Home

Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 3 juli 2014. # Ana-Maria Talasca en Angelina Marita Talasca tegen Stadt Kevelaer. # Verzoek om een prejudiciële beslissing: Sozialgericht Duisburg - Duitsland. # Prejudiciële verwijzing - Artikelen 53, lid 2, en 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Onvoldoende preciseringen betreffende feitelijke en juridische context van hoofdgeding en betreffende redenen die noodzaak van antwoord op prejudiciële vraag rechtvaardigen - Kennelijke niet-ontvankelijkheid. # Zaak C-19/14.

Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 3 juli 2014. # Ana-Maria Talasca en Angelina Marita Talasca tegen Stadt Kevelaer. # Verzoek om een prejudiciële beslissing: Sozialgericht Duisburg - Duitsland. # Prejudiciële verwijzing - Artikelen 53, lid 2, en 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Onvoldoende preciseringen betreffende feitelijke en juridische context van hoofdgeding en betreffende redenen die noodzaak van antwoord op prejudiciële vraag rechtvaardigen - Kennelijke niet-ontvankelijkheid. # Zaak C-19/14.

BESCHIKKING VAN HET HOF (Zesde kamer)

3 juli 2014 (*)

„Prejudiciële verwijzing – Artikelen 53, lid 2, en 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Onvoldoende preciseringen betreffende feitelijke en juridische context van hoofdgeding en betreffende redenen die noodzaak van antwoord op prejudiciële vraag rechtvaardigen – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

In zaak C‑19/14,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Sozialgericht Duisburg (Duitsland) bij beslissing van 17 december 2013, ingekomen bij het Hof op 16 januari 2014, in de procedure

Ana-Maria Talasca,

Angelina Marita Talasca

tegen

Stadt Kevelaer,

wijst

HET HOF (Zesde kamer)

samengesteld als volgt: A. Borg Barthet, kamerpresident, M. Berger (rapporteur) en S. Rodin, rechters,

advocaat-generaal: N. Wahl,

griffier: A. Calot Escobar,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om overeenkomstig artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof bij met reden omkleden beschikking te beslissen,

de navolgende

Beschikking

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de verenigbaarheid van § 7, lid 1, tweede volzin, van het Sozialgesetzbuch, boek II, (wetboek sociale zekerheid; hierna: „SGB II”) met het Unierecht, met name met het discriminatieverbod.

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen A.‑M. Talasca en haar dochter A. Talasca enerzijds en Stadt Kevelaer anderzijds over de weigering van het arbeidsbureau van deze stad (hierna: „Jobcenter”) om hun bepaalde sociale uitkeringen uit te betalen.

 Toepasselijke Duitse bepalingen

3        § 7 SGB II, met als opschrift „Uitkeringsgerechtigden”, bepaalt:

„(1) Voor uitkeringen op basis van dit boek komen in aanmerking personen die:

1.      de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt en de in § 7a bepaalde leeftijdsgrens nog niet hebben bereikt,

2.      arbeidsgeschikt zijn,

3.      behoeftig zijn en

4.      hun gewone verblijfplaats in de Bondsrepubliek Duitsland hebben

(arbeidsgeschikte uitkeringsgerechtigden). Uitgesloten zijn:

1.      buitenlanders die niet in de Bondsrepubliek Duitsland als werknemer of zelfstandige werkzaam zijn en die geen recht op vrij verkeer hebben op grond van § 2, lid 3, van het Freizügigkeitsgesetz/EU (wet inzake het vrije verkeer van Unieburgers), alsook hun gezinsleden, gedurende de eerste drie maanden van hun verblijf,

2.      buitenlanders die slechts een verblijfsrecht hebben om werk te kunnen zoeken, en hun gezinsleden,

[...]

Het bepaalde in punt 1 van de tweede volzin geldt niet voor buitenlanders die in de Bondsrepubliek Duitsland verblijven op grond van een overeenkomstig hoofdstuk 2, afdeling 5, van het Aufenthaltsgesetz (wet op het verblijfsrecht) afgegeven verblijfstitel. De bepalingen inzake het verblijfsrecht gelden onverminderd.

[...]”

4        Uit het op 7 februari 2014 door het Sozialgericht Duisburg bij het Hof ingediende processtuk, met als titel „Feitenrelaas bij de beschikking van 17 december 2013”, blijkt dat het Freizügigkeitsgesetz/EU bepaalt dat werkzoekenden gedurende zes maanden na het einde van de arbeidsrelatie het statuut van werknemer of zelfstandigen behouden.

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

5        Uit de verwijzingsbeslissing en het op 7 februari 2014 ingediende processtuk blijkt dat Talasca de Roemeense nationaliteit heeft.

6        Op 1 juli 2007 heeft zij Roemenië verlaten en is zij naar Kevelaer (Duitsland) gekomen.

7        Op 27 oktober 2010 heeft de Ausländerbehörde (dienst vreemdelingenzaken) Talasca een verblijfskaart voor Unieburgers (Freizügigkeitsbescheinigung) afgegeven, die uitsluitend geldig was om werk te zoeken.

8        Van 23 mei tot en met 23 november 2011 was Talasca in dienst bij een tuinbedrijf en was zij onderworpen aan de verplichte sociale verzekering.

9        Van 1 december 2011 tot en met 19 januari 2012 heeft Talasca Arbeitslosengeld I (werkloosheidsuitkering I) ontvangen. Wegens haar karig inkomen heeft zij het Jobcenter, de nationale autoriteit die bevoegd is voor uitkeringen aan werkzoekenden, verzocht om haar vanaf 1 januari 2012 uitkeringen toe te kennen op grond van het SGB II.

10      Deze uitkeringen zijn haar toegekend tot en met 23 mei 2012.

11      Deze uitkeringen zijn tot en met 23 mei 2012 eveneens toegekend aan de dochter van Talasca, die op 11 maart 2011 is geboren.

12      Aangezien Talasca en haar dochter van mening waren dat zij ook na 23 mei 2012 nog recht hadden op deze uitkeringen, omdat anders het in bepalingen van „Europees recht” neergelegde discriminatieverbod zou worden geschonden, hebben zij een beroep ingesteld bij het Sozialgericht Duisburg.

13      De verwijzende rechter benadrukt dat de vraag die is gerezen in het bij hem aanhangige geschil, van belang is voor een reeks vergelijkbare zaken waarover hij moet oordelen.

14      In deze omstandigheden heeft het Sozialgericht Duisburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:

„1)      Is § 7, lid 1, tweede volzin, [SGB II] verenigbaar met het recht van de [Unie]?

2)      Als dit niet het geval is, moet de Bondsrepubliek Duitsland de stand van het recht dan aanpassen of ontstaat er onmiddellijk een andere rechtstoestand? Zo ja, welke?

3)      Blijft § 7, lid 1, tweede volzin, [SGB II] van kracht totdat de organen van de Bondsrepubliek Duitsland een (eventueel) noodzakelijke wijziging van het recht hebben doorgevoerd?”

 Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing

15      Wanneer een verzoek of een verzoekschrift kennelijk niet-ontvankelijk is, kan het Hof krachtens artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof te allen tijde, de advocaat-generaal gehoord, zonder de behandeling voort te zetten bij met redenen omklede beschikking beslissen.

16      Volgens vaste rechtspraak kan het Hof zich in het kader van de procedure krachtens artikel 267 VWEU niet uitspreken over de verenigbaarheid van nationale bepalingen met het recht van de Unie. Het Hof is echter wel bevoegd om de verwijzende rechter alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het recht van de Unie te verschaffen die deze in staat stellen die verenigbaarheid te beoordelen bij de beslechting van het bij hem aanhangige geding (zie met name arresten Fendt Italiana, C‑145/06 en C‑146/06, EU:C:2007:411, punt 30, en KGH Belgium, C‑351/11, EU:C:2012:699, punt 17, en beschikking Mlamali, C‑257/13, EU:C:2013:763, punt 17).

17      In herinnering moet worden gebracht dat het in het kader van de bij artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking, wegens het vereiste om tot een voor de nationale rechter nuttige uitlegging van het Unierecht te komen, noodzakelijk is dat deze rechter een omschrijving geeft van het feitelijk en juridisch kader waarin de gestelde vragen moeten worden geplaatst, of althans de feiten uiteenzet waarop die vragen zijn gebaseerd (zie met name arresten Centro Europa 7, C‑380/05, EU:C:2008:59, punt 57, en Mora IPR, C‑79/12, EU:C:2013:98, punt 35, en beschikkingen Augustus, C‑627/11, EU:C:2012:754, punt 8, en Mlamali, EU:C:2013:763, punt 18).

18      Het Hof is immers uitsluitend bevoegd zich op basis van de door de nationale rechterlijke instantie vermelde feiten over de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling uit te spreken (zie arrest Eckelkamp e.a., C‑11/07, EU:C:2008:489, punt 52, en beschikkingen SKP, C‑433/11, EU:C:2012:702, punt 24, en Mlamali, EU:C:2013:763, punt 19).

19      Het Hof benadrukt tevens dat de nationale rechter de precieze redenen moet vermelden waarom hij twijfels heeft over de uitlegging van het Unierecht, en waarom hij het noodzakelijk acht om prejudiciële vragen aan het Hof te stellen (zie in die zin met name arresten ABNA e.a., C‑453/03, C‑11/04, C‑12/04 en C‑194/04, EU:C:2005:741, punt 46, en Mora IPR, EU:C:2013:98, punt 36, en beschikking Mlamali, EU:C:2013:763, punt 20).

20      Aangezien de verwijzingsbeslissing de basis voor de procedure voor het Hof is, is het onontbeerlijk dat de nationale rechter in deze verwijzingsbeslissing zelf het feitelijk en juridisch kader van het hoofdgeding uiteenzet en minstens beknopt uiteenzet waarom hij om uitlegging van bepaalde voorschriften van Unierecht verzoekt, en dat hij aangeeft welk verband hij ziet tussen deze bepalingen en de nationale wetgeving die van toepassing is op de hem voorgelegde zaak (zie in die zin met name arresten Asemfo, C‑295/05, EU:C:2007:227, punt 33, en Mora IPR, EU:C:2013:98, punt 37, en beschikkingen Laguillaumie, C‑16/00, EU:C:2000:350, punten 23 en 24, en Mlamali, EU:C:2013:763, punt 21).

21      Deze vereisten met betrekking tot de inhoud van een verzoek om een prejudiciële beslissing staan uitdrukkelijk vermeld in artikel 94 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, en de verwijzende rechter wordt in het kader van de door artikel 267 VWEU ingestelde samenwerking geacht deze te kennen en nauwgezet na te leven.

22      Ook moet in herinnering worden gebracht dat artikel 267 VWEU geen rechtsmiddel is ten behoeve van de partijen in een bij de nationale rechter aanhangig geschil. Het enkele feit dat een partij stelt dat het geschil een vraag van uitlegging van het Unierecht doet rijzen, is voor de betrokken rechter dus geen dwingende reden om aan te nemen dat er een vraag is opgeworpen in de zin van artikel 267 VWEU. Het feit dat de uitlegging van een Unierechtelijke handeling voor de nationale rechter wordt betwist, is dus op zich geen voldoende rechtvaardiging voor het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof (zie arresten IATA en ELFAA, C‑344/04, EU:C:2006:10, punt 28 en Ascafor en Asidac, C‑484/10, EU:C:2012:113, punt 33, en beschikkingen Adiamix, C‑368/12, EU:C:2013:257, punt 17 en Mlamali, EU:C:2013:763, punt 23).

23      Dienaangaande moet tevens worden benadrukt dat de in de verwijzingsbeslissing verstrekte gegevens niet enkel dienen om het Hof in staat te stellen een bruikbaar antwoord te geven, maar ook om de regeringen van de lidstaten en de andere belanghebbenden de mogelijkheid te bieden om overeenkomstig artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie opmerkingen te maken. Het Hof dient erop toe te zien dat deze mogelijkheid gewaarborgd blijft, in aanmerking genomen dat krachtens die bepaling alleen de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de belanghebbenden worden gebracht (zie met name arrest Holdijk e.a., 141/81–143/81, EU:C:1982:122, punt 6, en beschikkingen Laguillaumie, EU:C:2000:350, punt 14, Augustus, EU:C:2012:754, punt 10, en Mlamali, EU:C:2013:763, punt 24).

24      In het onderhavige geval moet worden vastgesteld dat de verwijzingsbeschikking niet voldoet aan de in de punten 16 tot en met 22 van de deze beschikking in herinnering gebrachte vereisten.

25      Wat de eerste vraag betreft, moet allereerst worden vastgesteld dat de verwijzingsbeslissing geen enkele informatie over het feitelijke kader van het hoofdgeding bevat. De verwijzende rechter heeft pas in het op 7 februari 2014 bij het Hof ingediende stuk, met als opschrift „Feitenrelaas bij de beschikking van 17 december 2013”, enkele gegevens verstrekt, die echter te onvolledig zijn om met name Talasca’s hoedanigheid van werknemer te kunnen beoordelen.

26      Vervolgens moet worden opgemerkt dat ook elk gegeven over het nationale juridische kader ontbreekt, behalve dan de loutere vermelding van enkele bepalingen, waarvan de inhoud echter nergens wordt uiteengezet. § 7, lid 1, tweede volzin, SGB II voorziet in meerdere gronden voor de weigering van een uitkering aan buitenlandse werklozen, maar de verwijzende rechter verwijst naar al deze gronden zonder te preciseren welke grond van toepassing is op het bij hem voorliggende geding.

27      Hoewel de verwijzende rechter om de uitlegging van Unierechtelijke bepalingen verzoekt, geeft hij dienaangaande geen enkele nadere toelichting en verwijst hij in het op 7 februari 2014 bij het Hof ingediende processtuk alleen naar de opmerkingen in het door Talasca in het hoofdgeding neergelegde verzoekschrift, waarin sprake is van „het in bepalingen van Europees recht neergelegde discriminatieverbod”.

28      Bovendien verzoekt de verwijzende rechter het Hof om uitspraak te doen over de verenigbaarheid van § 7, lid 1, tweede volzin, SGB II met het recht van „de Europese Gemeenschap”, zonder evenwel te verklaren waarom hij een uitlegging van het Unierecht noodzakelijk of nuttig acht voor de beslechting van het hoofdgeding, en met name zonder het verband aan te geven tussen het Unierecht en de op dat geding toepasselijke nationale wetgeving. Hij verwijst slechts naar de bewering in het verzoekschrift in het hoofdgeding dat „de uitsluiting van het in § 7, lid 1, tweede volzin, SGB II neergelegde recht op een uitkering inbreuk maakt op het discriminatieverbod dat in bepalingen van Europees recht is neergelegd”. De verwijzende rechter benadrukt echter zelf dat het hoofdgeding een testcase vormt aangezien er veel gelijkaardige zaken bij hem aanhangig zijn.

29      In het bijzonder verstrekt de verwijzende rechter geen enkel gegeven over de aard van de door verzoeksters in het hoofdgeding gevorderde sociale uitkeringen, zodat niet kan worden bepaald of zij binnen de werkingssfeer vallen van de bepalingen van het Unierecht die een discriminatieverbod inhouden. De verwijzende rechter reikt in deze context onvoldoende gegevens aan op basis waarvan de precieze situatie van Talasca en haar dochter kan worden vastgesteld en het Hof een vergelijking kan maken met andere personen die recht hebben op die sociale uitkeringen.

30      In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter het Hof niet in staat gesteld om na te gaan of de feitelijke omstandigheden waarop de prejudiciële vragen zijn gebaseerd daadwerkelijk vallen binnen de werkingssfeer van het Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht, en, meer in het algemeen, om een bruikbaar en betrouwbaar antwoord te geven op de gestelde vragen (zie beschikkingen Augustus, EU:C:2012:754, punt 14 en Mlamali, EU:C:2013:763, punt 32).

31      Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de eerste prejudiciële vraag kennelijk niet-ontvankelijk is.

32      Gelet op de kennelijke niet-ontvankelijkheid van de eerste vraag zijn de tweede en derde vraag zonder voorwerp.

33      Gelet op een en ander moet overeenkomstig artikel 53, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof worden vastgesteld dat het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing kennelijk niet-ontvankelijk is.

 Kosten

34      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof (Zesde kamer) verklaart voor recht:

Het door het Sozialgericht Duisburg (Duitsland) bij beslissing van 17 december 2013 ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing is kennelijk niet-ontvankelijk.

ondertekeningen


* Procestaal: Duits.