Home

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 14/2000 van 16 december 1999, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen ter bevordering van het behoud en het duurzam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 14/2000 van 16 december 1999, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen ter bevordering van het behoud en het duurzam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden

Gemeenschappelijk Standpunt (EG) nr. 14/2000 van 16 december 1999, vastgesteld door de Raad, volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen ter bevordering van het behoud en het duurzam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden

Publicatieblad Nr. C 064 van 06/03/2000 blz. 0055 - 0062


Gemeenschappelijk standpunt (EG) Nr. 14/2000

door de Raad vastgesteld op 16 december 1999

met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2000 van het Europees Parlement en de Raad betreffende maatregelen ter bevordering van het behoud en het duurzaam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden

(2000/C 64/03)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op de artikelen 175 en 179,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Bossen hebben voor de mensheid diverse functies en waarden en kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Gemeenschap op het gebied van ontwikkeling en milieu, zoals armoedebestrijding, duurzame economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming.

(2) Het Europees Parlement heeft in talrijke resoluties zijn bezorgdheid uitgedrukt over de verwoesting van de bossen en de gevolgen voor bos afhankelijke bevolking, in het bijzonder autochtone bevolkingsgroepen.

(3) Naar aanleiding van het verzoek van het Europees Parlement in zijn resolutie over de bosbouwstrategie van de Europese Unie(4) heeft de Commissie een mededeling "Bossen en ontwikkeling: een communautaire benadering" vastgesteld, waarin een strategie voor maatregelen van de Gemeenschap ter bevordering van het behoud en het duurzaam beheer van bossen in ontwikkelingslanden wordt omschreven.

(4) De doelstellingen van deze strategie moeten worden nagestreefd in het kader van de ruimere doelstelling van de Gemeenschap om het behoud en het duurzaam gebruik van bossen te bevorderen, ongeacht in welke geografische of klimaatzone zij liggen.

(5) De Gemeenschap en haar lidstaten hebben de Verklaring van Rio en het actieprogramma "Agenda 21" ondertekend, en zetten zich in voor het uitvoeren van de resolutie "Programma voor de verdere tenuitvoerlegging van Agenda 21" van de bijzondere zitting van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (Ungass).

(6) De Gemeenschap en haar lidstaten zijn lid van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en partij bij multilaterale milieuovereenkomsten, met name het Verdrag inzake biologische diversiteit, het Raamverdrag klimaatverandering en het Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming. Zij dienen dan ook rekening te houden met de gemeenschappelijke doch niet-identieke verantwoordelijkheden van ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden met betrekking tot deze onderwerpen.

(7) De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft zich in 1997 in een bijzondere zitting geschaard achter de voorstellen voor maatregelen die werden gedaan in het kader van het intergouvernementele panel voor bossen (Intergovernmental Panel on Forests, IPF). De Gemeenschap en haar lidstaten hebben zich ertoe verbonden uitvoering te geven aan deze voorstellen.

(8) Met Verordening (EG) nr. 3062/95 van de Raad van 20 december 1995 betreffende maatregelen op het gebied van tropische bossen(5) werd een kader voor communautaire hulp op dit terrein opgezet. Verordening (EG) nr. 3062/95 was van toepassing tot 31 december 1999. De bij de uitvoering van Verordening (EG) nr. 3062/95 opgedane ervaring moet in deze verordening haar neerslag vinden.

(9) De Raad heeft in zijn resolutie van 30 november 1998 erkend dat autochtone bevolkingsgroepen een rol spelen bij het milieubeheer, met name waar het gaat om het behoud en het duurzaam gebruik van bossen in ontwikkelingslanden.

(10) De financiële instrumenten waarover de Gemeenschap beschikt ter ondersteuning van het behoud en de duurzame ontwikkeling van bossen dienen te worden aangevuld.

(11) Er moet worden voorzien in de financiering van de in deze verordening beoogde activiteiten.

(12) In deze verordening worden voor de gehele looptijd van het programma waarin zij voorziet, de financiële middelen vastgesteld die voor de begrotingsautoriteit in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiepunt vormen in de zin van punt 33 van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure(6).

(13) Er dienen nadere regels voor de tenuitvoerlegging te worden vastgesteld, in het bijzonder met betrekking tot de vorm van de maatregelen, de samenwerkingspartners en de besluitvormingsprocedure.

(14) De voor de tenuitvoerlegging van de onderhavige verordening vereiste maatregelen moeten worden aangenomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(7),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De Gemeenschap verstrekt financiële bijstand en passende deskundigheid om het behoud en het duurzaam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden te bevorderen zodat de bossen aan de economische, sociale en milieueisen die op lokaal, nationaal en mondiaal niveau worden gesteld, kunnen voldoen.

De uit hoofde van deze verordening verstrekte bijstand en deskundigheid vormen een aanvulling op en een versterking van die welke reeds door andere ontwikkelingssamenwerkingsinstrumenten worden verstrekt.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

- "tropische bossen en andere bossen", hierna "bossen" genoemd: natuurlijke of semi-natuurlijke, primaire of secundaire bos-ecosystemen in gesloten dan wel open bosformaties, in zowel droge, semi-aride als vochtige klimaatzones;

- "bosbehoud": alle activiteiten om bossen in stand te houden of weer in goede staat te brengen, in het bijzonder activiteiten die ten doel hebben de biologische diversiteit en de ecologische functies van het bos-ecosysteem te beschermen of te herstellen, en tegelijkertijd de huidige en toekomstige waarde van dit ecosysteem voor de mensheid en in het bijzonder voor bosafhankelijke bevolkingsgroepen zoveel mogelijk te behouden;

- "duurzaam bosbeheer": het beheer en het gebruik van bossen en beboste zones op een manier en met een intensiteit waarbij deze hun biologische diversiteit, productiviteit, regeneratiecapaciteit, vitaliteit behouden evenals het vermogen om nu en in de toekomst de relevante ecologische, economische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen, waarbij geen schade aan andere ecosystemen wordt toegebracht;

- "duurzame ontwikkeling": verbetering van de levensstandaard en het welzijn van de betrokken bevolking binnen de grenzen van de capaciteit van het ecosysteem, door het behoud van natuurlijke rijkdommen en biologische diversiteit in het belang van de huidige en toekomstige generaties;

- "bosafhankelijke bevolkingsgroepen": de autochtone bevolkingsgroepen die het bos bewonen of dit als hun traditioneel domein beschouwen en elke bevolkingsgroep die in of dicht bij het bos woont en die van oudsher rechtstreeks of in grote mate afhankelijk is van het bos.

Artikel 3

De uit hoofde van deze verordening te verrichten activiteiten zijn gericht op:

- verhoging van de status van de bossen in nationaal beleid en integratie van op duurzaam bosbeheer gebaseerd bosbeleid in ontwikkelingsplanning;

- bevordering van de productie en het gebruik van hout en andere bosproducten uit duurzaam beheerde bronnen;

- bevorderen dat de rijkdommen en het nut van de bossen naar waarde worden geschat.

Artikel 4

1. De uit hoofde van deze verordening te verrichten activiteiten zijn in het bijzonder gericht op:

a) de ontwikkeling van passende nationale en internationale bosbeleidskaders op basis van een realistische waardering van de bossen, met inbegrip van planning voor grondgebruik, eerlijke handel in duurzaam geproduceerde bosproducten, wettelijke en fiscale maatregelen, institutionele versterking, steun voor de particuliere sector en steun voor de zelfontwikkeling van bosafhankelijke bevolkingsgroepen met het oog op een eigen sociale, economische en culturele ontwikkeling. Hierbij wordt rekening gehouden met ander sectoraal beleid dat relevant is voor de bossen en de belangen en traditionele rechten van bosafhankelijke bevolkingsgroepen;

b) behoud en herstel van bossen die geacht worden van belang te zijn vanwege hun hoge ecologische waarde, inzonderheid hun belang voor het behoud van biologische diversiteit, of vanwege hun lokale en mondiale effecten, zoals de bescherming van stroomgebieden en het voorkomen van bodemerosie of klimaatverandering;

c) duurzaam bosbeheer en -gebruik met het oog op de economische, sociale en milieuvoordelen, o.a. boscertificering, rekening houdend met de verschillende exploitatievoorwaarden van kleine en grote bosgebieden, en milieuvriendelijke oogst van zowel hout als andere bosproducten, en natuurlijke en ondersteunde bosregeneratie;

d) de economische doenlijkheid van duurzaam bosbeheer, door een doeltreffender gebruik van bosproducten en technische verbeteringen van downstreamactiviteiten in de bosbouwsector, zoals het op kleine en middelgrote schaal verwerken en verkopen van hout en andere bosproducten, door het duurzaam gebruik van hout als energiebron en door het bevorderen van alternatieven voor landbouwpraktijken gebaseerd op boskap;

e) het genereren en beheren van kennis en informatie over het nut van bossen en over bosproducten, met het oog op een stevige wetenschappelijke basis voor de activiteiten onder a) tot d).

2. Tot de activiteiten die voor financiering in aanmerking komen, behoren proefprojecten in het veld, innovatieve programma's, studies en onderzoek die niet enkel in hun doelstellingen, maar ook door hun resultaten bijdragen aan de ontwikkeling, aanpassing en betere uitvoering van het bosbeleid van de Gemeenschap en van partnerlanden.

3. Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan:

- het bevorderen van een vanuit milieu- en sociaal oogpunt verantwoord particulier ondernemerschap in de verwerking en afzet van bosproducten, in het kader van overeengekomen beleid voor de ontwikkeling van de particuliere sector en rekening houdend met bestaande sociale stelsels en op de gemeenschap gebaseerde economische activiteiten;

- het bevorderen van de directe participatie van de samenwerkingspartners in de ontwikkelingslanden, waarbij er tegelijkertijd voor moet worden gezorgd dat de maatregelen op een passende schaal worden genomen en dat de administratieve procedures worden aangepast aan de lokale beheerscapaciteit;

- de participatie van bosafhankelijke bevolkingsgroepen en lokale gemeenschappen aan activiteiten die uit hoofde van deze verordening plaatsvinden, rekening houdend met hun ontwikkelingsprioriteiten en hun economische, sociale en culturele rechten, onder andere door vergroting van de eigen capaciteiten, om hun volwaardige deelneming aan het besluitvormingsproces te waarborgen;

- de duurzaamheid van alle voorgestelde activiteiten op sociaal, economisch en milieugebied;

- de adequate coördinatie en uitwisseling van informatie tussen de Commissie en de lidstaten teneinde de coherentie van de activiteiten in de betrokken gebieden te waarborgen;

- genderspecifieke rollen, kennis, vooruitzichten en bijdragen van vrouwen/meisjes en mannen/jongens aan het beheer en het gebruik van bossen.

4. De prioriteiten worden bepaald overeenkomstig:

- de behoeften van elk land, zoals die tot uiting komen in het regionale en nationale ontwikkelings- en milieubeschermingsbeleid met betrekking tot het bosbestand, waaronder nationale bosplannen en plaatselijke behoeften, en

- de voor de samenwerking met de Gemeenschap geldende doelstellingen zoals die door de Commissie zijn vastgesteld in gezamenlijk overeengekomen landenstrategieën.

5. Activiteiten die uit hoofde van deze verordening worden verricht, worden voorafgegaan door beoordelingen van de effecten op sociaal-cultureel en milieugebied, met inbegrip van een beoordeling van de samenhang tussen de beoogde activiteiten met de ontwikkelingsprioriteiten van de betrokken bosafhankelijke bevolkingsgroepen en lokale gemeenschappen, en door een analyse van de financiële en economische haalbaarheid. Voorafgaand aan deze activiteiten vindt een transparante informatieuitwisseling met bosafhankelijke bevolkingsgroepen en lokale gemeenschappen plaats; hun steun is een voorwaarde voor de maatregelen.

6. Activiteiten die uit hoofde van deze verordening worden verricht, worden gecoördineerd met, en kunnen dienen ter ondersteuning van nationale en internationale programma's en activiteiten voor het behoud en het duurzaam beheer van bossen, met name de voorstellen voor activiteiten die zijn opgesteld in het kader van het Intergovernmental Panel for Forests/Intergovernmental Forum for Forests (IPF/IFF)-proces.

7. Indien nodig worden activiteiten verricht in het kader van regionale organisaties en internationale samenwerkingsprogramma's en ondersteunen ze de ontwikkeling van een algemeen beleid voor het behoud en het duurzaam beheer van het bos.

Artikel 5

Tot de samenwerkingspartners die steun kunnen genieten uit hoofde van deze verordening behoren internationale organisaties, staten, regio's en regionale organen, gedecentraliseerde departementen, openbare instanties, particulieren en industrieën, coöperaties, lokale gemeenschappen, niet-gouvernementele organisaties en verenigingen die de lokale bevolking, inzonderheid bosafhankelijke bevolkingsgroepen, vertegenwoordigen.

Artikel 6

1. De communautaire middelen kunnen worden aangewend voor de financiering van studies, technische bijstand, onderwijs en opleiding of andere dienstverlening, leveringen en werken, fondsen voor kleine bedragen aan niet-terugvorderbare hulp, alsmede beoordelingen en audits en evaluatie- en controlemissies. Binnen de jaarlijks door de begrotingsautoriteit vast te stellen grenzen kunnen deze middelen worden gebruikt voor uitgaven van technische en administratieve bijstand, ten behoeve van de Commissie en van de begunstigde, voor acties die niet als permanente taken van een overheidsbestuur kunnen worden beschouwd en die betrekking hebben op de identificatie, voorbereiding, beheer, toezicht, audit en controle van programma's of projecten.

De communautaire financiering kan zowel worden gebruikt voor aan een welbepaalde activiteit gebonden investeringsuitgaven, met uitzondering van de aankoop van onroerend goed, als voor vaste kosten (onder meer administratieve, onderhouds- en werkingskosten).

Met uitzondering van de opleidings-, onderwijs- en onderzoeksprogramma's kunnen vaste kosten over het algemeen slechts worden gedekt tijdens de aanloopfase, en wel in afnemende mate.

2. Voor elke samenwerkingsactiviteit wordt een financiële bijdrage van de in artikel 5 omschreven samenwerkingspartners verlangd. Deze bijdrage wordt ingevorderd naar draagkracht van de betrokken partners en naar gelang van de aard van de activiteit in kwestie.

3. Er kan worden gezocht naar mogelijkheden voor cofinanciering met andere donors, met name de lidstaten en de betrokken internationale organisaties. In dat opzicht zal naar coördinatie met door andere donors genomen maatregelen worden gestreefd.

4. De noodzakelijke maatregelen worden genomen om het communautaire karakter van de uit hoofde van deze verordening verleende bijstand te beklemtonen.

5. Teneinde de samenhang en het onderling aanvullende karakter als bedoeld in het Verdrag te verwezenlijken en een optimale doeltreffendheid van alle activiteiten te waarborgen, neemt de Commissie in samenwerking met de lidstaten alle nodige coördinatiemaatregelen, met name:

a) de stelselmatige uitwisseling en analyse van gegevens over de gefinancierde acties en over de acties waarvan de financiering door de Gemeenschap en de lidstaten wordt overwogen;

b) coördinatie van de activiteiten daar waar de activiteiten worden uitgevoerd, door middel van regelmatige bijeenkomsten en van informatieuitwisseling tussen vertegenwoordigers van de Commissie en van de lidstaten in de ontvangende landen.

6. Teneinde met de activiteiten zoveel mogelijk effect te sorteren op mondiaal, nationaal en plaatselijk niveau neemt de Commissie in overleg met de lidstaten elk initiatief dat nodig is om, inzonderheid wat de uitwisseling van informatie betreft, te komen tot een goede coördinatie en nauw overleg met de samenwerkingspartners, de geldverschaffers en andere betrokken internationale organisaties, met name die welke deel uitmaken van het stelsel van de Verenigde Naties.

Artikel 7

De communautaire financiering uit hoofde van deze verordening wordt verstrekt in de vorm van niet-terugvorderbare hulp.

Artikel 8

De financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening van 2000 tot en met 2006 belopen 63 miljoen EUR.

De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.

Artikel 9

1. De Commissie is belast met de beoordeling, de besluitvorming over de financiering en het beheer van de onder deze verordening vallende activiteiten overeenkomstig de geldende begrotingsprocedures en andere procedures, met name de procedures die zijn vervat in het Financieel Reglement dat van toepassing is op de algemene begroting van de Europese Unie.

2. Jaarlijks stelt de Commissie volgens de procedure bedoeld in artikel 10, lid 2, de strategische richtsnoeren en prioriteiten vast voor de in het volgende jaar uit te voeren activiteiten.

3. Besluiten inzake niet-terugvorderbare hulp van 2 miljoen EUR of meer voor individuele activiteiten die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd, worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 10, lid 2.

4. De Commissie brengt het in artikel 10, lid 1, bedoelde comité in beknopt bestek op de hoogte van elk financieringsbesluit dat zij voornemens is te nemen met betrekking tot niet-terugvorderbare hulp van minder dan 2 miljoen EUR. Deze informatie wordt meegedeeld uiterlijk een week voordat het besluit wordt genomen.

5. De Commissie is gemachtigd aanvullende bedragen goed te keuren ter dekking van te verwachten of reeds geregistreerde overschrijdingen of van bijkomende behoeften in verband met deze activiteiten, indien de overschrijding of bijkomende behoefte 20 % of minder van het in het oorspronkelijke financieringsbesluit vastgestelde bedrag beloopt.

6. Elke uit hoofde van deze verordening gesloten financieringsovereenkomst of elk uit hoofde van deze verordening gesloten financieringscontract voorziet erin dat de Commissie en de Rekenkamer controles ter plaatse uitvoeren volgens de gangbare procedures, zoals die zijn vastgesteld door de Commissie in het kader van de geldende bepalingen, met name die van het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Unie.

7. Voorzover activiteiten leiden tot financieringsovereenkomsten tussen de Gemeenschap en de ontvangende landen wordt daarin bepaald dat de betaling van belastingen, rechten en andere lasten niet door de Gemeenschap wordt gefinancierd.

8. De deelneming aan aanbestedingen en opdrachten staat onder gelijke voorwaarden open voor alle natuurlijke en rechtspersonen van de lidstaten en de ontvangende landen. Zij kan worden uitgebreid tot andere ontwikkelingslanden, en in uitzonderlijke, terdege gemotiveerde gevallen, tot andere derde landen.

9. De leveringen dienen van oorsprong te zijn uit de lidstaten, de ontvangende landen of andere ontwikkelingslanden. Indien de omstandigheden dat vereisen, kunnen de leveringen in uitzonderlijke gevallen van oorsprong zijn uit andere landen.

10. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan:

- de kosteneffectiviteit en het duurzaam effect van de activiteiten;

- de duidelijke omschrijving van en controle op de doelstellingen en resultaatindicatoren voor alle activiteiten.

Artikel 10

1. De Commissie wordt bijgestaan door het betreffende op geografische basis samengestelde comité dat verantwoordelijk is voor ontwikkelingszaken, hierna "comité" te noemen.

2. Wanneer naar dit artikel wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op één maand.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 11

1. Vóór 1 september na elk begrotingsjaar dient de Commissie een jaarverslag in bij het Europees Parlement en de Raad dat een overzicht bevat van de tijdens het begrotingsjaar gefinancierde activiteiten en een evaluatie van de uitvoering van deze verordening tijdens het begrotingsjaar.

Het verslag bevat met name gegevens over het aantal gefinancierde activiteiten en de aard ervan, de samenwerkingspartners en de betrokken landen. Ook het aantal externe evaluaties van specifieke maatregelen wordt vermeld.

2. De Commissie maakt regelmatig een evaluatie van de door de Gemeenschap gefinancierde activiteiten om vast te stellen of de met deze activiteiten beoogde doelstellingen verwezenlijkt zijn en om richtsnoeren te kunnen geven voor de verbetering van de doeltreffendheid van toekomstige activiteiten. In de evaluaties wordt rekening gehouden met de zienswijze van de begunstigden, met inbegrip van bosafhankelijke bevolkingsgroepen en lokale gemeenschappen. De Commissie legt het in artikel 10, lid 1, bedoelde comité samenvattingen van de evaluaties voor. De evaluatieverslagen worden ter beschikking van de lidstaten, het Europees Parlement en andere belanghebbende partijen gesteld.

3. De Commissie brengt de lidstaten uiterlijk één maand na haar besluit op de hoogte van de goedgekeurde activiteiten, met opgave van de betrokken bedragen, de aard, het betrokken land en de samenwerkingspartners.

4. Een handleiding voor financieringen, waarin de richtsnoeren en criteria voor de selectie van activiteiten zijn opgenomen, wordt gepubliceerd en aan belanghebbende partijen met inbegrip van de delegaties van de Commissie in de betrokken landen ter hand gesteld door de diensten van de Commissie.

Artikel 12

1. Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing tot en met 31 december 2006.

2. Vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een algemene evaluatie voor van de activiteiten die de Gemeenschap in het kader van de algemene ontwikkelingssamenwerking van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening heeft gefinancierd; deze evaluatie gaat vergezeld van voorstellen voor de toekomst van de verordening, met inbegrip van mogelijke wijziging of intrekking.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...

Voor het Europees Parlement

De Voorzitster

Voor de Raad

De voorzitter

(1) PB C 87 van 29.3.1999, blz. 97.

(2) PB C 285 van 10.9.1999, blz. 13.

(3) Advies van het Europees Parlement van 5 mei 1999 (PB C 279 van 1.10.1999, blz. 184), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 16 december 1999 en beschikking van het Europees Parlement van ... (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(4) PB C 55 van 24.2.1997, blz. 22.

(5) PB L 327 van 30.12.1995, blz. 9.

(6) PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1.

(7) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

MOTIVERING VAN DE RAAD

I. INLEIDING

1. Op 3 februari 1999 heeft de Commissie bij de Raad een voorstel voor een verordening ingediend op de grondslag van de artikelen 175 en 179 van het EG-Verdrag (voorheen de artikelen 130 S en 130 W), dat de doelstellingen en procedures bevat voor activiteiten onder de huidige begrotingslijn B7-6 2 0 1 "Maatregelen op het gebied van tropische bossen".

2. Het Europees Parlement heeft op 5 mei 1999 zijn advies (in eerste lezing) uitgebracht.

3. Het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's zijn om advies verzocht. Het Economisch en Sociaal Comité heeft op 7 juli 1999 advies uitgebracht. Het Comité van de Regio's heeft de Raad bij brief d.d. 25 oktober 1999 meegedeeld dat het niet voornemens is over de voorgestelde verordening een advies uit te brengen.

4. In het licht van het advies van het Europees Parlement en het standpunt van de Commissie daarover heeft de groep overeenstemming bereikt over een ontwerp van gemeenschappelijk standpunt. Daarbij is rekening gehouden met een aantal wijzigingen ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam.

5. Op 16 december 1999 heeft de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt vastgesteld in overeenstemming met artikel 251 van het EG-Verdrag.

II. DOEL VAN HET VOORSTEL

Dit voorstel strekt tot voortzetting van de activiteiten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 3062/95 van de Raad van 20 december 1995 wanneer deze verordening op 31 december 1999 verstrijkt. Het voorstel heeft de vorm van een meerjarenprogramma voor de bevordering van maatregelen op internationaal niveau teneinde bij te dragen tot het behoud en het duurzaam beheer van tropische bossen en andere bossen in ontwikkelingslanden.

III. ANALYSE VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK VOORSTEL

1. Algemene opmerkingen

1.1. De Raad heeft een groot aantal amendementen van het Europees Parlement kunnen aanvaarden (zie punt 2.3). Als de Commissie en de Raad amendementen van het Parlement geheel of gedeeltelijk niet hebben kunnen overnemen, was dat meestal toe te schrijven aan een of meerdere van de volgende redenen:

- procedurele of administratieve voorstellen die niet in overeenstemming zijn met standaardformuleringen en gebruiken in soortgelijke verordeningen, met inbegrip van het financieel reglement;

- overbodig bevonden citaten uit rechtshandelingen of beleidsdocumenten die de tekst nodeloos langer maken;

- amendementen die onduidelijk of subjectief bevonden zijn, of waarin ideeën worden herhaald die elders in de verordening of in andere, wél overgenomen amendementen tot uitdrukking zijn gebracht;

- amendementen die, indien zij aanvaard worden, de specificiteit en derhalve de efficiëntie van de uit hoofde van de verordening voorgenomen activiteiten zouden beperken;

- amendementen betreffende beheerskwesties die tot de bevoegdheid van de Commissie behoren.

1.2. In zijn gemeenschappelijk standpunt heeft de Raad de essentie en de formulering van het Commissievoorstel goedgekeurd, behoudens de in punt 2.2 aangegeven uitzonderingen (specifiek commentaar). In artikel 9, lid 2, van het ontwerp-gemeenschappelijk standpunt vond de Raad het wenselijk een nieuwe taak op te nemen voor de vergadering van de gemengde comités (conform de comitologieprocedure in artikel 10) inzake de goedkeuring van jaarlijkse strategische richtsnoeren en prioriteiten om de nadruk te leggen op het belang van een strategische aanpak.

2. Specifiek commentaar

2.1. Rechtsgrondslag

De rechtsgrondslag die de Commissie in haar voorstel naar voren had geschoven, namelijk de artikelen 175 en 179 van het EG-Verdrag (voorheen de artikelen 130 S en 130 W), wordt door de Raad in zijn gemeenschappelijk standpunt aangemerkt als de meest geschikte grondslag in het licht van de doelstelling en de inhoud van het voorstel.

2.2. Wijzigingen die de Raad heeft aangebracht in het Commissievoorstel

2.2.1. Looptijd van het programma

Wat de looptijd van de verordening betreft, heeft de Raad gekozen voor een tijdvak van zeven jaar (2000-2006), hetgeen overeenstemt met de periode waarvoor financiële vooruitzichten zijn vastgesteld. Het evaluatieverslag van de Commissie moet vier jaar na de inwerkingtreding van de verordening worden ingediend en moet suggesties bevatten voor de toekomst van de verordening.

2.2.2. Financiering

Aangezien het een zevenjarig programma betreft, is het financieel referentiebedrag vastgesteld op 63 miljoen EUR, hetgeen voortvloeit uit de kredieten in de ontwerpbegroting voor 2000 van 10 miljoen EUR per jaar. Dit bedrag is verder verlaagd met 10 % om rekening te houden met het besluit van de Raad Begroting van juli inzake de uitgaven in rubriek 4. Door dit indicatief bedrag op te nemen heeft de Raad ten dele rekening gehouden met amendement nr. 34 van het Europees Parlement.

2.2.3. Comitologie (artikel 10)

De Raad heeft de comitologieprocedure gewijzigd waardoor de bevoegdheden van het Comité worden uitgeoefend overeenkomstig de beheerscomitéprocedure, zoals vervat in Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden. De Raad is van oordeel dat die comitologieprocedure zal zorgen voor een zo groot mogelijke coördinatie met de activiteiten van de lidstaten en derhalve zal bijdragen tot de noodzakelijke complementariteit.

Daarnaast zal elk jaar een Commissiedocument over de strategische richtsnoeren en prioriteiten worden voorgelegd aan het bevoegde geografische comité, dat het document overeenkomstig de beheerscomitéprocedure zal goedkeuren.

2.3. Amendementen van het Europees Parlement

2.3.1. Amendementen van het Parlement die zijn goedgekeurd door de Raad

De Raad heeft de 18 amendementen die door de Commissie waren overgenomen, in hun geheel aanvaard, alsmede de kern van het eerste deel van amendement nr. 34 dat door het Parlement was voorgesteld.

2.3.2. Amendementen van het Parlement die niet zijn overgenomen door de Raad

Naast de amendementen die niet door de Commissie waren overgenomen kon de Raad geen andere amendementen aannemen omdat het niet mogelijk was de vereiste eenparigheid van stemmen te bereiken.

IV. CONCLUSIES

De Raad is van oordeel dat zijn gemeenschappelijk standpunt een evenwichtige tekst vormt, waardoor de activiteiten uit hoofde van Verordening (EG) nr. 3062/95 van de Raad kunnen worden voortgezet wanneer deze op 31 december 1999 verstrijkt. Er blijkt uit dat de verbintenissen van de Gemeenschap wat betreft het behoud en het beheer van tropische bossen en andere bossen in de context van duurzame ontwikkeling moeten worden nagekomen.