Home

Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (eerste bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (eerste bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Richtlijn 89/654/EEG van de Raad van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen (eerste bijzondere Richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)

Publicatieblad Nr. L 393 van 30/12/1989 blz. 0001 - 0012
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 5 Deel 4 blz. 0170
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 5 Deel 4 blz. 0170


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 30 november 1989 betreffende minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen ( eerste bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG ) ( 89/654/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 118 A,

Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats,

In samenwerking met het Europese Parlement ( 2 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ),

Overwegende dat in artikel 118 A van het Verdrag wordt bepaald dat de Raad door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststelt om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen, ten einde een hogere graad van bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te waarborgen;

Overwegende dat volgens dit artikel in deze richtlijnen wordt vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat zij oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen zouden kunnen hinderen;

Overwegende dat de mededeling van de Commissie over haar programma inzake de veiligheid, de hygiëne en de gezond -

PB nr . C 115 van 8 . 5 . 1989, blz. 34, en

PB nr . C 284 van 10 . 11 . 1989, blz . 8 .

PB nr . C 256 van 9 . 10 . 1988, blz . 51 .

heid op het werk ( 4 ) voorziet in de vaststelling van een richtlijn, gericht op het waarborgen van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk;

Overwegende dat de Raad in zijn resolutie van 21 december 1987 betreffende de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid op de arbeidsplaats ( 5 ) nota heeft genomen van het voornemen van de Commissie om hem op korte termijn minimumvoorschriften voor te leggen inzake de inrichting van de arbeidsplaats;

Overwegende dat de naleving van de minimumvoorschriften die een hogere graad van bescherming en gezondheid kunnen garanderen voor de arbeidsplaatsen, een vereiste is voor het waarborgen van veiligheid en gezondheid van de werknemers;

Overwegende dat deze richtlijn een bijzondere richtlijn vormt in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk ( 6 ); dat de bepalingen van die richtlijn daarom ten volle gelden op het gebied van de arbeidsplaatsen, onverminderd dwingender en/of specifieke bepalingen die in deze richtlijn zijn opgenomen;

Overwegende dat deze richtlijn een concreet element vormt in het kader van de verwezenlijking van de sociale dimensie van de interne markt;

Overwegende dat het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats krachtens Besluit 74/325 /EEG ( 7 ), laatstelijk gewij -

zigd bij de Toetredingsakte van 1985, door de Commissie wordt geraadpleegd voor het uitwerken van voorstellen op dit gebied,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

AFDELING I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel

1 . In deze richtlijn, die de eerste bijzondere richtlijn is in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG, worden minimumvoorschriften vastgesteld inzake veiligheid en gezondheid voor arbeidsplaatsen als gedefinieerd in artikel 2 .

2 . Deze richtlijn is niet van toepassing op :

a ) buiten de onderneming en/of de inrichting gebruikte transportmiddelen, noch op arbeidsplaatsen binnen de transportmiddelen;

b ) tijdelijke of mobiele werkplaatsen;

c ) winningsindustrieën;

d ) vissersvaartuigen;

e ) velden, bossen en andere terreinen die deel uitmaken van een landbouwbedrijf of bosbouwbedrijf doch buiten het bebouwde gebied van dat bedrijf gelegen zijn .

3 . De bepalingen van Richtlijn 89/391/EEG gelden ten volle voor het gehele in lid 1 bedoelde terrein, onverminderd dwingender en/of specifieke bepalingen die in de onderhavige richtlijn zijn opgenomen.

Artikel 2

Definitie

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder arbeidsplaats, elke plaats die bestemd is als locatie voor werkplekken in gebouwen van de onderneming en/of inrichting, met inbegrip van elke andere plaats op het terrein van de onderneming en/of inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft .

AFDELING II

VERPLICHTINGEN VAN DE WERKGEVERS

Artikel 3

Voor de eerste maal gebruikte arbeidsplaatsen

Arbeidsplaatsen die na 31 december 1992 voor de eerste maal worden gebruikt, moeten voldoen aan de in bijlage I opgenomen mimimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid.

Artikel 4

Reeds gebruikte arbeidsplaatsen

De arbeidsplaatsen die reeds vóór 1 januari 1993 in gebruik waren, moeten uiterlijk drie jaar na die datum voldoen aan de in bijlage II opgenomen minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid .

Voor wat de Portugese Republiek betreft, moeten evenwel de arbeidsplaatsen die reeds vóór 1 januari 1993 in gebruik waren uiterlijk vier jaar na deze datum voldoen aan de in bijlage II opgenomen minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid .

Artikel 5

Wijzigingen van de arbeidsplaatsen

Bij wijziging, uitbreiding en/of verbouwing van arbeidsplaatsen na 31 december 1992 treft de werkgever de nodige maatregelen om te waarborgen dat de uitgevoerde wijziging, uitbreiding en/of verbouwing in overeenstemming is met de desbetreffende minimumvoorschriften die in bijlage I zijn opgenomen .

Artikel 6

Algemene verplichtingen

Ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers dient de werkgever er zorg voor te dragen :

- dat de wegen naar de uitgangen en nooduitgangen, alsmede de uitgangen en nooduitgangen zelf, worden vrijgehouden zodat er te allen tijde gebruik van kan worden gemaakt;

- dat technisch onderhoud van de arbeidsplaatsen en de installaties en inrichtingen, met name van de in de bijlagen I en II genoemde, plaatsvindt en dat de geconstateerde gebreken die de veiligheid en de gezondheid van de werknemers kunnen beïnvloeden, zo snel mogelijk worden hersteld;

- dat de arbeidsplaatsen en installaties en inrichtingen, met name de in bijlage I, punt 6, en bijlage II, punt 6, genoemde, regelmatig worden schoongemaakt, ten einde voor adequate hygiënische omstandigheden te zorgen;

- dat de ter voorkoming of eliminatie van gevaren aangebrachte veiligheidsvoorzieningen en -inrichtingen, met name de in de bijlagen I en II genoemde, regelmatig worden onderhouden en dat de werking ervan wordt gecontroleerd .

Artikel 7

Voorlichting van de werknemers

Onverminderd artikel 10 van Richtlijn 89/391/EEG, worden de werknemers en/of hun vertegenwoordigers voorgelicht over alle maatregelen die met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid op de arbeidsplaatsen moeten worden genomen .

Artikel 8

Raadpleging en medezeggenschap van de werknemers

Overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 89/391/EEG worden de werknemers en/of hun vertegenwoordigers geraadpleegd en hebben zij medezeggenschap omtrent de materies die onder deze richtlijn, met inbegrip van de bijlagen, vallen .

AFDELING III

DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 9

Aanpassing van de bijlagen

De zuiver technische aanpassingen van de bijlagen in verband met :

- de vaststelling van richtlijnen op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie met betrekking tot het ontwerp, de vervaardiging of de constructie van delen van arbeidsplaatsen, en/of

- de technische vooruitgang, de ontwikkeling van internationale regelingen of specificaties en van de kennis op het gebied van arbeidsplaatsen,

worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 17 van Richtlijn 89/391/EEG .

Artikel 10

Slotbepalingen

1 . De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op

31 december 1992 aan deze richtlijn te voldoen . Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis .

Voor de Helleense Republiek geldt evenwel de datum 31 december 1994 .

2 . De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied reeds hebben vastgesteld of vaststellen .

3 . De Lid-Staten brengen de Commissie om de vijf jaar verslag uit over de praktische tenuitvoerlegging van de bepalingen van deze richtlijn, onder vermelding van de standpunten van de sociale partners .

De Commissie geeft kennis van het verslag aan het Europese Parlement, de Raad, het Economisch en Sociaal Comité en het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats .

4 . De Commissie legt op gezette tijden aan het Euro -

pese Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag voor over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, met inachtneming van de leden 1, 2 en 3 .

Artikel 11

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel, 30 november 1989 .

Voor de Raad

De Voorzitter

J . P . SOISSON

( 1 ) PB nr . C 141 van 30 . 5 . 1988, blz . 6;(2 ) PB nr . C 326 van 19 . 12. 1988, blz . 123, en(3 ) PB nr . C 175 van 4 . 7 . 1988, blz . 28.(4) PB nr . C 28 van 3 . 2 . 1988, blz . 3 .

( 5 ) PB nr . C 28 van 3 . 2. 1988, blz . 1 .

( 6 ) PB nr . L 183 van 29 . 6 . 1989, blz . 1 .

( 7 ) PB nr . L 185 van 9 . 7 . 1974, blz . 15 .

BIJLAGE I MINIMUMVOORSCHRIFTEN INZAKE VEILIGHEID EN GEZONDHEID VOOR DE VOOR DE EERSTE MAAL GEBRUIKTE ARBEIDSPLAATSEN, BEDOELD IN ARTIKEL 3 VAN DE RICHTLIJN 1 .

Opmerking vooraf

De in deze bijlage opgenomen verplichtingen gelden telkens als de kenmerken van de arbeidsplaats of de werkzaamheid, de omstandigheden of een risico zulks eisen .

2 .

Stabiliteit en stevigheid

De gebouwen waarin zich arbeidsplaatsen bevinden, moeten structuren hebben en een stevigheid vertonen die zijn afgestemd op het gebruik dat ervan wordt gemaakt .

3 .

Elektrische installatie

De elektrische installatie moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij geen brand - en ontploffingsgevaar oplevert en dat personen op afdoende wijze worden beschermd tegen ongevallenrisico's die uit directe of indirecte aanraking kunnen voortvloeien .

Bij het ontwerp, de uitvoering en de keuze van het materiaal en de beschermingsvoorzieningen moet rekening worden gehouden met de spanning, externe invloeden en de deskundigheid van de personen die toegang hebben tot delen van de installatie .

4 .

Vluchtwegen en nooduitgangen

4.1 .

De vluchtwegen en nooduitgangen moeten vrij blijven en via de kortste weg naar de open lucht of een veiligheidszone leiden .

4.2 .

Bij gevaar moeten alle werkplekken snel en optimaal veilig door de werknemers kunnen worden ontruimd .

4.3 .

Het aantal, de locatie en de afmetingen van de vluchtwegen en nooduitgangen zijn afhankelijk van het gebruik, de uitrusting en de afmetingen van de arbeidsplaatsen, alsmede van het maximumaantal personen dat zich op deze plaatsen kan ophouden .

4.4 .

Deuren van nooduitgangen moeten naar buiten kunnen worden geopend .

Deuren van nooduitgangen mogen niet op zodanige wijze gesloten zijn dat zij niet gemakkelijk en onmiddellijk kunnen worden geopend door iedereen die ze in geval van nood zou moeten gebruiken .

Schuifdeuren en draaideuren die specifiek deuren van nooduitgangen vormen, zijn verboden .

4.5 .

De markering van de specifieke vluchtwegen en nooduitgangen moet in overeenstemming zijn met de op Richtlijn 77/576/EEG (;) gebaseerde nationale voorschriften .

De daartoe gebruikte aanduidingen moeten op de juiste plaatsen zijn aangebracht en duurzaam zijn .

4.6 .

De deuren van nooduitgangen mogen niet op slot zijn .

De vluchtwegen en nooduitgangen alsook de andere wegen en de deuren daarvan mogen niet door voorwerpen zijn geblokkeerd, zodat zij steeds onbelemmerd kunnen worden gebruikt .

4 .7 .

Bij het uitvallen van de verlichting moeten de vluchtwegen en nooduitgangen die verlichting behoeven, met een voldoende sterke noodverlichting zijn uitgerust .

5 .

Brandmelding en -bestrijding

5.1 .

Afhankelijk van de omvang en het gebruik van de gebouwen, de daarin aanwezige uitrusting, de fysische en chemische kenmerken van de aanwezige stoffen, alsmede het maximumaantal personen dat zich erin kan ophouden, moeten de arbeidsplaatsen zijn uitgerust met passende brandbestrijdingsmiddelen en, waar nodig, met branddetectoren en alarmsystemen .

(;) PB nr . L 229 van 7 . 9 . 1977, blz . 12 .

5.2 .

De niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen moeten gemakkelijk bereikbaar en te bedienen zijn .

De markering ervan moet in overeenstemming zijn met de op Richtlijn 77/576/EEG gebaseerde nationale voorschriften .

De daartoe gebruikte aanduidingen moeten op de juiste plaatsen zijn aangebracht en duurzaam zijn .

6 .

Luchtverversing in besloten werkruimten

6.1 .

In besloten werkruimten moet ervoor worden gezorgd dat, rekening houdend met de werkmethoden en de door de werknemers te leveren lichamelijke inspanningen, voldoende niet verontreinigde lucht aanwezig is .

Indien een luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt, moet deze altijd bedrijfsklaar zijn .

Storingen moeten door een controlesysteem worden gemeld als dat noodzakelijk is voor de gezondheid van de werknemers .

6.2 .

Indien airconditioningsinstallaties of mechanische ventilatie-installaties worden gebruikt, moeten zij op zodanige wijze functioneren dat de werknemers niet aan hinderlijke tocht worden blootgesteld .

Elke aanlading en ongerechtigheid die via verontreiniging van de ingeademde lucht een onmiddellijk gevaar kan meebrengen voor de gezondheid van de werknemers, moet snel worden verwijderd .

7 .

Temperatuur in de ruimten

7.1 .

De temperatuur in werkruimten moet gedurende de arbeidstijd afgestemd zijn op het menselijk organisme, rekening houdend met de werkmethoden en de door de werknemers te leveren lichamelijke inspanningen .

7.2 .

De temperatuur van ontspanningsruimten, ruimten voor het personeel in avond - en nachtdienst, sanitaire ruimten, kantines en eerste-hulpruimten moet op de specifieke bestemming van deze ruimten zijn afgestemd .

7.3 .

Ramen, bovenlichtvoorzieningen en glazen wanden moeten zodanig zijn geconstrueerd dat, rekening houdend met het soort werk en de aard van de arbeidsplaats, overmatig zonlicht op de arbeidsplaatsen wordt vermeden .

8 .

Natuurlijke en kunstmatige verlichting van ruimten

8.1 .

Op de arbeidsplaatsen moet, voor zover mogelijk, voldoende daglicht kunnen binnenkomen en dienen de nodige voorzieningen voor een adequate kunstverlichting aanwezig te zijn om de veiligheid en gezondheid van de werknemers te beschermen .

8.2 .

De verlichtingsinstallaties in de werkruimten en verbindingswegen moeten zodanig zijn aangebracht dat de verlichting geen ongevallenrisico's voor de werknemers oplevert .

8.3 .

Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan bijzondere risico's zijn blootgesteld, moeten met een voldoende sterke noodverlichting zijn uitgerust .

9 .

Vloeren, muren, plafonds en daken van de ruimten

9 .1 .

Vloeren van ruimten moeten vrij zijn van hobbels, putten of gevaarlijke hellingen; zij moeten vast, stabiel en slipvrij zijn .

De arbeidsplaatsen waar werkplekken zijn ingericht, moeten voldoende thermisch geïsoleerd zijn, rekening houdend met de aard van het bedrijf en van de lichamelijke activiteit van de werknemers .

9.2 .

Het oppervlak van vloeren, muren en plafonds van de ruimten moet van zodanige aard zijn dat zij kunnen worden schoongemaakt en onderhouden teneinde passende hygiënische omstandigheden te verkrijgen .

9.3 .

Transparante of lichtdoorlatende wanden, met name volledig glazen wanden, in ruimten of in de omgeving van werkplekken en wegen moeten duidelijk zijn gemarkeerd en van veiligheidsmaterialen zijn vervaardigd of op zodanige wijze van die werkplekken en wegen zijn afgescheiden dat de werknemers niet met deze wanden in aanraking kunnen komen en ook niet gewond kunnen raken wanneer deze breken .

9.4 .

Toegang tot daken van materialen die niet voldoende weerstand bieden, is slechts toegestaan indien uitrusting wordt verstrekt waardoor het werk veilig kan worden uitgevoerd .

10 .

Ramen en bovenlichtvoorzieningen van de ruimten

10.1 .

Ramen, bovenlichtvoorzieningen en ventilatievoorzieningen moeten door de werknemers veilig kunnen worden geopend, gesloten, geregeld en vastgezet . In geopende stand mogen zij geen gevaar opleveren voor de werknemers .

10.2 .

Ramen en bovenlichtvoorzieningen moeten zodanig in combinatie met de uitrusting zijn ontworpen of zijn uitgerust met zodanige voorzieningen dat zij kunnen worden schoongemaakt zonder gevaar voor de werknemers die dit werk verrichten en voor de werknemers die zich in en om het gebouw bevinden .

11 .

Deuren en poorten

11.1 .

Plaats, aantal en afmetingen van deuren en poorten alsook de materialen waarvan zij worden vervaardigd, worden bepaald door de aard en het gebruik van de vertrekken of ruimten .

11.2 .

Op transparante deuren moet op ooghoogte een markering zijn aangebracht .

11.3 .

Klapdeuren en -poorten moeten transparant zijn of van transparante panelen zijn voorzien .

11.4 .

Wanneer de transparante of lichtdoorlatende oppervlakken van deuren en poorten niet van veiligheidsmateriaal zijn vervaardigd en als het gevaar bestaat dat werknemers gewond raken als een deur of een poort breekt, moeten deze oppervlakken tegen indrukken worden beveiligd .

11.5 .

Schuifdeuren moeten voorzien zijn van een veiligheidssysteem waardoor zij niet uit hun rails kunnen lopen of omvallen .

11.6 .

Deuren en poorten die naar boven toe opengaan, moeten voorzien zijn van een veiligheidssysteem waardoor zij niet kunnen terugvallen .

11.7 .

Deuren op het traject van vluchtwegen moeten op een passende wijze worden gemarkeerd .

Deze deuren moeten zonder speciale hulp te allen tijde van binnenuit geopend kunnen worden .

Wanneer er nog werknemers op de werkplek zijn, dienen de deuren te kunnen worden geopend .

11.8 .

In de onmiddellijke nabijheid van poorten die hoofdzakelijk voor het verkeer van voertuigen zijn bestemd, moeten zich, tenzij de doorgang voor voetgangers veilig is, deuren voor voetgangers bevinden die duidelijk zichtbaar gemarkeerd zijn en voortdurend vrij moeten blijven .

11.9 .

Automatische deuren en poorten moeten zodanig functioneren dat zij voor de werknemers geen risico's opleveren .

Zij moeten uitgerust zijn met gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen en moeten ook met de hand kunnen worden geopend, tenzij ze bij een energiestoring automatisch opengaan .

12 .

Wegen - gevarenzone

12.1 .

Wegen, met inbegrip van trappen, vaste ladders en laadplatforms, moeten zodanig zijn gelegen en berekend dat zij gemakkelijk, veilig en overeenkomstig hun bestemming door voetgangers of voertuigen kunnen worden gebruikt, en de werknemers die in de buurt van die wegen werken, geen enkel risico lopen .

12.2 .

Bij het bepalen van de afmetingen van voor verkeer van personen en/of goederen bestemde wegen, moet uitgegaan worden van het mogelijke aantal gebruikers en het soort onderneming .

Wanneer op de wegen transportmiddelen worden gebruikt, moet er een veilige afstand overblijven voor de voetgangers .

12.3 .

De voor voertuigen bestemde wegen moeten op voldoende afstand van deuren, poorten, doorgangen voor voetgangers, gangen en trappen liggen .

12.4 .

Het tracé van de wegen dient duidelijk te zijn afgebakend, voor zover het gebruik en de uitrusting van de ruimten zulks vereisen om de bescherming van de werknemers te kunnen garanderen .

12.5 .

Arbeidsplaatsen waar door de aard van het werk zones met valgevaar voor werknemers of gevaar voor vallende voorwerpen voorkomen, moeten voor zover mogelijk zijn uitgerust met voorzieningen die moeten beletten dat werknemers deze zones zonder toestemming betreden .

Er moeten adequate maatregelen worden getroffen om de werknemers die de gevarenzone mogen betreden, te beschermen .

De gevarenzones moeten duidelijk zichtbaar worden gemarkeerd .

13 .

Specifieke maatregelen voor roltrappen en rolpaden

Roltrappen en -paden moeten veilig functioneren .

Ze moeten zijn uitgerust met de noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen .

Zij moeten gemakkelijk herkenbare en toegankelijke noodstopvoorzieningen hebben .

14 .

Laadplatforms

14.1 .

De laadplatforms moeten zijn afgestemd op de afmetingen van de te vervoeren ladingen .

14.2 .

Laadplatforms moeten over ten minste één uitgang beschikken .

Voor zover dat technisch mogelijk is, moeten laadplatforms die een bepaalde lengte overschrijden, aan beide uiteinden een uitgang hebben .

14.3 .

Laadplatforms moeten binnen de grenzen van het mogelijke zo veilig zijn dat de werknemers niet kunnen vallen .

15 .

Afmetingen en luchtvolume van ruimten; bewegingsruimte op de werkplek

15.1 .

De oppervlakte, de hoogte en het luchtvolume van de werkruimten moeten toereikend zijn om de werknemers in staat te stellen hun werk zonder gevaar voor veiligheid, gezondheid of welzijn uit te voeren .

15.2 .

De afmetingen van het vrije, ongemeubileerde oppervlak van de werkplek moeten zodanig worden berekend dat het personeel bij zijn taakuitoefening over voldoende bewegingsruimte beschikt .

Indien om redenen die specifiek zijn voor de werkplek, niet aan deze eis kan worden voldaan, moet de werknemer op een andere plaats dicht bij zijn werkplek over voldoende vrije ruimte kunnen beschikken .

16 .

Ontspanningsruimten

16.1 .

Wanneer de veiligheid of de gezondheid van de werknemers, met name wegens de aard van de werkzaamheden of het personeelsbestand dat een bepaald aantal personen overtreft, zulks vereisen, moeten de werknemers de beschikking kunnen hebben over een gemakkelijk toegankelijke ontspanningsruimte .

Dit geldt niet voor personeel dat werkzaam is in kantoorruimten of soortgelijke werkruimten die tijdens werkonderbrekingen dezelfde ontspanningsmogelijkheden bieden .

16.2 .

Ontspanningsruimten moeten voldoende ruim bemeten zijn en uitgerust met voldoende tafels en stoelen met rugleuning, rekening houdend met het aantal werknemers .

16.3 .

In de ontspanningsruimten moeten de nodige maatregelen zijn getroffen ter bescherming van niet-rokers tegen hinder door tabaksrook .

16.4 .

Indien de werktijd regelmatig en frequent wordt onderbroken en er geen ontspanningsruimten voorhanden zijn, moet het personeel de beschikking krijgen over andere ruimten waar het zich tijdens werkonderbrekingen kan ophouden, daar waar de veiligheid of de gezondheid van de werknemers dit vereist .

In bedoelde ruimten moeten de nodige maatregelen zijn getroffen ter bescherming van niet-rokers tegen hinder door tabaksrook .

17 .

Zwangere vrouwen en zogende moeders

Zwangere vrouwen en zogende moeders moeten onder adequate omstandigheden in liggende positie kunnen rusten .

18 .

Sanitaireen andere voorzieningen

18.1 .

Kleedkamers en garderobekasten

18.1.1 .

Wanneer de werknemers speciale werkkledij moeten dragen en men van hen om redenen van gezondheid of fatsoen niet kan verlangen dat zij zich elders verkleden, moeten er passende kleedkamers beschikbaar worden gesteld .

De kleedkamers moeten gemakkelijk bereikbaar zijn, voldoende ruim zijn en met stoelen of banken zijn uitgerust .

18.1.2 .

De kleedkamers moeten voldoende ruim bemeten zijn en zodanig zijn uitgerust dat elke werknemer zijn kleding tijdens de werktijd achter slot en grendel kan bewaren .

Indien de omstandigheden zulks vereisen ( bij voorbeeld gevaarlijke stoffen, vocht, vuil ), moeten voor werkkleding en persoonlijke kleding afzonderlijke kasten beschikbaar zijn .

18.1.3 .

Er moet worden voorzien in aparte kleedkamers voor mannen en vrouwen, dan wel gescheiden gebruik van de kleedkamers .

18.1.4 .

Wanneer er geen kleedkamers vereist zijn in de zin van punt 18.1.1, moet elke werknemer kunnen beschikken over een plaats om zijn kleding op te hangen .

18.2 .

Doucheruimten en wastafels

18.2.1 .

Wanneer zulks wegens de aard van de werkzaamheden of om redenen van hygiëne vereist is, moeten er voldoende geschikte doucheruimten ter beschikking van het personeel staan .

Er moet worden voorzien in aparte doucheruimten voor mannen en vrouwen, dan wel gescheiden gebruik van de doucheruimten .

18.2.2 .

De doucheruimten moeten voldoende ruim bemeten zijn om iedere werknemer in staat te stellen zich onder hygiënisch verantwoorde omstandigheden ongehinderd te wassen .

De doucheruimten moeten voorzien zijn van warm en koud stromend water .

18.2.3 .

Wanneer er geen doucheruimten vereist zijn in de zin van punt 18.2.1, eerste alinea, moeten er dicht bij de werkplek en de kleedkamers voldoende passende wasbakken met stromend water ( zo nodig warm ) zijn aangebracht .

Er moet worden voorzien in aparte wastafels, dan wel gescheiden gebruik van wastafels, voor mannen en vrouwen wanneer zulks om redenen van fatsoen noodzakelijk is .

18.2.4 .

Indien de douche - of wasruimten en de kleedkamers gescheiden zijn, moet hiertussen een gemakkelijke verbinding bestaan .

18.3 .

Toiletten en wastafels

De werknemers moeten - dicht bij hun werkplek, rustruimten, kleedkamers en douche - of wasruimten - beschikken over speciale ruimten met een voldoende aantal toiletten en wastafels .

Er moet worden voorzien in aparte toiletten voor mannen en vrouwen, dan wel gescheiden gebruik van de toiletten .

19 .

Eerste-hulpposten

19.1 .

Wanneer de grootte van de ruimten, de aard van de daar verrichte werkzaamheden en de frequentie van de ongevallen zulks vereisen, moeten er een of meer eerste-hulpposten worden ingericht .

19.2 .

De eerste-hulpposten moeten voorzien zijn van de noodzakelijke eerste-hulpuitrusting en gemakkelijk met brancards kunnen worden betreden .

Deze posten moeten overeenkomstig de op Richtlijn 77/576/EEG gebaseerde nationale voorschriften zijn gemarkeerd .

19.3 .

Op alle plaatsen waar de werkomstandigheden zulks vereisen, moet eerste-hulpmateriaal aanwezig zijn .

Dit materiaal moet duidelijk gemarkeerd en gemakkelijk bereikbaar zijn .

20 .

Gehandicapte werknemers

Bij de inrichting van de arbeidsplaatsen moet in voorkomend geval met gehandicapte werknemers rekening worden gehouden .

Dit geldt met name voor deuren, verbindingswegen, trappen, doucheruimten, wasruimten, toiletten, en werkplekken die rechtstreeks door gehandicapte werknemers worden ingenomen .

21 .

Arbeidsplaatsen in de open lucht ( bijzondere bepalingen )

21.1 .

Werkplekken, wegen en andere locaties of installaties in de open lucht waar werknemers werkzaam zijn, moeten zodanig zijn ontworpen dat het verkeer van voetgangers en voertuigen er veilig kan plaatsvinden .

De punten 12, 13 en 14 zijn eveneens van toepassing op de belangrijkste wegen op het bedrijfsterrein ( wegen naar vaste werkplekken ), op de voor het periodieke onderhoud en de geregelde bewaking van de installaties van de onderneming gebruikte wegen, en op laadplatforms .

Punt 12 is van overeenkomstige toepassing op arbeidsplaatsen in de open lucht .

21.2 .

Wanneer er onvoldoende daglicht is, moeten arbeidsplaatsen in de open lucht behoorlijk verlicht zijn door middel van kunstlicht .

21.3 .

Werkplekken in de open lucht moeten, voor zover mogelijk, zodanig zijn ingericht dat de betrokken werknemers :

a ) beschermd zijn tegen ongunstige weersomstandigheden en, zo nodig, tegen vallende voorwerpen,

b ) niet zijn blootgesteld aan schadelijke geluidsniveaus of schadelijke invloeden van buiten ( bij voorbeeld gas, stoom, stof ),

c ) bij gevaar hun werkplek snel kunnen verlaten of snel te hulp kunnen worden gekomen,

d ) niet kunnen uitglijden of vallen .

BIJLAGE II MINIMUMVOORSCHRIFTEN INZAKE VEILIGHEID EN GEZONDHEID VOOR REEDS GEBRUIKTE ARBEIDSPLAATSEN, BEDOELD IN ARTIKEL 4 VAN DE RICHTLIJN 1 .

Opmerking vooraf

De in deze bijlage opgenomen verplichtingen gelden telkens als de kenmerken van de arbeidsplaats of de werkzaamheid, de omstandigheden of een risico zulks eisen .

2 .

Stabiliteit en stevigheid

De gebouwen waarin zich arbeidsplaatsen bevinden, moeten structuren hebben en een stevigheid vertonen die zijn afgestemd op het gebruik dat ervan wordt gemaakt .

3.

Elektrische installatie

De elektrische installatie mag geen brand - en ontploffingsgevaar opleveren; personen moeten op afdoende wijze worden beschermd tegen ongevallenrisico's die uit directe of indirecte aanraking kunnen voortvloeien .

Bij de elektrische installatie en de beschermingsvoorzieningen moet rekening worden gehouden met de spanning, externe invloeden en de deskundigheid van de personen die toegang hebben tot delen van de installatie .

4 .

Vluchtwegen en nooduitgangen

4.1 .

De vluchtwegen en nooduitgangen moeten vrij blijven en via de kortste weg naar de open lucht of een veiligheidszone leiden .

4.2 .

Bij gevaar moeten alle werkplekken snel en optimaal veilig door de werknemers kunnen worden ontruimd .

4.3 .

Er dienen voldoende vluchtwegen en nooduitgangen te zijn .

4.4 .

Deuren van nooduitgangen moeten naar buiten kunnen worden geopend .

Deuren van nooduitgangen mogen niet op zodanige wijze gesloten zijn dat zij niet gemakkelijk en onmiddellijk kunnen worden geopend door iedereen die ze in geval van nood zou moeten gebruiken .

Schuifdeuren en draaideuren die specifiek deuren van nooduitgangen vormen, zijn verboden .

4.5 .

De markering van de specifieke vluchtwegen en nooduitgangen moet in overeenstemming zijn met de op Richtlijn 77/576/EEG gebaseerde nationale voorschriften .

De daartoe gebruikte aanduidingen moeten op de juiste plaatsen zijn aangebracht en duurzaam zijn .

4.6 .

De deuren van nooduitgangen mogen niet op slot zijn .

De vluchtwegen en nooduitgangen alsook de andere wegen en de deuren daarvan mogen niet door voorwerpen zijn geblokkeerd, zodat zij steeds onbelemmerd kunnen worden gebruikt .

4.7 .

Bij het uitvallen van de verlichting moeten de vluchtwegen en nooduitgangen die verlichting behoeven, met een voldoende sterke noodverlichting zijn uitgerust .

5 .

Brandmelding en -bestrijding

5.1 .

Afhankelijk van de omvang en het gebruik van de gebouwen, de daarin aanwezige uitrusting, de fysische en chemische kenmerken van de aanwezige stoffen, alsmede het maximumaantal personen dat zich erin kan ophouden, moeten de arbeidsplaatsen zijn uitgerust met passende brandbestrijdingsmiddelen en, waar nodig, met branddetectoren en alarmsystemen .

5.2 .

De niet-automatische brandbestrijdingsmiddelen moeten gemakkelijk bereikbaar en te bedienen zijn .

De markering ervan moet in overeenstemming zijn met de op Richtlijn 77/576/EEG gebaseerde nationale voorschriften .

De daartoe gebruikte aanduidingen moeten op de juiste plaatsen zijn aangebracht en duurzaam zijn .

6 .

Luchtverversing in besloten werkruimten

In besloten werkruimten moet ervoor worden gezorgd dat, rekening houdend met de werkmethoden en de door de werknemers te leveren lichamelijke inspanningen, voldoende niet verontreinigde lucht aanwezig is .

Indien een luchtverversingsinstallatie wordt gebruikt, moet deze altijd bedrijfsklaar zijn .

Storingen moeten door een controlesysteem worden gemeld als dat noodzakelijk is voor de gezondheid van de werknemers .

7 .

Temperatuur in de ruimten

7.1 .

De temperatuur in werkruimten moet gedurende de arbeidstijd afgestemd zijn op het menselijk organisme, rekening houdend met de werkmethoden en de door de werknemers te leveren lichamelijke inspanningen .

7.2 .

De temperatuur van ontspanningsruimten, ruimten voor het personeel in avond - en nachtdienst, sanitaire ruimten, kantines en eerste-hulpruimten moet op de specifieke bestemming van deze ruimten zijn afgestemd .

8 .

Natuurlijke en kunstmatige verlichting van ruimten

8.1 .

Op de arbeidsplaatsen moet, voor zover mogelijk, voldoende daglicht kunnen binnenkomen en dienen de nodige voorzieningen voor een adequate kunstverlichting aanwezig te zijn om de veiligheid en gezondheid van de werknemers te beschermen .

8.2 .

Arbeidsplaatsen waar werknemers bij het uitvallen van de kunstverlichting aan bijzondere risico's zijn blootgesteld, moeten met een voldoende sterke noodverlichting zijn uitgerust .

9 .

Deuren en poorten

9.1 .

Op transparante deuren moet op ooghoogte een markering zijn aangebracht .

9.2 .

Klapdeuren en -poorten moeten transparant zijn of van transparante panelen zijn voorzien .

10 .

Gevarenzones

Arbeidsplaatsen waar door de aard van het werk zones met valgevaar voor werknemers of gevaar voor vallende voorwerpen voorkomen, moeten voor zover mogelijk zijn uitgerust met voorzieningen die moeten beletten dat werknemers deze zones zonder toestemming betreden .

Er moeten adequate maatregelen worden getroffen om de werknemers die de gevarenzone mogen betreden, te beschermen .

De gevarenzones moeten duidelijk zichtbaar worden gemarkeerd .

11 .

Ontspanningsruimten en -plaatsen

11.1 .

Wanneer de veiligheid of de gezondheid van de werknemers, met name wegens de aard van de werkzaamheden of het personeelsbestand dat een bepaald aantal personen overtreft, zulks vereisen, moeten de werknemers de beschikking kunnen hebben over een passende, gemakkelijk toegankelijke ontspanningsruimte of -plaats .

Dit geldt niet voor personeel dat werkzaam is in kantoorruimten of soortgelijke werkruimten die tijdens werkonderbrekingen dezelfde ontspanningsmogelijkheden bieden .

11.2 .

Ontspanningsruimten en -plaatsen moeten zijn uitgerust met tafels en stoelen met rugleuning .

11.3 .

In de ontspanningsruimten en -plaatsen moeten de nodige maatregelen zijn getroffen ter bescherming van niet-rokers tegen hinder door tabaksrook .

12 .

Zwangere vrouwen en zogende moeders

Zwangere vrouwen en zogende moeders moeten onder adequate omstandigheden in liggende positie kunnen rusten .

13 .

Sanitaire en andere voorzieningen

13.1 .

Kleedkamers en garderobekasten

13.1.1 .

Wanneer de werknemers speciale werkkledij moeten dragen en men van hen om redenen van gezondheid of fatsoen niet kan verlangen dat zij zich elders verkleden, moeten er passende kleedkamers beschikbaar worden gesteld .

De kleedkamers moeten gemakkelijk bereikbaar en voldoende ruim zijn .

13.1.2 .

De kleedkamers moeten zodanig zijn uitgerust dat elke werknemer zijn kleding tijdens de werktijd achter slot en grendel kan bewaren .

Indien de omstandigheden zulks vereisen ( bij voorbeeld gevaarlijke stoffen, vocht, vuil ), moeten voor werkkleding en persoonlijke kleding afzonderlijke kasten beschikbaar zijn .

13 .1.3 .

Er moet worden voorzien in aparte kleedkamers voor mannen en vrouwen, dan wel gescheiden gebruik van de kleedkamers .

13.2 .

Doucheruimten, toiletten en wastafels

13.2.1 .

De arbeidsplaatsen moeten zodanig zijn ingericht dat de werknemers dicht bij de werkplek beschikken over :

- doucheruimten, indien de aard van hun werkzaamheden zulks vereist;

- speciale ruimten met een voldoend aantal toiletten en wastafels .

13.2.2 .

De douches en wastafels moeten zijn uitgerust met stromend water ( zo nodig warm ).

13.2.3 .

Er moet worden voorzien in aparte doucheruimten voor mannen en vrouwen, dan wel gescheiden gebruik van de doucheruimten .

Er moet worden voorzien in aparte toiletten voor mannen en vrouwen, dan wel gescheiden gebruik van de toiletten .

14 .

Eerste-hulpmateriaal

In de arbeidsplaatsen moet eerste-hulpmateriaal aanwezig zijn .

Dit materiaal moet duidelijk gemarkeerd en gemakkelijk bereikbaar zijn .

15 .

Gehandicapte werknemers

Bij de inrichting van de arbeidsplaatsen moet in voorkomend geval met gehandicapte werknemers rekening worden gehouden .

Dit geldt met name voor deuren, verbindingswegen, trappen, doucheruimten, wasruimten, toiletten, en werkplekken die rechtstreeks door gehandicapte werknemers worden ingenomen .

16 .

Verkeer van voetgangers en voertuigen

Arbeidsplaatsen, al dan niet in de open lucht, moeten zodanig zijn ontworpen dat het verkeer van voetgangers en voertuigen er veilig kan plaatsvinden .

17 .

Werkplekken in de open lucht ( bijzondere bepalingen )

Werkplekken in de open lucht moeten, voor zover mogelijk, zodanig zijn ingericht dat de betrokken werknemers :

a ) beschermd zijn tegen ongunstige weersomstandigheden en, zo nodig, tegen vallende voorwerpen,

b ) niet zijn blootgesteld aan schadelijke geluidsniveaus of schadelijke invloeden van buiten ( bij voorbeeld gas, stoom, stof ),

c ) bij gevaar hun werkplek snel kunnen verlaten of snel te hulp kunnen worden gekomen,

d ) niet kunnen uitglijden of vallen .