met hun grieven op.

De grieven van [appellant] betreffen het door de rechtbank afgewezen deel van de hoofdsom, te vermeerderen met de overeengekomen rente. Verder vordert [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de na het bestreden vonnis gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.

De grief van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep strekt tot volledige afwijzing van de vordering van [appellant] .

Het incidentele hoger beroep

3.4.

De grief van [geïntimeerde] is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat uit het door partijen opgestelde betalingsoverzicht, de veelvuldig tussen partijen gewisselde e-mail-, Facebook- en WhatsAppberichten en uit de betaling van het bedrag van € 10.000,= door [geïntimeerde] aan [appellant] valt op te maken dat partijen een overeenkomst van geldlening zijn aangegaan voor het onbetaald gebleven gedeelte van de koopsom en dat niet is gebleken van een geldige schuldoverneming door [B] . Ter toelichting op zijn grief heeft [geïntimeerde] het volgende aangevoerd.

Hij had een aanzienlijke geldsom van [B] te vorderen. Deze stelde voor te bemiddelen bij de door [geïntimeerde] gewenste aankoop van een vakantiehuis in Spanje. In februari 2015 bood de door [B] benaderde makelaar, [D] (een vriend van [appellant] ), de woning van [appellant] te koop aan. Die maand hebben [geïntimeerde] , [B] , [D] en [appellant] de transactie op het terras van de woning besproken. Daarbij werd afgesproken dat [geïntimeerde] de woning zou kopen met behulp van een hypothecaire geldlening van ongeveer € 500.000,= en de kosten koper voor zijn rekening zou nemen. [B] zou het resterende gedeelte van de koopsom en de overige kosten aan [appellant] voldoen, waartegenover [geïntimeerde] [B] kwijting zou verlenen van zijn schuld aan [geïntimeerde] . [B] betaalde in de periode tot maart 2016 overeenkomstig de gemaakte betalingsafspraak in totaal € 142.500,= aan [appellant] (door middel van een boot ter waarde van € 50.000,=, meubilair ter waarde van € 25.000,=, een aanbetaling van € 67.500,= en een bedrag van ongeveer € 65.000,= tot € 75.000,= aan ‘adviseurskosten’, waaronder begrepen de courtage van [D] van € 21.250,=). [B] bood verder ter betaling een aantal panden in Noord-Holland aan [appellant] aan, evenals een stuk bouwgrond in Spanje en een Porsche Cayenne. [appellant] heeft deze zaken, na inspectie daarvan, echter niet als betaling geaccepteerd. Op grond van Spaanse regelgeving is het verboden een onroerende zaak te verkopen waarbij de koper een gedeelte van de koopsom schuldig blijft. Daarom stelde [appellant] voor dat hij twee geldleningen aan [geïntimeerde] zou verstrekken, die direct weer zouden worden terugbetaald. Zo konden de betalingsbewijzen van deze terugbetaling worden gebruikt om aan te tonen dat het resterende bedrag van de koopsom volledig door [geïntimeerde] was betaald, waardoor hij een hypothecaire geldlening kon krijgen voor € 500.250,= en de transactie tussen partijen kon worden gefinancierd en gefinaliseerd. Aldus geschiedde en op 11 maart 2016 werd de woning geleverd, waarbij [appellant] in de notariële akte aan [geïntimeerde] kwijting verleende voor betaling van de koopprijs. Gelet op de in februari 2015 gemaakte afspraken bestond op 11 maart 2016 tussen partijen wilsovereenstemming dat [appellant] afstand deed van zijn vorderingsrecht op [geïntimeerde] met betrekking tot betaling van het restant van de koopsom en dat [B] dit zou voldoen. Na de levering was dan ook alleen [B] nog een bedrag ter hoogte van het niet betaalde deel van de koopsom aan [appellant] verschuldigd. Het conflict tussen partijen ontstond pas toen [B] in juli 2017 werd gearresteerd en tot een langdurige gevangenisstraf werd veroordeeld, waardoor hij het resterende bedrag van de koopsom niet meer kon betalen, aldus nog steeds [geïntimeerde] .

3.5.

Vast staat dat de inhoud van de notariële akte van 11 maart 2016 onjuist is, voor zover het gaat om een deel van de betalingen die zouden zijn gedaan. In werkelijkheid was ten tijde van het opmaken van deze akte een bedrag van in totaal € 250.000,= niet aan [appellant] betaald. Niet in geschil is dat partijen voor dat bedrag een constructie hebben bedacht om tegenover de notaris te kunnen doen voorkomen dat [geïntimeerde] volledig aan zijn betalingsverplichtingen had voldaan. Op die manier kon [geïntimeerde] voor de aanschaf van de woning een hypothecaire geldlening van een Spaanse bank verkrijgen, waarop hij geen aanspraak had omdat hij in werkelijkheid de koopsom niet volledig had betaald ten tijde van de levering van de woning.

3.6.

Anders dan [geïntimeerde] meent, vindt zijn betoog dat [appellant] jegens hem afstand heeft gedaan van ieder vorderingsrecht geen steun in zijn stellingen over de gang van zaken tijdens de bespreking in februari 2015, noch uit hetgeen zich daarna heeft afgespeeld. Uit [geïntimeerde] ’ stellingen vloeit weliswaar voort dat [appellant] betalingen van [B] zou accepteren in mindering op de koopsom, maar niet dat [appellant] , in het geval [B] een deel van de koopsom onverhoopt niet zou voldoen, zich niet meer zou kunnen wenden tot [geïntimeerde] teneinde alsnog volledige betaling te verkrijgen. Dit klemt temeer omdat niet voor de hand ligt dat [appellant] het risico zou nemen afstand te doen van ieder vorderingsrecht ten opzichte van [geïntimeerde] , nu (i) betalingsproblemen van [B] in zijn relatie tot [geïntimeerde] nu juist aan de basis lagen van de afspraken met [appellant] , die, kennelijk anders dan [geïntimeerde] , bereid was ook zaken in plaats van geld als betaling te accepteren en (ii) alleen [geïntimeerde] eigenaar werd van de vakantiewoning, waardoor verhaalsmogelijkheden van [appellant] zouden worden beperkt wanneer hij jegens [geïntimeerde] afstand zou doen van ieder vorderingsrecht. Dat in de leveringsakte een kwijtingsbepaling is opgenomen vormt evenmin een aanwijzing voor de hiervoor bedoelde afstand, nu (nog daargelaten dat tussen partijen vast staat dat in die akte met betrekking tot de betaling van de koopprijs opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven) het bij verkoop van onroerende zaken niet ongebruikelijk is dat de verplichting tot betaling van een deel van de koopsom wordt omgezet in een geldlening van de verkoper aan de koper en in de leveringsakte dan kwijting wordt verleend, maar slechts voor betaling van de koopsom.

3.7.

De stellingen van [geïntimeerde] in hoger beroep doen geen afbreuk aan het oordeel van de rechtbank dat de onder 2.4, 2.6, 2.7 en 2.9 tot en met 2.11 vermelde feiten wijzen op het bestaan van een geldlening tussen [appellant] en [geïntimeerde] met betrekking tot het onbetaald gebleven deel van de koopsom, noch aan het oordeel dat niet vaststaat dat [appellant] heeft ingestemd met schuldoverneming door [B] .

Uit de vastgestelde feiten komt immers onmiskenbaar naar voren dat [geïntimeerde] zich vanaf de eerste e-mail van [appellant] van 1 januari 2017 gedroeg als zijn contractuele wederpartij. Daarin brengt [geïntimeerde] geen verandering met zijn stelling dat [appellant] niet alle relevante WhatsAppberichten tussen partijen in het geding heeft gebracht en dat hij – [geïntimeerde] – niet in staat is WhatsAppberichten uit die tijd in het geding te brengen omdat zijn eigen telefoon kapot is. [geïntimeerde] werpt immers slechts de mogelijkheid op dat relevante berichten zouden ontbreken en maakt niet duidelijk wat daarvan de inhoud zou zijn. Daarbij komt dat de WhatsAppberichten van 29 augustus 2017 zeer kort op elkaar volgen en zijn voorafgegaan door e-mail- en Facebookberichten van [appellant] aan [geïntimeerde] met dezelfde strekking. De reacties in de berichten van [geïntimeerde] op de herhaalde betalingsverzoeken van [appellant] zijn consistent en in de kern niet anders op te vatten dan dat hij zich in 2017 nog steeds beschouwde als schuldenaar van [appellant] . Daarin past ook de uiteindelijke betaling in november 2017. Dat deze betaling slechts uit ‘coulance’ plaatsvond, acht het hof niet geloofwaardig.

3.8.

Ook overigens heeft [geïntimeerde] niets naar voren gebracht wat afbreuk doet aan de conclusie van de rechtbank dat tussen partijen een overeenkomst van geldlening bestaat met betrekking tot het restant van de koopsom en dat hij op grond daarvan een betalingsverplichting heeft jegens [appellant] , waarop de in de akte van levering opgenomen kwijting voor de koopsom geen betrekking heeft. Hij heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat [appellant] heeft ingestemd met schuldoverneming door [B] of dat hij gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat hij [appellant] niets meer was verschuldigd ter zake van de aankoop van de woning.

3.9.

De slotsom is dat de incidentele grief faalt, evenals het beroep van [geïntimeerde] op de artikelen 21 en 22 Rv in verband met volgens hem ontbrekende WhatsAppberichten.

Het principale hoger beroep

3.10.

Grief 1 van [appellant] betreft de afwijzing door de rechtbank van een bedrag van € 50.000,= in verband met de aankoop van de woning en een bedrag van € 5.514,50 voor ten behoeve van [geïntimeerde] betaalde elektriciteit, water, gemeentebelasting en boottransport. In hoger beroep heeft [appellant] laatstgenoemd bedrag afgerond tot € 5.500,=.

3.11.

[appellant] heeft in eerste aanleg voor de verschuldigdheid van beide bedragen gewezen op een door hem in het geding gebracht exemplaar van het onder 2.4 vermelde overzicht, waarop, naast de getypte inhoud zoals deze onder 2.4 is weergegeven, handgeschreven aantekeningen staan waaruit volgens [appellant] blijkt dat [geïntimeerde] beide bedragen is verschuldigd. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis als stelling van [appellant] opgenomen dat het verschil tussen het door hem gevorderde bedrag en het op het overzicht vermelde restantbedrag ziet op de aankoop van een boot door [geïntimeerde] ter waarde van € 50.000,=, dat hij deze boot kocht om zijn vrouw te verrassen en dat hij daarom onder het getypte bedrag (van € 142.500,=) op het overzicht met de hand € 50.000,= heeft bijgeschreven waardoor het verschuldigde bedrag uitkwam op € 192.500,=. [geïntimeerde] heeft een en ander betwist en daarbij gewezen op het door hem in het geding gebrachte getypte overzicht, zonder handgeschreven aantekeningen. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] de door hem in afwijking van het door partijen gezamenlijk opgestelde overzicht gevorderde bedragen onvoldoende heeft onderbouwd en niet heeft voldaan aan zijn stelplicht.

3.12.

In hoger beroep heeft [appellant] gesteld dat hij in juni 2015 heeft laten weten dat hij geen belangstelling had voor de boot die [B] als betaling in mindering op de koopprijs aanbood. [geïntimeerde] had wel belangstelling voor de boot en afgesproken werd dat hij de boot van [B] zou kopen voor een bedrag van € 50.000,= en dat bedrag zou overmaken aan [appellant] in plaats van aan [B] . De levering van de boot door [B] aan [geïntimeerde] werd beschouwd als een (deel)betaling van de openstaande schuld van [B] . De boot ter waarde van € 50.000,= werd vermeld op het door [geïntimeerde] getypte overzicht, omdat zijn vrouw niet mocht weten dat hij deze had gekocht. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn vordering van € 55.500,=, andermaal gewezen op de door hem in het geding gebrachte versie van het overzicht met de handgeschreven aantekeningen, en voorts op de bij memorie van grieven gevoegde producties 15 tot en met 19. Het gaat daarbij om de volgende producties:

- een factuur van Jachttrans van 7 juli 2015, betreffende een bedrag van € 2.117,50, inclusief btw, gericht aan [geïntimeerde] , [adres 2] voor transport van een boot van Uitgeest naar Moraira, welk bedrag deel uitmaakt van het door [appellant] gevorderde bedrag van afgerond € 5.500,=;

- e-mailcorrespondentie (vijf e-mails) tussen [appellant] en [C] van Marina de Moraira in Spanje, in de periode van 13 tot en met 16 november 2015, met in de regel ‘Onderwerp’ in ieder geval telkens de woorden ‘Boot van [geïntimeerde] ’ en soms de toevoeging ‘ [merk] ’ over onder meer transport van de boot door Jachttrans van Spanje naar Nederland, omdat, zo staat in de eerste e-mail van [appellant] , [geïntimeerde] een koper heeft, en waarin [C] [appellant] vraagt om een e-mail van de eigenaar van de boot waaruit blijkt dat hij toestaat dat Jachttrans zijn boot komt ophalen bij Marina de Moraira;

- een e-mail van [appellant] aan [geïntimeerde] van 16 november 2015 met het onderwerp ‘Email Sturen !’, waarin [appellant] heeft geschreven:

Wil jij zo vriendelijk zijn om per direct [C] van Nautica Marina de Moraira een email te sturen waarin jij ze machtigt om Jachttrans “jouw” boot mee te laten nemen naar Uitgeest.

- een e-mail van [C] van 7 oktober 2019 aan [appellant] met het onderwerp Boot [merk] [nummer] , waarin zij onder meer heeft geschreven:

Betreffende de boot Merk [merk] (…) bevestigt onze firma (…) dat deze geleverd werd voor tijdelijke standplaats in onze werf (…) door de Heer [appellant] op 07/08/2015. Het registratiebewijs en eigendomsbewijs van de boot werd op die datum afgeleverd door de Heer [appellant] op naam van de Heer [geïntimeerde] . Bijgevoegd copie van deze registratie.

De boot [merk] (…) werd per e-mail in opdracht van de Heer [geïntimeerde] opgehaald door de transportfirma Jachttrans op 23/11/2015.

Bijgevoegd email van 17/11/2015.

Als bijlagen bij de e-mail van [C] bevinden zich de e-mail van [geïntimeerde] en een Nederlands ‘Registratiebewijs snelle motorboot’ op naam van [geïntimeerde] .

3.13.

[geïntimeerde] heeft erop gewezen dat de stelling van [appellant] , dat hij de boot niet als betaling heeft geaccepteerd, niet is te rijmen met een al in eerste aanleg in het geding gebrachte e-mail van [appellant] aan [geïntimeerde] van 14 juli 2015 met als onderwerp ‘Carrer de la Belladona’, waarin onder meer staat:

Onze vriend wil de boot graag uit factureren en je moet hem ff laten weten aan wie je de boot uit gefactureerd wilt hebben. Op mijn naam komt de boot niet te staan wat ik veel beter is voor de verkoopbaarheid van de boot.

[appellant] gaf hiermee in bedekte termen te kennen gaf dat hij overeenstemming had bereikt met [B] over de boot als betaling, maar dat hij de boot niet op zijn naam wilde hebben. Daarom is het Registratiebewijs op zijn – [geïntimeerde] – naam gezet. De boot is geen registergoed en het registratiebewijs zegt niets over de eigendom daarvan. [appellant] heeft zorggedragen voor het transport van de boot van Nederland naar de Spaanse jachthaven. De factuur van 7 juli 2015 is wel op naam van [geïntimeerde] gezet, maar werd gestuurd naar het adres van de jachthaven in Spanje en [appellant] heeft deze factuur voldaan. [appellant] heeft in november 2015 weer zorggedragen voor het transport van de boot terug naar Nederland. Omdat het registratiebewijs op naam van [geïntimeerde] stond was zijn toestemming nodig voor dat transport. Dat is de eerste en enige keer geweest dat hij contact heeft gehad met de jachthaven. Hij heeft de jachthaven nooit bezocht en nooit met de boot gevaren. Het woordje ‘jouw’ in de e-mail van [appellant] aan [geïntimeerde] , staat tussen aanhalingstekens omdat de boot feitelijk eigendom was van [appellant] . [geïntimeerde] neemt aan dat [appellant] de factuur voor het transport terug naar Nederland heeft betaald. Aldus nog steeds [geïntimeerde] .

3.14.

[geïntimeerde] heeft ter staving van zijn verweer dat het gevorderde bedrag van € 50.000,= al aan [appellant] is voldaan, steeds gewezen op het (getypte) overzicht zoals dat is weergegeven onder 2.4. Hij heeft betwist dat de handgeschreven aantekeningen op het overzicht dat [appellant] in het geding heeft gebracht, van hem – [geïntimeerde] – afkomstig zijn. [appellant] heeft niet betwist dat partijen het getypte overzicht in onderling overleg hebben opgesteld. Dit overzicht biedt dan ook steun aan de stelling van [geïntimeerde] dat de boot ter waarde van € 50.000,= geldt als (deel)betaling aan [appellant] voor aankoop van de woning. [appellant] heeft ook in hoger beroep niets concreets gesteld waaruit volgt dat [geïntimeerde] daadwerkelijk degene is geweest die het overzicht waarover [appellant] beschikt van handgeschreven aantekeningen heeft voorzien. De enkele stellingen dat de boot een verrassing was van [geïntimeerde] voor zijn vrouw, respectievelijk dat zij van die aankoop niet mocht weten, zijn daartoe onvoldoende. Bij de verdere beoordeling van de vordering gaat het hof daarom voorbij aan de door [appellant] in het geding gebrachte versie van het overzicht met handgeschreven aantekeningen.

3.15.

De door [appellant] in het geding gebrachte producties 15 tot en met 19 kunnen hem evenmin baten. Hij had zijn stellingen en de betekenis van deze producties, gelet op de passage over de boot in zijn e-mail van 14 juli 2015 aan [geïntimeerde] en zijn uit de producties blijkende intensieve bemoeienissen met een boot die in zijn optiek niet van hem, maar van [geïntimeerde] was, nader moeten toelichten. Zonder deze toelichting, die ontbreekt, wijzen zijn intensieve bemoeienissen met de boot immers sterker op [appellant] als rechthebbende daarvan, dan [geïntimeerde] . Uit het registratiebewijs valt, zonder nadere toelichting, die eveneens ontbreekt, niet af te leiden dat [geïntimeerde] eigenaar van de boot was.

3.16.

De slotsom is dat [appellant] , gelet op het gezamenlijk opgestelde overzicht waaruit de betaling (door middel van de boot ter waarde) van € 50.000,= aan hem blijkt, ook in hoger beroep onvoldoende heeft gesteld om tot toewijzing te kunnen komen van de desbetreffende vordering. De vordering tot betaling van € 2.117,50 (als onderdeel van het bedrag van € 5.500,=) voor transport van de boot deelt dit lot.

3.17.

Voor het overige ziet de vordering van [appellant] op bedragen voor elektriciteit, water en gemeentebelasting, die hij heeft voldaan, maar die, aldus [appellant] , betrekking hebben op de periode voorafgaand aan de levering waarin [geïntimeerde] al gebruik maakte van de vakantiewoning, en op de periode na de levering.

[geïntimeerde] heeft de verschuldigdheid van deze bedragen gemotiveerd betwist.

[appellant] heeft in eerste aanleg, noch in hoger beroep stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat de desbetreffende bedragen door hem zijn betaald. Aan de handgeschreven aantekeningen op het overzicht kunnen ook in dit verband geen betekenis worden gehecht. Het hof verwijst naar hetgeen daarover hierboven is overwogen. Reeds hierop stuit dit deel van de vordering af.

3.18.

Grief 2 is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld voor toewijzing van een rente van 4%. In hoger beroep wenst [appellant] alsnog toewijzing van die rente, althans van de wettelijke rente.

Nu zijn vordering in hoger beroep in zoverre is beperkt tot rente over het hiervoor niet toewijsbaar geachte bedrag van € 55.500,=, heeft hij geen belang bij bespreking van deze grief.

3.19.

Met grief 3, die ziet op incassokosten, richt [appellant] zich niet tegen de afwijzing door de rechtbank van het in eerste aanleg gevorderde bedrag, maar beoogt hij veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van incassokosten op de grond dat zijn advocaat, na de comparitie na aanbrengen in hoger beroep, [geïntimeerde] bij e-mail van 11 november 2019 heeft gesommeerd tot betaling vóór 1 december 2019 van het in het bestreden vonnis afgewezen bedrag van € 55.514,50, met rente, waarbij hij de verschuldigdheid van incassokosten heeft aangezegd.

Reeds omdat de desbetreffende (afgeronde) vordering van € 55.500,= in hoger beroep wordt afgewezen, bestaat geen grond voor toewijzing van incassokosten. Overigens bestaat geen rechtsgrond voor een vordering tot betaling van kosten die zijn gemaakt voor een sommatie tot betaling van een bedrag dat in eerste aanleg reeds is afgewezen en in hoger beroep ter beoordeling voorligt.

3.20.

De grieven in principaal en in incidenteel hoger beroep falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] wordt als de in het ongelijk gestelde partij belast met de kosten van het geding in principaal hoger beroep. [geïntimeerde] dient, als in het ongelijk gestelde partij de kosten van het incidenteel hoger beroep te dragen.

3.21.

[appellant] , noch [geïntimeerde] heeft voldoende concrete stellingen betrokken, die, indien bewezen, tot een andere beslissing kunnen leiden. Zowel het bewijsaanbod van [appellant] als het bewijsaanbod van [geïntimeerde] wordt dan ook als niet ter zake dienend gepasseerd.

4 Beslissing