Bij deze richtlijn worden minimumvoorschriften met betrekking tot de bepaling van strafrechtelijke delicten en sancties vastgesteld teneinde het milieu doeltreffender te beschermen middels de preventie en bestrijding van milieudelicten, alsook met betrekking tot maatregelen ter voorkoming en bestrijding van milieucriminaliteit en ter effectieve handhaving van het milieurecht van de Unie.
Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG
Richtlijn (EU) 2024/1203 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht en tot vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 83, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),
Overwegende hetgeen volgt:
Op grond van artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zet de Unie zich in voor een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu. Het milieu, in ruime zin, moet worden beschermd, zoals volgt uit artikel 3, lid 3, VEU en artikel 191 VWEU, en die bescherming moet alle natuurlijke hulpbronnen omvatten, waaronder lucht, water, bodem, ecosystemen — met inbegrip van ecosysteemdiensten en -functies — en de wilde dieren en planten — met inbegrip van habitats —, alsook de diensten die door natuurlijke hulpbronnen worden geleverd.
Op grond van artikel 191, lid 2, VWEU streeft de Unie in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie. Dat beleid moet berusten op het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt. Aangezien milieucriminaliteit ook gevolgen heeft voor de grondrechten, is de bestrijding van milieucriminaliteit op het niveau van de Unie van cruciaal belang om te waarborgen dat die rechten worden beschermd.
De Unie blijft bezorgd over de toename van strafrechtelijke milieudelicten en de gevolgen daarvan, die de doeltreffendheid van het milieurecht van de Unie ondermijnen. Dergelijke delicten strekken zich steeds vaker uit tot over de grenzen van de lidstaten waar zij zijn gepleegd. Zij vormen een bedreiging voor het milieu en derhalve moet er op passende en doeltreffende wijze tegen worden opgetreden, hetgeen in veel gevallen doeltreffende grensoverschrijdende samenwerking vereist.
De bestaande sanctieregelingen uit hoofde van Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad(3) en uit hoofde van de sectorale milieuwetgeving van de Unie zijn niet toereikend geweest om naleving van het recht van de Unie inzake de bescherming van het milieu te bewerkstelligen. Dergelijke naleving moet worden aangescherpt door de beschikbaarheid van doeltreffende, evenredige en afschrikkende strafrechtelijke sancties die in verhouding staan tot de ernst van de delicten en die meer sociale afkeuring kunnen uitdrukken dan wanneer bestuursrechtelijke sancties gebruikt worden. Complementariteit van het strafrecht en het bestuursrecht is van cruciaal belang om wederrechtelijke gedragingen die schadelijk zijn voor het milieu te voorkomen en te ontmoedigen.
De lijst van strafrechtelijke milieudelicten in Richtlijn 2008/99/EG moet worden herzien en er moeten extra strafrechtelijke delicten op basis van de ernstigste inbreuken op het milieurecht van de Unie worden toegevoegd. Sancties moeten worden aangescherpt om het afschrikkend effect ervan te vergroten, en de doeltreffendheid van het opsporen, onderzoeken, vervolgen en berechten van strafrechtelijke milieudelicten moet worden verbeterd.
De lidstaten moeten bepaalde wederrechtelijke gedragingen strafbaar stellen, de desbetreffende strafrechtelijke delicten nauwkeuriger definiëren en de soorten en niveaus van sancties harmoniseren.
Niet-naleving van een wettelijke verplichting om handelend op te treden kan hetzelfde negatieve effect op het milieu en de menselijke gezondheid hebben als actieve gedragingen. Daarom moet de definitie van strafrechtelijke delicten in deze richtlijn, indien van toepassing, zowel het handelen als het nalaten omvatten.
De lidstaten dienen in hun nationale recht te voorzien in strafrechtelijke sancties voor ernstige inbreuken op het recht van de Unie inzake de bescherming van het milieu. In het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid voorziet het recht van de Unie in een uitgebreide reeks voorschriften voor controle en handhaving uit hoofde van Verordeningen (EG) nr. 1224/2009(4) en (EG) nr. 1005/2008(5) van de Raad in geval van ernstige inbreuken, waaronder inbreuken die schade toebrengen aan het mariene milieu. In het kader van die reeks voorschriften hebben de lidstaten de keuze tussen bestuursrechtelijke of strafrechtelijke sancties, of beide. In overeenstemming met de mededeling van de Commissie van 11 december 2019 getiteld “De Europese Green Deal” en haar mededeling van 20 mei 2020 getiteld “EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030. De natuur terug in ons leven brengen” moeten bepaalde opzettelijke wederrechtelijke gedragingen die onder Verordening (EG) nr. 1224/2009 en Verordening (EG) nr. 1005/2008 vallen als strafrechtelijke delicten worden aangemerkt.
Om krachtens deze richtlijn een strafrechtelijk milieudelict te vormen, moet een gedraging wederrechtelijk zijn. Om wederrechtelijk te zijn, moet een gedraging in strijd zijn met het Unierecht dat bijdraagt tot het nastreven van een van de doelstellingen van het milieubeleid van de Unie als vastgesteld in artikel 191, lid 1, VWEU, ongeacht de rechtsgrondslag van dat Unierecht, die bijvoorbeeld artikel 91, 114, 168 of 192 VWEU kan omvatten, of moet zij in strijd zijn met wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat, of met besluiten van een bevoegde autoriteit van een lidstaat, ter uitvoering van dat Unierecht. In deze richtlijn moet worden gespecificeerd welke wederrechtelijke gedragingen een strafrechtelijk delict kunnen vormen en moet, waar passend, een kwantitatieve of kwalitatieve drempel worden vastgesteld opdat dergelijke gedragingen een strafrechtelijk delict kunnen vormen. Dergelijke gedragingen moeten een strafrechtelijk delict vormen wanneer ze opzettelijk zijn en, in bepaalde gevallen, ook wanneer ze uit op zijn minst grove nalatigheid worden begaan. In het bijzonder moeten wederrechtelijke gedragingen die de dood van of ernstig letsel aan personen, aanzienlijke schade of een groot risico op aanzienlijke schade aan het milieu veroorzaken of anderszins als bijzonder schadelijk voor het milieu worden beschouwd, ook een strafrechtelijk delict vormen wanneer zij uit op zijn minst grove nalatigheid worden begaan. De lidstaten kunnen op het gebied van strafrecht strengere voorschriften vaststellen of handhaven.
Zelfs wanneer zij worden begaan uit hoofde van een door een bevoegde autoriteit van een lidstaat afgegeven machtiging, moeten gedragingen wederrechtelijk zijn indien die machtiging op frauduleuze wijze of door middel van corruptie, afpersing of dwang is verkregen. Het beschikken over een dergelijke machtiging mag bovendien niet beletten dat de houder ervan strafrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld wanneer de machtiging kennelijk in strijd is met relevante materiële wettelijke vereisten. “Kennelijk in strijd met relevante materiële wettelijke vereisten” moet in die zin worden uitgelegd als betrekking hebbende op een duidelijke en aanzienlijke schending van relevante materiële wettelijke vereisten, en is niet bedoeld om betrekking te hebben op schendingen van procedurele vereisten of minder belangrijke elementen van de machtiging. Dat doet de plicht om te waarborgen dat machtigingen wettig zijn, niet verschuiven van bevoegde autoriteiten naar marktdeelnemers. Indien een machtiging vereist is, sluit het feit dat de machtiging wettig is bovendien niet uit dat strafvervolging kan worden ingesteld tegen de houder van de machtiging indien die houder niet voldoet aan alle verplichtingen met betrekking tot de machtiging of aan andere relevante wettelijke verplichtingen die niet onder de machtiging vallen.
Voorts is het noodzakelijk dat marktdeelnemers de nodige stappen ondernemen om te voldoen aan de wetgeving en de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de bescherming van het milieu die van toepassing zijn wanneer zij de respectieve activiteit uitvoeren, onder meer door te voldoen aan hun verplichtingen zoals neergelegd in het toepasselijke Unie- en nationale recht, in verband met procedures voor het wijzigen of actualiseren van bestaande machtigingen. Dat moet ook betrekking hebben op verplichtingen van de houder van de machtiging om die te actualiseren en te verlengen.
Wat de in deze richtlijn gedefinieerde delicten en sancties betreft, dient de term “rechtspersonen” te worden opgevat als geen betrekking hebbende op staten of overheidslichamen in de uitoefening van het overheidsgezag of publiekrechtelijke internationale organisaties. Met deze richtlijn worden minimumvoorschriften tot stand gebracht, en de lidstaten kunnen dan ook strengere regels vaststellen, waaronder regels inzake de strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheidslichamen.
Sommige in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten omvatten een kwalitatieve drempel om te bepalen of een gedraging een strafrechtelijk delict vormt, namelijk dat de gedraging de dood van of ernstig letsel aan personen of aanzienlijke schade aan de lucht-, water- of bodemkwaliteit of aan ecosystemen, dieren of planten veroorzaakt. Om het milieu in zo veel mogelijk opzichten te beschermen, moet die kwalitatieve drempel in brede zin worden opgevat, waar relevant met inbegrip van aanzienlijke schade aan dieren en planten, habitats, aan diensten die door natuurlijke hulpbronnen en door ecosystemen worden geleverd, alsook aan ecosysteemfuncties. De term “ecosysteem” moet worden opgevat als een dynamisch geheel van gemeenschappen van planten, dieren, schimmels en micro-organismen en hun niet-levende omgeving die een functionele eenheid vormen, waaronder habitattypen, habitats van soorten en soortenpopulaties. Een ecosysteem moet ook ecosysteemdiensten omvatten, waardoor een ecosysteem direct of indirect bijdraagt aan het menselijk welzijn, en ecosysteemfuncties, die betrekking hebben op natuurlijke processen in een ecosysteem. Kleinere eenheden zoals een bijenkorf, een mierenhoop of een boomstronk kunnen deel uitmaken van een ecosysteem, maar mogen voor de toepassing van deze richtlijn niet als een ecosysteem op zich worden beschouwd.
Voor de toepassing van deze richtlijn moet de term “letsel” in brede zin worden opgevat als betrekking hebbende op elke vorm van fysieke schade aan een persoon, met inbegrip van een wijziging van een lichaamsfunctie of van de celstructuur, een tijdelijke, chronische of dodelijke ziekte, een verstoorde werking van het lichaam of enige andere verslechtering van de lichamelijke gezondheid, maar uitgezonderd de geestelijke gezondheid.
De introductie in het milieu van verschillende vormen van energie, zoals warmte, thermische energiebronnen, geluid, met inbegrip van onderwatergeluid, en andere bronnen van akoestische energie, trillingen, elektromagnetische velden, elektriciteit of licht, kan aanzienlijke schade aan de lucht-, water- of bodemkwaliteit of aanzienlijke schade aan ecosystemen, dieren of planten toebrengen, of de dood van of ernstig letsel aan personen veroorzaken. De introductie in het milieu van energie wordt gereguleerd door middel van diverse instrumenten van het milieurecht van de Unie, bijvoorbeeld op het gebied van de bescherming van water, het mariene milieu, geluidsbeperking, afvalbeheer en industriële emissies. In het licht van die instrumenten moet het wederrechtelijk introduceren van energie in het milieu een strafrechtelijk delict uit hoofde van deze richtlijn vormen indien het aanzienlijke schade veroorzaakt of dreigt te veroorzaken aan het milieu of de menselijke gezondheid.
Wanneer de in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten verband houden met gedragingen zoals het op de markt aanbieden of het in de handel brengen, het verkopen, het te koop aanbieden of het verhandelen, moet dat ook betrekking hebben op gedragingen die met behulp van informatie- en communicatietechnologieën worden begaan.
In deze richtlijn wordt het strafrechtelijk delict geïntroduceerd van het in de handel brengen, in strijd met een verbod of een ander voorschrift ter bescherming van het milieu, van een product waarvan het gebruik op een grotere schaal resulteert in het lozen, uitstoten of introduceren van een hoeveelheid materialen of stoffen, energie of ioniserende straling in lucht, bodem of water, en aanzienlijke schade aan het milieu of de menselijke gezondheid veroorzaakt of dreigt te veroorzaken. In dat verband moet een verbod of een ander voorschrift ter bescherming van het milieu er een zijn dat is opgenomen in het recht van de Unie met expliciete doelstellingen als, of gericht op, de bescherming van het milieu, met inbegrip van het behouden, beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het milieu, de bescherming van de menselijke gezondheid, het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen of de bestrijding van klimaatverandering, of de bevordering op internationaal niveau van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen. Omgekeerd geldt dat wanneer een dergelijk verbod of voorschrift is vastgesteld op andere gebieden van het Unierecht met andere doelstellingen, bijvoorbeeld de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers, de gedraging niet onder dat strafrechtelijk delict mag vallen. Voor de toepassing van deze richtlijn verwijst “gebruik op een grotere schaal” naar het gecombineerde effect van het gebruik van het product door meerdere gebruikers, ongeacht hun aantal, mits de gedraging schade aan het milieu of de menselijke gezondheid veroorzaakt of dreigt te veroorzaken.
Het wederrechtelijk inzamelen, vervoeren en verwerken van afval en het gebrek aan toezicht op dergelijke activiteiten en aan nazorg voor verwijderingslocaties, met inbegrip van de handelingen die door handelaren of makelaars worden verricht, kunnen verwoestende gevolgen hebben voor het milieu en de menselijke gezondheid. Dergelijke gevolgen kunnen worden veroorzaakt door wederrechtelijke gedragingen die betrekking hebben op schadelijke afvalstoffen van farmaceutische producten, verdovende middelen, waaronder bestanddelen voor de productie van verdovende middelen, chemische stoffen, afval dat zuren of basen bevat of afval dat toxinen bevat, zware metalen, olie, vet, elektrisch en elektronisch afval, afgedankte voertuigen en kunststofafval. De lidstaten moeten er daarom voor zorgen dat wederrechtelijk afvalbeheer een strafrechtelijk delict vormt wanneer dergelijke gedragingen betrekking hebben op gevaarlijke afvalstoffen in een niet-verwaarloosbare hoeveelheid, of betrekking hebben op andere afvalstoffen en dergelijke andere afvalstoffen aanzienlijke schade aan het milieu of de menselijke gezondheid veroorzaken of dreigen te veroorzaken.
Voor de toepassing van het bij deze richtlijn ingevoerde strafrechtelijk delict met betrekking tot de recycling van schepen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6) moet worden opgemerkt dat krachtens het Unierecht momenteel de in die verordening vastgestelde verplichtingen alleen van toepassing zijn op scheepseigenaren zoals gedefinieerd in die verordening.
Wat betreft de beoordeling of de hoeveelheid van met ontbossing of bosdegradatie verband houdende relevante producten of relevante grondstoffen, zoals bedoeld in Verordening (EU) 2023/1115 van het Europees Parlement en de Raad(7), verwaarloosbaar is, kunnen de lidstaten bijvoorbeeld rekening houden met de hoeveelheid van de relevante grondstof of het relevante product uitgedrukt in nettomassa of, indien van toepassing, in volume of in aantal eenheden, of met de vraag of de omvang van de activiteit in kwestie verwaarloosbaar is wat de hoeveelheid betreft. Voor een dergelijke beoordeling kunnen de lidstaten indien relevant ook rekening houden met andere elementen die in deze richtlijn zijn opgenomen voor bepaalde strafrechtelijke delicten, waaronder de staat van instandhouding van de betrokken soort of de kosten van het herstel van het milieu.
De in deze richtlijn opgenomen strafrechtelijke delicten die verband houden met opzettelijke gedragingen kunnen rampzalige gevolgen hebben, zoals wijdverspreide verontreiniging, industriële ongevallen met ernstige effecten op het milieu of grootschalige bosbranden. Wanneer zij de vernietiging veroorzaken van, of wijdverspreide en aanzienlijke schade die onomkeerbaar of langdurig is toebrengen aan, een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde of een beschermde habitat dan wel wijdverspreide en aanzienlijke schade die onomkeerbaar of langdurig is toebrengen aan de kwaliteit van lucht, bodem of water, moeten dergelijke delicten, die zulke rampzalige gevolgen hebben, gekwalificeerde strafrechtelijke delicten vormen en bijgevolg worden bestraft met zwaardere sancties dan die welke van toepassing zijn in het geval van andere in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten. Die gekwalificeerde strafrechtelijke delicten kunnen gedragingen omvatten die vergelijkbaar zijn met “ecocide”, een begrip dat reeds is opgenomen in het recht van bepaalde lidstaten en het voorwerp is van besprekingen in internationale fora.
Wanneer een gedraging uit hoofde van deze richtlijn enkel een strafrechtelijk delict vormt indien zij betrekking heeft op een niet-verwaarloosbare hoeveelheid, dat wil zeggen wanneer een wettelijke drempel, waarde of andere voorgeschreven parameter wordt overschreden, moet bij de beoordeling of die drempel, waarde of andere parameter is overschreden onder andere rekening worden gehouden met de gevaarlijkheid en toxiciteit van het materiaal of de stof, omdat hoe gevaarlijker of giftiger het materiaal of de stof is, des te sneller die drempel, waarde of andere parameter wordt bereikt en in het geval van bijzonder gevaarlijke en toxische stoffen of materialen zelfs een zeer kleine hoeveelheid aanzienlijke schade kan toebrengen aan het milieu of de menselijke gezondheid.
De versnelling van de klimaatverandering, het verlies aan biodiversiteit en de aantasting van het milieu, gekoppeld aan tastbare voorbeelden van de verwoestende gevolgen daarvan, hebben geleid tot de erkenning van de groene transitie als de bepalende doelstelling van onze tijd en een kwestie van intergenerationele billijkheid. Wanneer in deze richtlijn voor het definiëren van strafrechtelijke delicten termen worden gebruikt die in het milieurecht van de Unie worden gebruikt om wederrechtelijke gedragingen te beschrijven, moeten die termen worden opgevat in de zin van de overeenkomstige definities zoals vastgesteld in de relevante rechtshandelingen van de Unie die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Deze richtlijn moet ook van toepassing zijn op alle handelingen van de Unie tot wijziging van bepalingen of vereisten die relevant zijn voor het beschrijven van wederrechtelijke gedragingen die binnen het toepassingsgebied van de in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten vallen. Het zou passend zijn om bij het opstellen van dergelijke wijzigingshandelingen van de Unie een verwijzing naar deze richtlijn op te nemen. Indien echter nieuwe soorten wederrechtelijke gedragingen worden geïntroduceerd die nog niet binnen het toepassingsgebied van de in deze richtlijn gedefinieerde delicten vallen, moet deze richtlijn worden gewijzigd om die nieuwe soorten wederrechtelijke gedragingen in het toepassingsgebied ervan op te nemen.
Onverminderd dat dynamische karakter van deze richtlijn, moet de Commissie op gezette tijden en indien nodig nagaan of het nodig is in deze richtlijn de beschrijving te wijzigen van gedragingen die een strafrechtelijk delict kunnen vormen uit hoofde van deze richtlijn. De Commissie moet ook nagaan of het nodig is om andere strafrechtelijke delicten te definiëren wanneer nieuwe soorten wederrechtelijke gedragingen die nog niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen in het milieurecht van de Unie worden opgenomen.
Deze richtlijn moet een niet-uitputtende lijst opstellen van elementen waarmee waar relevant rekening moet worden gehouden door de bevoegde autoriteiten bij de beoordeling of de kwalitatieve en kwantitatieve drempels die worden gebruikt om strafrechtelijke milieudelicten te definiëren, zijn bereikt. Het opstellen van een dergelijke lijst moet de coherente toepassing van deze richtlijn en een doeltreffender bestrijding van milieucriminaliteit vergemakkelijken en rechtszekerheid bieden. Dergelijke beoordelingselementen of de toepassing ervan mogen echter de opsporing, het onderzoek, de vervolging of de berechting van strafrechtelijke delicten niet buitensporig bemoeilijken.
Wanneer deze richtlijn bepaalt dat een wederrechtelijke gedraging enkel een strafrechtelijk delict vormt wanneer ze opzettelijk wordt begaan en de dood van een persoon veroorzaakt, moet het begrip “opzet” worden uitgelegd in overeenstemming met het nationale recht, rekening houdend met de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het “Hof van Justitie”). Voor de toepassing van deze richtlijn kan het begrip “opzet” derhalve worden opgevat als het opzet om de dood van een persoon te veroorzaken, maar kan het ook een situatie omvatten waarin de dader, zonder de dood van een persoon te willen veroorzaken, niettemin de waarschijnlijkheid aanvaardt de dood van een persoon te zullen veroorzaken, en vrijwillig en in strijd met een bepaalde verplichting handelt of nalaat te handelen en daardoor de dood van een persoon veroorzaakt. Dezelfde interpretatie als met betrekking tot het begrip “opzet” moet worden toegepast wanneer in deze richtlijn omschreven wederrechtelijke gedragingen, die opzettelijk worden begaan, ernstig letsel aan een persoon veroorzaken of de vernietiging veroorzaken van of wijdverspreide en aanzienlijke schade die onomkeerbaar of langdurig is toebrengen aan een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde of aan een beschermde habitat, of wijdverspreide en aanzienlijke schade die onomkeerbaar of langdurig is toebrengen aan de kwaliteit van lucht, bodem of water.
Wat de in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten betreft, moet het begrip “grove nalatigheid” worden uitgelegd in overeenstemming met het nationale recht, rekening houdend met de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie. De invoering in het nationale recht van het begrip “grove nalatigheid” is krachtens deze richtlijn niet verplicht voor elk constitutief bestanddeel van het strafrechtelijk delict, zoals het bezitten, het verkopen of het te koop aanbieden, het in de handel brengen en soortgelijke bestanddelen. In die gevallen hebben de lidstaten de mogelijkheid om te besluiten dat het begrip “grove nalatigheid” betrekking heeft op elementen van het strafrechtelijk delict zoals de beschermingsstatus, een “verwaarloosbare hoeveelheid” of de “waarschijnlijkheid” dat de gedraging aanzienlijke schade zal veroorzaken.
In strafrechtelijke procedures en rechtszaken moet terdege rekening worden gehouden met de betrokkenheid van georganiseerde criminele groepen die opereren op een wijze die negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Strafvervolging voor milieudelicten moet betrekking hebben op corruptie, het witwassen van geld, cybercriminaliteit en documentfraude, en met betrekking tot bedrijfsactiviteiten het opzet van de dader om zijn winst te maximaliseren of kosten te besparen. Dergelijke vormen van criminaliteit hangen vaak samen met ernstige vormen van milieucriminaliteit en mogen derhalve niet afzonderlijk worden behandeld. Zij lenen zich er ook bijzonder goed toe om aanzienlijke schade toe te brengen aan het milieu en de menselijke gezondheid, met inbegrip van verwoestende gevolgen voor de natuur en lokale gemeenschappen. Bovendien is het bijzonder zorgwekkend dat sommige strafrechtelijke milieudelicten worden gepleegd met de gedoogsteun of actieve steun van de bevoegde overheidsdiensten of ambtenaren die hun openbare taak vervullen. In bepaalde gevallen kan dat zelfs de vorm aannemen van corruptie. Voorbeelden van dergelijke gedragingen zijn het door de vingers zien of verzwijgen van de inbreuk op het milieurecht na inspecties, het opzettelijk achterwege laten van inspecties of controles om bijvoorbeeld na te gaan of de voorwaarden van een vergunning door de vergunninghouder worden nageleefd, het steunen van voorstellen of stemmingen ten gunste van het verlenen van illegale vergunningen, of het uitbrengen van vervalste of onjuiste gunstige verslagen.
Ook uitlokking van en medeplichtigheid aan strafrechtelijke delicten moeten strafbaar worden gesteld. Een poging om een strafrechtelijk delict te plegen dat de dood van of ernstig letsel aan een persoon veroorzaakt of dreigt te veroorzaken of aanzienlijke schade aan het milieu veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, of dat anderszins bijzonder schadelijk wordt geacht, moet ook een strafrechtelijk delict vormen wanneer dat opzettelijk gebeurt. Het begrip “poging” wordt uitgelegd in overeenstemming met het nationale recht. Wat het in deze richtlijn gedefinieerd strafrechtelijk delict betreft met betrekking tot de uitvoering van een project zonder vergunning, moet “de uitvoering van een project” in die zin worden opgevat dat het reeds het begin van de uitvoering van een dergelijk project omvat, bijvoorbeeld werkzaamheden om een terrein bouwklaar te maken of andere werkzaamheden met gevolgen voor het milieu, en derhalve wordt dat delict in deze richtlijn niet genoemd bij de strafrechtelijke delicten waarvoor een poging tot het plegen ervan strafbaar moet worden gesteld als een strafrechtelijk delict.
De sancties voor de in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten moeten doeltreffend, afschrikkend en evenredig zijn. Daartoe moeten voor natuurlijke personen minimumniveaus voor de maximale gevangenisstraf worden vastgesteld. De in deze richtlijn vastgelegde maximale gevangenisstraf voor door natuurlijke personen gepleegde strafrechtelijke delicten moet ten minste worden toegepast op de ernstigste vormen van die delicten. Het strafrecht van alle lidstaten bevat bepalingen inzake doodslag, waarbij het onderscheid wordt gemaakt tussen opzettelijke doodslag en doodslag door grove nalatigheid. Bij de omzetting van de bepalingen van deze richtlijn die betrekking hebben op strafrechtelijke delicten die de dood van een persoon veroorzaken, hetzij opzettelijk hetzij door grove nalatigheid, moeten de lidstaten een beroep kunnen doen op die algemene bepalingen, met inbegrip van bepalingen inzake verzwarende omstandigheden.
Vaak worden bijkomende sancties of maatregelen doeltreffender geacht dan financiële sancties, vooral voor rechtspersonen. Daarom moet het mogelijk zijn bijkomende sancties of maatregelen in de relevante procedures op te leggen. Daarbij kan het onder meer gaan om de verplichting tot herstel van het milieu, de uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, met inbegrip van aanbestedingsprocedures, subsidies en concessies, en de intrekking van vergunningen en machtigingen. Dat doet geen afbreuk aan de discretionaire bevoegdheid van rechters of rechtbanken om in strafzaken in individuele gevallen passende sancties op te leggen.
Onverminderd de vereisten van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad(8) kunnen bijkomende sancties of maatregelen onder meer een vereiste inhouden om het milieu te herstellen wanneer de schade omkeerbaar is en een vereiste om een schadevergoeding te betalen wanneer de schade onomkeerbaar is of de dader niet in staat is een dergelijk herstel uit te voeren.
In zoverre een gedraging die een strafrechtelijk milieudelict, zoals gedefinieerd in deze richtlijn, vormt, kan worden toegeschreven aan rechtspersonen, moeten die rechtspersonen aansprakelijk gesteld worden voor een dergelijk delict. Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn moeten de lidstaten waarvan het nationale recht voorziet in de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen ervoor zorgen dat in hun recht wordt voorzien in doeltreffende, afschrikkende en evenredige soorten en niveaus van strafrechtelijke sancties zoals vastgesteld in deze richtlijn. Met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn moeten de lidstaten waarvan het nationale recht niet voorziet in de strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen ervoor zorgen dat in hun recht wordt voorzien in doeltreffende, afschrikkende en evenredige soorten en niveaus van niet-strafrechtelijke sancties zoals vastgesteld in deze richtlijn. De in deze richtlijn vastgelegde maximale geldboeten voor de daarin gedefinieerde strafrechtelijke delicten moeten ten minste worden toegepast op de ernstigste vormen van die delicten. Er moet rekening worden gehouden met de ernst van de gedraging en met de individuele, financiële en andere omstandigheden van de betrokken rechtspersonen om ervoor te zorgen dat de opgelegde sanctie doeltreffend, afschrikkend en evenredig is. De lidstaten moeten de maximale geldboetes kunnen vaststellen, ofwel als een percentage van de totale wereldwijde omzet van de betrokken rechtspersoon, ofwel als vaste bedragen. Bij de omzetting van deze richtlijn moeten de lidstaten beslissen welke van die twee opties zij zullen gebruiken.
Indien de lidstaten bij het bepalen van de aan rechtspersonen op te leggen geldboeten ervoor kiezen het criterium van de totale wereldwijde omzet van een rechtspersoon te gebruiken, moeten zij beslissen of zij die omzet berekenen op basis van het boekjaar voorafgaand aan het boekjaar waarin het strafrechtelijk delict is gepleegd, of van het boekjaar voorafgaand aan dat waarin het besluit tot oplegging van de geldboete is genomen. Voorts moeten de lidstaten overwegen om regels vast te stellen voor gevallen waarin het niet mogelijk is het bedrag van een geldboete te bepalen op basis van de totale wereldwijde omzet van de rechtspersoon in het boekjaar voorafgaand aan het jaar waarin het strafrechtelijk delict is gepleegd, of in het boekjaar voorafgaand aan dat waarin het besluit tot oplegging van de geldboete is genomen. In zulke gevallen moeten de lidstaten rekening kunnen houden met andere criteria, zoals de totale wereldwijde omzet in een ander boekjaar. Indien die regels inhouden dat er vaste bedragen voor geldboeten worden vastgesteld, hoeven de maximale bedragen daarvan niet noodzakelijk hetzelfde niveau te bereiken als de bedragen die bij deze richtlijn zijn vastgesteld als minimumvereiste voor de maximale geldboeten die als vaste bedragen worden vastgesteld.
Indien de lidstaten kiezen voor maximale geldboeten die als vaste bedragen worden vastgesteld, moeten die bedragen in het nationaal recht worden vastgelegd. De hoogste bedragen van die geldboeten moeten worden toegepast op de ernstigste vormen van in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten die door financieel sterke rechtspersonen zijn gepleegd. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben de methode voor de berekening van die hoogste bedragen van geldboeten vast te stellen, met inbegrip van specifieke voorwaarden daarvoor. De lidstaten worden uitgenodigd de als vaste bedragen vastgestelde geldboeten op gezette tijden te evalueren met inachtneming van de inflatiepercentages en andere schommelingen van de monetaire waarde, in overeenstemming met de in hun nationale recht vastgelegde procedures. De lidstaten die niet de euro als munteenheid hebben, moeten in hun eigen munteenheid maximale geldboeten vaststellen waarvan de hoogte overeenkomt met die van de in deze richtlijn vastgelegde bedragen in euro op de datum van haar inwerkingtreding. Die lidstaten wordt verzocht de bedragen van die geldboeten ook op gezette tijden te evalueren in het licht van de ontwikkeling van de wisselkoers.
De vaststelling van de maximale geldboeten doet geen afbreuk aan de discretionaire bevoegdheid van rechters of rechtbanken om in strafzaken in individuele gevallen passende sancties op te leggen. Aangezien in deze richtlijn geen minimale geldboeten worden vastgelegd, moeten de rechters of rechtbanken in elk geval passende sancties opleggen die zijn afgestemd op de individuele, financiële en andere omstandigheden van de betrokken rechtspersoon en de ernst van de gedraging.
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties of maatregelen die van toepassing zijn op rechtspersonen die aansprakelijk worden gesteld voor gekwalificeerde strafrechtelijke delicten zoals gedefinieerd in deze richtlijn, strenger zijn dan die welke van toepassing zijn in het geval van andere in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten. Daartoe moeten de lidstaten, in overeenstemming met hun nationale recht, voorzien in een hoger niveau van strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke geldboeten dan de maximale geldboeten die zijn vastgesteld in deze richtlijn of anderszins voorzien in strengere sancties of maatregelen, met inbegrip van strafrechtelijke of niet-strafrechtelijke sancties of maatregelen of een combinatie daarvan.
Het feit dat rechtspersonen uit hoofde van deze richtlijn aansprakelijk worden gesteld, mag niet beletten dat strafvervolging wordt ingesteld tegen natuurlijke personen die in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten plegen, uitlokken of daaraan medeplichtig zijn. Indien aan de voorwaarden voor strafrechtelijke aansprakelijkheid is voldaan, moeten die natuurlijke personen worden geacht ook leden van de raad van bestuur van een onderneming te omvatten.
Het is noodzakelijk dat de lidstaten overwegen sancties of maatregelen in te voeren die een alternatief bieden voor een gevangenisstraf met als doel bij te dragen tot het herstel van het milieu.
De opgelegde sanctieniveaus moeten verder op elkaar worden afgestemd en de doeltreffendheid ervan moet worden bevorderd door de invoering van gemeenschappelijke verzwarende omstandigheden die de ernst van het gepleegde strafrechtelijk delict weerspiegelen. Het begrip “verzwarende omstandigheden” moet ofwel worden opgevat als feiten die de rechter in staat stellen strengere straffen uit te spreken voor hetzelfde strafrechtelijk delict dan de straf die gewoonlijk zonder die feiten wordt opgelegd, ofwel als de mogelijkheid om meerdere strafrechtelijke delicten cumulatief in aanmerking te nemen om de strafmaat te verhogen. Indien in het nationale recht al is bepaald dat de betrokken delicten strafbaar zijn als afzonderlijke strafrechtelijke delicten die tot strengere sancties kunnen leiden, hoeven de lidstaten niet te voorzien in specifieke verzwarende omstandigheden.
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat ten minste in één van de verzwarende en verzachtende omstandigheden waarin is voorzien in deze richtlijn wordt voorzien als een mogelijke verzwarende of verzachtende omstandigheid in overeenstemming met de toepasselijke regels van hun rechtsstelsel. In elk geval moet het aan de rechter of de rechtbank blijven om te bepalen of de straf moet worden verhoogd of verlaagd, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van elk individueel geval.
Deze richtlijn dient van toepassing te zijn onverminderd de algemene regels en beginselen van het nationale strafrecht inzake de veroordeling of de tenuitvoerlegging van straffen in overeenstemming met de specifieke omstandigheden van elk individueel geval. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben de meest geschikte soorten bijkomende sancties of maatregelen te bepalen. Met name wanneer het nationale recht voorziet in de mogelijkheid om een verplichting op te leggen om het milieu binnen een bepaalde termijn te herstellen, op voorwaarde dat de schade omkeerbaar is, is het op grond van deze richtlijn niet vereist dat een rechter of rechtbank ook verantwoordelijk is voor het toezicht op de uitvoering van die verplichting. Op vergelijkbare wijze moeten de lidstaten, indien de intrekking van vergunningen en machtigingen voor de uitoefening van activiteiten die hebben geleid tot het desbetreffende strafrechtelijk delict kan worden opgelegd als sanctie uit hoofde van het nationale recht, ervoor zorgen dat rechters of rechtbanken in staat zijn die sanctie zelf op te leggen, dan wel dat een andere bevoegde autoriteit in kennis wordt gesteld en kan handelen in overeenstemming met de nationale procedurele voorschriften.
Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de civielrechtelijke aansprakelijkheid uit hoofde van het nationale recht of de verplichting tot vergoeding, in overeenstemming met het Unierecht of het nationale recht, van schade die is veroorzaakt als gevolg van een bepaald strafrechtelijk delict als gedefinieerd in deze richtlijn.
De bekendmaking van de in rechterlijke beslissingen opgenomen persoonsgegevens van veroordeelde personen mag alleen mogelijk zijn in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke gevallen, na een beoordeling per geval, waarbij het algemeen belang wordt afgewogen tegen het recht op de eerbiediging van het privéleven en op bescherming van de persoonsgegevens van de veroordeelde persoon als bedoeld in respectievelijk de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het “Handvest”). De bekendmaking van die persoonsgegevens mag daarom alleen mogelijk zijn in geval van ernstige strafrechtelijke delicten en wanneer er sterke afschrikkende effecten nodig zijn. Bij de beoordeling per geval kan rekening worden gehouden met elementen zoals de ernst van de aan het milieu toegebrachte schade, de door natuurlijke personen geleden schade of beide, en met de vraag of het strafrechtelijk delict herhaaldelijk is gepleegd in dezelfde milieusector en of het delict is gepleegd door of ten behoeve van een grote onderneming die actief is in verschillende lidstaten of door een belangrijke marktdeelnemer in een specifieke milieusector. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn moet stroken met de toepasselijke Unie- en nationale wetgeving inzake gegevensbescherming, met name Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(9) en Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad(10). Die wetgeving inzake gegevensbescherming omvat een verplichting voor de lidstaten om te voorzien in passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van betrokkenen bij de volledige of gedeeltelijke bekendmaking van de rechterlijke beslissing die betrekking heeft op het gepleegde strafrechtelijk delict en van de opgelegde sancties of maatregelen. Bovendien moet de bekendmaking van het besluit tot oplegging van de sancties of maatregelen aan een rechtspersoon plaatsvinden onverminderd de nationale regels inzake de anonimisering van rechterlijke beslissingen of de duur van de bekendmaking.
De in deze richtlijn vervatte verplichting om te voorzien in strafrechtelijke sancties mag de lidstaten niet ontslaan van de verplichting om in hun nationale recht te voorzien in bestuursrechtelijke sancties en andere maatregelen voor inbreuken op het milieurecht van de Unie.
De lidstaten moeten het toepassingsgebied van de bestuursrechtelijke en strafrechtelijke rechtshandhaving met betrekking tot milieudelicten duidelijk afbakenen in overeenstemming met hun nationale recht. Bij de toepassing van het nationale recht tot omzetting van deze richtlijn moeten de lidstaten waarborgen dat het opleggen van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke sancties in overeenstemming is met de beginselen van het Handvest, met inbegrip van het verbod op procedures waarbij het ne bis in idem-beginsel niet wordt geëerbiedigd.
Voorts moeten de justitiële en bestuurlijke autoriteiten in de lidstaten beschikken over een scala van strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke sancties en andere maatregelen, met inbegrip van preventieve maatregelen, om verschillende soorten criminele gedragingen op een passende, tijdige, evenredige en doeltreffende wijze aan te pakken.
Wanneer strafrechtelijke delicten van aanhoudende aard zijn, moeten zij zo spoedig mogelijk worden beëindigd. De lidstaten worden ertoe aangespoord de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de onmiddellijke stopzetting van de wederrechtelijke gedragingen te gelasten of die gedragingen te voorkomen.
Indien daders financiële winst hebben gemaakt, moet die winst worden geconfisqueerd. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat bevroren en geconfisqueerde opbrengsten en hulpmiddelen op passende wijze worden beheerd, in overeenstemming met de aard ervan. De lidstaten moeten overwegen maatregelen te nemen die het mogelijk maken geconfisqueerde bezittingen waar mogelijk te gebruiken om het herstel van het milieu of het herstel van veroorzaakte schade te financieren, of om de milieuschade te vergoeden, in overeenstemming met het nationale recht.
De lidstaten dienen voorschriften vast te stellen betreffende de verjaringstermijnen die nodig zijn om milieucriminaliteit doeltreffend te kunnen bestrijden, onverminderd nationale voorschriften waarin geen verjaringstermijnen voor onderzoek, vervolging en handhaving zijn vastgesteld. In de regel gaat een verjaringstermijn in vanaf het tijdstip waarop het strafrechtelijk delict werd gepleegd. Aangezien met deze richtlijn echter minimumvoorschriften worden vastgesteld, kunnen de lidstaten bepalen dat de verjaringstermijn later aanvangt, namelijk vanaf het tijdstip waarop het strafrechtelijk delict werd opgespoord, mits dat tijdstip van opsporing duidelijk wordt vastgesteld in overeenstemming met het nationale recht. Het is de lidstaten uit hoofde van deze richtlijn toegestaan kortere verjaringstermijnen vast te stellen dan die waarin is voorzien in deze richtlijn, mits hun rechtsstelsel voorziet in de mogelijkheid om die kortere verjaringstermijnen te stuiten of te schorsen in geval van handelingen die in overeenstemming met het nationale recht kunnen worden gespecificeerd.
Met name gelet op de mobiliteit van daders, samen met het grensoverschrijdende karakter van in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten en de mogelijkheid om grensoverschrijdend onderzoek te voeren, moeten de lidstaten rechtsmacht vestigen om dergelijke delicten doeltreffend te bestrijden. De lidstaten moeten samenwerken met Eurojust, met name op grond van Verordening (EU) 2018/1727 van het Europees Parlement en de Raad(11), in gevallen waarin jurisdictiegeschillen zouden kunnen ontstaan. Een lidstaat moet rechtsmacht vestigen met betrekking tot strafrechtelijke delicten die zijn gepleegd aan boord van een vaartuig of vliegtuig dat in die lidstaat is geregistreerd of er de vlag van voert, en die lidstaat moet daarbij rekening houden met de bijhorende normen uit hoofde van relevante internationale verdragen. Deze richtlijn mag voor de lidstaten geen verplichting inhouden om voor het eerst nieuwe rechtsmacht te vestigen met betrekking tot strafrechtelijke delicten die door hun aard niet aan boord van een vaartuig of vliegtuig kunnen worden gepleegd.
De lidstaten moeten rechtsmacht vestigen met betrekking tot in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten indien de schade, die een constitutief bestanddeel vormt van het strafrechtelijk delict, zich op hun grondgebied heeft voorgedaan. In overeenstemming met het nationale recht en het territorialiteitsbeginsel kan een lidstaat rechtsmacht vestigen met betrekking tot strafrechtelijke delicten die geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied zijn gepleegd.
Met het oog op een succesvolle handhaving van het milieustrafrecht moeten de lidstaten doeltreffende onderzoeksmiddelen voor strafrechtelijke milieudelicten ter beschikking stellen van de bevoegde autoriteiten, zoals die welke op grond van hun nationale recht beschikbaar zijn voor de bestrijding van georganiseerde criminaliteit of andere ernstige strafrechtelijke delicten, indien en in de mate dat het gebruik van die middelen passend en evenredig is ten opzichte van de aard en de ernst van de strafrechtelijke delicten zoals bepaald in het nationale recht. Die middelen kunnen bestaan uit het onderscheppen van communicatie, het schaduwen van personen, met inbegrip van elektronisch toezicht, gecontroleerde aflevering, het controleren van bankrekeningen en andere middelen voor financieel onderzoek. Die middelen moeten worden gebruikt in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel en met volledige inachtneming van het Handvest. Het is absoluut noodzakelijk dat het recht op de bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd.
Strafrechtelijke milieudelicten schaden de natuur en de samenleving. Personen die inbreuken op het milieurecht van de Unie melden, vervullen een dienst van openbaar belang en spelen een sleutelrol bij het aan het licht brengen en voorkomen van dergelijke inbreuken, en aldus bij het waarborgen van het milieu en het welzijn van de samenleving. Personen die in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten contact hebben met een organisatie zijn vaak de eersten die op de hoogte zijn van bedreigingen van of schade aan het openbaar belang en het milieu. Personen die onregelmatigheden melden, staan bekend als “klokkenluiders”. Potentiële klokkenluiders worden vaak ontmoedigd om hun zorgen of vermoedens te melden uit angst voor represailles. Die melders komen in aanmerking voor een evenwichtige en doeltreffende klokkenluidersbescherming uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/1937 van het Europees Parlement en de Raad(12), waarvan het toepassingsgebied ook Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG(13) van het Europees Parlement en de Raad omvat. Na de vervanging van de Richtlijnen 2008/99/EG en 2009/123/EG door deze richtlijn moeten personen die inbreuken op het milieurecht van de Unie melden, die bescherming uit hoofde van deze richtlijn blijven genieten van de lidstaten die erdoor gebonden zijn.
Ook andere personen dan die welke uit hoofde van Richtlijn (EU) 2019/1937 inbreuken op het Unierecht melden, zouden waardevolle informatie kunnen bezitten over mogelijke strafrechtelijke milieudelicten. Het zou daarbij kunnen gaan om leden van de getroffen gemeenschap of leden van de samenleving in het algemeen die een actieve rol spelen bij de bescherming van het milieu. Personen die strafrechtelijke milieudelicten melden en personen die meewerken aan de handhaving van dergelijke delicten moeten in het kader van strafrechtelijke procedures de nodige steun en bijstand krijgen, zodat zij niet worden benadeeld als gevolg van hun medewerking, maar worden gesteund en bijgestaan. Die personen moeten kunnen beschikken over de nodige ondersteunings- en bijstandsmaatregelen in overeenstemming met hun procedurele rechten in het kader van het nationale recht, en die maatregelen moeten ten minste alle ondersteunings- en bijstandsmaatregelen omvatten die beschikbaar zijn voor personen die overeenkomstige procedurele rechten hebben in strafrechtelijke procedures betreffende andere strafrechtelijke delicten. Die personen moeten, in overeenstemming met hun procedurele rechten in het nationale recht, ook worden beschermd tegen vervolging wegens het melden van strafrechtelijke milieudelicten of wegens hun medewerking aan de strafrechtelijke procedure. In deze richtlijn is niet vastgesteld wat de nodige ondersteunings- en bijstandsmaatregelen moeten inhouden; dat moet worden bepaald door de lidstaten. Van de lidstaten wordt niet geëist dat zij de ondersteunings- en bijstandsmaatregelen beschikbaar stellen aan personen die verdachte of beklaagde zijn in het kader van de strafrechtelijke procedure in kwestie.
De lidstaten moeten beoordelen of het nodig is personen in staat te stellen strafrechtelijke milieudelicten anoniem te melden, indien die mogelijkheid nog niet bestaat.
Aangezien de natuur zichzelf in strafrechtelijke procedures niet als slachtoffer kan vertegenwoordigen, moeten leden van het betrokken publiek de mogelijkheid hebben om op te treden namens het milieu als een collectief goed, in overeenstemming met het nationale recht en met inachtneming van de relevante procedurele voorschriften.
Deze richtlijn verplicht de lidstaten er niet toe nieuwe procedurele rechten in te voeren voor de leden van het betrokken publiek. Indien dergelijke procedurele rechten voor leden van het betrokken publiek in een lidstaat bestaan in vergelijkbare situaties met betrekking tot andere strafrechtelijke delicten dan die waarin op grond van deze richtlijn wordt voorzien, zoals het recht om zich burgerlijke partij te stellen in een procedure, moeten die procedurele rechten ook worden toegekend aan de leden van het betrokken publiek in procedures met betrekking tot de in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke milieudelicten. De rechten van de leden van het betrokken publiek doen geen afbreuk aan de rechten van slachtoffers als opgenomen in Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad(14). Het begrip “leden van het betrokken publiek” en het begrip “slachtoffers” moeten twee afzonderlijke concepten blijven, en de lidstaten mogen er niet toe worden verplicht de rechten van slachtoffers toe te passen op leden van het betrokken publiek. Deze richtlijn houdt voor de lidstaten geen verplichting in om de leden van het betrokken publiek de procedurele rechten in strafrechtelijke procedures toe te kennen die zij toekennen aan andere categorieën van personen dan leden van het betrokken publiek.
De lidstaten moeten passende maatregelen nemen, onder meer in de vorm van voorlichtings- en bewustmakingscampagnes die gericht zijn op relevante belanghebbenden in de publieke en private sector, alsook onderzoeks- en onderwijsprogramma’s, teneinde het totale aantal strafrechtelijke milieudelicten terug te dringen en het risico op milieucriminaliteit te verkleinen. Waar passend moeten de lidstaten samenwerken met die belanghebbenden. In dat verband kunnen maatregelen ter verbetering van de preventie van strafrechtelijke milieudelicten onder meer bestaan uit het bevorderen van nalevings- en zorgvuldigheidsregelingen, het aanmoedigen van marktdeelnemers om nalevingsfunctionarissen aan te wijzen om de naleving van het milieurecht van de Unie te helpen waarborgen, en het bevorderen van transparantie om de naleving van het milieustrafrecht te versterken. Bovendien zouden bijkomende straffen die uit hoofde van deze richtlijn aan rechtspersonen worden opgelegd een verplichting voor ondernemingen kunnen inhouden om zorgvuldigheidsregelingen in te voeren om de naleving van milieunormen te verbeteren, waarmee ook wordt bijgedragen tot het voorkomen van verdere strafrechtelijke milieudelicten. Bovendien kunnen de lidstaten overwegen een fonds op te richten ter ondersteuning van preventiemaatregelen met betrekking tot strafrechtelijke milieudelicten en de verwoestende gevolgen daarvan.
Het gebrek aan middelen en handhavingsbevoegdheden voor de nationale autoriteiten die strafrechtelijke milieudelicten opsporen, onderzoeken, vervolgen of berechten, vormt een belemmering voor de doeltreffende preventie en bestraffing van die delicten. Het gebrek aan middelen kan er met name toe leiden dat de autoriteiten niet optreden of hun handhavingsacties beperken, waardoor de daders aan hun aansprakelijkheid kunnen ontsnappen of een straf krijgen die niet in verhouding staat tot de ernst van het strafrechtelijk delict. Daarom moeten er minimumcriteria inzake middelen en handhavingsbevoegdheden worden vastgesteld.
De effectieve werking van de handhavingsketen hangt af van een reeks gespecialiseerde vaardigheden. Aangezien de complexiteit van de uitdagingen die strafrechtelijke milieudelicten met zich meebrengen en de technische aard van dergelijke delicten een multidisciplinaire aanpak vereisen, zijn een hoog niveau van juridische kennis en technische deskundigheid, financiële steun, alsook een hoog niveau van opleiding en specialisatie bij alle betrokken bevoegde autoriteiten noodzakelijk. De lidstaten moeten zorgen voor opleidingen die zijn afgestemd op de functies van degenen die belast zijn met het opsporen, onderzoeken, vervolgen of berechten van milieucriminaliteit. Waar passend moeten de lidstaten, rekening houdend met hun constitutionele tradities en de structuur van hun rechtsstelsel, alsook met andere omstandigheden, waaronder de omvang van de lidstaat in kwestie, beoordelen of het nodig is het specialisatieniveau van die autoriteiten op het gebied van strafrechtelijke milieudelicten te verhogen, in overeenstemming met het nationale recht. Wanneer de lidstaat in kwestie klein is en slechts een beperkt aantal bevoegde autoriteiten heeft, kan uit de beoordeling worden geconcludeerd dat specialisatie gezien dat beperkte aantal niet mogelijk of raadzaam is. Met name om het professionalisme en de doeltreffendheid van de handhavingsketen te maximaliseren, moeten de lidstaten ook overwegen om gespecialiseerde onderzoekseenheden, officieren van justitie en rechters aan te wijzen voor de behandeling van milieustrafzaken. De algemene strafrechtbanken zouden kunnen voorzien in gespecialiseerde kamers. Technische deskundigheid moet ter beschikking worden gesteld van alle betrokken handhavingsinstanties.
Om te zorgen voor een doeltreffend, geïntegreerd en samenhangend handhavingssysteem dat bestuursrechtelijke, civielrechtelijke en strafrechtelijke maatregelen omvat, moeten de lidstaten interne samenwerking en communicatie organiseren tussen al hun bij bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving betrokken bevoegde autoriteiten, met inbegrip van alle autoriteiten die preventieve, bestraffende en corrigerende functies uitoefenen.
In overeenstemming met de toepasselijke voorschriften moeten de lidstaten ook met elkaar samenwerken via agentschappen van de Unie, met name Eurojust en Europol, en met instanties van de Unie, waaronder het Europees Openbaar Ministerie en het Europees Bureau voor fraudebestrijding, op hun respectieve bevoegdheidsgebieden. Onverminderd de regels inzake grensoverschrijdende samenwerking en wederzijdse rechtshulp in strafzaken moet in dergelijke samenwerking worden voorzien met het oog op een doeltreffend optreden tegen de in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten; die samenwerking moet technische en operationele bijstand omvatten die, waar passend, door Eurojust aan de nationale bevoegde autoriteiten wordt verleend indien die autoriteiten zulke bijstand behoeven om hun onderzoeken te coördineren. De Commissie zou waar passend kunnen voorzien in bijstand. Dergelijke bijstand mag niet inhouden dat de Commissie deelneemt aan de onderzoeks- of vervolgingsprocedures voor individuele strafzaken die door de nationale bevoegde autoriteiten worden gevoerd, en mag niet worden begrepen als bestaande uit financiële steun of enige andere begrotingsvastleggingen door de Commissie.
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat informatie over personen die veroordeeld zijn voor de in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke delicten wordt uitgewisseld tussen de nationale bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Kaderbesluit 2009/315/JBZ van de Raad(15).
Met het oog op een samenhangende aanpak van de bestrijding van milieucriminaliteit dienen de lidstaten een nationale strategie ter bestrijding van strafrechtelijke milieudelicten vast te stellen, bekend te maken, uit te voeren en op gezette tijden te evalueren, waarin de doelstellingen, de prioriteiten en de maatregelen en middelen die daarvoor nodig zijn worden vastgesteld. In die nationale strategie moet met name aandacht worden besteed aan de doelstellingen en prioriteiten van het nationale beleid inzake milieucriminaliteit, de methoden voor coördinatie en samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten, de procedures en mechanismen voor regelmatige monitoring en evaluatie van de bereikte resultaten, en de assistentie van Europese netwerken die zich bezighouden met aangelegenheden die rechtstreeks van belang zijn voor de bestrijding van strafrechtelijke milieudelicten en gerelateerde inbreuken. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om zelf te bepalen welke vorm passend is voor een dergelijke strategie, die zou kunnen worden afgestemd op hun constitutionele tradities wat de scheiding der machten en bevoegdheden betreft en die ofwel sectoraal kan zijn, ofwel deel kan uitmaken van een breder strategisch document. Ongeacht of de lidstaten voorzien in de vaststelling van een of meer strategieën, moet de algemene inhoud ervan het grondgebied van de gehele lidstaat bestrijken.
Om de in deze richtlijn gedefinieerde strafrechtelijke milieudelicten doeltreffend te kunnen aanpakken, is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten in de lidstaten nauwkeurige, consistente en vergelijkbare statistische gegevens verzamelen over die delicten. De lidstaten moeten derhalve zorgen voor een geschikt systeem voor de registratie, productie en toezending van bestaande statistische gegevens over de in deze richtlijn gedefinieerde delicten. Die statistische gegevens moeten worden gebruikt door de lidstaten voor de strategische en operationele planning van handhavingsactiviteiten, voor het analyseren van de omvang en de trends op het gebied van strafrechtelijke milieudelicten en voor het verstrekken van informatie aan burgers. De lidstaten moeten de Commissie relevante statistische gegevens over milieucriminaliteitsprocedures toezenden, die zijn geëxtraheerd uit gegevens die reeds op gecentraliseerd of gedecentraliseerd niveau in de gehele lidstaat bestaan. De Commissie moet de resultaten van haar beoordeling op basis van de door de lidstaten toegezonden statistische gegevens regelmatig beoordelen en bekendmaken in een verslag.
De krachtens deze richtlijn toegezonden statistische gegevens over strafrechtelijke milieudelicten moeten tussen de lidstaten vergelijkbaar zijn en geëxtraheerd worden op basis van gemeenschappelijke minimumnormen. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om het standaardformaat voor de toezending van statistische gegevens vast te stellen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(16).
Het standaardformaat voor de toezending aan de Commissie van statistische gegevens over de soorten en niveaus van sancties, met inbegrip van informatie over de daarmee verband houdende categorieën delicten, overeenkomstig deze richtlijn moet worden vastgesteld volgens de comitéprocedure waarin deze richtlijn voorziet.
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, neemt Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn en is deze niet bindend is voor, noch van toepassing op Ierland.
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn en is deze niet bindend is voor, noch van toepassing op Denemarken.
Deze richtlijn strekt tot wijziging en uitbreiding van de bepalingen van Richtlijn 2008/99/EG. Aangezien de aan te brengen wijzigingen zowel in aantal als wat betreft hun inhoud aanzienlijk zijn, dient Richtlijn 2008/99/EG ter wille van de duidelijkheid integraal te worden vervangen voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten.
Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad(17) is aangevuld door Richtlijn 2009/123/EG met bepalingen inzake strafrechtelijke delicten inzake en sancties voor verontreiniging vanaf schepen. Dergelijke delicten en sancties moeten binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Voor de lidstaten die gebonden zijn door deze richtlijn, moet Richtlijn 2009/123/EG derhalve dienovereenkomstig worden vervangen. Die vervanging vindt plaats onverminderd de verplichting van die lidstaten betreffende de datum van omzetting van die richtlijn in nationaal recht. Bijgevolg moeten voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten verwijzingen naar de bepalingen van Richtlijn 2005/35/EG die werden toegevoegd of vervangen door Richtlijn 2009/123/EG, gelden als verwijzingen naar deze richtlijn. Niet door deze richtlijn gebonden lidstaten moeten gebonden blijven door Richtlijn 2005/35/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2009/123/EG.
Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het zorgen voor gemeenschappelijke definities van strafrechtelijke milieudelicten en voor de beschikbaarheid van doeltreffende, afschrikkende en evenredige strafrechtelijke sancties voor ernstige delicten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar onder meer vanwege de grensoverschrijdende schade die aan het milieu kan worden toegebracht door de desbetreffende wederrechtelijke gedragingen en vanwege de omvang en de gevolgen van de benodigde respons beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.
De verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn doen geen afbreuk aan het Unierecht inzake procedurele rechten in strafrechtelijke procedures en de lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafrechtelijke procedures ten volle worden geëerbiedigd.
Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest, waaronder de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van meningsuiting en van informatie, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, het legaliteitsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel inzake strafrechtelijke delicten en sancties, en het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft. Deze richtlijn strekt ertoe die rechten en beginselen volledig te waarborgen en moet dienovereenkomstig ten uitvoer worden gelegd,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1 Onderwerp
Artikel 2 Definities
Voor de in deze richtlijn gebruikte termen om de in artikel 3, lid 2, genoemde gedragingen te beschrijven, gelden indien toepasselijk de definities die zijn vastgelegd in het Unierecht als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt a).
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
-
“rechtspersoon”: iedere juridische entiteit die die hoedanigheid krachtens het toepasselijke nationale recht bezit, met uitzondering van staten of overheidslichamen in de uitoefening van het overheidsgezag en van publiekrechtelijke internationale organisaties;
-
“beschermde habitat”: een habitat van een soort waarvoor een gebied als speciale beschermingszone is ingedeeld op grond van artikel 4, lid 1, of artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2009/147/EG, of elke natuurlijke habitat of habitat van een soort waarvoor een gebied als speciale beschermingszone is aangemerkt overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 92/43/EEG of waarvoor een gebied is aangeduid als gebied van communautair belang overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Richtlijn 92/43/EEG;
-
“ecosysteem”: een dynamisch geheel van gemeenschappen van planten, dieren, schimmels en micro-organismen en hun niet-levende omgeving die een functionele eenheid vormen, waaronder habitattypen, habitats van soorten en soortenpopulaties.
Artikel 3 Strafrechtelijke delicten
De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 2 en 3 van dit artikel genoemde gedragingen, indien zij opzettelijk zijn, en de in lid 4 van dit artikel bedoelde gedragingen, indien zij ten minste uit grove nalatigheid worden begaan, strafrechtelijke delicten vormen wanneer die gedragingen wederrechtelijk zijn.
Voor de toepassing van deze richtlijn is een gedraging wederrechtelijk wanneer zij in strijd is met:
-
het Unierecht dat bijdraagt tot het nastreven van een van de doelstellingen van het milieubeleid van de Unie als bedoeld in artikel 191, lid 1, VWEU, of
-
een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van een lidstaat, of een besluit van een bevoegde autoriteit van een lidstaat, ter uitvoering van het in punt a) bedoelde Unierecht.
Dergelijke gedragingen zijn wederrechtelijk zelfs indien ze worden begaan uit hoofde van een door een bevoegde instantie van een lidstaat verleende machtiging, indien die machtiging op frauduleuze wijze of door middel van corruptie, afpersing of dwang is verkregen of indien die machtiging kennelijk in strijd is met materiële wettelijke vereisten.
De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende gedragingen strafrechtelijke delicten vormen wanneer zij wederrechtelijk en opzettelijk worden begaan:
-
het lozen, uitstoten of anderszins brengen van een hoeveelheid materialen of stoffen, energie of ioniserende straling in de lucht, de bodem of het water, waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan een ecosysteem, dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;
-
het in de handel brengen, in strijd met een verbod of een andere vereiste ter bescherming van het milieu, van een product waarvan het gebruik op een grotere schaal, dat wil zeggen het gebruik van het product door verschillende personen, ongeacht hun aantal, leidt tot het lozen, uitstoten of anderszins brengen van een hoeveelheid materialen of stoffen, energie of ioniserende straling in de lucht, de bodem of het water, en waardoor de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan een ecosysteem, dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;
-
het vervaardigen, in de handel brengen of aanbieden, uitvoeren of gebruiken van stoffen, als zodanig, in mengsels of voorwerpen, met inbegrip van de verwerking ervan in voorwerpen, indien door dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan een ecosysteem, dieren of planten wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt en:
-
ten aanzien daarvan beperkingen gelden op grond van titel VIII van en bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad(18);
-
dat verboden is op grond van titel VII van Verordening (EG) nr. 1907/2006;
-
dat niet in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad(19);
-
dat niet in overeenstemming is met Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad(20);
-
dat niet in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad(21), of
-
dat verboden is op grond van bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1021 van het Europees Parlement en de Raad(22);
-
-
de vervaardiging, het gebruik, de opslag, de invoer of de uitvoer van kwik, kwikverbindingen, mengsels van kwik en kwikhoudende producten, indien dergelijke gedragingen niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van Verordening (EU) 2017/852 van het Europees Parlement en de Raad(23), en de dood van of ernstig letsel aan personen, dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan een ecosysteem, dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken;
-
de uitvoering van projecten in de zin van artikel 1, lid 2, punt a), als bedoeld in artikel 4, leden 1 en 2, van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad(24), indien dergelijke gedragingen zonder vergunning worden begaan en aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht of bodem, aan de kwaliteit of toestand van water of aan een ecosysteem, dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken;
-
het inzamelen, vervoeren of verwerken van afvalstoffen, het bedrijfstoezicht op die procedures en de nazorg voor verwijderingslocaties, met inbegrip van de handelingen die door handelaren of makelaars worden verricht, indien dergelijke gedragingen:
-
betrekking hebben op gevaarlijke afvalstoffen als gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad(25) en wanneer het een niet-verwaarloosbare hoeveelheid van dergelijk afval betreft, of
-
betrekking hebben op andere afvalstoffen dan bedoeld in punt i) en de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan een ecosysteem, dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken;
-
-
de overbrenging van afvalstoffen, in de zin van artikel 2, punt 26), van Verordening (EU) 2024/1157 van het Europees Parlement en de Raad(26), indien dergelijke gedragingen een niet-verwaarloosbare hoeveelheid betreffen, ongeacht of de overbrenging tot stand komt door één enkel transport dan wel door meerdere, kennelijk met elkaar in verband staande transporten;
-
scheepsrecycling binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1257/2013, indien dergelijke gedragingen niet in overeenstemming zijn met de vereisten als bedoeld in artikel 6, lid 2, punt a), van die verordening;
-
het lozen van verontreinigende stoffen vanaf schepen die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 3, van Richtlijn 2005/35/EG in een gebied als bedoeld in artikel 3, lid 1, van die richtlijn, behalve indien dergelijke lozingen vanaf schepen voldoen aan de voorwaarden voor uitzonderingen van artikel 5 van die richtlijn, waardoor een verslechtering van de waterkwaliteit of schade aan het mariene milieu wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;
-
het exploiteren of sluiten van een installatie waar een gevaarlijke activiteit wordt verricht of waar gevaarlijke stoffen of mengsels worden opgeslagen of gebruikt, indien dergelijke gedragingen en dergelijke gevaarlijke activiteiten, stoffen of mengsels binnen het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad(27) of van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad(28), en indien dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen of aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan een ecosysteem, dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken;
-
het bouwen, exploiteren en ontmantelen van een installatie, indien dergelijke gedragingen en een dergelijke installatie binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad(29) vallen en indien dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen of aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan een ecosysteem, dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken;
-
het vervaardigen, produceren, bewerken, hanteren, gebruiken, voorhanden hebben, opslaan, vervoeren, invoeren, uitvoeren of verwijderen van radioactief materiaal of radioactieve stoffen, indien dergelijke gedragingen en dat materiaal of die stoffen binnen het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad(30), Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad(31) of Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad(32), en indien dergelijke gedragingen de dood van of ernstig letsel aan personen of aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan een ecosysteem, dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken;
-
het onttrekken van oppervlaktewater of grondwater in de zin van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(33), indien door dergelijke gedragingen aanzienlijke schade aan de ecologische toestand of het ecologisch potentieel van oppervlaktewaterlichamen of aan de kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen wordt veroorzaakt dan wel dreigt te worden veroorzaakt;
-
het doden, vernietigen, vangen, bezitten, verkopen of te koop aanbieden van een specimen of specimens van in het wild levende dier- of plantensoorten als genoemd in bijlage IV, of bijlage V indien soorten in die bijlage onder dezelfde maatregelen vallen die ook zijn vastgesteld voor soorten in bijlage IV, bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(34) en van een specimen of specimens als bedoeld in artikel 1 van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(35), tenzij dergelijke gedragingen betrekking hebben op een verwaarloosbare hoeveelheid van die specimens;
-
het verhandelen van een specimen of specimens, of delen of afgeleide producten daarvan, van in het wild levende dier- of plantensoorten zoals genoemd in de bijlagen A en B bij Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad(36), en de invoer van een specimen of specimens, of delen of afgeleide producten daarvan, van dergelijke soorten zoals genoemd in bijlage C bij die verordening, tenzij dergelijke gedragingen een te verwaarlozen hoeveelheid van dergelijke specimens betreffen;
-
het in de Unie in de handel brengen, het op de markt van de Unie aanbieden of het uitvoeren uit de markt van de Unie van desbetreffende grondstoffen of desbetreffende producten, in strijd met het verbod van artikel 3 van Verordening (EU) 2023/1115, tenzij die gedragingen betrekking hebben op een verwaarloosbare hoeveelheid;
-
elke gedraging die schade toebrengt aan een beschermde habitat, of die in een beschermingszone diersoorten vermeld in punt a) van bijlage II bij Richtlijn 92/43/EEG verstoort, in de zin van artikel 6, lid 2, van die Richtlijn, indien die schade of verstoring aanzienlijk is;
-
het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie, het in de handel brengen, het houden, fokken, vervoeren, gebruiken, uitwisselen, het toestaan te reproduceren, te doen groeien of te telen, het in het milieu brengen of verspreiden van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten, indien dergelijke gedragingen in strijd zijn met:
-
de beperkingen van artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad(37) en de dood van of ernstig letsel aan personen of aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan een ecosysteem, dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken, of
-
een voorwaarde van een vergunning die is afgegeven uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1143/2014 of een machtiging die is verleend uit hoofde van artikel 9 van die verordeningen de dood van of ernstig letsel aan personen dan wel aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water of aan een ecosysteem, dieren of planten veroorzaken dan wel dreigen te veroorzaken;
-
-
de productie, het in de handel brengen, de invoer, de uitvoer, het gebruik of de afgifte van ozonafbrekende stoffen, alleen of als mengsels, als bedoeld in artikel 2, punt a), van Verordening (EU) 2024/590 van het Europees Parlement en de Raad(38), of de productie, het in de handel brengen, de invoer, de uitvoer of het gebruik van producten en apparaten en onderdelen daarvan die ozonafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor hun werking, als bedoeld in artikel 2, punt b), van die verordening;
-
de productie, het in de handel brengen, de invoer, de uitvoer, het gebruik of de afgifte van gefluoreerde broeikasgassen, alleen of als mengsels, als bedoeld in artikel 2, punt a), van Verordening (EU) 2024/573 van het Europees Parlement en de Raad(39), of de productie, het in de handel brengen, de invoer, de uitvoer of het gebruik van producten en apparaten en onderdelen daarvan die gefluoreerde broeikasgassen bevatten of nodig hebben voor hun werking, als bedoeld in artikel 2, punt b), van die verordening, of de ingebruikneming van dergelijke producten en apparatuur.
De lidstaten zorgen ervoor dat strafrechtelijke delicten die verband houden met de in lid 2 genoemde gedragingen gekwalificeerde strafrechtelijke delicten vormen indien dergelijke gedragingen:
-
de vernietiging veroorzaken van, of wijdverbreide en aanzienlijke schade die onomkeerbaar of langdurig is veroorzaken aan, een ecosysteem van aanzienlijke omvang of milieuwaarde of een beschermde habitat, of
-
wijdverbreide en aanzienlijke schade die onomkeerbaar of langdurig is veroorzaken aan de kwaliteit van lucht, bodem of water.
De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 2, punten a) tot en met d), punten f) en g), punten i) tot en met q), punt r), ii), en punten s) en t), genoemde gedragingen strafrechtelijke delicten vormen wanneer die gedragingen wederrechtelijk zijn en ten minste uit grove nalatigheid worden begaan.
Naast de strafrechtelijke delicten in verband met de in lid 2 genoemde gedragingen kunnen de lidstaten, overeenkomstig hun nationale recht, aanvullende strafrechtelijke delicten bepalen ter bescherming van het milieu.
De lidstaten zorgen ervoor dat bij de beoordeling of de schade of waarschijnlijke schade aanzienlijk is met betrekking tot in lid 2, punten a) tot en met e), punt f), ii), punten j) tot en met m) en punt r), genoemde gedragingen, rekening wordt gehouden met een of meer van de volgende elementen indien relevant:
-
de referentietoestand van het aangetaste milieu;
-
de vraag of de schade van lange, middellange of korte duur is;
-
de ernst van de schade;
-
de omkeerbaarheid van de schade.
De lidstaten zorgen ervoor dat bij de beoordeling of een in lid 2, punten a) tot en met e), punt f), ii), punten i) tot en met m) en punt r), genoemde gedraging schade dreigt te veroorzaken aan de kwaliteit van lucht of bodem, aan de kwaliteit of de toestand van water, of aan een ecosysteem, dieren of planten, indien relevant rekening wordt gehouden met een of meer van de volgende elementen:
-
de gedragingen hebben betrekking op een vergunningplichtige activiteit die als risicovol of gevaarlijk wordt beschouwd voor het milieu of de menselijke gezondheid en waarvoor geen machtiging is afgegeven of waarbij in strijd met de machtigingsvoorwaarden is gehandeld;
-
de mate waarin een wettelijke drempel, waarde of andere voorgeschreven parameter die is opgenomen in het Unierecht of het nationale recht als bedoeld in lid 1, tweede alinea, punten a) en b), of in een voor de relevante activiteit afgegeven machtiging, is overschreden;
-
de vraag of het materiaal of de stof als gevaarlijk of anderszins als schadelijk voor het milieu of de menselijke gezondheid is aangemerkt.
De lidstaten zorgen ervoor dat bij de beoordeling of de hoeveelheid al dan niet verwaarloosbaar is voor de toepassing van lid 2, punt f), i), en punten g), n), o) en p), indien relevant rekening wordt gehouden met een of meer van de volgende elementen:
-
het aantal betreffende eenheden;
-
de mate waarin een wettelijke drempel, waarde of andere voorgeschreven parameter die is opgenomen in het Unierecht of het nationale recht als bedoeld in lid 1, tweede alinea, punten a) en b), is overschreden;
-
de staat van instandhouding van de desbetreffende dier- of plantensoorten;
-
de kosten van het herstel van het milieu, waar het haalbaar is om die kosten te beoordelen.
Artikel 4 Uitlokking, medeplichtigheid en poging
De lidstaten zorgen ervoor dat het uitlokken van en medeplichtig zijn aan het plegen van een strafrechtelijk delict dat valt onder artikel 3, leden 2 en 3, als strafrechtelijke delicten strafbaar worden gesteld.
De lidstaten zorgen ervoor dat een poging om een strafrechtelijk delict te plegen dat valt onder artikel 3, lid 2, punten a) tot en met d), f), g), i) tot en met m), o), p), r), s) en t), als een strafrechtelijk delict strafbaar wordt gesteld.