Home

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: „De „energie-eilanden” van de EU verbinden: groei, concurrentievermogen, solidariteit en duurzame ontwikkeling op de interne Europese energiemarkt” (verkennend advies op verzoek van het Cypriotische voorzitterschap)

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: „De „energie-eilanden” van de EU verbinden: groei, concurrentievermogen, solidariteit en duurzame ontwikkeling op de interne Europese energiemarkt” (verkennend advies op verzoek van het Cypriotische voorzitterschap)

15.2.2013

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 44/9


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité: „De „energie-eilanden” van de EU verbinden: groei, concurrentievermogen, solidariteit en duurzame ontwikkeling op de interne Europese energiemarkt” (verkennend advies op verzoek van het Cypriotische voorzitterschap)

2013/C 44/02

Rapporteur: M. COULON

Het Cypriotische voorzitterschap heeft op 18 juli 2012 besloten het Europees Economisch en Sociaal Comité overeenkomstig artikel 304 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, te raadplegen over het onderwerp:

„De 'energie-eilanden' van de EU verbinden: groei, concurrentievermogen, solidariteit en duurzame ontwikkeling op de interne Europese energiemarkt” (verkennend advies op verzoek van het Cypriotische voorzitterschap).

De afdeling Vervoer, Energie, Infrastructuur en Informatiemaatschappij, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 26 november 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 12 en 13 december gehouden 485e zitting (vergadering van 13 december) het volgende advies uitgebracht, dat met 159 stemmen vóór en 5 stemmen tegen, bij 13 onthoudingen, is goedgekeurd.

1. Conclusies en aanbevelingen

1.1

Als „energie-eilanden” kampen bepaalde landen en regio's in Europa met economische, sociale en milieuproblemen. Ze zijn namelijk vaak sterk afhankelijk van de invoer van fossiele brandstoffen. Hierdoor ontstaan forse prijsverschillen, die er mede toe leiden dat sommige gebieden minder profiteren van de Europese solidariteit en zich minder goed ontwikkelen dan andere.

1.2

Het door de Raad in februari 2011 uitgesproken streven om een eind te maken aan het fenomeen van energie-eilanden kan op instemming van het EESC rekenen. Het is in dit verband met name te spreken over initiatieven om de energieverbindingen tussen EU-landen overeenkomstig de vastgestelde prioriteiten uit te breiden. De aansluiting van energie-eilanden op de netten van derde landen kan van prioritair belang zijn als mocht blijken dat dit de beste optie is om hun energievoorziening veilig te stellen en te diversifiëren.

1.3

Als het op energieproductie of mogelijkheden om energie in te voeren aankomt zijn er verschillen waar te nemen in de situatie van lidstaten die met het fenomeen van energie-eilanden kampen. Afgezien van een uitbreiding van de verbindingen, iets waar geen van de energie-eilanden maar evenmin de andere lidstaten zonder kunnen, moeten energiemaatregelen steeds worden aangepast aan de lokale situatie.

1.4

Met name voor de Baltische staten en de landen in Midden- en Oost-Europa pleit het EESC ervoor dat de verschillen tussen Rusland en de EU in de interpretatie van de voor energiemarkten en energievoorziening geldende beginselen teniet worden gedaan. Dit zou opgenomen moeten worden in internationale overeenkomsten, bijvoorbeeld een nieuwe partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst, waarin energie extra aandacht krijgt (zie de resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (12562/2011 – 2012/2050(INI)).

1.5

Wat de Zuidoost-Europese Energiegemeenschap betreft, pleit het EESC voor een element van overleg en integratie tegenover de buitenwereld alsook voor een nieuwe dimensie „activiteiten van het maatschappelijk middenveld”.

1.6

Bepaalde Europese eilandstaten of -regio's verkeren onmiskenbaar in een bijzondere situatie. Vanwege zijn geostrategische positie zou Cyprus zowel op het punt van duurzame energie als voor de gasstromen kunnen uitgroeien tot een waar energieknooppunt. In het algemeen dient op de eilanden de eigen productie van energie te worden ontwikkeld. Wat dat betreft lenen zij zich er bij uitstek voor om nieuwe energietechnologieën te testen en voor gebruik geschikt te maken. Voor het toekennen van financiële EU-steun voor ontwikkelings- en demonstratieactiviteiten zouden evaluatiecriteria kunnen worden gehanteerd waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke kenmerken en hun behoeften. Zo'n gemeenschappelijke maatregel kan hun handicaps op energiegebied – doordat ze onvoldoende zijn aangesloten op de rest van Europa – helpen compenseren.

1.7

Tegelijkertijd verdient het aanbeveling een impuls te geven aan de uitbreiding van de verbindingen en de ontwikkeling van plaatselijk beschikbare duurzame energie. Ook zijn maatregelen nodig voor een hogere energie-efficiëntie en een betere regeling van de energievraag. De evaluatiecriteria voor de EU-programma's op dit gebied zouden moeten aansluiten bij het streven om de situatie van energie-eilanden te verbeteren, met name bij de selectie van energie-infrastructuurprojecten van algemeen belang.

1.8

Als de EU – samen met de lidstaten, het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld van de gebieden in kwestie – niet snel initiatieven neemt om stap voor stap een eind te maken aan het fenomeen van energie-eilanden, wordt het alleen maar moeilijker om de Europa 2020-strategie in haar geheel uit te voeren en volop profijt te trekken van de maatregelen die al genomen zijn voor meer groei in en een betere concurrentiepositie van de EU.

1.9

Wat dit betreft kan energiearmoede niet langer worden beschouwd als een louter nationaal of lokaal probleem dat alleen een zaak is van sociaal beleid. Aangezien de belangrijkste oorzaken van energiearmoede de nationale grenzen overstijgen, zou de EU de grote onevenwichtigheden moeten aanpakken die mede ten grondslag liggen aan dit verschijnsel. Bij de beoordeling van concrete beleidsmaatregelen zou dus voortaan moeten worden gekeken naar de mate waarin zij de energiearmoede naar verwachting zullen vergroten of verkleinen.

1.10

Het bestaan van energie-eilanden brengt voor iedereen kosten met zich mee. Deze kosten moeten in kaart worden gebracht en de maatregelen om ze terug te dringen moeten deel uitmaken van een algemene aanpak: het verdient aanbeveling om het Europese energiebeleid te voltooien en te voorzien van actiemiddelen die zijn afgestemd op de mate waarin de lidstaten onderling afhankelijk zijn en op de problemen waarop zij stuiten. Om de volledige impact van dit verschijnsel in kaart te kunnen brengen dringt het EESC er bij de Europese Commissie op aan om een uitgebreide studie te verrichten naar de „kosten van een niet-verenigd Europa op het gebied van energie” als gevolg van het bestaan van deze energie-eilanden.

1.11

Het EESC pleit voor een transparante, algehele en exacte evaluatie van de kosten – inclusief de externe kosten – van fossiele energiebronnen en van duurzame energiebronnen, waarbij ook de indirecte kosten voor uitbreiding van het net, voor de back-upcapaciteit en voor de noodzakelijke ondersteuning van groene technologieën moeten worden meegerekend. Deze evaluatie is onontbeerlijk als leidraad voor investeringen en beleidskeuzes, vooral als op sommige energie-eilanden mettertijd aanmerkelijk meer duurzame energie geproduceerd zal gaan worden voor de export naar EU-lidstaten of derde landen.

2. Inleiding: de verschillende eilandvormen en hun geografische en politieke oorsprong

2.1

Het verzoek van het Cypriotische voorzitterschap laat nogmaals zien dat het energiebeleid op Europese leest moet worden geschoeid en dat er, zoals het EESC bepleit, een „Europese energiegemeenschap” moet worden gecreëerd(1). Dit laatste impliceert namelijk meer lokale en regionale samenhang en een homogene visie op de ontwikkeling van Europese steden en regio's. De nagestreefde verbetering van de verbindingen tussen de energie-eilanden in de EU sluit daarmee aan op de concrete oriëntaties ter verbetering van de samenwerking op energiegebied waartoe in januari 2012 in het advies „Het maatschappelijk middenveld betrekken bij de totstandbrenging van een Europese Energiegemeenschap”(2) is opgeroepen.

2.2

In de raadpleging van het Cypriotische voorzitterschap en in de op EU-niveau gevoerde discussies (zie met name punt 5 van de conclusies van de Europese Raad van 4.2.2011, EUCO 2/1/11 REV 1), wordt met de term „energie-eiland” een eiland of gebied op het vasteland bedoeld dat niet of nauwelijks eigen energiebronnen heeft, onvoldoende is aangesloten op de energienetwerken en daardoor vaak afhankelijk is van een externe energiebron of -leverancier. Door de verschillende energiebalansen van de lidstaten is er sprake van grote breuklijnen tussen hen. Het gaat bij „energie-eiland” dus om zowel een technisch als (geo)politiek begrip (afhankelijkheid van één leverancier).

2.3

Factoren die daarbij een rol spelen, zijn het gebrek aan verbindingen, de afhankelijkheid van één energiebron en/of van één leverancier, de grote afstand tot de productieplaatsen/vervoersassen van energie, de investeringskosten met betrekking tot de grootte van de markt, de moeilijkheid om het nationale energiebeleid van de lidstaten bij te sturen, en geografische/klimatologische kenmerken.

2.4

Volgens de definitie van Eurostat telt de Europese Unie honderden eilanden van verschillende grootte en met een verschillende status. Naast vier belangrijke lidstaten – Cyprus, Ierland, Malta en het Verenigd Koninkrijk – zijn er ruim 286 eilanden in Europa met meer dan 10 miljoen inwoners: in de Noord- en Oostzee, de ultraperifere regio's van drie lidstaten, d.w.z. Spanje (Canarische eilanden), Portugal (Madeira en Azoren) en Frankrijk (Réunion, Mayotte, Frans Guyana, Martinique, Guadaloupe en Saint-Martin). De bij de lidstaten horende eilanden, inclusief ultraperifere regio's, worden in dit advies niet apart behandeld.

2.5

Er is echter ook nog een soort energie-eilanden die nauw verband houden met de geschiedenis van de 20e eeuw. Het Iberische schiereiland is nog altijd min of meer een energie-eiland als gevolg van de autarkische aanpak door het Franco- en Salazar-regime van de meeste netwerken, zoals die van vervoer (met name de spoorwegen) en elektriciteit (zeer weinig externe verbindingen, met name met de rest van het Europese continent via Frankrijk). Door het vaak terugkerende lokale verzet tegen verschillende projecten voor verbetering van de aansluiting van netwerken met die aan de andere kant van de Pyreneeën heeft deze situatie de afgelopen twintig jaar kunnen voortduren. Toch is er een oplossing in de maak: binnenkort zal er dankzij een nieuwe gelijkstroomverbinding aansluiting zijn met de zuidwestelijke regio's van het Middellandse Zeegebied. Behalve een betere koppeling van de Franse en Spaanse elektriciteitsnetten (waarvan de transmissiecapaciteit in 2014 van 1 400 naar 2 800 MW zal worden verhoogd) moeten er de komende jaren echter beslist ook andere energiecorridors tussen het Iberische schiereiland en de rest van het Europese vasteland worden gepland. Het streven om in 2020 te kunnen beschikken over een interconnectiecapaciteit van 4 000 MW verdient steun. Dit project deel uit te maken van de lijst van projecten van algemeen Europees belang die in het kader van de verordening over de richtsnoeren voor het trans-Europese infrastructuurnetwerk zal worden vastgesteld.

2.6

De Baltische staten (Litouwen, Letland en Estland) vormen eveneens energie-eilanden ten opzichte van de EU, aangezien ze voor hun netwerken volledig zijn aangewezen op hun vroegere „exclusieve partner” Rusland (en in mindere mate Wit-Rusland). Er ligt daar een prioriteit als het gaat om de Europese energie-integratie. Het is paradoxaal dat de drie Baltische staten integraal deel uitmaken van de politieke unie, maar tot op heden nog altijd niet kunnen profiteren van de intra-Europese eenwording en solidariteit op het gebied van energie. Hoe is het mogelijk dat ze afhankelijk zijn van een derde land dat lid is van de WTO, maar de Europese normen op het gebied van toegang tot netwerken niet naleeft, het Energiehandvest niet heeft ondertekend en niet bijdraagt aan een betere verbinding met de landen van Midden- en Oost-Europa (LMOE)? Het EESC roept daarom op om de verschillen tussen de Russische en Europese energiemarkten te verkleinen en om tot een nieuwe ambitieuze en uitgebreide partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst te komen met een speciaal hoofdstuk dat aan energiesamenwerking is gewijd (zie de resolutie van het Europees Parlement van 12 september 2012 over het jaarverslag van de Raad aan het Europees Parlement over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (12562/2011 – 2012/2050(INI)).

2.7

Zuidwest-Europa (de Balkan) is een overgangsgebied en gezien de vorderingen die bepaalde landen hebben geboekt met hun toetreding tot de EU (Kroatië, maar ook Servië, Montenegro, FYROM enz.), zijn er verdere ontwikkelingen nodig met betrekking tot vooral de naburige lidstaten van de EU (Roemenië, Bulgarije, Griekenland, Slovenië, Oostenrijk en binnenkort Kroatië). De oprichting van een energiegemeenschap in deze regio laat zien dat er sprake is van bewustwording. Deze moet worden gestimuleerd en gevoed, onder meer door een efficiënte en transparante raadpleging van het maatschappelijk middenveld van de regio over de energiestrategie.

2.8

In het algemeen geldt dat alle lidstaten van de EU in hoge mate van elkaar afhankelijk zijn. Sommige lidstaten – met name landen in Midden- en Oost-Europa, en dan vooral Hongarije – die strikt genomen geen energie-eilanden zijn, zijn zeer sterk aangewezen op hun buurlanden. Daarom is een gemeenschappelijk, op deze stand van zaken afgestemd energiebeleid onontbeerlijk. In dit verband dient de EU ook na te denken over meer intracommunautaire solidariteit. Aan aspect wordt overigens in artikel 194 van het VWEU gerefereerd.

3. Energie-eilanden: slecht voor Europa's economische slagkracht en een rem op de sociale dimensie

3.1

Ondanks de aanzienlijke verschillen tussen de diverse energie-eilanden zijn de gevolgen van dit verschijnsel, ongeacht de situatie, bijna overal dezelfde. Het insulaire karakter vertaalt zich bijna altijd in:

een hogere voorzieningsonzekerheid;

prijsschommelingen met vaak een opwaartse beweging en een sterke invloed op de industriële en handelsactiviteiten;

meer energiearmoede onder de bevolking in deze landen of regio's;

negatieve effecten op hun concurrentiepositie;

een grotere druk op het milieu;

instabiele politieke en economische betrekkingen tussen de Europese Unie en derde landen.

3.2

Zowel op de energie-eilanden als elders in de EU neemt de toch al grote vraag naar energie alleen maar toe. Daarbij hebben energie-eilanden wat hun economisch concurrentievermogen betreft zwaar te lijden onder een mogelijk minder betrouwbare en in ieder geval duidelijk duurdere energievoorziening. Doordat bepaalde activiteiten onvoldoende rendabel worden, kunnen sommige industriesectoren – en dus arbeidsplaatsen – gevaar lopen.

3.3

De hoge energieprijzen trekken een zware financiële wissel op huishoudens. Energiearmoede is lange tijd beschouwd als een louter nationaal of lokaal probleem. Het zijn ook nationale en lokale overheden die de mensen rechtstreeks te hulp schieten. De belangrijkste oorzaken van energiearmoede overstijgen echter de nationale grenzen, en via de aanpak van grote onevenwichtigheden moet ook het energiebeleid van de EU meehelpen om dit verschijnsel in te dammen.

3.4

Door de grote afhankelijkheid van fossiele brandstoffen, en dan vooral aardolie, blijft de CO2-uitstoot bovendien hoog. Gezien de milieunormen (de richtlijn over industriële emissies) en de algemene zorg voor de volksgezondheid zijn er aanzienlijke investeringen nodig om deze uitstoot terug te dringen. Ook deze kosten moeten worden doorberekend in de energierekening van energie-eilanden.

3.5

Het is aan te bevelen om de gevolgen van de situatie waarin energie-eilanden verkeren beter te onderzoeken. Voor de betrokken gebieden zou dat moeten gebeuren uit het oogpunt van groei, concurrentievermogen en duurzame ontwikkeling, en voor de rest van de EU – aangezien de EU geen volledige en volop operationele energiemarkt heeft – uit het oogpunt van solidariteit, samenhang en „winstderving”. Het bestaan van energie-eilanden brengt voor iedereen kosten met zich mee. Deze kosten moeten in kaart worden gebracht en de maatregelen om ze terug te dringen moeten deel uitmaken van een algemene aanpak: het verdient aanbeveling om het Europese energiebeleid te voltooien en te voorzien van actiemiddelen die aansluiten bij de mate waarin de lidstaten onderling afhankelijk zijn en bij de problemen waarop zij stuiten.

3.6

Het streven is niet alleen om de voordelen van een grotere Europese integratie aan te tonen, maar ook om een impuls te geven aan de industriële ontwikkeling en aldus aan de werkgelegenheid. Op de talrijke factoren die van invloed zijn op het concurrentievermogen van de Europese industrie hebben overheden niet of nauwelijks greep. Het is dan ook zaak te voorkomen dat het energiebeleid – waarop de EU wél invloed kan en moet uitoefenen – in de weg komt te staan van groei en werkgelegenheid. De lidstaten en de Commissie moeten niet te lang te wachten met al eerder genoemde maatregelen om de energiekosten te verminderen en de voorzieningszekerheid te vergroten. Hierbij valt te denken aan een betere coördinatie van nationale besluiten op energiegebied en een gemeenschappelijke planning van infrastructuur en netwerken, Europese inkoopcombinaties voor fossiele brandstoffen, en eventueel Europese mandaten voor onderhandelingen met externe partners.

4. Welke oplossingen zijn er? Ontwikkeling van duurzame energie en verbetering van de netwerkinfrastructuren

4.1

Naar twee oplossingen lijkt momenteel de voorkeur uit te gaan: enerzijds het beter verbinden van energie-eilanden met de interne energiemarkt (infrastructuur en organisatie van de markt) om voor meer solidariteit te zorgen en de technische opzet van het Europese netwerk af te stemmen op de beleids- en regelgevingsdoelstellingen van de EU, en anderzijds het bevorderen van de productie – in concreto de lokale productie – van duurzame energie. Dit betekent dat de aandacht moet uitgaan naar het potentieel van deze energie – voor zover daarvan sprake is – en dat er maatregelen moeten worden voorgesteld om dat volledig en op adequate wijze te benutten. Ten slotte kan beter aan de energiebehoefte worden voldaan als energie-efficiënt gedrag wordt aangemoedigd en de vraag via intelligente netwerken wordt opgevangen.

4.2

De Europese Commissie heeft nu al een belangrijke hervorming doorgevoerd van het Europese beleid ter ondersteuning van energie-infrastructuur en met name de energieverbindingen (zie de „Connecting Europe Facility”). Het EESC heeft zich daar in positieve zin over uitgelaten(3). Het zou echter nuttig kunnen zijn om nog verder te gaan bij de gemeenschappelijke planning van infrastructuur, zoals het EESC in zijn advies over de Europese Energiegemeenschap heeft bepleit(4). De Europese Raad heeft in 2002 bepaald dat de lidstaten een elektriciteitsverbindingscapaciteit zouden moeten verwezenlijken die overeenkomt met 10 % van hun geïnstalleerde productiecapaciteit. Bij bepaalde Europese elektriciteitsgrenzen, die nog altijd te maken hebben met congestie, is dat streefpercentage bij lange na nog niet gehaald.

4.3

Door de enorme groei van duurzame energie in de Noordzee en van zonne- en windenergie in Zuid-Europa is er nieuwe, „slimmere” infrastructuur nodig, zodat die energie beter kan worden geïntegreerd in het grote Europese netwerk. Met betere smart grids zou het verbruik in 2020 met 9 % kunnen worden verminderd en zou de CO2-uitstoot met 9 tot 15 % kunnen worden teruggebracht. Op kleinere markten kunnen intelligente netwerken en instrumenten voor het beheer van de vraag gemakkelijker in gebruik worden genomen en sneller goede resultaten opleveren. Samen met krachtige maatregelen voor meer energie-efficiëntie kan zo een grote bijdrage worden geleverd aan een beter beheer van de energievraag. Bij het doen van de vereiste investeringen, die aanzienlijk zijn, dient er sprake te zijn van volledige controle van de activiteiten op dit gebied, moeten de energierekeningen ondanks de stijgende prijzen omlaag en dient de behoefte aan investeringen in de capaciteit voor de productie van conventionele (reductie van de exploitatiemarges) en duurzame energie af te nemen.

4.4

ENTSO-E verwacht dat er de komende tien jaar in Europa 52 300 km aan nieuwe hoogvoltagelijnen moet worden aangelegd. Het gaat hier om een investering van in totaal 104 miljard euro in een honderdtal prioritaire projecten, waarvan 80 % verband houdt met de ontwikkeling van duurzame energiebronnen. Als het netwerk van energie-eilanden die in dit opzicht potentieel bezitten een geringe omvang heeft, wordt de integratie van duurzame energie nog een stuk lastiger. Industriële installaties voor de productie van duurzame energie (in tegenstelling tot de decentrale productie) kunnen goed zijn voor een relatief hoog aandeel van de productie of het verbruik. De gevolgen hiervan – met name het fluctuerende energie-aanbod – zijn echter moeilijker te hanteren.

4.5

Uitbreiding van de verbindingen is dus essentieel om de voorzieningszekerheid te vergroten en, nu duurzame energie een hoge vlucht neemt, de productie en het verbruik van energie in een groter netwerk beter op elkaar af te kunnen stemmen. Hetzelfde geldt voor de capaciteit van conventionele energiebronnen, die wordt aangesproken als de productie van duurzame energie stilvalt of fors afneemt.

4.6

De ontwikkeling van duurzame energie kan niet zonder een flexibele back-upcapaciteit die bij een lage basislast (low baseload) inzetbaar is. Vloeibaar aardgas (LNG) kan een antwoord bieden op de afhankelijkheid van één enkele aardgasleverancier en op de hoge prijzen die deze rekent. LNG is namelijk flexibeler en minder duur dan aardolie en kan zo de ontwikkeling van duurzame energie ondersteunen. Voor de ontwikkeling van LNG zijn echter wel grootscheepse investeringen in haveninfrastructuur en opslagcapaciteit nodig.

4.7

Het EESC is ervan overtuigd dat de toekomst van het Europese energiestelsel vooral afhangt van betere verbindingen en de ontwikkeling van duurzame energie – wat nog des te meer geldt voor energie-eilanden – om de voorzieningszekerheid te verbeteren. Fossiele brandstoffen zullen de toon blijven aangeven, maar tegelijkertijd zal de toenemende productie van duurzame energie een drastische uitbreiding van het net op nationaal en Europees niveau onontbeerlijk maken (zie het EESC-advies over de Routekaart energie 2050 en de zogenoemde no regret-optie)(5).

4.8

Hier komt echter weinig van terecht zonder een transparante en exacte evaluatie van alle kosten. Om goede investerings- en beleidskeuzes te kunnen maken dient zo objectief mogelijke informatie voorhanden te zijn over de kosten – ook de externe kosten – van fossiele brandstoffen en over de extra kosten die duurzame energiebronnen met zich meebrengen. Die informatie is des te noodzakelijker omdat de bestaande onderzoeken naar deze indirecte kosten elkaar grotendeels tegenspreken.

4.9

Wat duurzame energie betreft moeten zowel de benodigde investeringen in nieuwe productiecapaciteit als de kosten voor de uitbreiding van het netwerk en voor eventuele subsidies in aanmerking worden genomen. Met betrekking tot dit laatste punt zou het nodig kunnen blijken om meer steun te verlenen aan gebieden die op energiegebied het meest afhankelijk zijn en waar duurzame energie nog onderontwikkeld is. Het is daarbij wel van belang dat de uitbreiding van het net gelijke tred houdt met de productiestijging van duurzame energie. Verder moet worden bepaald welke back-upcapaciteit nodig is per extra productie-eenheid van duurzame energie. Deze back-up kan ook geïmporteerd worden, maar daarvoor zijn wel goede verbindingen en een efficiënte regionale en Europese samenwerking nodig. In de steunregelingen voor duurzame energie moet dit aspect een rol spelen, zodat deze energievorm zich in het juiste tempo kan ontwikkelen en de met belastinggelden gefinancierde subsidies zo goed mogelijk worden besteed.

4.10

Als al deze kosten eenmaal precies in kaart zijn gebracht, moeten ze worden afgezet tegen die van geïmporteerde fossiele brandstoffen (inclusief politieke en milieukosten). Dat is absoluut noodzakelijk om een goed beeld te krijgen van de positieve en negatieve gevolgen voor het concurrentievermogen van een bepaald gebied. In het licht hiervan kan de productie van duurzame energie op sommige energie-eilanden voor de export naar andere EU-landen of derde landen ook aanzienlijk worden opgeschroefd.

4.11

Het EESC zou graag zien dat de lidstaten en regio's die op het gebied van energie te kampen hebben met insulariteit, nauw worden betrokken bij de verbetering van de infrastructuur, aangezien er bij de vaststelling van de prioritaire assen rekening moet worden gehouden met hun verhoogde afhankelijkheid. Het Interconnectieplan voor de energiemarkt in het Oostzeegebied (BEMIP) zou bijvoorbeeld de weg kunnen vrijmaken voor een betere beleidscoördinatie en energiemix in de regio. Hierdoor zouden energienetwerken, met name die van Litouwen, Letland en Estland, kunnen worden ontsloten.

4.12

In hun samenwerking hebben Litouwen en Letland onlangs de nodige vorderingen gemaakt. Er is een baanbrekend initiatief: Litouwen zal in Klaipėda een terminal voor vloeibaar gas bouwen, van waaruit de opslaginstallaties in het Letse Inčukalns zullen worden bevoorraad. Litouwen denkt dat deze opslaginstallatie als een „regionale gasreserve” zou kunnen fungeren. Het EESC verwijst in dat verband naar zijn voorstel om fossiele energiebronnen en te bundelen en vooral om groeperingen voor de aankoop van gas te vormen.(6) Litouwen, Letland en Estland zijn met andere landen, met name Polen, bezig interconnectieprojecten voor elektriciteit (LitPol Link NordBalt and Estlink 2) op te zetten en uit te voeren. Tegelijkertijd werken de drie Oostzeelanden aan volledige integratie in het Europese energiestelsel, met een synchrone interconnectie van hun elektriciteitsnetten en de Europese elektriciteitsnetten (momenteel voorwerp van haalbaarheidsstudie). De Oostzeelanden ontwikkelen ook gedrieën de kerncentrale Visaginas, die een bijdrage zou kunnen leveren aan de energiezekerheid van deze landen en van belang kan zijn voor de integratie van het Europese elektriciteitsstelsel.

4.12.1

Door de nieuwe ontwikkelingen op energiegebied (belangrijke gasvondsten in de territoriale wateren) kan Cyprus uitgroeien tot een belangrijke speler in de regio. Een aanzienlijke verhoging van zijn productiemiddelen op het gebied van duurzame energie en zijn nauwe betrokkenheid bij de hierboven genoemde projecten kunnen ertoe bijdragen dat het land een „energiehub” en daarmee een katalysator van een betere regionale integratie wordt en een rol van betekenis zal gaan spelen in het nabuurschapsbeleid op het gebied van energie. Het recente besluit van exploitanten om de Cypriotische gasvelden te gaan ontginnen moet de weg banen voor een betere integratie in de EU en een actief nabuurschapsbeleid.

4.13

De afhankelijkheid van één energieleverancier kan bovendien worden verminderd door uitvoering te geven aan het derde energiepakket. Ook het vraagstuk van de regionale organisatie van de markten is cruciaal: Litouwen en Estland nemen deel aan Nord Pool Spot, de elektriciteitsmarkt van de Baltische staten en de Noordse landen (Letland is van plan om zich daar volgend jaar bij aan te sluiten). Afgezien daarvan moedigt het EESC de Baltische staten aan om gemeenschappelijke antwoorden te zoeken voor behoeften en om een regionale energiedialoog op te zetten.

4.14

Er moeten meer verbindingen komen met de aan de EU grenzende derde landen. Deze zouden energie kunnen produceren en naar de EU uitvoeren of de doorvoer daarvan vanuit andere productieplaatsen kunnen waarborgen. Dit geldt met name voor de energieprojecten in het Middellandse Zeegebied (het mediterraan plan voor zonne-energie, Medgrid, het energiehoofdstuk van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, Desertec enz.). Om een en ander te bewerkstelligen zouden de betrokken landen (Cyprus, Malta) en regio's (Kreta, Sardinië, Corsica, Sicilië, Balearen enz.) tot deelname hieraan moeten worden verzocht.

4.15

Binnen de Energiegemeenschap (van Zuidwest-Europa) moet ook aandacht worden besteed aan extern overleg en integratie en er zou moeten worden gezorgd voor een dimensie „maatregelen van het maatschappelijk middenveld”. De gemeenschappelijke raadgevende comités van het EESC (FYROM, Montenegro, Kroatië) en de SER's en overeenkomstige organen van die landen zouden op dat terrein een rol moeten spelen.

4.16

Bovendien zou de aandacht voor en de ontwikkeling van duurzame energie meer kunnen worden gestimuleerd, vooral in relatie tot het Energiestappenplan 2050 en de recente mededeling over de integratie van hernieuwbare energie in de interne markt (COM(2012) 271 final).

4.17

Binnen de EU en met haar buurlanden moeten er gezamenlijke oplossingen en voorstellen worden geformuleerd. Daarbij moeten ook de volgende partijen worden betrokken:

de lidstaten;

de Europese Commissie, die een cruciale rol speelt door de discussies en de voorgestelde oplossingen in goede banen te leiden;

de energiebedrijven en met name de netwerkbeheerders (elektriciteit, gas); zonder hen zal er niets kunnen worden verwezenlijkt (technische knowhow, financiële slagkracht);

de lokale en regionale overheden, die bevoegd zijn om samen met de lidstaten besluiten te nemen en die steeds meer de transport- en distributienetwerken beheren. Het Comité van de Regio's kan goed als bemiddelaar fungeren;

het maatschappelijk middenveld en de middenveldorganisaties, waarvan het EESC de afspiegeling is: consumentenverenigingen, sociale partners, milieuorganisaties, organisaties die zich strijden tegen onzeker werk, minderhedenorganisaties enz.

4.18

Alleen oplossingen tussen landen en interoperationele oplossingen zijn haalbaar. Of het nu om voorziening gaat of de bouw van netwerken, of onderzoek en ontwikkeling, het energiebeleid mag niet worden toevertrouwd aan een handjevol EU-lidstaten die er een „autonoom” energiebeleid op na kunnen houden. De gevolgen voor de andere lidstaten zouden namelijk te groot zijn. De energiemix moet beter worden gecoördineerd, bijvoorbeeld tussen landen en regio's die te maken hebben met het verschijnsel energie-eiland en die bij hun energiebeleid op grote beperkingen stuiten. Deze landen en regio's zouden op die manier zelfs de weg kunnen vrijmaken voor een nauwere Europese samenwerking, waarbij verder wordt gekeken dan naar de problemen in verband met „energiesoevereiniteit”.

4.19

Deze oplossingen – infrastructuur, productie van duurzame energie, betere coördinatie van het energiebeleid tussen landen en regio's – moeten evenwel vergezeld gaan van een nauwere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de implicaties daarvan voor de energiemix, de marktorganisatie, de prijzen, het concurrentievermogen, het milieu en zelfs het maatschappelijke draagvlak. Het EESC verwijst daarom nogmaals naar zijn voorstel voor een forum van het maatschappelijk middenveld voor energievraagstukken dat in het kader van zijn werkzaamheden op het gebied de Europese Energiegemeenschap werd geformuleerd(7).

Brussel, 13 december 2012

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON



BIJLAGE

bij het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Het volgende wijzigingsvoorstel, dat meer dan een kwart van het aantal uitgebrachte stemmen kreeg, werd tijdens de beraadslagingen verworpen:

Paragraaf 2.5

Als volgt wijzigen:

„Er is echter ook nog een soort energie-eilanden die nauw verband houden met de problemen op het gebied van de ontwikkeling van interconnectiesgeschiedenis van de 20e eeuw. Het Iberische schiereiland is nog altijd min of meer een energie-eiland omdat de interconnectieprojecten de afgelopen twintig jaar niet konden worden voltooidals gevolg van de autarkische aanpak door het Franco- en Salazar-regime van de meeste netwerken, zoals die van vervoer (met name de spoorwegen) en elektriciteit (zeer weinig externe verbindingen, met name met de rest van het Europese continent via Frankrijk). Ddoor het vaak terugkerende lokale verzet tegen verschillende projecten voor verbetering van de aansluiting van netwerken met die aan de andere kant van de Pyreneeën heeft deze situatie de afgelopen twintig jaar kunnen voortduren. Toch is er een oplossing in de maak: binnenkort zal er dankzij een nieuwe gelijkstroomverbinding aansluiting zijn met de zuidwestelijke regio's van het Middellandse Zeegebied. Behalve een betere koppeling van de Franse en Spaanse elektriciteitsnetten (waarvan de transmissiecapaciteit in 2014 van 1 400 naar 2 800 MW zal worden verhoogd) moeten er de komende jaren echter beslist ook andere energiecorridors tussen het Iberische schiereiland en de rest van het Europese vasteland worden gepland. Het streven om in 2020 te kunnen beschikken over een interconnectiecapaciteit van 4 000 MW verdient steun. Dit project dient deel uit te maken van de lijst van projecten van algemeen Europees belang die in het kader van de verordening over de richtsnoeren voor het trans-Europese infrastructuurnetwerk zal worden vastgesteld.”

Stemuitslag:

Vóór

:

60

Tegen

:

81

Onthoudingen

:

18