Home

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 29-06-2021, ECLI:NL:CBB:2021:674, 17/1245

College van Beroep voor het bedrijfsleven, 29-06-2021, ECLI:NL:CBB:2021:674, 17/1245

Gegevens

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29 juni 2021
Datum publicatie
29 juni 2021
ECLI
ECLI:NL:CBB:2021:674
Zaaknummer
17/1245
Relevante informatie
Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB [Tekst geldig vanaf 09-07-2022]

Inhoudsindicatie

GLB; uitspraak na beantwoording prejudiciële vragen; randvoorwaardenkorting; berekening over het jaar waarin de niet-naleving heeft plaatsgevonden; geen registratie in het logboek diergeneesmiddelen van de identificatiecode van het rund; de niet-naleving is geëindigd op het moment waarop het rund niet meer door de landbouwer werd gehouden; vernietiging besluit op bezwaar en zelfvoorziend de randvoorwaardenkorting vastgesteld

Uitspraak

uitspraak

zaaknummer: 17/1245

(gemachtigde: mr. K.A. Hofstra)

en

(gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels)

en

Procesverloop

Voor het procesverloop verwijst het College in de eerste plaats naar wat daarover is vermeld in de uitspraak van het College van 23 april 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:152) (verwijzingsuitspraak) waarbij, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) is verzocht bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in de verwijzingsuitspraak geformuleerde vraag.

Het Hof van Justitie heeft deze prejudiciële vraag beantwoord bij arrest van 27 januari 2021 in zaak C-361/19 (ECLI:EU:C:2021:71).

Appellante heeft een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Appellante en verweerder hebben gereageerd op het arrest van het Hof van Justitie. Daarbij hebben zij te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting.

Het College heeft partijen bij brief van 14 april 2021 meegedeeld dat het onderzoek wordt gesloten.

Overwegingen

1. Voor de relevante regelgeving en feiten, de standpunten van partijen en de gestelde prejudiciële vraag wordt verwezen naar de verwijzingsuitspraak.

2. Samengevat gaat het geschil over de randvoorwaardenkorting van 5% die verweerder heeft toegepast op de aan appellante voor het jaar 2016 te verlenen rechtstreekse betalingen. Die randvoorwaardenkorting heeft verweerder vastgesteld vanwege een aantal van – in het verweerschrift beperkt tot – drie niet-nalevingen. Zoals is uiteengezet in overweging 3 van de verwijzingsuitspraak kan beoordeling van het beroep voor zover dat ziet op de constatering van de tweede niet-naleving achterwege blijven. Aan de orde zijn dus nog de eerste en de derde niet-naleving.

3. De eerste niet-naleving, op het terrein van gezondheid, houdt verband met de onjuiste registratie van de toepassing van een diergeneesmiddel bij een rund dat op 3 december 2015 ter slacht werd aangeboden aan een slachthuis. Een dierenarts die in het slachthuis toezicht hield, heeft op die datum ten aanzien van dit rund een melding gedaan aan de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Naar aanleiding van deze melding heeft de NVWA op 3 maart 2016 op het bedrijf van appellante een controle uitgevoerd. Tijdens die controle is geconstateerd dat appellante in het logboek diergeneesmiddelen niet de identificatiecode van het rund heeft vermeld bij de registratie van de toepassing van een diergeneesmiddel op 17 november 2015. Evenmin was in het logboek een eventuele koppeling tussen die identificatiecode en het door appellante gebruikte halsbandnummer terug te vinden.

4. De derde niet-naleving, op het terrein van dierenwelzijn, is het ontbreken van een droge en schone ligplaats voor kalveren. Bij de controle ter plaatse op 3 maart 2016 stelden inspecteurs van de NVWA vast dat elf kalveren niet de beschikking hadden over hygiënische huisvesting en een droge en schone ligplaats.

5. In de verwijzingsuitspraak is het College al ingegaan op een aantal beroepsgronden die appellante heeft aangevoerd. In overweging 12 van de verwijzingsuitspraak heeft het College geoordeeld dat het betoog van appellante dat het bezwaar niet mocht worden behandeld en afgehandeld door een medewerker van hetzelfde bestuursorgaan als het bestuursorgaan dat het primaire besluit heeft genomen, niet slaagt. In overweging 13 van de verwijzingsuitspraak heeft het College geoordeeld dat, anders dan appellante heeft betoogd, verweerder de rapporten van de NVWA aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. In respectievelijk overweging 14 en overweging 15 van de verwijzingsuitspraak heeft het College geoordeeld dat verweerder terecht de eerste en de derde niet-naleving heeft geconstateerd. In overweging 16 heeft het College geoordeeld dat het betoog van appellante dat verweerder had moeten vasthouden aan zijn aanvankelijke voornemen om een randvoorwaardenkorting van 3% op te leggen, en dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van de randvoorwaardenkorting de ontvangst van nieuwe informatie van de NVWA niet had mogen betrekken, niet slaagt. In overweging 17 heeft het College geoordeeld dat ook het betoog van appellante dat verweerder had moeten volstaan met een waarschuwing (de zogeheten 'early warning') niet slaagt.

6. Het betoog van appellante dat het College nu nog moet beoordelen is dat verweerder de randvoorwaardenkorting ten onrechte heeft vastgesteld op 5% van de aan appellante voor het jaar 2016 te verlenen rechtstreekse betalingen. Tot slot zal het College beslissen op het verzoek van appellante om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.

7. Het Hof van Justitie heeft de door het College gestelde prejudiciële vraag in zijn arrest van 27 januari 2021 aldus beantwoord dat artikel 97, eerste lid, eerste alinea, en artikel 99, eerste lid, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, alsook artikel 73, vierde lid, eerste alinea, onder a, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor verordening nr. 1306/2013 wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden, aldus moeten worden uitgelegd dat de verlagingen van de rechtstreekse betalingen wegens niet-naleving van de randvoorwaarden moeten worden berekend op basis van de betalingen die zijn toegekend of moeten worden toegekend voor het jaar waarin de niet-naleving heeft plaatsgevonden.

8. De derde niet-naleving – het ontbreken van een droge en schone ligplaats voor kalveren – heeft plaatsgevonden in het jaar 2016, namelijk op het moment van de controle door de NVWA. Verweerder heeft deze niet-naleving dan ook ten grondslag kunnen leggen aan de opgelegde randvoorwaardenkorting. Bij de bepaling van de totale hoogte van de randvoorwaardenkorting voor alle niet-nalevingen tezamen is verweerder uitgegaan van een korting van 3% voor de derde nietnaleving. Naar het oordeel van het College heeft verweerder de korting op dit percentage mogen stellen, gelet op artikel 39 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden.

9. Over de eerste niet-naleving overweegt het College het volgende. Verweerder heeft in de reactie op het arrest betoogd dat, zo begrijpt het College, sprake was van een voortdurende niet-naleving, die is begonnen met de toepassing van het diergeneesmiddel op 17 november 2015 en die nog voortduurde op het moment van de controle op 3 maart 2016. In artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling houders van dieren is bepaald dat een houder van dieren die dieren houdt die voor de productie van levensmiddelen zijn bestemd, een administratie voert inzake iedere transactie met diergeneesmiddelen als bedoeld in de artikelen 2.13, 2.14 en 4.12 van de Regeling diergeneesmiddelen, in welke administratie de identificatie van de behandelde dieren is opgenomen. Het College leidt uit artikel 3.1 voornoemd af dat de verplichting geldt voor degene die het rund houdt waarop het diergeneesmiddel is toegepast. Hoewel, zoals verweerder ter zitting van het College heeft aangevoerd, een dier ook achteraf – als het in de voedsellijn is terecht gekomen – moet kunnen worden getraceerd, neemt dat niet weg dat de verplichting om een administratie te voeren van de toepassing van diergeneesmiddelen voor de houder dus eindigt als het dier niet meer door hem wordt gehouden. Hieruit volgt dat in dit geval de niet-naleving eindigde met de slacht van het rund op 3 december 2015.

10. Hieruit volgt dat de eerste niet-naleving uitsluitend heeft plaatsgevonden in het jaar 2015 en niet, zoals verweerder heeft betoogd, ook in het jaar 2016. Dit betekent dat verweerder de eerste niet-naleving ten onrechte mede ten grondslag heeft gelegd aan de randvoorwaardenkorting voor het jaar 2016. Nu alleen de derde niet-naleving ten grondslag mocht worden gelegd aan de randvoorwaardenkorting voor het jaar 2016, heeft verweerder de totale hoogte ervan ten onrechte bepaald op 5%. Verweerder had de hoogte moeten vaststellen op de korting van 3%, die is verbonden aan de derde niet-naleving.

11. Het beroep is gegrond. Het College zal het bestreden besluit vernietigen. Het College ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het bezwaar gegrond wordt verklaard en dat de korting op de aan appellante voor het jaar 2016 te verlenen rechtstreekse betalingen wordt vastgesteld op 3%.

12. Het College zal verweerder veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.403,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie op het arrest van het Hof van Justitie, 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

13. Over het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het College het volgende. Het gaat hier om een niet-punitieve procedure. Als uitgangspunt bij niet-punitieve procedures geldt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Dit behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

14. De redelijke termijn neemt een aanvang met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder. Het bezwaarschrift van appellante is door verweerder ontvangen op 27 maart 2017. Het College stelt vast dat ten tijde van deze uitspraak de hiervoor bedoelde termijn van twee jaar met twee jaar en drie maanden is overschreden. Bij de beoordeling of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, blijft echter buiten beschouwing de tijd die gemoeid is geweest met het afwachten van een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie, in dit geval ruim één jaar en negen maanden. Nu verder geen sprake is van factoren die aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten, moet worden vastgesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn zes maanden bedraagt.

15. Uitgaande van een forfaitair tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, betekent dit dat appellante recht heeft op een schadevergoeding van € 500,-. Het College stelt vast dat de overschrijding volledig is toe te rekenen aan het College, omdat de behandeling van het bezwaar minder dan een half jaar in beslag heeft genomen, terwijl de behandeling van het beroep meer dan anderhalf jaar heeft geduurd. Het College zal daarom op de voet van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van een bedrag van € 500,- aan appellante.

16. Tot slot zal het College de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen in de proceskosten die verband houden met het verzoek tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze proceskosten stelt het College vast op € 267,- (1 punt voor het indienen van het verzoek, wegingsfactor 0,5).

Beslissing

Het College:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

verklaart het bezwaar gegrond, stelt de korting op de aan appellante voor het jaar 2016 te verlenen rechtstreekse betalingen vast op 3%, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan appellante te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.403,-;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan appellante een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 267,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. H.L. van der Beek en mr. C.J. Borman, in aanwezigheid van mr. M.B.L. van der Weele, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2021.

w.g. A. Venekamp w.g. M.B.L. van der Weele