Home

Zaak C-248/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākās tiesas Senāta (Republiek Letland) op 7 juli 2009 — SIA Pakora Pluss/Valsts ieņēmumu dienests

Zaak C-248/09: Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākās tiesas Senāta (Republiek Letland) op 7 juli 2009 — SIA Pakora Pluss/Valsts ieņēmumu dienests

12.9.2009

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 220/22


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Augstākās tiesas Senāta (Republiek Letland) op 7 juli 2009 — SIA Pakora Pluss/Valsts ieņēmumu dienests

(Zaak C-248/09)

2009/C 220/43

Procestaal: Lets

Verwijzende rechter

Augstākās tiesas Senāta

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: SIA Pakora Pluss

Verwerende partij: Valsts ieņēmumu dienests

Prejudiciële vragen

1)

Kunnen de uitvoerformaliteiten vervuld worden geacht in de zin van [hoofdstuk 5,] punt 1, van [bijlage IV bij] de Akte betreffende de voorwaarden voor toetreding tot de Europese Unie, wanneer een goederenmanifest is opgemaakt, maar de in artikel 448 van verordening nr. 2454/93(1) bedoelde handelingen niet zijn verricht (de Duitse douaneautoriteit heeft het verzoek van de scheepvaartmaatschappij niet naar behoren ter kennis gebracht van de Letse douaneautoriteit)?

2)

Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord: mag in een geval als het in het hoofdgeding aan de orde zijnde ervan worden uitgegaan dat de bepalingen inzake de douaneregeling (verordening nr. 2913/92(2) en verordening nr. 2454/93) geenszins van toepassing zijn?

3)

Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord: moet hoofdstuk 5, punt 1, van bijlage IV bij de Akte betreffende de voorwaarden voor toetreding tot de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat wanneer goederen die in de uitgebreide Gemeenschap worden vervoerd na aan uitvoerformaliteiten te zijn onderworpen, niet in het vrije verkeer worden gebracht, zij niet vrijgesteld zijn van douanerechten of andere douanemaatregelen, ook al bestaat er geen twijfel dat de betrokken goederen de status van communautaire goederen hebben?

Met andere woorden, is het in het onderhavige geding beslissend of de douaneregeling „in het vrije verkeer brengen” toepassing heeft gevonden?

4)

Valt de belasting over de toegevoegde waarde onder het in artikel 4, punt 10, van verordening nr. 2913/92 omschreven begrip „rechten bij invoer”?

5)

Indien de vierde vraag bevestigend moet worden beantwoord: rust de verplichting tot betaling van de belasting over de toegevoegde waarde, die bij de invoer van de goederen wordt geheven als een douanerecht, op de aangever of op degene voor wie de goederen uiteindelijk bestemd zijn? Bestaan er omstandigheden waarin het daarbij om een gedeelde verplichting kan gaan?