Home

Centrale Raad van Beroep, 28-03-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1054, 16/4877 ANW

Centrale Raad van Beroep, 28-03-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1054, 16/4877 ANW

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28 maart 2019
Datum publicatie
29 maart 2019
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2019:1054
Zaaknummer
16/4877 ANW

Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de Svb heeft mogen weigeren terug te komen van zijn besluit van 10 juli 2012, waarin is neergelegd dat de ANW-uitkering van appellante niet eerder ingaat dan mei 2011. Verder is in geschil of de Svb heeft mogen weigeren terug te komen van de intrekking van deze uitkering per 1 juli 2012, en of hij heeft mogen besluiten dat appellante geen aanspraak heeft op een ANW-uitkering met ingang van mei 2015.

Uitspraak

16 4877 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

27 juni 2016, 16/377 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 28 maart 2019

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Namens appellante is verschenen mr. J.F. Grégoire, advocaat. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was gehuwd met [X.], die op 13 september 2010 is overleden. In mei 2012 heeft appellante een aanvraag gedaan voor toekenning van een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). Met een besluit van 10 juli 2012 is aan haar met ingang van mei 2011 een ANW-uitkering toegekend, nu haar mate van arbeidsongeschiktheid meer dan 45% bedroeg. Met een besluit van dezelfde datum is aan appellante gemeld dat de ANW-uitkering wordt beëindigd per 1 juli 2012, omdat zij vanaf 22 juni 2012 minder dan 45% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bezwaar tegen beide besluiten is bij beslissing van 8 oktober 2012 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

De rechtbank Den Haag heeft het beroep hiertegen bij uitspraak van 25 maart 2013 ongegrond verklaard.

2. Op 29 mei 2015 heeft appellante opnieuw een aanvraag gedaan om in aanmerking te komen voor een ANW-uitkering. Met een besluit van 5 juni 2015 is deze aanvraag afgewezen. In de nieuwe aanvraag zijn geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vermeld, zodat de Svb verwijst naar het besluit van 10 juli 2012. De Svb heeft het bezwaar hiertegen bij beslissing van 4 december 2015 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is met het oog op een mogelijke aanspraak op uitkering met ingang van de maand waarin het verzoek om herziening is ingediend, overwogen dat de door appellante in bezwaar ingediende medische stukken geen betrekking hebben op de datum in geding, 22 juni 2012.

3.1.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kan van hetgeen appellante heeft aangevoerd niet gezegd worden dat dit nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn, die zien op de datum in geding,

22 juni 2012. Evenmin kan gezegd worden dat het intrekkingsbesluit van 10 juli 2012 onmiskenbaar onjuist is. Ook is de rechtbank van oordeel dat in het toekenningsbesluit op juiste gronden een terugwerkende kracht van niet meer dan één jaar is toegepast.

3.2.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar medische toestand op de datum in geding niet juist is beoordeeld en dat wel sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden.

Ook meent zij dat dat sprake is van een onmiskenbaar onjuist besluit nu de uitkering is beperkt tot een jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Geschil

4.1.1.

Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of de Svb heeft mogen weigeren terug te komen van zijn besluit van 10 juli 2012, waarin is neergelegd dat de ANW-uitkering van appellante niet eerder ingaat dan mei 2011. Verder is in geschil of de Svb heeft mogen weigeren terug te komen van de intrekking van deze uitkering per 1 juli 2012, en of hij heeft mogen besluiten dat appellante geen aanspraak heeft op een ANW-uitkering met ingang van mei 2015.

4.2.

Beoordelingskader

4.2.1.

Met haar nieuwe aanvraag van 29 mei 2015 heeft appellante een verzoek gedaan om terug te komen van de rechtens onaantastbare besluiten van 10 juli 2012. In zijn uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of op een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In een geval als dit, waarin het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Is dit het geval, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een eerder besluit evident onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter in de eerste plaats of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid.

4.2.2.

Ten tijde in geding voerde de Svb het beleid dat zij zich in redelijkheid gehouden acht terug te komen van een rechtens onaantastbaar besluit indien dit besluit onmiskenbaar onjuist moet worden geacht (SB1076).

4.2.3.

Verder is bij een afwijzing van een aanvraag om een ANW-uitkering met toepassing van artikel 4:6 van de Awb na een eerdere intrekking van die uitkering wegens vermeende afname van de arbeidsongeschiktheid, de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1), naar analogie van belang. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit waarbij de uitkering ten onrechte is ingetrokken, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen. Voor zover een herhaalde aanvraag om een ANW-uitkering mede moet worden opgevat als een verzoek om herziening voor de toekomst, moet de Svb daarom een belangenafweging maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden.

Vergelijk de uitspraak van de Raad van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:894.

4.3.

Terugwerkende kracht van de oorspronkelijke toekenning

4.3.1.

Met betrekking tot de vraag of de Svb terug dient te komen van het besluit tot toekenning van de ANW-uitkering met niet meer dan één jaar terugwerkende kracht, wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven. Appellante heeft op dit punt hetzelfde aangevoerd als in de eerder gevoerde procedure in verband met het besluit van 10 juli 2012, te weten dat haar inkomen zeer laag was. Van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb is daarom geen sprake.

4.3.2.

Evenmin is het oorspronkelijke toekenningsbesluit onmiskenbaar onjuist. Ingevolge artikel 33, vierde lid, van de ANW kan het recht op uitkering niet worden vastgesteld over perioden gelegen voor één jaar voorafgaande aan de aanvraag. In bijzondere gevallen is de Svb bevoegd een verder terugwerkende kracht toe te passen. Daarbij beoordeelt de Svb eerst of sprake is van een bijzonder geval. Deze beoordeling heeft betrekking op de reden waarom de betrokkene niet eerder een aanvraag heeft ingediend. Wanneer sprake is van een bijzonder geval, hanteert de Svb in het algemeen het beleid dat een verdergaande terugwerkende kracht slechts wordt toegepast als tevens sprake is geweest van financiële hardheid bij de betrokkene. Financiële hardheid is evenwel niet voldoende om een bijzonder geval aan te nemen. De aangevoerde omstandigheden leiden daarom niet tot het oordeel dat het oorspronkelijke besluit (onmiskenbaar) onjuist is. Het besluit om de mate van terugwerkende kracht niet te verlengen is daarom niet evident onredelijk

4.4.

Intrekking van de ANW-uitkering en weigering om vanaf mei 2015 een ANW-uitkering toe te kennen

4.4.1.

De Svb heeft de nieuwe aanvraag van appellante mede opgevat als een verzoek om herziening van het intrekkingsbesluit van 10 juli 2012 voor de toekomst. Appellante zou op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, 1e, vanaf mei 2015 aanspraak kunnen maken op een ANW-uitkering als zij op en na 22 juni 2012 arbeidsongeschikt is gebleven in de zin van de ANW. Hierover wordt het volgende overwogen.

4.4.2.

Op verzoek van de Svb heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in 2012 een medisch en arbeidskundig onderzoek verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante. Op grond van rapporten van de verzekeringsarts van

22 juni 2012 en de arbeidsdeskundige van 27 juni 2012 heeft het Uwv de Svb op 27 juni 2012 geadviseerd om appellante niet aan te merken als arbeidsongeschikt in de zin van de ANW. De verzekeringsarts heeft, op basis van eigen onderzoek en de beschikbare medische informatie, geconcludeerd dat sprake is van een depressieve episode na het overlijden van de echtgenoot welke episode ten minste deels in remissie is. Voorts is sprake van pijn in de linker schouder. Daarbij is acht geslagen op de door appellante verstrekte informatie uit de behandelend sector uit 2011 en 2012 waaruit blijkt dat sprake is van een ernstige depressie, verwerkings- en aanpassingsproblematiek, een vermoeden van een burn-out en van chronische pijnklachten in de linker schouder. Appellante heeft op een formulier Medische gegevens t.b.v. onderzoek Uwv op 22 juni 2012 ingevuld te lijden aan burn-out klachten en depressiviteit. De voor appellante geldende beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens is in het rapport van de arbeidsdeskundige van

27 juni 2012 aan de hand van geselecteerde voorbeeldfuncties vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante 0% bedraagt.

4.4.3.

Appellante heeft naar aanleiding van het primaire besluit van 5 juni 2015 enkele medische stukken overgelegd. In een brief van PsyQ van 28 november 2012 wordt de diagnose depressie, eenmalig, ernstig gesteld. Uit een brief van 1 mei 2013 van internist/nefroloog Krol blijkt dat appellante bij de anamnese maagklachten heeft gemeld die gedurende een jaar bestaan. In een brief van 4 december 2014 van MDL-arts Bredenoord i.o. wordt de diagnose achalasie gesteld met betrekking tot deze klachten. Een dan voorgenomen operatie is in 2015 succesvol uitgevoerd.

4.4.4.

Met de Svb wordt geoordeeld dat de brief van PsyQ van 28 november 2012 geen ander licht werpt op het besluit van 10 juli 2012, inhoudende dat appellante per 22 juni 2012 niet meer arbeidsongeschikt is. Zowel uit de eerder overgelegde stukken als uit deze brief blijkt dat sprake is van een depressie. De ernst van de depressie is in november 2012 blijkbaar toegenomen ten opzichte van juni 2012 maar dat doet niet af aan juistheid van de medische beoordeling ten tijde in geding. Met betrekking tot de maagklachten wordt overwogen dat weliswaar de in december 2014 gestelde diagnose achalasie nieuw is maar dat voor de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid de beperkingen voor het verrichten van arbeid die voortvloeien uit ziekte of gebrek, relevant zijn. Het gegeven dat er aanvankelijk niet maar later wel een diagnose is te stellen, maakt niet dat de beperkingen onjuist zijn vastgesteld. Appellante heeft geen maagklachten gemeld op het formulier Medische gegevens t.b.v. onderzoek Uwv op 22 juni 2012 op de vraag naar aard en ernst van de klachten en ook niet bij het onderzoek door de verzekeringsarts. Geconcludeerd wordt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot het oordeel te komen dat deze klachten, zo zij al aanwezig waren in juni 2012, op en rond die datum tot beperkingen leidden.

4.4.5.

Nu de door appellante ingebrachte stukken niet leiden tot het oordeel dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante op en rond 22 juni 2011 is onderschat, was de Svb niet gehouden om, met terugwerkende kracht dan wel voor de toekomst, terug te komen van het intrekkingsbesluit van 10 juli 2012. Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit in stand kan blijven wordt daarom onderschreven.

5. De overwegingen in 4.1 tot en met 4.4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en M.M. van der Kade en

M.A.H. van Dalen-van Bekkum als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2019.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) H. Achtot

lh