Home

Gerechtshof Amsterdam, 27-05-2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2542, 200.126.590/01 en 200.128.989/01

Gerechtshof Amsterdam, 27-05-2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2542, 200.126.590/01 en 200.128.989/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27 mei 2014
Datum publicatie
2 juli 2014
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2014:2542
Zaaknummer
200.126.590/01 en 200.128.989/01

Inhoudsindicatie

Twee zaken in verband met voorgenomen renovatie van Tabakspanden I te Amsterdam. Volgens schriftelijke huurovereenkomst uit 1988 huurt appellant de eerste etage van een gedeelte van een pand. Hij heeft echter van meet af aan ook de beschikking over de begane grond van dat gedeelte. In zaak 1 vordert geïntimeerde ontruiming van de begane grond wegens gebruik zonder recht of titel door appellant, in zaak 2 beroepen geïntimeerden zich op dringend eigen gebruik van het gehuurde vanwege de voorgenomen renovatie. Rechtbank respectievelijk kantonrechter wijzen de vorderingen toe. In zaak 1 oordeelt hof dat de begane grond hoort bij het gehuurde. De vordering wegens gebruik zonder recht of titel wordt daarom alsnog afgewezen. In zaak 2 neemt het hof evenals kantonrechter het gestelde dringend eigen gebruik aan ten aanzien van het gehuurde, waartoe dus ook de begane grond behoort. Bevoegdheidsincident in zaak 1: geen hogere voorziening tegen kostenveroordeling na beslissing op grond van art. 71 lid 5 Rv.

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummers: 200.126.590/01 en

200.128.989/01

zaak- en rolnummers rechtbank Amsterdam: 512840/HA ZA 12-337 en

1372638 CV EXPL 12-25152

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 mei 2014

inzake

(zaaknummer 200.126.590/01):

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M. Ellens te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE PRINCIPAAL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E. van der Hoeden te Amsterdam,

en

(zaaknummer 200.128.989/01):

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. M. Ellens te Amsterdam,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE PRINCIPAAL B.V.,

2. de stichting WOONSTICHTING LIEVEN DE KEY,

beide gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

advocaat: mr. E. van der Hoeden te Amsterdam.

1 De gedingen in hoger beroep

(zaaknummer 200.126.590/01):

Partijen worden hierna [appellant] en De Principaal genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 22 april 2013 in hoger beroep gekomen van het (eind)vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2013, onder zaak- en rolnummer 512840/HA ZA 12-337 gewezen tussen De Principaal als eiseres en (onder meer) [appellant] als gedaagde.

De Principaal heeft op 6 mei 2013 een anticipatie-exploot doen uitbrengen.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben hun zaak ter terechtzitting van het hof van 3 april 2014 aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities door hun hiervoor genoemde advocaten doen bepleiten. Beide partijen hebben bij deze gelegenheid nog nadere producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het eindvonnis van 23 januari 2013, evenals het tussenvonnis van 8 augustus 2012, voor wat betreft de kostenveroordeling, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van De Principaal alsnog zal afwijzen, met veroordeling van De Principaal in de kosten van het geding in beide instanties, die van het incident daaronder begrepen.

De Principaal heeft geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van de bestreden vonnissen en verwijzing van [appellant] in de kosten van - begrijpt het hof - het hoger beroep.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

(zaaknummer 200.128.989/01):

Partijen worden hierna [appellant] en De Principaal c.s. genoemd. Geïntimeerden worden afzonderlijk als De Principaal respectievelijk De Key aangeduid.

[appellant] is bij dagvaarding van 22 mei 2013 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2013, onder rolnummer 1372638 CV EXPL 12-25152 gewezen tussen De Principaal c.s. als eiseressen en [appellant] als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben hun zaak ter terechtzitting van het hof van 3 april 2014 aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities door hun hiervoor genoemde advocaten doen bepleiten. Beide partijen hebben bij deze gelegenheid nog nadere producties in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, de vorderingen van De Principaal c.s. alsnog zal afwijzen, met veroordeling van De Principaal c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

De Principaal c.s. hebben geconcludeerd tot, kort gezegd, bekrachtiging van het bestreden vonnis en verwijzing van [appellant] in de kosten van - begrijpt het hof - het hoger beroep.

Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

(beide zaken):

De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis in de zaak met zaaknummer 200.126.590/01 onder 2.1 tot en met 2.7 een aantal feiten vastgesteld. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in de zaak met zaaknummer 200.128.989/01 onder 1.1 tot en met 1.8 een aantal feiten vastgesteld. In beide zaken betoogt [appellant] met grief 1 dat de rechtbank respectievelijk de kantonrechter ten onrechte geen rekening heeft gehouden met enkele essentiële stellingen. Het hof zal met alle stellingen van [appellant] rekening houden, maar oordeelt dat de rechtbank en de kantonrechter niet waren gehouden alle vaststaande feiten te vermelden. Omdat [appellant] niet heeft gesteld dat de door de rechtbank en de kantonrechter vastgestelde feiten geheel of gedeeltelijk onjuist zijn, dienen die feiten ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

4 Beslissing