Home

Gerechtshof Amsterdam, 19-07-2011, BT6474, 200.062.849/01

Gerechtshof Amsterdam, 19-07-2011, BT6474, 200.062.849/01

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19 juli 2011
Datum publicatie
3 oktober 2011
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6474
Zaaknummer
200.062.849/01

Inhoudsindicatie

Voortgezet gebruik woning, premie overlijdensrisicoverzekering, partneralimentatie.

Uitspraak

(bij vervroeging)

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER

BESCHIKKING van 19 juli 2011 in de zaak met zaaknummer 200.062.849/01 van:

[…],

wonende te […],

APPELLANT in principaal hoger beroep,

GEÏNTIMEERDE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.T. Doyer te Haarlem,

t e g e n

[…],

wonende te […],

GEÏNTIMEERDE in principaal hoger beroep,

APPELLANTE in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. O.J.V. van Beekhof te Amsterdam.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellante in incidenteel hoger beroep worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2. De man is op 16 april 2010 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 19 januari 2010 van de rechtbank Haarlem, met kenmerk 158827/09-2067 en 162151/09-3322.

1.3. De man heeft op 19 april 2010 nadere stukken ingediend.

1.4. De vrouw heeft op 28 mei 2010 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5. De man heeft op 12 juli 2010 een verweerschrift in het hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.6. De vrouw heeft op 13 juli, 14 juli en 31 augustus 2010 nadere stukken ingediend.

1.7. De man heeft op 2 september 2010 nadere stukken ingediend.

1.8. De zaak is op 13 september 2010 ter terechtzitting behandeld. Van die behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Ter terechtzitting is de behandeling aanhouden tot zondag 2 januari 2011 in afwachting van de uitkomst van de inkeerregeling tussen de man en de Belastingdienst. De man is daarbij verzocht ruim vóór voornoemde datum alle op de inkeerregeling betrekking hebbende stukken, waaronder onderliggende stukken, aan het hof te zenden, met afschrift daarvan aan de wederpartij.

1.9. De vrouw heeft op 29 december 2010 haar verzoek in incidenteel hoger beroep aangevuld.

1.10. De man heeft op 30 december 2010 nadere stukken ingediend.

1.11. De vrouw heeft op 23 maart 2011 een nadere reactie gegeven.

1.12. De man heeft bij faxbericht van 24 maart 2011 nadere stukken ingediend. De vrouw heeft daarop bij faxbericht van 28 maart 2011 gereageerd.

1.13. De vrouw heeft op 7 juni 2011 nadere stukken ingediend.

1.14. De man heeft op 9 juni 2011 nadere stukken ingediend.

1.15. De zaak is op 22 juni 2011 tegelijkertijd met de zaak met zaaknummer 200.076.074/01 ter terechtzitting behandeld.

1.16. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn [in] 1980 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 25 mei 2010 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 januari 2010 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn twee, thans meerderjarige kinderen geboren.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1954. Hij woont een deel van het jaar in Zwitserland en het overige deel in Nederland. In Nederland woont hij samen met zijn partner, die in haar levensonderhoud voorziet.

Hij is directielid bij [onderneming A] te [b]. Voorts is hij werknemer bij [onderneming B] te [c]. [onderneming B] is een dochterbedrijf van [onderneming C].

Daarnaast is hij eigenaar van aandelen in [onderneming D] en in [onderneming E].

Hij betaalt CHF 38.000,- (€ 30.977,-) per jaar aan huur voor zijn appartement in Zwitserland. Voorts betaalt hij een bijdrage van € 300,- per maand in de kosten van de woning van zijn partner.

2.3. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1954. Zij is alleenstaand.

Zij bewoont de voormalig echtelijke woning (hierna: de woning).

3. Het geschil in hoger beroep

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:

- bepaald dat de vrouw, indien zij op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de woning nog bewoont, tegenover de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na die inschrijving voort te zetten;

- bepaald dat de man gedurende de periode dat de vrouw in de woning verblijft, alle op de woning ziende lasten zal voldoen;

- bepaald dat de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van € 10.898,- netto per maand zolang de vrouw nog in de woning woont en van € 14.398,- netto per maand zodra de vrouw de woning heeft verlaten, met dien verstande dat de uitkering eerst verschuldigd is met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;

- het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man gehouden is aan haar een door de rechtbank nader vast te stellen maandelijkse premie te voldoen ter dekking van het risico van vooroverlijden van de man en - daardoor - het voortijdig eindigen van de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw, afgewezen.

3.2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, het voortgezet gebruik van de woning en de aan dat gebruik verbonden lasten, en de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren in haar inleidend verzoek, althans dat verzoek af te wijzen, althans de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op een zodanig lager bedrag vast te stellen als het hof juist zal achten met ingang van de datum van deze beschikking.

3.3. De vrouw verzoekt:

- de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans het door hem verzochte af te wijzen;

- (voorwaardelijk) over te gaan tot een descente, en wel indien het gerechthof het nodig acht zich een oordeel te kunnen vormen over de uitgaven van de vrouw aan kleding en schoenen en/of over de aard en de waarde van de inboedel (et cetera) van partijen; een en ander in het kader van de vast te stellen huwelijkse behoefte van de vrouw;

- uit te gaan van een huwelijksgerelateerde behoefte van haar van € 10.898,- (c.q. € 13.213,- indien het hof het daarop gerichte verzoek van haar in incidenteel hoger beroep toewijst) netto per maand exclusief woonlasten, respectievelijk € 14.398,- (c.q. € 15.963,-) netto per maand inclusief woonlasten;

- voorwaardelijk, indien het hof dit nodig acht voor beoordeling van de draagkracht van de man, een getuigenverhoor te gelasten, waarbij in elk geval gehoord worden de accountant van de ondernemingen, de aandeelhouders van deze ondernemingen (voor zover zij zich niet kunnen beroepen op het verschoningsrecht ex artikel 165, lid 2 Rv) en de man zelf; alsmede (eveneens met het doel de draagkracht van de man vast te stellen) een deskundigenonderzoek te bevelen teneinde de waarde vast te laten stellen van de door de man aangehouden deelnemingen; alsmede ten aanzien van zowel het getuigenverhoor als het deskundigenonderzoek te bepalen dat de man gehouden is de kosten daarvoor te dragen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt zij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- haar huwelijksgerelateerde behoefte vast te stellen op € 13.213,- netto per maand exclusief woonlasten, respectievelijk op € 15.855,-, naar het hof begrijpt, netto per maand inclusief woonlasten;

- de door de man te betalen partneralimentatie vast te stellen op € 13.213,- netto per maand voor de periode dat zij in de woning verblijft en de man alle daarop toeziende lasten voor zijn rekening neemt, respectievelijk op een bedrag van € 15.855,-, naar het hof begrijpt, netto per maand voor de periode dat zij de woning verlaten heeft;

- in het kader van een (maandelijks) te betalen premie ter dekking van het risico van vooroverlijden van de man te bepalen dat:

- zij behoefte heeft aan een dergelijke premie;

- de man gehouden is om een dergelijke premie aan haar te voldoen;

- de hoogte van de maandelijkse uitkering waarop zij bij vooroverlijden van de man recht heeft, gelijk is aan de door het hof vast te stellen uitkering tot haar levensonderhoud, dan wel aan een zodanig bedrag als het hof juist zal achten;

- de hoogte van de op deze voorziening betrekking hebbende premie bindend wordt vastgesteld door een door het hof te benoemen deskundige;

- indien het hof het al dan niet toewijzen van onderhavig verzoek van haar afhankelijk stelt van de draagkracht van de man, primair uit te gaan van een toereikende draagkracht, nu de man nalaat de daarop toeziende stukken over te leggen, subsidiair de beslissing op dit punt aan te houden totdat daarover een (in kracht van gewijsde zijnde) beschikking getroffen is;

- indien het hof het al dan niet toewijzen van onderhavige verzoek van haar afhankelijk stelt van de hoogte van het daadwerkelijk door haar ontvangen bedrag uit hoofde van de verdeling en van de vraag of zij daarmee bedoelde voorziening zelf kan financieren, de beslissing op dit punt aan te houden totdat de man aantoont dat hij het door de rechtbank c.q. het hof bepaalde bedrag (aandeel vrouw in de verdeling) daadwerkelijk aan haar heeft voldaan en zij (binnen een door het hof te stellen termijn) aangegeven heeft welk bedrag nodig is om voor haar een pensioenvoorziening te treffen,

- de man in de kosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen.

Op 29 december 2010 heeft zij haar verzoek aangevuld, in die zin dat zij tevens verzoekt:

- primair aan de door de man, naar het hof begrijpt, op 2 september 2010 overgelegde producties voorbij te gaan, althans daaraan geen bewijskracht te verlenen voor zover de man daarmee beoogt aan te tonen niet voldoende draagkracht te hebben voor de door de rechtbank opgelegde alimentatie;

- subsidiair, indien het hof deze stukken wel wenst mee te nemen bij het beantwoorden van de vraag naar de draagkracht van de man, over te gaan tot het benoemen van een deskundige en partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de te benoemen deskundige en de door deze deskundige te beantwoorden vragen, alsmede over te gaan tot het laten horen van getuigen, waaronder in elk geval de accountant die deze stukken, althans een belangrijk deel daarvan, heeft opgesteld, de familie van de man (in hun functie van (mede)aandeelhouder van de in Duitsland en Liechtenstein gedreven familieondernemingen) en de man zelf; alsmede de man te veroordelen in de hierop toeziende kosten.

3.4. De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans dit af te wijzen.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1. De rechtbank heeft de door de vrouw in eerste aanleg gestelde behoefte van € 10.898,- netto per maand zolang zij nog in de woning woont en van € 14.398,- netto per maand zodra zij die woning heeft verlaten, als onvoldoende weersproken aangenomen. Voorts heeft zij geoordeeld dat de draagkracht van de man, bij gebrek aan inzicht in zijn inkomen en uitgaven niet kan worden beoordeeld, en dat dit aan de man is toe te rekenen. Ten aanzien van het verzoek van de vrouw een door de man te betalen premie voor een overlijdensrisicoverzekering vast te stellen, heeft de rechtbank geoordeeld dat daarvoor geen grond aanwezig is, omdat niet is gebleken dat de vrouw niet in staat is om een dergelijke voorziening zelf te financieren. Verder heeft de rechtbank overwogen dat er geen gegronde reden is om het verzoek van de vrouw tot voortgezet gebruik van de woning af te wijzen en dat de man, bij gebrek aan verweer aan zijn zijde, kan worden geacht alle op die woning ziende lasten voor zijn rekening te nemen.

De grieven van de man en de vrouw zijn tegen die overwegingen gericht. Het hof overweegt daarover als volgt.

Voortgezet gebruik en lasten woning

4.2. De rechtbank heeft bepaald dat de vrouw gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tegenover de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten. Vaststaat dat die periode inmiddels is verstreken, zodat de man bij zijn tegen die bepaling gerichte hoger beroep geen rechtens te respecteren belang meer heeft, zodat zijn hoger beroep op dit punt wordt verworpen.

Partijen zijn na de ontbinding van het huwelijk beide aansprakelijk voor de aan de woning verbonden lasten. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw de lasten van de woning uit haar eigen middelen zal moeten betalen, maar heeft nagelaten die stelling nader te onderbouwen. Anders dan de man stelt, is niet aannemelijk geworden dat de woning door toedoen van de vrouw nog niet is verkocht. Bovendien heeft de man ter zitting desgevraagd verklaard dat de woning op dit moment niet te koop staat vanwege de slechte situatie op de huizenmarkt. Gelet daarop zal het hof in redelijkheid bepalen dat de lasten van de woning, na ontbinding van het huwelijk, tussen partijen gelijkelijk zullen worden gedeeld.

Bij de bepaling van de draagkracht van de man zal het hof evenwel geen rekening houden met lasten verbonden aan de woning, nu de hoogte van die lasten niet uit de stukken kan worden afgeleid, de man ter zitting van 13 september 2010 heeft verklaard dat hij de hypotheeklasten van de woning niet voldoet, de vrouw tijdens die zitting heeft verklaard dat de lasten van de woning niet worden betaald en niet gesteld of gebleken is dat die situatie nadien is gewijzigd. Bovendien neemt het hof in aanmerking dat de door partijen verschuldigde lasten in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap kunnen worden verrekend.

Premie overlijdensrisicoverzekering

4.3. Art. 1:157 lid 2 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de rechter bij de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud rekening kan houden met de behoefte aan een voorziening in het levensonderhoud voor het geval van overlijden van degene die tot de uitkering is gehouden. Of, en zo ja in welke omvang, aan een dergelijke voorziening behoefte bestaat, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden, waarbij onder meer van belang zijn de leeftijd van de onderhoudsplichtige, diens draagkracht, de mate waarin de onderhoudsgerechtigde voor levensonderhoud op alimentatie is aangewezen, de al bestaande voorzieningen ten behoeve van de onderhoudsgerechtigde bij vooroverlijden van de onderhoudsplichtige en de welstand van partijen tijdens het huwelijk.

Hoewel de hoogte van het te verdelen vermogen op dit moment nog niet vaststaat, kan uit de stukken worden afgeleid dat dit vermogen aanzienlijk is en dat de vrouw, ook indien zij een deel van haar aandeel aanwendt voor de aankoop van een nieuwe woning tot het door haar in de stukken genoemde bedrag tot

€ 750.000,-, een behoorlijk vermogen zal overhouden. In het licht daarvan heeft de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die maken dat in redelijkheid een voorziening als bovengenoemd nodig is, zodat haar verzoek tot het vaststellen daarvan zal worden afgewezen.

Draagkracht man, behoefte vrouw

4.4. Het hof ziet in de onderhavige procedure bij de bepaling van de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw geen aanleiding rekening te houden met het vermogen dat zij uit te verdeling zullen ontvangen, omdat op de hoogte daarvan op dit moment onvoldoende zicht bestaat.

Draagkracht man

4.5.1. Gelet op de stukken die de man heeft overgelegd, acht het hof zich voldoende geïnformeerd om een oordeel over het inkomen en zijn draagkracht te kunnen geven. Aan het verzoek van de vrouw, indien het hof dat nodig acht een getuigenverhoor te gelasten, dan wel deskundigen te benoemen, zal dan ook voorbij worden gegaan. Het hof ziet daartoe geen aanleiding.

Het hof heeft ter zitting van 13 september 2010 reeds beslist dat de door de man op 2 september 2010 ingediende stukken zullen worden geaccepteerd, zodat het aanvullende primaire verzoek van de vrouw, zoals vermeld onder 3.3, zal worden afgewezen. Verder heeft de vrouw terzake de door de man ingediende stukken onvoldoende gesteld om haar toe te laten tot het door haar in dat verband specifiek aangeboden (voorwaardelijke) getuigenbewijs, zodat ook haar subsidiaire verzoek, als vermeld onder 3.3 zal worden afgewezen.

4.5.2. Niet in geschil is dat de partner van de man met wie hij gedurende zijn verblijf in Nederland samenwoont, in haar eigen levensonderhoud voorziet, zodat het hof de man als alleenstaande zal aanmerken.

Op grond van de stukken is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat de man voor wat betreft zijn inkomsten niet belastingplichtig is in Nederland en dat hij over de door hem te betalen partneralimentatie geen fiscaal voordeel geniet. Dat de man gebruik maakt van de inkeerregeling, maakt dit niet anders. Anders dan de vrouw meent, kan in redelijkheid niet van de man worden gevergd dat hij, uitsluitend om in aanmerking te komen voor fiscaal voordeel naar aanleiding van de voor haar te betalen partneralimentatie, gebruik maakt van een regeling waarbij zijn wereldinkomen in Nederland wordt belast, temeer nu de vrouw niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de overige fiscale consequenties van een dergelijke regeling voor de man zullen zijn.

4.5.3. De man heeft op 9 juni 2011 een overzicht van zijn arbeidsinkomen uit [onderneming B] en [onderneming A] ingediend, dat is opgesteld door BDO Accountants en Belastingadviseurs B.V. (BDO). Het hof heeft geen reden aan de juistheid van dat overzicht te twijfelen. Het overzicht vermeldt een netto inkomen in 2007, 2008 en 2009 van respectievelijk € 109.539,-, € 102.874,- en € 102.509,-. Gezien de bestendig licht dalende lijn in dat inkomen is niet aannemelijk dat het inkomen in 2010 het inkomen in 2009 zal overstijgen. Om die reden zal het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man het inkomen in 2009 in aanmerking nemen.

4.5.4. Anders dan de vrouw stelt, is, gelet op bovengenoemd overzicht van BDO van 9 juni 2011, alsmede de overige ingediende stukken niet aannemelijk geworden dat de man inkomsten geniet uit de ondernemingen [onderneming D] en [onderneming E]. Voor zover in die ondernemingen winsten zijn behaald, zullen die winsten ten goede zijn gekomen aan het eigen vermogen van die ondernemingen. De waarde van die ondernemingen zal in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap worden verdeeld. Op grond daarvan zullen voornoemde ondernemingen bij de bepaling van de draagkracht van de man buiten beschouwing worden gelaten.

4.5.5. Uit de stukken is gebleken dat de nalatenschap van de vader van de man, waarin de man met anderen gerechtigd is, is ondergebracht in de [naam stichting] te [a]. Tot die nalatenschap behoren de aandelen in [onderneming A] en [onderneming B]. Voor het hof staat op grond van de overgelegde stukken vast dat de man geen rechtens afdwingbare aanspraak heeft op het vermogen dat in de [naam stichting] is ondergebracht en dat hij evenmin aanspraak kan maken op dividenduitkeringen terzake voornoemde aandelen. Het hof gaat dan ook voorbij aan de stellingen die de vrouw in dat verband naar voren heeft gebracht.

Wel heeft de man in de afgelopen jaren, met uitzondering van 2006 en 2009 uitkeringen uit voornoemde [naam stichting] ontvangen. Op grond daarvan ziet het hof geen aanleiding die uitkeringen bij de bepaling van de draagkracht man volledig buiten beschouwing te laten, zoals de man heeft verzocht. Nu de hoogte van de uitkeringen sinds 2005 substantieel is afgenomen en in 2006 en 2009 geen uitkering heeft plaatsgevonden, bestaat anderzijds evenmin aanleiding een gemiddelde te nemen van alle uitkeringen die de man in het verleden heeft ontvangen, zoals de vrouw voorstaat. In redelijkheid zal het hof uitgaan van het gemiddelde van hetgeen in 2007, 2008 en 2009 is ontvangen, zijnde een bedrag van CHF 122.333,- (€ 99.725,-) per jaar.

4.5.6. Voor zover de vrouw heeft betoogd dat de man, naast bovengenoemde inkomensbestanddelen nog overige inkomsten, anders dan uit vermogen geniet, heeft zij die stelling, bij gebrek aan enige nadere onderbouwing niet aannemelijk gemaakt.

4.5.7. Hoewel de man geen recente stukken met betrekking tot zijn premie ziektekostenverzekering heeft ingediend, is aannemelijk dat de man een dergelijke premie voldoet. Het hof zal in redelijkheid uitgaan van een bedrag van € 150,- per maand.

4.5.8. Op grond van het bovenstaande en de onder 2.2 vermelde woonlasten is de man in staat een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 7.900,- per maand te voldoen.

Behoefte vrouw

4.6. In navolging van de rechtbank is het hof van oordeel dat, gelet op het traditionele rollenpatroon van partijen tijdens het huwelijk, de leeftijd van de vrouw en het gegeven dat zij gedurende het huwelijk vrijwel niet heeft deelgenomen aan het arbeidsproces, bij de vrouw op dit moment geen verdiencapaciteit aanwezig is.

De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat haar huwelijksgerelateerde behoefte, exclusief toekomstige woonlasten € 130.781,- netto per jaar bedraagt. In hoger beroep heeft zij haar behoefte op een hoger bedrag gesteld. De man heeft in hoger beroep de door de vrouw gestelde behoefte van € 130.781,- netto per jaar ter discussie gesteld. Hij stelt diverse door de vrouw in haar behoefte opstelling opgevoerde posten ter discussie en betoogt dat die behoefte met een bedrag van € 56.000,- moet worden verlaagd. Het hof volgt de man daarin deels. Gelet op het gemotiveerde verweer met betrekking tot haar behoefte, had het op de weg van de vrouw gelegen die behoefte nader te onderbouwen, uitgaande van de situatie dat zij niet meer in de voormalig echtelijke woning woont. Het hof doelt dan op door de vrouw opgevoerde kosten voor energie en water, onderhoud van de aan te schaffen woning en zakgeld. De door de vrouw opgevoerde bedragen acht het hof zonder nadere toelichting buitenproportioneel. Wel acht het hof het redelijk bij de behoefte van de vrouw met de door haar genoemde kosten van dagelijks levensonderhoud rekening te houden, alsmede met een component aan sparen voor onverwachte uitgaven. Het voorgaande brengt mee dat de vrouw naar het oordeel van het hof minimaal behoefte heeft aan de onder 4.5.8 vermelde uitkering tot haar levensonderhoud, zodat de overige stellingen van partijen reeds om die reden geen nadere bespreking behoeven. Daarbij wordt opgemerkt dat de vrouw over de onder 4.5.8 genoemde uitkering inkomstenbelasting is verschuldigd.

4.7. Gelet op de uitkomst van de procedure, bestaat geen aanleiding de man in de kosten van de procedure in hoger beroep te veroordelen, zodat het verzoek van de vrouw daartoe zal worden afgewezen.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man bij vooruitbetaling te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 25 mei 2010, zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op € 7.900,- (ZEVENDUIZEND NEGENHONDERD EURO) per maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M.A. Gerritzen-Gunst, G.J. Driessen-Poortvliet en A. van Haeringen, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2011.