Home

Gerechtshof Amsterdam, 11-02-2003, AF7121, 23-003033-02

Gerechtshof Amsterdam, 11-02-2003, AF7121, 23-003033-02

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11 februari 2003
Datum publicatie
13 oktober 2004
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2003:AF7121
Zaaknummer
23-003033-02
Relevante informatie
Opiumwet [Tekst geldig vanaf 01-01-2023] art. 2, Wetboek van Strafrecht [Tekst geldig vanaf 01-01-2023 tot 01-07-2023] art. 140

Inhoudsindicatie

(telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne tezamen en in vereniging met anderen (onder wie M) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen.

Import en export van cocaine binnen een criminele organisatie.

5 jaar gevangenisstraf

Uitspraak

arrestnummer

rolnummer 23-003033-02

datum uitspraak 11 februari 2003

tegenspraak

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van

5 augustus 2002 in de strafzaak onder parketnummer 15/035555-01 van het openbaar ministerie tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nigeria) op [geboortedatum] 1973,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd te HvB "De Torentijd" te Middelburg.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 22 juli 2002 en in hoger beroep van 28 januari 2003.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de eerste rechter.

Bewijslevering

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij

1. op 26 januari 2002 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 497 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I;

2. op 14 september 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen (onder wie [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]), opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 3.981,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2001 tot en met 15 december 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen (onder wie [medeverdachte 3]) (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, te weten naar

a. Wenen, ongeveer zes maal en

b. Oslo, eenmaal en

c. Rome, twee maal (omstreeks 10 november 2001 en omstreeks 1 december 2001);

d. Turijn, eenmaal;

4. op tijdstippen in de periode van 1 april 2001 tot en met 31 augustus 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen (onder wie [medeverdachte 1]) telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, te weten naar

a. Oostenrijk, ongeveer drie maal en

b. Rome, eenmaal en

c. Tenerife, een maal;

5. omstreeks de periode van 28 november 2001 tot en met 20 december 2001 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte en/of een of meer anderen voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

- geld heeft overgemaakt naar Polen ten behoeve van treinkaartjes voor twee personen ([medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5]) en/of vervolgens;

- die personen naar Amsterdam heeft laten komen en in een hotel heeft ondergebracht en/of vervolgens;

- die personen naar Schiphol heeft gebracht (vanwaar zij naar Santiago de Chili zijn gereisd) en/of vervolgens;

- die personen reisgeld heeft gegeven (om in Chili een ticket naar Quito te kunnen aanschaffen, waar zij de cocaïne hebben opgehaald) en/of vervolgens;

- die personen heeft geïnstrueerd via Curaçao naar Amsterdam te reizen (waarna hen op Curaçao de toegang werd geweigerd) en/of vervolgens;

- voor een van die personen ([medeverdachte 4]) een vliegticket voor de vlucht Quito - Madrid - Amsterdam heeft geboekt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6. in de periode van 1 januari 2001 t/m 26 januari 2002 te Amsterdam en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte en mededaders, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk invoeren en opzettelijk uitvoeren van een of meerdere hoeveelheden cocaïne en het plegen van voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet daartoe.

Hetgeen onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

1. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet, gegeven verbod;

2. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet, gegeven verbod;

3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet, gegeven verbod, meermalen gepleegd;

4. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet, gegeven verbod, meermalen gepleegd;

5. Medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet, gegeven verbod;

6. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot -kort gezegd- zeven jaar gevangenisstraf.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf, met verbeurdverklaring conform beslissing in eerste aanleg.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Verdachte heeft gedurende ongeveer een jaar deel uitgemaakt van een criminele organisatie, die zich op intensieve wijze bezighield met de import en export van cocaïne. Verdachte heeft hiermee een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de verspreiding van en handel in deze voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan bovendien veelal gepaard met andere vormen van criminaliteit.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 13 december 2002, is verdachte niet eerder veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de telefoon en sim-kaart, die aan verdachte toebehoren, dienen (opgevat als een gezamenlijkheid van voorwerpen) te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het bewezenverklaarde met behulp van deze voorwerpen is begaan of voorbereid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 24, 27, 33, 33a, 45, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijslevering omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 5 (VIJF) JAREN.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- een telefoontoestel;

- een sim-kaart.

Gelast de teruggave aan de uitgevende instantie van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een verblijfsvergunning op naam van [verdachte].

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Scholten, Veldhuisen en Voncken, in tegenwoordigheid van mr. Van Harten als griffier en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 februari 2003.