Home

Verordening (EG) nr. 2096/2005 van de Commissie van 20 december 2005 tot vaststelling van gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EG) nr. 2096/2005 van de Commissie van 20 december 2005 tot vaststelling van gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim („de luchtvaartnavigatiedienstenverordening”)(1), en met name op de artikelen 4 en 6,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Op grond van Verordening (EG) nr. 550/2004 is de Commissie gehouden gemeenschappelijke eisen vast te stellen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in de gehele Gemeenschap. Een verordening met rechtstreekse werking is daartoe het meest geschikte instrument.

  2. De verlening van luchtvaartnavigatiediensten in de Gemeenschap moet door de lidstaten worden gecertificeerd. De verleners van luchtvaartnavigatiediensten die aan de gemeenschappelijke eisen voldoen, moeten een certificaat ontvangen overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 550/2004. De verleners van luchtvaartnavigatiediensten die zonder certificaat werkzaam zijn, moeten trachten zoveel mogelijk aan de gemeenschappelijke eisen te voldoen, voor zover hun rechtsstatus dit toelaat.

  3. De toepassing van de krachtens artikel 6 van Verordening (EG) nr. 550/2004 vast te stellen gemeenschappelijke eisen dient geen afbreuk te doen aan de soevereiniteit van de lidstaten over hun luchtruim of aan de behoeften van de lidstaten inzake de openbare orde, de openbare veiligheid en defensieaangelegenheden, zoals bepaald in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim („de kaderverordening”)(2). De gemeenschappelijke eisen hebben geen betrekking op militaire operaties en trainingen in de zin van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004.

  4. Bij de vaststelling van gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten moet rekening worden gehouden met de rechtsstatus van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten in de lidstaten. Voorts dienen, wanneer een organisatie andere activiteiten dan het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten verricht, de krachtens artikel 6 van Verordening (EG) nr. 550/2004 vast te stellen gemeenschappelijke eisen niet van toepassing te zijn op die andere activiteiten of op de middelen die voor andere activiteiten dan de verlening van luchtvaartnavigatiediensten zijn vrijgemaakt, tenzij anders bepaald.

  5. De toepassing van de gemeenschappelijke eisen op de verleners van luchtvaartnavigatiediensten moet evenredig zijn met de risico's die aan de bijzonderheden van elke dienst verbonden zijn, zoals het aantal en/of de aard en de kenmerken van de verrichte bewegingen. Indien bepaalde verleners van luchtvaartnavigatiediensten van de mogelijkheid afzien, grensoverschrijdende diensten te verlenen en daardoor geen gebruikmaken van het recht op wederzijdse erkenning binnen het gemeenschappelijke Europese luchtruim, moet een nationale toezichthoudende instantie hun kunnen toestaan op passende wijze aan bepaalde algemene eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten en bepaalde specifieke eisen voor de verlening van luchtverkeersdiensten te voldoen. Bijgevolg moeten de aan het certificaat verbonden voorwaarden met de aard en de omvang van de afwijking overeenstemmen.

  6. Ter verzekering van een behoorlijke werking van de certificeringsregeling, dienen de lidstaten de Commissie in hun jaarverslagen alle relevante gegevens te verschaffen over de door hun nationale toezichthoudende instantie toegekende afwijkingen.

  7. De verschillende soorten luchtvaartnavigatiediensten zijn niet noodzakelijkerwijze aan dezelfde eisen onderworpen. Daarom moeten de gemeenschappelijke eisen aan de bijzonderheden van elk soort dienst worden aangepast.

  8. De bewijslast dat zij aan de eisen voldoen, dient voor de geldigheidsduur van het certificaat en voor alle verrichte diensten bij de verleners van de luchtvaartnavigatiediensten te liggen.

  9. Ter verzekering van de daadwerkelijke toepassing van de gemeenschappelijke eisen, moet een toezicht- en inspectiesysteem voor het voldoen aan deze gemeenschappelijke eisen en aan de in het certificaat gestelde voorwaarden worden ingevoerd. De nationale toezichthoudende instantie moet de geschiktheid van een dienstverlener onderzoeken, alvorens een certificaat af te geven, en moet jaarlijks beoordelen, of de door haar gecertificeerde verleners van luchtvaartnavigatiediensten aan de eisen blijven voldoen. Zij moet bijgevolg een indicatief inspectieprogramma vaststellen en jaarlijks bijwerken, dat alle door haar gecertificeerde dienstverleners bestrijkt en dat is gebaseerd op een beoordeling van de risico's. Het programma moet, binnen een redelijke termijn, de inspectie van alle relevante onderdelen van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten mogelijk maken. Bij de beoordeling, of de aangewezen verleners van meteorologische en luchtverkeersdiensten aan de eisen voldoen, moet de nationale toezichthoudende instantie bevoegd zijn, de relevante eisen te controleren die op grond van internationale verplichtingen op de betrokken lidstaat rusten.

  10. Collegiale beoordelingen van de nationale toezichthoudende instanties moeten een gemeenschappelijke aanpak van het toezicht op verleners van luchtvaartnavigatiediensten in de gehele Gemeenschap bevorderen. De Commissie moet deze collegiale beoordelingen in samenwerking met de lidstaten organiseren en deze moeten worden gecoördineerd met de activiteiten in het kader van het ESIMS-programma (programma tot tenuitvoerlegging, controle en ondersteuning van ESARR) van Eurocontrol en het USOAP-programma (universeel programma voor controle op het veiligheidstoezicht) van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO). Hierdoor wordt dubbel werk voorkomen. Om een uitwisseling van ervaringen en beste praktijken tijdens een collegiale beoordeling mogelijk te maken, moeten de nationale deskundigen bij voorkeur van een nationale toezichthoudende instantie of een erkende organisatie afkomstig zijn.

  11. Eurocontrol heeft „ESARR’s” (Eurocontrol Safety Regulatory Requirements) ontwikkeld, die van het grootste belang zijn voor het veilig verlenen van luchtverkeersdiensten. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 550/2004 moet de Commissie de relevante bepalingen vaststellen en goedkeuren van ESARR 3 betreffende het gebruik van veiligheidsbeheerssystemen door verleners van luchtverkeersbeveiligingsdiensten, van ESARR 4 betreffende de risicobeoordeling en de risicobeperking bij luchtverkeersbeveiliging en van ESARR 5 betreffende het personeel van luchtverkeersbeveiligingsdiensten en de eisen voor technisch en ontwikkelingspersoneel dat operationele aan de veiligheid gerelateerde taken verricht. Overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 550/2004 heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake een communautaire vergunning voor luchtverkeersleiders(3) ingediend, waarin de bepalingen van ESARR 5 betreffende luchtverkeersleiders zijn opgenomen. Die bepalingen behoeven daarom in deze verordening niet te worden herhaald. Bepaald moet echter worden dat een nationale toezichthoudende instantie controleert, of het personeel van een verlener van luchtverkeersdiensten, en met name luchtverkeersleiders, de eventueel vereiste vergunning heeft.

  12. Ook behoeven de bepalingen van ESARR 2 niet te worden herhaald betreffende de melding en beoordeling van veiligheidsvoorvallen bij de luchtverkeersbeveiliging, die vallen onder Richtlijn 94/56/EG van de Raad van 21 november 1994 houdende vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart(4) en Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2003 inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart(5). Er moeten echter nieuwe bepalingen betreffende veiligheidsvoorvallen worden vastgelegd volgens welke een nationale toezichthoudende instantie erop moet toezien dat verleners van luchtverkeersdiensten en verleners van communicatie-, navigatie- of plaatsbepalingsdiensten de vereiste maatregelen hebben getroffen om veiligheidsvoorvallen te kunnen melden en beoordelen. De relevante bepalingen van ESARR 1 betreffende veiligheidstoezicht bij de luchtverkeersbeveiliging en van ESARR 6 betreffende software in luchtverkeersbeveiligssystemen moeten in afzonderlijke Gemeenschapsbesluiten worden vastgesteld en goedgekeurd.

  13. Vooral moet worden onderkend, ten eerste, dat veiligheidsbeheer het onderdeel van luchtverkeersdiensten is, dat ervoor zorgt dat alle veiligheidsrisico’s zijn geïdentificeerd, beoordeeld en afdoende beperkt, en ten tweede, dat een formele en systematische aanpak van het veiligheidsbeheer de veiligheid op een zichtbare en controleerbare wijze optimaliseert. Onverminderd de toekomstige taak die aan het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart op dit gebied wordt toegekend, moet de Commissie de op luchtverkeersdiensten van toepassing zijnde veiligheidseisen bijwerken en nader bepalen om het hoogst mogelijke veiligheidsniveau te garanderen.

  14. De verleners van luchtvaartnavigatiediensten moeten handelen overeenkomstig de toepasselijke ICAO-normen. Om de grensoverschrijdende dienstverlening te vergemakkelijken, moeten de lidstaten en de Commissie in nauwe samenwerking met Eurocontrol streven naar de terugdringing van de door de lidstaten gemelde verschillen in de toepassing van de ICAO-normen voor luchtvaartnavigatiediensten, teneinde een voor de lidstaten gemeenschappelijk stelsel van normen binnen het gemeenschappelijke Europese luchtruim te bereiken, vooral met het oog op de ontwikkeling van gemeenschappelijke luchtverkeersregels.

  15. Uiteenlopende nationale regelingen inzake aansprakelijkheid mogen de verleners van luchtvaartnavigatiediensten niet ervan weerhouden overeenkomsten inzake grensoverschrijdende dienstverrichting te sluiten, mits zij regelingen hebben getroffen om de verliezen te dekken wegens schade als gevolg van de aansprakelijkheid krachtens het toepasselijke recht. De toegepaste methode moet aan de nationale wettelijke eisen voldoen. De lidstaten die de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het onder hun verantwoordelijkheid vallende luchtruim of in een deel daarvan toestaan zonder certificering overeenkomstig Verordening (EG) nr. 550/2004, moeten de aansprakelijkheid van deze dienstverleners dekken.

  16. Terwijl ESARR 4 een maximaal aanvaardbare waarschijnlijkheid vaststelt voor luchtverkeersbeveiliging die bijdraagt tot ongevallen in het gebied van de ECAC (European Civil Aviation Conference), is de maximaal aanvaardbare waarschijnlijkheid nog niet voor alle ernstcategorieën vastgesteld. De lidstaten en de Commissie moeten in samenwerking met Eurocontrol deze waarschijnlijkheidsberekening aanvullen en bijwerken en mechanismen ontwikkelen om deze in verschillende technische omstandigheden toe te passen.

  17. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 5 van Verordening (EG) nr. 549/2004 ingestelde Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Onderwerp en werkingssfeer

Deze verordening stelt de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten vast. Deze gemeenschappelijke eisen zijn echter, tenzij in de bijlagen I en II anders bepaald, niet van toepassing op:

  1. het verrichten van andere activiteiten dan de verlening van luchtvaartnavigatiediensten door een dienstverlener;

  2. middelen die voor andere activiteiten dan de verlening van luchtvaartnavigatiediensten zijn vrijgemaakt.

In deze verordening worden de bindende bepalingen van de volgende Eurocontrol Safety Regulatory Requirements (ESARR's) vastgesteld en goedgekeurd, die relevant zijn voor de certificering van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten:

  1. ESARR 3 betreffende het gebruik van veiligheidsbeheerssystemen door verleners van luchtverkeersbeveiligingsdiensten, vastgesteld op 17 juli 2000;

  2. ESARR 4 betreffende de risicobeoordeling en de risicobeperking bij luchtverkeersbeveiligingsdiensten, vastgesteld op 5 april 2001;

  3. ESARR 5 betreffende het personeel van luchtverkeersbeveiligingsdiensten en de eisen voor technisch en ontwikkelingspersoneel dat operationele aan de veiligheid gerelateerde taken verricht, vastgesteld op 11 april 2002.

Artikel 2 Definities

1.

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van Verordening (EG) nr. 549/2004.

2.

Naast de in lid 1 bedoelde definities zijn de volgende definities van toepassing:

  1. „luchtvaartactiviteiten”: vliegtuigverrichtingen waarbij een vliegtuig wordt gebruikt voor specifieke diensten, zoals landbouw, bouw, fotografie, landmeetkunde, observatie en patrouilles, opsporing en redding of luchtreclame;

  2. „commercieel luchtvervoer”: vliegtuigverrichtingen waarbij tegen vergoeding of de betaling van huur passagiers, vracht of post worden vervoerd;

  3. „functioneel systeem”: een combinatie van systemen, procedures en personeel, georganiseerd om een taak op het gebied van luchtverkeersbeveiliging te verrichten;

  4. „algemene luchtvaart”: alle andere burgerluchtvaartverrichtingen dan commercieel luchtvervoer en luchtvaartactiviteiten;

  5. „nationale toezichthoudende instantie”: de door een lidstaat krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 549/2004 aangewezen of ingestelde nationale instantie of instanties;

  6. „gevaar”: elke voorwaarde, gebeurtenis of omstandigheid die een ongeval kan veroorzaken;

  7. „uitvoerende organisatie”: een organisatie die technische en ontwikkelingsdiensten ter ondersteuning van luchtverkeers-, communicatie-, navigatie- of plaatsbepalingsdiensten verricht;

  8. „risico”: de combinatie van de totale waarschijnlijkheid of frequentie waarmee een schadelijk gevolg van een gevaar zich zal voordoen, en de ernst van dat gevolg;

  9. „veiligheidsverzekering”: alle geplande en systematische handelingen die nodig zijn om adequaat vertrouwen te verschaffen dat een product, een dienst, een organisatie of een functioneel systeem een aanvaardbaar of toelaatbaar veiligheidsniveau bereikt;

  10. „veiligheidsdoelstelling”: een kwalitatieve of kwantitatieve vaststelling van de maximale frequentie of waarschijnlijkheid waarmee een gevaar zich naar verwachting voordoet;

  11. „veiligheidseis”: een middel tot risicobeperking, vastgesteld op basis van de risicobeperkingsstrategie waarmee een specifieke veiligheidsdoelstelling wordt bereikt, met inbegrip van organisatorische, operationele, procedurele, functionele, prestatie- en interoperabiliteitseisen en omgevingskenmerken;

  12. „diensten”: een luchtvaartnavigatiedienst of een pakket van luchtvaartnavigatiediensten.

3.

Onder „verleners van luchtvaartnavigatiediensten” worden geacht organisaties te vallen die een certificaat voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten hebben aangevraagd.

Artikel 3 Toekenning van certificaten

1.

Om het noodzakelijke certificaat voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten te verkrijgen, moeten verleners van luchtvaartnavigatiediensten, onverminderd artikel 7, lid 5, van Verordening (EG) nr. 550/2004, voldoen aan de algemene gemeenschappelijke eisen van bijlage I, alsmede aan de specifieke aanvullende eisen van de bijlagen II tot en met V bij deze verordening naar gelang van de aard van de door hen verleende dienst, behoudens de in artikel 4 genoemde afwijkingen.

2.

De nationale toezichthoudende instanties gaan na of een verlener van luchtvaartnavigatiediensten aan de gemeenschappelijke eisen voldoet, alvorens hem een certificaat af te geven.

3.

Een verlener van luchtvaartnavigatiediensten voldoet uiterlijk op het tijdstip waarop hem overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 550/2004 een certificaat wordt afgegeven, aan de gemeenschappelijke eisen.

Artikel 4 Afwijkingen

1.

In afwijking van artikel 3, lid 1, mogen bepaalde verleners van luchtvaartnavigatiediensten afzien van de mogelijkheid om grensoverschrijdende diensten te verlenen en van het recht op wederzijdse erkenning binnen het gemeenschappelijke Europese luchtruim.

Zij mogen in dat geval een certificaat aanvragen dat zich beperkt tot het luchtruim dat onder de verantwoordelijkheid van de in artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 550/2004 bedoelde lidstaat valt.

Een verlener van luchtverkeersdiensten kan een dergelijke aanvraag slechts doen, indien de diensten die hij verricht of voornemens is te verrichten, slechts op één of meer van de volgende categorieën betrekking hebben:

  1. algemene luchtvaart;

  2. luchtvaartactiviteiten;

  3. commercieel luchtvervoer beperkt tot vliegtuigen met een maximale startmassa van minder dan 10 t of met minder dan 20 passagierszitplaatsen;

  4. commercieel luchtvervoer met minder dan 10 000 bewegingen per jaar, ongeacht de maximale startmassa en het aantal passagierszitplaatsen, waarbij de bewegingen worden geteld als de som van de starts en de landingen en worden berekend als een gemiddelde van de voorafgaande drie jaar.

Een verlener van luchtvaartnavigatiediensten die geen verlener van luchtverkeersdiensten is, kan een dergelijke aanvraag slechts doen indien hij met de diensten die hij verleent of voornemens is te verlenen, een brutojaaromzet van niet meer dan 1 miljoen EUR behaalt.

Wanneer een verlener van luchtvaartnavigatiediensten om objectieve praktische redenen geen bewijsmateriaal kan verstrekken waaruit blijkt dat hij aan die criteria voldoet, mag de nationale toezichthoudende instantie vergelijkbare cijfers of ramingen met betrekking tot de in de derde en de vierde alinea vastgestelde maxima aanvaarden.

Bij het doen van een dergelijke aanvraag verstrekt de verlener van luchtvaartnavigatiediensten de nationale toezichthoudende instantie gelijktijdig het relevante bewijsmateriaal met betrekking tot de toelatingscriteria.

2.

Een nationale toezichthoudende instantie mag specifieke afwijkingen toestaan aan aanvragers die aan de criteria van lid 1 voldoen, in evenredigheid met hun bijdrage tot de luchtverkeersbeveiliging in het luchtruim dat onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat valt.

Deze afwijkingen mogen alleen de eisen van bijlage I betreffen, met de volgende uitzonderingen:

  1. deel 1: technische en operationele bekwaamheid en geschiktheid;

  2. deel 3.1: veiligheidsbeheer;

  3. deel 5: personeel;

  4. deel 8.1: open en doorzichtige dienstverlening.

3.

Naast de in lid 2 genoemde afwijkingen mag een nationale toezichthoudende instantie afwijkingen toestaan aan aanvragers die, met regelmatige gebruikmaking van niet meer dan één werkpositie op elk vliegveld, vluchtinformatie voor luchtvaartterreinverkeer verstrekken. Zij doet dit in evenredigheid tot de bijdrage van de aanvragers tot de luchtverkeersbeveiliging in het luchtruim dat onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat valt.

Deze afwijkingen mogen alleen de volgende eisen van bijlage II, deel 3, betreffen:

  1. de verantwoordelijkheid voor het veiligheidsbeheer, alsmede de externe diensten en goederen (deel 3.1.2);

  2. de veiligheidsonderzoeken (deel 3.1.3);

  3. de veiligheidseisen voor risicobeoordeling en risicobeperking bij wijzigingen (deel 3.2).

4.

Afwijkingen van de in de bijlagen III, IV en V vervatte eisen worden niet verleend.

5.

Overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 550/2004 moet een toezichthoudende instantie:

  1. de aard en de omvang van de afwijking in de aan het certificaat verbonden voorwaarden aangeven, onder vermelding van de rechtsgrond ervan,

  2. de geldigheidsduur van het certificaat beperken, en

  3. erop toezien, dat de verlener van de luchtvaartnavigatiediensten aan de voorwaarden voor de afwijking blijft voldoen.

Artikel 5 Bewijs van naleving

Artikel 6 Medewerking aan toezicht op de naleving

Artikel 7 Blijvende voldoening aan de eisen

Artikel 8 Veiligheidsvoorschriften voor technisch en ontwikkelingspersoneel

Artikel 9 Collegiale beoordelingsprocedure

Artikel 10 Inwerkingtreding

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III

BIJLAGE IV

BIJLAGE V