Home

Centrale Raad van Beroep, 09-11-2011, BU4375, 11-3583 WMO

Centrale Raad van Beroep, 09-11-2011, BU4375, 11-3583 WMO

Gegevens

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
9 november 2011
Datum publicatie
15 november 2011
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2011:BU4375
Zaaknummer
11-3583 WMO

Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor gezinsopvang in het kader van de WMO. De verblijfsrechtelijke status staat nog niet in rechte vast. Art. 8 EVRM. Ook de diverse stukken die appellanten hebben ingediend ter onderbouwing van hun kwetsbaarheid kunnen niet tot een ander oordeel leiden, aangezien het ten tijde hier in geding aan het COA was om appellanten opvang te bieden en het op de weg van appellanten lag om hun aanspraken op opvang bij het COA geldend te maken alsook, voor zover die opvang volgens appellanten niet passend zou zijn, bij het COA om de noodzakelijke aanpassing te verzoeken.

Uitspraak

11/3583 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger be[naam moeder]

[Appellante] en [Appellant], wettelijk vertegenwoordigd door zijn moeder [naam moeder], beiden wonende te [woonplaats], (hierna: appellanten)

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 juni 2011, 10/1820 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Namens het College heeft mr. J. Bootsma, advocaat te Den Haag, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg.nrs. 11/3581 en 11/3582, plaatsgevonden op 21 september 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. Cerezo-Weijsenfeld. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Bootsma, voornoemd, en door mr. H.C. Bouwman en mr. R.A.E.G. Ebbing, beiden werkzaam bij de gemeente Almere. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellante als eiseres is aangeduid en het College als verweerder - ontleent de Raad de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden:

“Eiseres woont sinds begin 2008 met haar zoon in een woning aan het [adres 1] te [gemeente]. Op 27 maart 2008 heeft zij een woonovereenkomst getekend met het Leger des Heils. In het weekend verblijft haar zoon op een pleegadres.

Op 10 maart 2008 zijn voor eiseres en haar zoon aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), voor eiseres onder de beperking “conform beschikking Staatssecretaris”, voor haar zoon onder de beperking “verblijf vanwege medische noodsituatie”. Deze aanvragen voor een verblijfsvergunning zijn op 10 november 2008 afgewezen, waartegen op dezelfde dag bezwaar is gemaakt. Bij besluiten van 2 oktober 2009 zijn de bezwaren ongegrond verklaard. Op 5 oktober 2009 is hiertegen beroep ingesteld.

Bij brief van 4 maart 2010 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de noodopvang voor haar en haar zoon per 23 maart 2010 wordt beëindigd.

Op 15 maart 2010 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag voor gezinsopvang in het kader van de Wmo ingediend.

Eiseres en haar zoon zijn aangemeld bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers (COA). Zij ontvangen sinds 24 maart 2010 een toelage op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005).

Bij besluit van 3 mei 2010 is de aanvraag voor gezinsopvang in het kader van de Wmo afgewezen.

Op 1 september 2010 is voor eiseres en haar zoon een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “conform beschikking Minister” ingediend, onder aantekening dat de situatie zo schrijnend is dat van eiseres en haar zoon niet kan worden verwacht dat zij terugkeren naar Sierra Leone. Ook vanuit de Dienst Terugkeer en Vertrek is een verzoek gedaan tot het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning vanwege de schrijnende situatie.

Bij uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 21 september 2010, zijn de beroepen van eiseres en haar in 2003 in Nederland geboren zoon tegen de eerdergenoemde besluiten op bezwaar van 2 oktober 2009 ongegrond verklaard.”

1.2. Deze feiten en omstandigheden worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn beoordeling.

1.3. Bij besluit van 23 september 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 mei 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 23 september 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 19 april 2010 (LJN BM0956 en LJN BM1992), overwogen dat het College de aanvraag van appellanten om in aanmerking te komen voor maatschappelijke opvang terecht heeft afgewezen omdat is komen vast te staan dat appellanten in aanmerking komen voor een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van de Rva 2005, zodat de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers is aan te merken als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Voorts heeft de rechtbank, onder verwijzing naar eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 19 april 2010 (LJN BM0956), overwogen dat, voor zover appellanten zich beroepen op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in artikel 2 van de Wmo besloten ligt dat een eventuele positieve verplichting van de staat om recht te doen aan artikel 8 van het EVRM zich primair richt tot het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 2 van de Wmo.

3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben opnieuw aangevoerd dat zij kwetsbare personen zijn die in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- of gezinsleven. Door de gevraagde maatschappelijke opvang af te wijzen handelt het College volgens appellanten in strijd met artikel 8 van het EVRM.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank alsmede de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd en verwijst daar naar. De Raad ziet in hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd geen aanknopingspunten om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. Ook de diverse stukken die appellanten hebben ingediend ter onderbouwing van hun kwetsbaarheid kunnen niet tot een ander oordeel leiden, aangezien het ten tijde hier in geding aan het COA was om appellanten opvang te bieden en het op de weg van appellanten lag om hun aanspraken op opvang bij het COA geldend te maken alsook, voor zover die opvang volgens appellanten niet passend zou zijn, bij het COA om de noodzakelijke aanpassing te verzoeken.

4.2. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad overweegt ten overvloede het volgende.

5.1. Ter zitting hebben partijen de actuele stand van zaken toegelicht. Deze houdt in dat appellanten nog woonachtig zijn op het adres [adres 1] in [gemeente], dat de aanvragen van appellanten van 1 september 2010 voor een verblijfsvergunning regulier inmiddels zijn afgewezen en dat hiertegen bezwaar is gemaakt. Verder is toegelicht dat het COA de Rva-verstrekkingen heeft beëindigd, waartegen bezwaar is gemaakt en, tot slot, dat appellant in de weekenden niet langer verblijft op een pleegadres. Uit deze stand van zaken blijkt dat de verblijfsrechtelijke status van appellanten nog niet in rechte vaststaat. Gelet op het feit dat op basis van de gedingstukken aangenomen kan worden dat appellanten behoren tot de categorie kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- of gezinsleven, acht de Raad het volgende van belang. Zolang appellanten niet over een verblijfsvergunning in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000 beschikken, zal het COA of de Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verantwoordelijke bestuursorgaan zijn om aan appellanten opvang te bieden. Zoals de Raad echter eerder heeft overwogen, zie de meergenoemde uitspraak van 19 april 2010 (LJN BM0956), dient het College, in het geval komt vast te staan dat het verantwoordelijke bestuursorgaan heeft beslist dat appellanten niet voor een opvangvoorziening in aanmerking komen en derhalve een aanspraak op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo niet geldend kan worden gemaakt, appellanten onder die omstandigheden en met voorbijgaan aan artikel 11 van de Vw 2000, toe te laten tot de maatschappelijke opvang.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) R. Scheffer.

HD