Home

Besluit (EU) 2015/773 van de Raad van 11 mei 2015 tot instelling van het Comité voor sociale bescherming en tot intrekking van Besluit 2004/689/EG

Besluit (EU) 2015/773 van de Raad van 11 mei 2015 tot instelling van het Comité voor sociale bescherming en tot intrekking van Besluit 2004/689/EG

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 160,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 14 juli 1999„Een gemeenschappelijke strategie voor de modernisering van de sociale bescherming” voorstellen gedaan ter vergroting van de samenwerking op het gebied van de sociale bescherming, waaronder de oprichting van een werkgroep van ambtenaren op hoog niveau.

  2. Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 16 februari 2000 zijn voldoening uitgesproken over de mededeling van de Commissie en de oprichting van een dergelijke groep.

  3. De Raad heeft in zijn conclusies van 17 december 1999 betreffende de versterking van de samenwerking voor de modernisering en verbetering van de sociale bescherming(1), het voorstel van de Commissie gesteund om een mechanisme in te stellen voor een betere samenwerking op basis van de werkzaamheden van een groep van ambtenaren op hoog niveau met het oog op de uitvoering van dit geheel van maatregelen. De Raad heeft erop gewezen dat deze vorm van samenwerking alle vormen van sociale bescherming zal moeten bestrijken en de lidstaten, waar nodig, van nut moet zijn bij het verbeteren en versterken van hun sociale beschermingsstelsels, in overeenstemming met hun nationale prioriteiten. De Raad heeft voorts in herinnering gebracht dat de organisatie en financiering van de sociale bescherming een bevoegdheid van de lidstaten is en heeft de vier algemene doelstellingen onderschreven die de Commissie in het kader van de algehele uitdaging tot modernisering van de sociale beschermingsstelsels heeft vastgesteld, namelijk het lonend maken van werk en het bieden van een vast inkomen, het veiligstellen van pensioenen en het financieel houdbaar maken van de pensioenstelsels, het bevorderen van sociale inclusie en het garanderen van een kwalitatief hoogwaardige en betaalbare gezondheidszorg. De Raad heeft ook onderstreept dat de gelijkheid tussen mannen en vrouwen moet worden geïntegreerd in alle op die vier doelstellingen gerichte activiteiten. Ten slotte heeft de Raad erkend dat de financiële aspecten bij al deze doelstellingen een rol spelen.

  4. In de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 wordt het belang erkend van de sociale bescherming voor de verdere ontwikkeling en modernisering van een actieve en dynamische welvaartsstaat in Europa en wordt de Raad verzocht de samenwerking tussen de lidstaten te versterken door de uitwisseling van ervaringen en beste praktijken op basis van betere informatienetwerken.

  5. In Nice en op zijn daaropvolgende bijeenkomsten heeft de Europese Raad regelmatig de werkzaamheden van het Comité voor sociale bescherming inzake de stimulering en versterking van beleidsuitwisseling en coördinatie van sociale bescherming binnen de Unie bevestigd.

  6. Het bij Besluit 2000/436/EG van de Raad(2), dat is ingetrokken en vervangen door Besluit 2004/689/EG van de Raad(3), opgerichte Comité voor sociale bescherming heeft zijn nut als adviesorgaan voor zowel de Raad als de Commissie bewezen en heeft een actieve bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de open coördinatiemethode (OCM), die door de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 is ingesteld. In het advies van he Comité voor sociale bescherming over de versterking van de sociale OCM in verband met de Europa 2020-strategie, waaraan de Raad op 17 juni 2011 zijn goedkeuring heeft gegeven, wordt de validiteit van de doelstellingen en instrumenten van de sociale OCM nogmaals bevestigd. De rol van het comité in het kader van de OCM moet in dit besluit worden weergegeven.

  7. In zijn conclusies van 27 en 28 juni 2013 stelde de Europese Raad dat de sociale dimensie van de Economische en Monetaire Unie moet worden verstevigd. De sociale en arbeidsmarktsituatie binnen de Economische en Monetaire Unie moeten, als eerste stap, beter worden gevolgd en meegewogen, met name door gebruikmaking van passende sociale indicatoren en werkgelegenheidsindicatoren binnen het Europees semester. Ook dient te worden gezorgd voor betere coördinatie van werkgelegenheidsbeleid en sociaal beleid, waarbij de nationale bevoegdheden ten volle worden geëerbiedigd.

  8. In zijn conclusies van 24 en 25 oktober 2013 stelde de Europese Raad dat de coördinatie van het economisch, het werkgelegenheids- en het sociaal beleid verder zal worden versterkt volgens de bestaande procedures en met volledige inachtneming van de nationale bevoegdheden. De Europese Raad vond dat te dien einde meer werk moet worden gemaakt van een betere samenwerking tussen de diverse Raadsformaties, teneinde de onderlinge samenhang van deze beleidsterreinen overeenkomstig de gemeenschappelijke doelstellingen te waarborgen.

  9. Dit besluit moet de ontwikkeling van het Europees semester en de rol die het comité daarin speelt, weergeven. In Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad(4) staat met name dat het Economisch en Financieel Comité, het Comité voor de economische politiek, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming in passende gevallen in het kader van het Europees semester worden geraadpleegd. Bovendien staat in Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad(5) dat bij de diepgaande evaluatie in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen of verzoeken van de Raad aan de lidstaten, en dat er in een plan met corrigerende maatregelen voor lidstaten waarvoor een procedure bij buitensporige onevenwichtigheden is ingeleid rekening zal worden gehouden met de economische en sociale gevolgen van de beleidsmaatregelen en dat het plan in overeenstemming moet zijn met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid en de richtsnoeren voor werkgelegenheid.

  10. Het comité en de organen van de Unie die bij de coördinatie van het economisch en sociaal beleid betrokken zijn, inzonderheid het Comité voor de werkgelegenheid, het Economisch en Financieel Comité en het Comité voor de economische politiek, moeten nauw samenwerken. Wanneer het passend is en er onderlinge overeenstemming over bestaat tussen de betrokken comités, kan de samenwerking van het comité met het Comité voor de werkgelegenheid, het Economisch en Financieel Comité en het Comité voor de economische politiek onder meer de vorm aannemen van het organiseren van gezamenlijke vergaderingen, met name in de context van de respectieve rollen van de comités binnen het Europees semester.

  11. De bestuurlijke bepalingen met betrekking tot de werking van het comité moeten worden herzien om efficiëntie en continuïteit te waarborgen, zodat het comité zijn opdracht volgens het Verdrag goed kan vervullen en er de nodige flexibiliteit ontstaat voor het aanpassen van het tijdschema van de activiteiten van het comité, met name binnen het kader van de cyclus van het Europees semester.

  12. Besluit 2004/689/EG moet worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1 Instelling

Er wordt een Comité voor sociale bescherming („comité”) van raadgevende aard ingesteld teneinde de samenwerking tussen de lidstaten onderling en met de Commissie op het gebied van het beleid inzake sociale bescherming te bevorderen, overeenkomstig het Verdrag en met inachtneming van de bevoegdheden van de instellingen en de organen van de Unie.

Artikel 2 Taak

1.

Het comité heeft tot taak:

  1. toe te zien op de sociale situatie en de ontwikkeling van het beleid inzake sociale bescherming in de lidstaten en de Unie;

  2. de uitwisseling van informatie, ervaringen en goede praktijken tussen de lidstaten onderling en met de Commissie te bevorderen;

  3. onverminderd artikel 240 van het Verdrag, verslagen op te stellen, adviezen uit te brengen of andere activiteiten te ontplooien op gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen, hetzij op verzoek van de Raad of de Commissie, hetzij op eigen initiatief.

2.

Voor de toepassing van lid 1 moet het comité met name streven naar het volgende:

  1. gebruikmaken van de open coördinatiemethode, onder meer door gezamenlijk overeengekomen toezichtsinstrumenten toe te passen en in overleg overeengekomen evaluatieregelingen te hanteren bij de uitvoering van de door de Raad overeengekomen gemeenschappelijke doelstellingen;

  2. bijdragen aan alle aspecten van het Europees semester die binnen zijn opdracht vallen en daarover verslag uitbrengen aan de Raad;

  3. waar nodig, samenwerken met andere relevante organen en comités die actief zijn op het gebied van het sociaal en economisch beleid, zoals het Comité voor de werkgelegenheid, het Economisch en Financieel Comité, het Comité voor de economische politiek en de Groep volksgezondheid op hoog niveau.

3.

Ieder jaar stelt het comité een werkprogramma op waarin de beleidsprioriteiten van de Raad en de Commissie zijn verwerkt. Het werkprogramma wordt aan de Raad toegezonden.

4.

Voor het vervullen van zijn opdracht werkt het comité samen met de sociale partners. In dat verband legt het contacten met de sociale partners die zijn vertegenwoordigd in de tripartiete sociale top voor groei en werkgelegenheid die is opgericht bij Besluit 2003/174/EG van de Raad(6). Het comité legt de nodige contacten met sociale niet-gouvernementele organisaties en houdt daarbij rekening met hun respectieve rol en verantwoordelijkheden op het gebied van de sociale bescherming. Het Europees Parlement wordt ook geïnformeerd over de activiteiten van het comité.

5.

Het comité kan een beroep doen op externe deskundigen, wanneer de agenda daartoe aanleiding geeft.

6.

Het comité legt contacten met vertegenwoordigers van de kandidaat-lidstaten.

Artikel 3 Lidmaatschap

1.

Elke lidstaat en de Commissie benoemen twee leden van het comité. Zij mogen ook twee plaatsvervangende leden benoemen.

2.

De lidstaten en de Commissie zullen zich tot het uiterste inspannen om bij de samenstelling van het comité een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen te bereiken.

Artikel 4 Werkwijze

1.

Het comité kiest uit de door de lidstaten benoemde leden een voorzitter voor een termijn van twee jaar. De voorzitter kan eenmaal worden herkozen voor een tweede termijn van twee jaar. Het comité kan, om de efficiëntie en continuïteit van zijn werk te waarborgen, in gerechtvaardigde gevallen besluiten het mandaat van een voorzitter met maximaal acht maanden te verlengen. De voorzitter kan in totaal vier jaar en acht maanden in functie blijven.

2.

De voorzitter wordt bijgestaan door vier ondervoorzitters, van wie er twee door het comité voor een periode van twee jaar (die eenmaal kan worden verlengd) uit zijn leden worden gekozen. De derde ondervoorzitter is een vertegenwoordiger van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad bekleedt. De vierde ondervoorzitter is een vertegenwoordiger van de lidstaat die het volgende voorzitterschap zal bekleden.

3.

De voorzitter delegeert zijn stemrecht aan zijn plaatsvervanger.

4.

De vergaderingen van het comité worden door de voorzitter bijeengeroepen, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van minstens de helft van de leden van het comité.

5.

Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

6.

Uitgaven worden terugbetaald overeenkomstig de vigerende administratieve voorschriften.

7.

De Commissie biedt het comité adequate analytische en organisatorische steun. De Commissie wijst een van haar ambtenaren aan als secretaris. De secretaris en het ondersteunend personeel handelen in opdracht van het comité wanneer zij het comité bijstaan in de uitoefening van zijn taken. De secretaris werkt samen met het secretariaat-generaal van de Raad voor het beleggen van vergaderingen.

Artikel 5 Werkgroepen

Artikel 6 Overgangsbepalingen

Artikel 7 Intrekking

Artikel 8 Inwerkingtreding