Home

Conclusie van advocaat-generaal N. Wahl van 10 september 2015.

Conclusie van advocaat-generaal N. Wahl van 10 september 2015.

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

N. WAHL

van 10 september 2015 (1)

Zaak C‑350/14

Florin Lazar

tegen

Allianz SpA

[verzoek om een prejudiciële beslissing,

ingediend door het Tribunale di Trieste (Italië)]

„Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken — Recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen — Verordening (EG) nr. 864/2007 (‚Rome II’) — Artikel 4, lid 1 — Begrippen ‚land waar de schade zich voordoet’, ‚schade’ en ,indirecte gevolgen van de onrechtmatige daad’ — Familieleden van een dodelijk slachtoffer van een verkeersongeval — Personen die recht hebben op vergoeding van materiële en immateriële schade en in verschillende landen wonen”

1.

Voor van de rechtszekerheid en het in aanmerking nemen van de in het algemeen in geding zijnde legitieme belangen beoogt verordening (EG) nr. 864/2007 (2), die van toepassing is sedert 11 januari 2009, de collisieregels inzake niet-contractuele verbintenissen te harmoniseren. Deze verordening is daarentegen niet bedoeld voor de harmonisatie van het materiële recht van de lidstaten van de Europese Unie ter zake, hetgeen bepaalde uitleggingsproblemen met zich brengt. Door voor de vaststelling van het toepasselijke recht bij vorderingen uit niet-contractuele aansprakelijkheid gebruik te maken van begrippen die weliswaar in alle lidstaten bekend zijn, maar waarvan de acceptatie en de draagwijdte per rechtsorde aanzienlijk kunnen verschillen, kan de rechter voor een moeilijke opgave komen te staan, indien binnen eenzelfde geding vorderingen worden ingediend door personen die hun gewone verblijfplaats niet in hetzelfde land hebben.

2.

Dit is in het bijzonder het geval wat de uitlegging van artikel 4 van voornoemde verordening betreft, dat voor het geval dat partijen geen rechtskeuze zijn overeengekomen, de „plaats waar de schade zich voordoet” als een doorslaggevend criterium noemt voor het recht dat van toepassing is op een vordering uit niet-contractuele aansprakelijkheid. Wat wordt onder die schade verstaan, nu deze immers in de bewoordingen van die bepaling moet worden onderscheiden van de „schadeveroorzakende gebeurtenis”? Moet de schade die familieleden van een slachtoffer van een verkeersongeval hebben geleden, en die naar nationaal recht als eigen schade wordt beschouwd, worden gelijkgesteld met „schade” in de zin van artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening of moet zij veeleer als „indirect gevolg” daarvan worden beschouwd?

3.

Over deze vraagstellingen gaat het in het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing, waarin op zijn minst op geheel nieuwe wijze (3) om verduidelijking van een aantal begrippen uit die bepaling wordt gevraagd. Het verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen F. Lazar, een Roemeens ingezetene, en de Italiaanse verzekeringsmaatschappij Allianz SpA over de vergoeding van de materiële en immateriële schade welke F. Lazar stelt iure proprio te hebben geleden als gevolg van het overlijden in Italië van zijn dochter, een Roemeens staatsburger die in Italië woonde, ten gevolge van een verkeersongeval dat werd veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig.

I – Toepasselijke bepalingen

A – Unierecht

1. Rome II-verordening

4.

Overweging 7 van de Rome II-verordening luidt als volgt:

„Het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van de verordening moeten stroken met verordening [(EG) nr. 44/2001 (4)] en met de instrumenten betreffende het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst.”

5.

In overweging 17 van de Rome II-verordening staat te lezen:

„Het toepasselijke recht moet worden bepaald volgens de plaats waar de schade zich voordoet, ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. In geval van letselschade en vermogensschade moet bijgevolg het land waar het letsel of de materiële schade is opgelopen, gelden als het land waar de schade zich voordoet.”

6.

Artikel 4 van de Rome II-verordening, met als opschrift „Algemene regel”, bepaalt:

„1. Tenzij in deze verordening anders bepaald, is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen.

2. Indien evenwel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, is het recht van dat land van toepassing.

3. Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in de leden 1 en 2 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing. Een kennelijk nauwere band met een ander land zou met name kunnen berusten op een reeds eerder bestaande nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst.”

7.

Op grond van artikel 15, onder c), van de Rome II-verordening regelt het recht dat krachtens deze verordening op de niet-contractuele verbintenis van toepassing is, met name „het bestaan, de aard en de begroting van de schade of het gevorderde” en „het bepalen wie recht heeft op vergoeding van de persoonlijk geleden schade”.

2. Brussel I-verordening

8.

Artikel 5, punt 3, van de Brussel I-verordening, dat is opgenomen in afdeling 2 („Bijzondere bevoegdheid”) van hoofdstuk II, luidt als volgt:

„Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:

[...]

3)

ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad: voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen”.

B – Italiaans recht

9.

Zoals de verwijzende rechterlijke instantie heeft uiteengezet, heeft de Corte suprema di cassazione (Italiaans hof van cassatie) de artikelen 2043 en 2059 van de Codice civile (het Italiaanse burgerlijk wetboek) in die zin uitgelegd dat familieleden van de overledene iure proprio recht hebben op vergoeding van de materiële en immateriële schade. Als immateriële schade kan worden erkend: gezondheidsschade (medisch vastgestelde schade), morele schade (innerlijk lijden) en schade aan het sociale leven (aanzienlijke kwalitatieve verslechtering van het dagelijkse leven).

10.

Voorts vermeldt de verwijzende rechterlijke instantie dat artikel 283, lid 1, onder a) en c), van de Codice delle assicurazioni private (het Italiaanse wetboek van particuliere verzekeringen) bepaalt dat wanneer het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, niet wordt geïdentificeerd, het Fondo di garanzia per le vittime della strada (waarborgfonds voor verkeersslachtoffers) de door een verkeersongeval veroorzaakte schade vergoedt via op het gehele nationale grondgebied aangewezen verzekeringsmaatschappijen.

II – Feiten van het hoofdgeding, prejudiciële vragen en procesverloop voor het Hof

11.

Het hoofdgeding betreft een vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die iure proprio zou zijn geleden Deze vordering is ingediend door de in Roemenië wonende vader van een Roemeense, in Italië wonende, staatsburger die in die lidstaat is overleden ten gevolge van een verkeersongeval op 18 mei 2012 dat is veroorzaakt door een niet-geïdentificeerd voertuig.

12.

De verzekeringsmaatschappij Allianz SpA is gedagvaard in haar hoedanigheid van maatschappij die is aangewezen door het waarborgfonds voor verkeersslachtoffers, de instelling belast met de vergoeding van door niet-geïdentificeerde voertuigen veroorzaakte verkeersschade.

13.

Ook de moeder en de grootmoeder van het slachtoffer, beiden in Italië wonende Roemeense staatsburgers, hebben in het geding geïntervenieerd en verzocht om vergoeding van de iure proprio geleden materiële en immateriële schade.

14.

In die context heeft de verwijzende rechterlijke instantie zich afgevraagd welk recht op de onderhavige feiten van toepassing is en in het bijzonder welke uitlegging moet worden gegeven aan artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening.

15.

Bij beslissing van 10 juli 2014 heeft het Tribunale di Trieste de behandeling van de zaak te geschorst en het Hof te verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„Welke uitlegging moet worden gegeven aan artikel 4, lid 1, van verordening nr. 864/2007, voor zover daarin wordt bepaald dat ‚het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht [is] van het land waar de schade zich voordoet’? Meer in het bijzonder:

1)

Welke uitlegging moet aan het begrip ‚plaats waar de schade zich voordoet’ in de zin van artikel 4, lid 1, van [verordening nr. 864/2007] worden gegeven met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van de materiële en de immateriële schade die de familieleden van een persoon die is overleden ten gevolge van een verkeersongeval dat zich heeft voorgedaan in de forumstaat, zouden hebben geleden, wanneer die familieleden in een andere lidstaat van de Europese Unie wonen en daar de betrokken schade hebben geleden?

2)

Moet voor de toepassing van artikel 4, lid 1, van verordening nr. 864/2007 de materiële en de immateriële schade die de familieleden van een persoon die is overleden bij een verkeersongeval dat zich heeft voorgedaan in de forumstaat, in hun land van woonplaats hebben geleden, worden beschouwd als ‚schade’ in de zin van artikel 4, lid 1, eerste volzin, dan wel als ‚indirecte gevolgen’ in de zin van artikel 4, lid 1, tweede volzin?”

16.

Er zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door interveniënten in het hoofdgeding, door de Oostenrijkse en de Portugese regering en door de Europese Commissie. F. Lazar heeft geen opmerkingen ingediend.

III – Juridische analyse

17.

Dit verzoek om een prejudiciële beslissing heeft betrekking op de uitlegging van het belangrijkste criterium in de Rome II-verordening voor de vaststelling van het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, namelijk de plaats waar de schade zich voordoet.

18.

Vóór het eigenlijke onderzoek wil ik eerst enkele inleidende opmerkingen wijden aan de structuur van de regeling die de Rome II-verordening heeft ingevoerd voor de vaststelling van het op niet-contractuele verbintenissen toepasselijke recht.

A – Inleidende beschouwingen over de structuur van de door de Rome II-verordening ingevoerde regeling

19.

De verscheidenheid van de collisieregels inzake het recht dat van toepassing is op het gebied van de niet-contractuele verbintenissen heeft al heel lang geleden (5) de behoefte doen ontstaan tot unificatie op dit gebied om een zekere mate van voorspelbaarheid ten aanzien van het toepasselijke recht te waarborgen en om tegelijkertijd de nadelen als gevolg van forumshoppen te verminderen.

20.

De Rome II-verordening is het resultaat van een compromis tussen enerzijds de noodzaak om voor een zekere mate van rechtszekerheid te zorgen door de legitieme verwachtingen van partijen te beschermen via de uitwerking van vaste aanknopingspunten, en anderzijds de wens om enige flexibiliteit in stand te houden ingeval de toepassing van die criteria tot ongeschikt geachte resultaten leidt, en ligt in de lijn van de tot op dat moment in het hedendaagse internationaal privaatrecht gekozen oplossingen.

21.

De regeling voor het vaststellen van het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, kan schematisch als volgt worden beschreven.

22.

In de Rome II-verordening is gekozen voor een aantal vaste aanknopingspunten. Op dit punt wordt de verordening gekenmerkt door de formulering – voor het geval dat de partijen niet zijn overeengekomen welk recht van toepassing is op de niet-contractuele verbintenissen (zie artikel 14) – van enerzijds een algemene regel (artikel 4) en anderzijds vijf bijzondere collisieregels (artikelen 5 tot en met 9 (6) van de verordening).

23.

Wat de algemene regel betreft – alleen deze is in de onderhavige zaak relevant – blijkt uit het voorstel voor een verordening betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen, dat werd ingediend op 22 juli 2003 (7), dat de algemene doelstelling van de Rome II-verordening erin bestond, met het oog op de rechtszekerheid ter zorgen voor een betere voorspelbaarheid van de keuze van het toepasselijke recht.

24.

Zo is opmerkelijk dat, anders dan de keuze die werd gemaakt in het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, ter ondertekening opengesteld te Rome op 19 juni 1980 (8) – dat in principe het recht van het land waarmee de in geding zijnde situatie het nauwst verbonden is, als toepasselijk recht aanwees – deze verordening in artikel 4, lid 1, duidelijk als vast aanknopingspunt opteert voor de plaats waar de schade zich voordoet (locus damni).

25.

Verder wil ik erop wijzen dat – anders dan de aanknopingspunten die voor de rechterlijke bevoegdheid zijn gekozen in het Executieverdrag en in de Brussel I-verordening, waarin het slachtoffer van de schade de keuze wordt geboden tussen het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, en het gerecht waar de schade is ingetreden – de Rome II-verordening kiest voor één criterium.

26.

In dit verband blijkt uit de voorstukken van de Rome II-verordening dat de amendementen die door het Europees Parlement werden ingediend en waarmee meer flexibiliteit (9) werd beoogd, zijn afgewezen door de Raad van de Europese Unie en door de Commissie, die van mening waren dat artikel 4 zowel beantwoordt aan „de eis van rechtszekerheid [als] [aan] de noodzaak om recht te doen in individuele gevallen”.

27.

Met haar keuze voor de locus damni als aanknopingspunt opteert de Rome II-verordening bijgevolg voor een zeer klassieke collisieregel van internationaal privaatrecht, die ontegenzeglijk veel voordelen heeft.

28.

In de eerste plaats wordt ervan uitgegaan dat deze conflictregel, die beantwoordt aan de doelstellingen van overweging 16 van de Rome II-verordening (10), zorgt voor een billijk evenwicht tussen de belangen van partijen. Het recht van de plaats waar de schade zich voordoet, is immers een neutraal recht die noch de schadeveroorzaker noch het slachtoffer bevoordeelt.

29.

Zoals door verschillende auteurs is benadrukt (11), kan de vaststelling van het toepasselijk recht aan de hand van de plaats waar de schade zich voordoet, weliswaar in sommige situaties leiden tot geheel toevallige en onvoorspelbare uitkomsten – hetgeen uiteindelijk de doelstelling van de verordening, namelijk de voorspelbaarheid van het toepasselijke recht, schaadt –, maar dat nadeel is verre van onoverkomelijk. Er moet immers op worden gewezen dat altijd kan worden afgeweken van de toepassing van het recht van de plaats waar de schade zich voordoet: hetzij ten faveure van het recht van de verblijfplaats, indien degene die schade lijdt en degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben (artikel 4, lid 2, van de Rome II-verordening), hetzij ten faveure van het recht van een ander land, indien uit het geheel van de omstandigheden van het geval blijkt dat de onrechtmatige daad een nauwere band met dat land heeft (de zogenoemde „uitzonderingsclausule”, opgenomen in artikel 4, lid 3, van deze verordening). Ik kom daar hieronder op terug.

30.

In de tweede plaats ligt de keuze voor de locus damni in de lijn van de moderne opvatting van het aansprakelijkheidsrecht, waarin de voorkeur wordt gegeven aan het concept „risicoaansprakelijkheid” dat vooral compensatie beoogt. Volgens die opvatting gaat het bij de civielrechtelijke aansprakelijkheid meer om de vergoeding van de schade dan om de bestraffing van laakbaar gedrag. Hieruit volgt dat het accent veel meer komt te liggen op de plaats waar de schade zich voordoet, dan op de plaats van het schadebrengende feit. Ook werd benadrukt dat door de algemene regel van artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening, die de toepasselijkheid van de lex loci delicti commissi terzijde schuift, met name de zeer omstreden kwestie kan worden opgelost van het recht dat van toepassing is in geval van zogenoemde „complexe” onrechtmatige daden waarbij het feit dat de aansprakelijkheid doet ontstaan en de schade zelf niet in hetzelfde land zijn gelokaliseerd.

31.

Wat wordt echter verstaan onder de plaats waar de schade zich voordoet? Juist om die vraag gaat het in dit verzoek om een prejudiciële beslissing.

B – Prejudiciële vragen

32.

Zoals de verwijzende rechterlijke instantie heeft aangegeven, kan de vaststelling van het recht dat van toepassing is op de feiten in het onderhavige geval aanzienlijke gevolgen hebben. Het is immers van belang of op een vordering tot schadevergoeding het ene nationale recht van toepassing is dan wel een ander. Om preciezer te zijn: het antwoord op de vraag of er een recht bestaat op vergoeding van de schade die wordt gesteld door de familieleden van het dodelijke slachtoffer van het in het hoofdgeding aan de orde zijnde ongeval, hoe die schade moet worden gekwalificeerd en of deze schade voor vergoeding in aanmerking komt, is in sterke mate afhankelijk van de keuze van het materiële recht dat van toepassing is.

33.

Ook al lijkt het recht op schadevergoeding van de familieleden van de overledene in alle nationale rechtsstelsels te worden erkend, toch dient in dit verband aandacht te worden geschonken aan de aanzienlijke verschillen die er tussen de rechtsstelsels van de lidstaten bestaan ten aanzien van de kwalificatie, de aard en de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade van de rechthebbenden van iemand die dodelijk is verongelukt.

34.

De nationale regelingen inzake niet-contractuele aansprakelijkheidsrecht, die naargelang van het geval vergoeding van indirecte schade mogelijk maken of een rechtstreekse aantasting van een wettelijk beschermd belang eisen, vertonen immers duidelijk structurele verschillen. Bovendien worden de rechten op materiële dan wel immateriële schadevergoeding van de familieleden van de overledene in de verschillende rechtsstelsels nu eens als eigen rechten (iure proprio) en dan weer als accessoire, van de rechten van de overledene afhankelijke rechten beschouwd.

35.

Zoals advocaat-generaal Darmon in zijn conclusie in de zaak Dumez France en Tracoba (12) heeft opgemerkt, is de aard van de indirecte schade ongetwijfeld een van de moeilijkste en meest controversiële kwesties van het aansprakelijkheidsrecht, aangezien deze door sommigen wordt beschouwd als de projectie op een indirect gelaedeeerde van de door de oorspronkelijke gelaedeerde geleden schade, terwijl er volgens anderen daarentegen sprake is van een zelfstandige schade. (13) Overigens rijst deze vraag niet in lidstaten die geen recht op vergoeding van zijdelingse schade erkennen en die dus het begrip indirecte schade niet kennen. (14)

36.

Wat verkeersongevallen betreft, wil ik er bovendien op wijzen dat veel lidstaten (15), ondanks de inwerkingtreding van de Rome II-verordening en in overeenstemming met artikel 28, lid 1, van die verordening (16), nog steeds het Verdrag inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg, gesloten te Den Haag op 4 mei 1971, toepassen (17). Dit verdrag heeft als collisieregel de lex loci delicti commissi gekozen zonder de betrokken partijen de mogelijkheid bieden om te kiezen voor ander toepasselijk recht, en voorziet in andere aanknopingspunten dan die van artikel 4 van de Rome II-verordening. (18) Zo complex kan het vraagstuk van het vaststellen van het toepasselijke recht zijn in geval van vorderingen tot vergoeding van de ten gevolge van een verkeersongeval geleden schade. (19)

37.

Wat het hoofdgeding betreft, blijkt uit de informatie die de verwijzende rechterlijke instantie heeft verstrekt dat het relevante Italiaanse recht, namelijk de artikelen 2043 en 2059 van de Codice civile, zoals uitgelegd door de Corte suprema di cassazione, een bijzonder ruime vergoeding verleent van de schade geleden door familieleden van een persoon die door een ongeval om het leven is gekomen, en in het bijzonder van dodelijke verkeersslachtoffers. Naar Italiaans recht is de schade ten gevolge van het overlijden van een familielid immers een rechtstreeks (iure proprio) geleden schade. Daaruit schijnt te volgen dat de verbintenis die bestaat tussen het familielid [van de overledene] en de persoon die aansprakelijk wordt gesteld voor de schade (of bij gebreke van die persoon: de eenheid die instaat voor de vergoeding) onafhankelijk is van die tussen de overleden persoon en voornoemde eenheid.

38.

In casu moet dan ook worden vastgesteld dat het criterium plaats waar de schade zich voordoet, dat kenmerkend is voor de algemene regel voor de vaststelling van toepasselijk recht op [niet]-contractuele verbintenissen op grond van artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening, ondanks zijn ogenschijnlijke eenvoud, tot uitleggingsproblemen leidt.

39.

In wezen staan in het hoofdgeding twee opvattingen tegenover elkaar.

40.

Volgens de eerste opvatting, die door de Oostenrijkse regering wordt verdedigd, is de materiële en immateriële schade die de familieleden van een in een andere lidstaat overleden persoon lijden, niet noodzakelijkerwijs een indirect gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening. Hieruit zou met name volgen dat een vordering tot vergoeding van de materiële schade van de naaste verwanten van een persoon die als gevolg van een verkeersongeval in de forumstaat om het leven is gekomen, aangezien deze berust op een verbintenis die moet worden onderscheiden van die tussen de tegenpartij en de bij het ongeluk omgekomen persoon, moet worden beoordeeld volgens het recht van de plaats waar de door die verwanten geleden schade is ingetreden, te weten het recht van de gewone verblijfplaats van die verwanten, tenzij wordt aangetoond dat op grond van artikel 4, lid 3, van de Rome II-verordening uit het geheel der omstandigheden blijkt dat er een kennelijk nauwere band bestaat met een ander land.

41.

Volgens de tweede opvatting, die in het bijzonder wordt gesteund door de interveniënten in het hoofdgeding en door de Commissie, moet de schade die in het land van hun gewone verblijfplaats wordt geleden door nauwe verwanten van een persoon die is overleden als gevolg van een verkeersongeval in de forumstaat, worden beschouwd als een indirect gevolg van de schade van het rechtstreekse slachtoffer van het ongeval. Het begrip „land waar de schade zich voordoet” moet in die zin worden uitgelegd dat het verwijst naar de plaats waar de schade werd veroorzaakt, te weten in het hoofdgeding naar de plaats waar het verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

42.

Zoals de Commissie al opperde, lijkt het opportuun om de volgorde van behandeling van de vragen van de verwijzende rechterlijke instantie om te draaien.

43.

In het tweede deel van artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening wordt immers bepaald dat de plaats waar de indirecte gevolgen van het schadeveroorzakende feit zich voordoen, niet relevant is voor de vaststelling van het recht dat van toepassing is op een niet-contractuele verbintenis. Derhalve dient eerst de vraag te worden beantwoord, of artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening in die zin dient te worden uitgelegd dat de schade die de nauwe verwanten van een dodelijk slachtoffer van een verkeersongeval in de forumstaat in het land van hun gewone verblijfplaats hebben geleden, als „schade” in de zin van het eerste deel van dat artikellid of als „indirect gevolg” van de schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van het tweede deel van dat lid. moet worden gekwalificeerd.

44.

Tegen de achtergrond van het antwoord op die eerste vraag zal vervolgens het begrip „land waar de schade zich voordoet” dienen te worden omschreven met betrekking tot een vordering tot vergoeding van de materiële en immateriële schade die verwanten van een dodelijk slachtoffer van een verkeersongeval hebben geleden.

1. Eerste aspect (tweede vraag): kwalificatie van de materiële en immateriële schade die de nauwe verwanten van een dodelijk slachtoffer van een verkeersongeval in de forumstaat in het land van hun gewone verblijfplaats hebben geleden

45.

Artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening bepaalt dat het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht is van het land waar de schade zich voordoet. Zoals uit de expliciete preciseringen in deze bepaling blijkt, moet de plaats waar de schade zich voordoet, worden onderscheiden van ten eerste de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan, en ten tweede van de plaats waar de indirecte gevolgen van de schadeveroorzakende gebeurtenis zich voordoen.

46.

Mijns inziens volgt uit de voorstukken en met name uit het verslag bij het voorstel voor de Rome II-verordening duidelijk dat die bepaling als basisregel kiest voor het recht van de plaats waar de rechtstreekse schade is ontstaan of dreigt te ontstaan. (20)

47.

In dit verslag staat ook: „Bij een verkeersongeval is de plaats waar de rechtstreekse schade is ontstaan bijvoorbeeld de plaats van de aanrijding, ongeacht de eventuele financiële of morele schade die in een ander land ontstaat.” (21)

48.

Uit ditzelfde verslag wordt ook duidelijk dat de Commissie expliciet verwijst naar de rechtspraak van het Hof over de uitlegging van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag (22), dat net als artikel 5, punt 3, van de Brussel I-verordening rechtstreekse schade van indirecte schade onderscheidt.

49.

Die expliciete verwijzing naar de Brussel I-verordening komt voor in de considerans van de Rome II-verordening, in overweging 7 waarvan staat te lezen dat het materiële toepassingsgebied en de bepalingen van die twee verordeningen met elkaar moeten stroken.

50.

Ik wil er wel op wijzen dat de regel van bijzondere bevoegdheid van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag, zoals het Hof bij herhaling heeft geoordeeld (23), berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en een andere rechter dan die van de staat van de woonplaats van de verweerder, en dat deze een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting beoogt. In die zin kon worden benadrukt dat de centralisatie van de gestelde vragen bij één en hetzelfde gerecht met name voortvloeide uit het feit dat deze noodzakelijk was voor de bewijslevering of de procesinrichting. (24)

51.

Dit vereiste, dat van belang is voor de vaststelling van de bevoegde rechter, geldt niet noodzakelijkerwijs op dezelfde wijze wanneer het de vaststelling van het toepasselijke recht betreft. Zo heeft het Hof altijd benadrukt dat moet worden voorkomen dat meerdere rechterlijke instanties bevoegd zijn ter zake van eenzelfde rechtsbetrekking, en dat het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, normaliter het best in staat is om uitspraak te doen, met name omdat de afstand geringer en de bewijsvoering gemakkelijker is. (25)

52.

Ook al lopen de doelstellingen van deze rechtshandelingen enigszins uiteen, ik ben toch van mening dat de begrippen in de Rome II-verordening zo veel mogelijk moeten worden begrepen tegen de achtergrond van de uitleggingen in het kader van het Executieverdrag of de Brussel I-verordening. Er moet immers worden gestreefd naar een zekere overeenkomst in de uitlegging van die begrippen aangezien de juridische instrumenten alle de voorspelbaarheid van de gekozen oplossingen beogen.

53.

Welke lessen kunnen worden getrokken uit de rechtspraak met betrekking tot de uitlegging van artikel 5, lid 3, van het Executieverdrag en de Brussel I-verordening?

54.

Verschillende zaken verdienen onze aandacht.

55.

In de zaak waarin het arrest Dumez France en Tracoba (26) is gewezen, diende het Hof zich uit te spreken over het begrip „plaats waar de schade is ingetreden” in het kader van een rechtsvordering die twee Franse vennootschappen tegen in Duitsland gevestigde banken hadden ingesteld tot vergoeding van de financiële schade die zij stelden te hebben geleden als gevolg van het faillissement van enkele van hun in Duitsland gevestigde dochtermaatondernemingen, dat was veroorzaakt door de opzegging door die banken van de aan die dochterondernemingen verleende kredieten voor de uitvoering van een bouwproject.

56.

Het Hof werd gevraagd zich uit te spreken over de aard van de aangevoerde schade en oordeelde dat de door de moedermaatschappijen gestelde schade slechts het indirecte gevolg was van de financiële verliezen die hun dochterondernemingen aanvankelijk hadden opgelopen door de opzegging van de kredieten en de daaruit voortvloeiende stillegging van de bouwwerkzaamheden. Het Hof stelde vast dat „in een zaak als die in het hoofdgeding de gestelde schade slechts het indirecte gevolg is van de schade die oorspronkelijk is geleden door andere rechtspersonen, die rechtstreeks zijn getroffen door schade die is ingetreden op een andere plaats dan die waar de indirect gelaedeerde achteraf schade heeft ondervonden”. (27)

57.

Vervolgens onderzocht het Hof of met het begrip „plaats waar de schade is ingetreden” in de zin van het arrest Bier, genoemd Mines de potasse d’Alsace (21/76, EU:C:1976:166) wordt gedoeld op de plaats waar de indirect gelaedeerden de schadelijke gevolgen voor hun eigen vermogen vaststellen, en verklaarde het voor recht dat met dat begrip weliswaar overeenkomstig dat arrest kan worden gedoeld op de plaats waar de schade is ingetreden, maar dat deze laatste uitdrukking slechts aldus mag worden verstaan, dat zij verwijst naar de plaats waar het veroorzakende feit dat de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad meebrengt, rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft gehad voor degene die er rechtstreeks door is gelaedeerd. (28) En het Hof verduidelijkte voorts dat de plaats waar de oorspronkelijke schade zich heeft voorgedaan, in het algemeen een nauw verband heeft met de andere bestanddelen van de aansprakelijkheid, hetgeen meestal niet het geval is voor de woonplaats van de indirect gelaedeerde. (29)

58.

Deze benadering is later bevestigd in het arrest Marinari (30), naar welke zaak de Commissie expliciet verwees in haar voorstel voor een verordening van 22 juli 2003 (31) en dat betrekking had op de vraag of onder het begrip „plaats waar de schade zich heeft voorgedaan” enkel wordt verstaan de plaats waar aan personen of aan goederen fysieke schade is toegebracht, of ook de plaats, eventueel in andere landen, waar zich de vermogensschade heeft voorgedaan.

59.

Ook in dit arrest oordeelde het Hof dat, ofschoon is aanvaard dat het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” in de zin van artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag, zowel kan zien op de plaats waar de schade is ingetreden, als op die van de veroorzakende gebeurtenis, dat begrip echter niet zo ruim kan worden uitgelegd dat het elke plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. Bijgevolg kan dat begrip niet aldus worden uitgelegd, dat het ook ziet op de plaats waar de gelaedeerde stelt vermogensschade te hebben geleden als gevolg van een door hem geleden, in een andere verdragsluitende staat ingetreden aanvankelijke schade. (32)

60.

In de zaak die leidde tot het arrest Shevill e.a. (C‑68/93, EU:C:1995:61), waarin het Hof werd verzocht om uitlegging van het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” voor de bepaling van de gerechten die bevoegd zijn kennis te nemen van een rechtsvordering tot vergoeding van de schade als gevolg van de publicatie in verschillende lidstaten van een beledigend artikel in de pers, heeft het Hof erop gewezen dat de overwegingen die in aanmerking waren genomen in de arresten Bier, genoemd Mines de potasse d’Alsace, en Dumez France en Tracoba (C‑220/88, EU:C:1990:8) met betrekking tot materiële schade, ook van toepassing waren in geval van immateriële schade.

61.

Hierbij is opmerkelijk dat het Hof met betrekking tot schade die zich manifesteert op de plaatsen waar de publicatie wordt verspreid, heeft geoordeeld dat artikel 5, punt 3, van het Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd dat de gelaedeerde tegen de uitgever een rechtsvordering tot schadevergoeding kan instellen voor ofwel de gerechten van de verdragsluitende staat van de plaats van vestiging van de uitgever van de beledigende publicatie, die bevoegd zijn om de vordering betreffende de volledige schade als gevolg van de belediging toe te wijzen, ofwel de gerechten van elke verdragsluitende staat waar de publicatie is verspreid en waar de gelaedeerde stelt in zijn goede naam te zijn aangetast, welke gerechten slechts bevoegd zijn kennis te nemen van de geschillen betreffende de in de staat van het geadieerde gerecht toegebrachte schade. In een dergelijke situatie kan inderdaad ervan worden uitgegaan dat er niet sprake is van één maar van verschillende oorspronkelijke schades.

62.

In de zaak die leidde tot het arrest Kronhofer (C‑168/02, EU:C:2004:364) wenste de verwijzende rechter te vernemen of het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” ook kon doelen op de woonplaats van gelaedeerde, waar zich het „centrum van [diens] vermogen” zou bevinden, zodat deze laatste een rechtsvordering tot schadevergoeding kon instellen bij de overeenkomstige rechterlijke instantie. Die vraag rees in het specifieke geval van een vordering tot vergoeding van de financiële schade die een particulier had geleden ten gevolge van een aantal beurstransacties met betrekking tot een deel van zijn vermogen dat hij eerder had belegd in een andere verdragsluitende staat dan die van zijn woonplaats.

63.

Het Hof oordeelde dat die vraag ontkennend diende te worden beantwoord.

64.

Het Hof heeft onder een verwijzing naar de lessen uit het arrest Marinari (C‑364/13, EU:C:1995:289) immers geoordeeld dat het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet extensief kan worden uitgelegd in dier voege dat het elke plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat zich elders heeft voorgedaan. (33) Ter ondersteuning van die overweging verduidelijkte het Hof dat een dergelijke uitlegging de bepaling van het bevoegde gerecht zou doen afhangen van onzekere omstandigheden, zoals de plaats waar zich „het centrum van het vermogen” van het slachtoffer bevindt, en bijgevolg zou indruisen tegen de versterking van de rechtsbescherming van de in de [Unie] gevestigde personen. (34)

65.

Ten slotte heeft het Hof zich recentelijk uitgesproken over de uitlegging van artikel 5, punt 3, van de Brussel I-verordening in de zaak die leidde tot het arrest Zuid-Chemie (C‑189/08, EU:C:2009:475). Hier was sprake van een geding tussen een producent van kunstmeststoffen en een leverancier van voor de productie van die kunstmeststoffen benodigde grondstoffen over de levering van een verontreinigd product. Het Hof oordeelde dat de termen „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” duiden op de plaats waar de initiële schade is ingetreden bij het normale gebruik van het product voor het doel waarvoor het bestemd is.

66.

Naar mijn mening is de rechtspraak van het Hof over de uitlegging van artikel 5, [punt] 3, van het Executieverdrag en de Brussel I-verordening derhalve relevant. Dit geldt des te meer daar, zoals de Commissie en de Portugese regering terecht benadrukten, het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” (zoals bedoeld in artikel 5, [punt] 3, van het Executieverdrag en de Brussel I-verordening), dat niet alleen doelt op de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis, maar ook op de plaats van het intreden van de schade, ruimer is dan het begrip „land waar de schade zich voordoet” (zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening).

67.

Uit deze rechtspraak volgt dat de schade die in het land van hun woonplaats wordt geleden door verwanten van een persoon die is overleden als gevolg van een verkeersongeval in de forumstaat, moet worden gekwalificeerd als „indirect gevolg” van de oorspronkelijke schade van het rechtstreekse slachtoffer van het ongeval.

68.

Bovendien is duidelijk, zoals ik eerder vermeldde, dat het onderscheid tussen het schadebrengende feit en de schade zelf meer beantwoordt aan de wens om te kiezen voor de objectieve opvatting inzake aansprakelijkheid dan aan de wens om meer soorten schade onder die bepaling te laten vallen.

69.

Ten slotte wijs ik erop dat overweging 17 van de Rome II-verordening verduidelijkt: „In geval van letselschade en vermogensschade moet [...] het land waar het letsel of de materiële schade is opgelopen, gelden als het land waar de schade zich voordoet.”

70.

Derhalve lijkt voor de bepaling van het recht dat van toepassing is op een rechtsvordering tot schadevergoeding alleen de plaats waar de rechtstreekse schade zich voordoet, relevant, ongeacht hoe de schade in de nationale rechtstelsels naar aard of vergoedbaarheid wordt gekwalificeerd.

71.

Kortom, ik heb dus een duidelijke voorkeur voor de benadering die de Commissie in dit verband koos, en wel om meerdere redenen.

72.

In de eerste plaats dient, om geen afbreuk te doen aan het harmoniserende karakter van de Rome II-verordening, het begrip „land waar de schade zich voordoet” autonoom en objectief te worden uitgelegd.

73.

Zoals ik eerder vermeldde, bestaan er in de rechtsstelsels van de lidstaten aanzienlijke verschillen qua aard en omvang van de schade die familieleden kunnen lijden. Ingeval zou worden geoordeeld dat met de schade zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening, behalve de rechtstreeks door de overleden persoon geleden schade, in feite ook wordt gedoeld op alle schade die geacht wordt iure proprio te zijn geleden door diens rechthebbenden, moet ervoor worden gevreesd dat de gebeurtenis die in rechte moet worden vastgesteld, gesplitst wordt in meerdere betrekkingen waarop verschillende rechtsstelsels van toepassing zijn, afhankelijk van de gewone verblijfplaats van de betrokken persoon. Er mag echter van worden uitgegaan dat de wetgever, door het aantal aanknopingspunten in de algemene regel van artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening te beperken (zie de punten 25 en 26 van deze conclusie), er ook naar heeft gestreefd, het aantal rechtstelsels te beperken dat op een situatie van toepassing kan zijn.

74.

In die context heeft de uitlegging van de algemene regel dat de uitdrukking „land waar de schade zich voordoet”, zoals bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening, moet worden begrepen als de plaats van de rechtstreekse schade – in dit geval die van het dodelijke ongeval – het voordeel van de eenvoud en de objectiviteit aangezien alle gestelde schade in feite voortkomt uit dezelfde bron. Zoals de verwijzende rechterlijke instantie al aangaf, sluit de toepassing van het recht van de plaats waar de schade zich voordoet, met name het risico uit dat de gebeurtenis waarover de rechter uitspraak moet doen, uiteenvalt in verschillende onderdelen, waarop verschillend recht van toepassing is naargelang van de woonplaats van de slachtoffers.

75.

In de tweede plaats beantwoordt dit oordeel mijns inziens volledig aan de voorspelbaarheid die werd nagestreefd bij de uitwerking van de Rome II-verordening. In de meeste gevallen is degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, immers in staat om te voorzien welke gevolgen zijn gedrag of dat van personen voor wie hij aansprakelijk is, in andere landen zal hebben. Op dezelfde wijze is het slachtoffer in beginsel op de hoogte van de wettelijke context waarin het zichzelf of zijn goederen brengt. Met andere woorden, zowel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, als het slachtoffer waren op de hoogte en hebben de maatregelen genomen, met name op het gebied van verzekeringen, die nodig zijn volgens het recht dat van toepassing is in het land of de landen waar zich mogelijk schade kan voordoen. (35)

76.

In de derde plaats wordt de in de Rome II-verordening geformuleerde algemene regel voor de bepaling van het recht dat van toepassing is – anders dan andere regels (36) – gekenmerkt door neutraliteit. Neem als voorbeeld de vermogensrechtelijke schade van rechthebbenden van een dodelijk slachtoffer van een verkeersongeval: er mag van uit worden gegaan dat de neutraliteit van het recht zou worden geschaad indien die schade altijd zou worden gelokaliseerd op de plaats waar het slachtoffer woont.

77.

In de vierde plaats beantwoordt die uitlegging mijns inziens ook aan de andere idee die ten grondslag ligt aan de aanknopingspunten in het internationale privaatrecht, namelijk de idee van nabijheid, die beoogt op een situatie zo veel mogelijk het recht toe te passen van het land waar deze de nauwste banden mee heeft. Terwijl de plaats van het ongeval ontegenzeglijk banden met de overige elementen van de aansprakelijkheid heeft, geldt dit immers niet noodzakelijkerwijs voor de woonplaats van het indirecte slachtoffer. (37)

78.

In het voorbeeld van de zaak in het hoofdgeding is het opmerkelijk dat de dagvaarding van de verzekeringsmaatschappij Allianz, in haar hoedanigheid van door het waarborgfonds voor verkeersslachtoffers aangewezen maatschappij nu er geen voertuig is geïdentificeerd dat het dodelijk ongeval heeft veroorzaakt, juist mogelijk was naar Italiaans recht. (38)

79.

In de laatste plaats moet worden beklemtoond dat de Rome II-verordening correctiemechanismen kent waardoor op verschillende wijzen kan worden afgeweken van de kennelijke hardheid van de regel van de plaats waar de schade zich voordoet.

80.

Allereerst moet de toepassing van de lex locus damni terzijde worden geschoven als degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben. In dat geval is het recht van dat land van toepassing. Deze afwijking, die voorrang beoogt te geven aan het recht van het land dat nauwer bij de bewuste situatie is betrokken, voorkomt geheel onverwachte uitkomsten en is zeer nuttig in geval van bijvoorbeeld verkeersongevallen. Neem als voorbeeld een aanrijding in Denemarken tussen twee in Duitsland geregistreerde voertuigen waarvan de bestuurders beiden in Duitsland wonen, naar aanleiding van een dagelijkse pendel voor goederenvervoer. In dat geval kan de lex locus damni terzijde worden geschoven ten faveure van het Duitse recht.

81.

Wanneer de regel van artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening tot onredelijke uitkomsten leidt, kan hij bovendien op grond van artikel 4, lid 3, van die verordening terzijde worden geschoven ten faveure van het recht van het land waarmee de situatie een kennelijk nauwere band heeft. Dankzij deze clausule kan bijvoorbeeld, ingeval degene die aansprakelijk is en het slachtoffer niet hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben, het recht worden toegepast van het land waar in het concrete geval het zwaartepunt van de zaak ligt. (39) Die clausule is waarschijnlijk heel nuttig indien bijvoorbeeld – anders dan in het hoofdgeding – wordt vastgesteld dat de woonplaats van het rechtstreekse slachtoffer van het ongeval of de woonplaats van degene die aansprakelijk is gesteld, of een andere omstandigheid met betrekking tot het intreden van het ongeval niets te maken heeft met het land waar het ongeval zich voordeed, en veel meer verband houdt met een ander land.

82.

Ten slotte staat, ook al kan de uitkomst van de lex loci damni in bepaalde omstandigheden ongunstig blijken te zijn, wanneer de min of meer rechtstreekse slachtoffers gewoonlijk verblijven in een ander land dan het land waar zich het ongeval heeft voorgedaan, in overweging 33 van de Rome II-verordening dat het aangezochte gerecht bij de begroting van letselschade juist rekening moet houden met „alle relevante feitelijke omstandigheden van het slachtoffer in kwestie, in het bijzonder met de werkelijke kosten van nazorg en medische verzorging”. De rechter wordt derhalve verzocht om – in het bijzonder bij de begroting van de schade geleden door niet-ingezetenen van het land waar het dodelijke ongeval zich heeft voorgedaan – zo veel mogelijk rekening te houden met de verschillen in de levensstandaard en met de daadwerkelijke kosten waarmee die slachtoffers in hun woonland worden geconfronteerd.

2. Tweede aspect: het begrip „land waar de schade zich voordoet”

83.

Zoals blijkt uit het antwoord op de tweede vraag, is, gelet op het feit dat de door verwanten van het slachtoffer van een ongeval gelden schade een indirect gevolg van dat ongeval is, de plaats waar die gevolgen zich voordoen, in het geheel niet relevant voor de bepaling van het recht dat van toepassing is. Het begrip plaats waar de schade zich voordoet, moet immers in de lijn van de rechtspraak met betrekking tot het Executieverdrag en de Brussel I-verordening worden opgevat als de plaats waar het feit – in dit geval het verkeersongeval – zich heeft voorgedaan, dat rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft gehad voor degene die er rechtstreeks door is gelaedeerd.

84.

In elk geval ben ik van mening dat het begrip „land waar de schade zich voordoet” in de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval moet worden opgevat als de plaats waar het verkeersongeval zich heeft voorgedaan. Dit begrip kan niet aldus worden opgevat dat er ook de plaatsen onder vallen waar andere schade werd geleden ten gevolge van het ongeval, ongeacht of dat schade van het rechtstreekse slachtoffer was of van verwanten van dat slachtoffer. Of het materiële of immateriële schade betreft, is in deze context niet van belang.

IV – Conclusie

85.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door het Tribunale di Trieste gestelde vragen te beantwoorden als volgt:

„Artikel 4, lid 1, van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (‚Rome II’) moet aldus worden uitgelegd dat de schade die de familieleden van een persoon die is overleden bij een verkeersongeval dat zich heeft voorgedaan in de forumstaat, in hun land van woonplaats hebben geleden, moet worden beschouwd als een ‚indirect gevolg’ in de zin van die bepaling. Bijgevolg dient het begrip ‚land waar de schade zich voordoet’, zoals bedoeld in diezelfde bepaling, in geval van een verkeersongeval aldus te worden uitgelegd dat het doelt op de plaats waar het feit dat de schade heeft veroorzaakt, dat wil zeggen het verkeersongeval, rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft gehad voor degene die er rechtstreeks door is gelaedeerd.”


(1) Oorspronkelijke taal: Frans.

(2) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”) (PB L 199, blz. 40; hierna: „Rome II-verordening”).

(3) Ik wijs er nadrukkelijk op dat het Hof tot op heden niet alleen nog geen gelegenheid heeft gehad om een uitspraak te doen over de draagwijdte van deze bepaling, maar dat het ook meer algemeen de Rome II-verordening nog niet inhoudelijk heeft uitgelegd. Met uitzondering van het arrest Homawoo (C‑412/10, EU:C:2011:747), dat betrekking had op de temporele werkingssfeer van die vordering, heeft het Hof tot nu alleen naar die verordening verwezen (zie arresten Football Dataco e.a., C‑173/11, EU:C:2012:642, en Kainz, C‑45/13, EU:C:2014:7). Daar staat echter tegenover dat in een aantal thans bij het Hof aanhangige zaken om uitlegging van artikel 4 van de Rome II-verordening wordt verzocht (zie met name conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Prüller-Frey, C‑240/14, EU:C:2015:325; gevoegde zaken, C‑359/14 en C‑475/14, ERGO Insurance e.a., en zaak C‑191/15, Verein für Konsumenteninformation).

(4) Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1; hierna: „Brussel I-verordening”).

(5) Zie in dit verband de eerste pogingen in 1972 om de collisieregels inzake niet-contractuele verbintenissen te uniformeren in het voorontwerp van een communautair verdrag inzake het recht dat van toepassing is op contractuele en niet-contractuele verbintenissen (Revue critique de droit international privé, 1973, blz. 209).

(6) De bijzondere regels in die artikelen hebben betrekking op respectievelijk „productaansprakelijkheid”, „oneerlijke concurrentie en daden die de vrije concurrentie beperken”, „milieuschade”, „inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten” en „collectieve actie bij arbeidsconflicten”.

(7) COM(2003) 427 definitief, punt 2.1 van het voorstel.

(8) PB 1980, L 266, blz. 1. Zie in dit verband de algemene regel voor de vaststelling van het op de overeenkomst toepasselijke recht bij gebreke van een rechtskeuze door partijen, zoals geformuleerd in artikel 4 van dat verdrag.

(9) Zie met name het verslag van de commissie Juridische zaken van het Parlement van 27 juni 2005 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”) [COM(2003) 427 — C5‑0338/2003 — 2003/0168(COD)], waarin werd voorgesteld om een bepaling in te lassen volgens welke „[i]n geval van persoonlijk letsel als gevolg van verkeersongevallen en met het oog op de motorvoertuigenverzekeringsrichtlijn passen het gerecht en de verzekeraar van de aansprakelijke chauffeur met het oog op de vaststelling van de aard van de schadeclaim en de berekening van de hoogte van de schadeclaim de regels toe van de gewone verblijfplaats van de individuele gelaedeerde, tenzij dit voor de gelaedeerde onbillijk is”.

(10) In de bewoordingen van die overweging: „Eenvormigheid van de regels moet de voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken vergroten en een redelijk evenwicht garanderen tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld, en die van de persoon die schade lijdt [...]”.

(11) Zie bijvoorbeeld Boskovic, O., „Loi applicable aux obligations non contractuelles (matières civile et commerciale)”, Répertoire de droit européen, bijgewerkt in september 2010, punt 26.

(12) C‑220/88, EU:C:1989:595.

(13) Ibidem, punten 23 en 24.

(14) Zie voor een overzicht van de nationale wetgevingen die van kracht waren ten tijde van de aan die zaak ten grondslag liggende feiten, de punten 34 tot en met 38 van die conclusie.

(15) Namelijk het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek.

(16) Hierin wordt bepaald: „Deze verordening laat onverlet de toepassing van internationale overeenkomsten waarbij één of meer lidstaten op het tijdstip van de vaststelling van de verordening partij zijn en die regels bevatten inzake het toepasselijke recht op niet-contractuele verbintenissen.”

(17) Zie voor een voorbeeld van de toepassing van dit verdrag ondanks de inwerkingtreding van de Rome II-verordening arrest Haasová (C‑22/12, EU:C:2013:692, punt 36).

(18) In die zin heeft de Eerste kamer van de Cour de cassation (Frankrijk) recentelijk in een zaak die een aantal overeenkomsten vertoont met het hoofdgeding, geoordeeld dat dit verdrag voorrang heeft boven de Rome II-verordening (ECLI:FR:CCASS:2014:C100428).

(19) Voor een overzicht van de in dit verband gerezen vragen, zie met name: Malatesta, A., „The Law Applicable to Traffic Accidents”, The Unification of Choice of Law Rules on Torts and Other Non-Contractual Obligations in Europe, 2006, blz. 85‑106; Kadner Graziano, T., „The Rome II Regulation and the Hague Conventions on Traffic Accidents and Product Liability – Interaction, Conflicts and Future Perspectives”, Nederlands Internationaal Privaatrecht, 26e jaarg. 2008, afl. 4, blz. 425‑429; von Hein, J., „Article 4 and Traffic Accidents”, The Rome II Regulation on the law applicable to non-contractual obligations, 2009, blz. 153‑173; Nagy, C. I., „The Rome II Regulation and Traffic Accidents: Uniform Conflict Rules with Some Room for Forum Shopping – How So?”, Journal of Private International Law, deel 6, 2010, nr. 1, blz. 93‑108, en Papettas, J., „Direct Actions Against Insurers of Intra-Community Cross Border Traffic Accidents: Rome II and the Motor Insurance Directives”, Journal of private international law, deel 8, 2012, nr. 2, blz. 297‑321.

(20) Zie COM(2003) 427 definitief van 22 juli 2003, blz. 12.

(21) Ibidem.

(22) Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend op 27 september 1968 te Brussel (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: „Executieverdrag”).

(23) Zie arresten Bier, genoemd Mines de potasse d’Alsace (C‑21/76, EU:C:1976:166, punt 11), Marinari (C‑364/93, EU:C:1995:289, punten 10 e.v.) en Shevill e.a. (C‑68/93, EU:C:1995:61, punten 19e.v.)

(24) Zie in die zin arrest Kronhofer (C‑168/02, EU:C:2004:364, punt 18).

(25) Zie met name arrest DFDS Torline (C‑18/02, EU:C:2004:74, punt 27en aldaar aangehaalde rechtspraak).

(26) C‑220/88, EU:C:1990:8.

(27) Arrest Dumez France en Tracoba, C‑220/88, EU:C:1990:8, punten 13 en 14.

(28) Arrest Dumez France en Tracoba, C‑220/88, EU:C:1990:8, punt 20.

(29) Arrest Dumez France en Tracoba, C‑220/88, EU:C:1990:8, punt 21.

(30) Arrest Marinari, C‑364/93, EU:C:1995:289.

(31) Zie blz. 12 van dat voorstel.

(32) Arrest Marinari (C‑364/93, EU:C:1995:289, punten 14 en 15).

(33) Arrest Kronhofer (C‑168/02, EU:C:2004:36, punt 19).

(34) Arrest Kronhofer (C‑168/02, EU:C:2004:36, punt 20).

(35) Zie Calliess, G.‑P., Rome Regulations: Commentary on the European Rules of the Conflict of Laws, 2e editie, Wolters Kluwer, 2015 blz. 498.

(36) Zie met name artikelen 6 (over oneerlijke concurrentie) en 7 (over milieuschade) van de Rome II-verordening.

(37) Zie naar analogie arrest Dumez France en Tracoba (C‑220/88, EU:C:1990:8, punt 21).

(38) Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat artikel 283, onder a) en c), van de Codice delle assicurazioni private bepaalt dat wanneer het voertuig dat de schade heeft veroorzaakt, niet wordt geïdentificeerd, het waarborgfonds voor verkeersslachtoffers de door een verkeersongeval veroorzaakte schade vergoedt via op het gehele nationale grondgebied aangewezen verzekeringsmaatschappijen.

(39) Zie het verslag bij het voorstel voor de Rome II-verordening, reeds aangehaald, punt 13.