Home

86/398/EEG: Beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) (Slechts de teksten in de Duitse, Engelse, Franse, Italiaanse en de Nederlandse taal zijn authentiek)

86/398/EEG: Beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) (Slechts de teksten in de Duitse, Engelse, Franse, Italiaanse en de Nederlandse taal zijn authentiek)

86/398/EEG: Beschikking van de Commissie van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) (Slechts de teksten in de Duitse, Engelse, Franse, Italiaanse en de Nederlandse taal zijn authentiek)

Publicatieblad Nr. L 230 van 18/08/1986 blz. 0001 - 0066


 

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 23 april 1986 inzake een procedure op grond van artikel 85 van het EEG-Verdrag (IV/31.149 - Polypropyleen) (Slechts de teksten in de Duitse, de Engelse, de Franse, de Italiaanse en de Nederlandse taal zijn authentiek) (86/398/EEG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962, eerste verordening over de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EEG-Verdrag (1), laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van Spanje en Portugal, en met name op artikel 3, lid 1,

Gezien het besluit van de Commissie van 30 april 1984 om ambtshalve een procedure in te leiden,

Na de partijen conform artikel 19, lid 1, van Verordening nr. 17 en Verordening nr. 99/63/EEG van de Commissie van 25 juli 1963 over het horen van belanghebbenden en derden overeenkomstig artikel 19, leden 1 en 2, van Verordening nr. 17 van de Raad (2) in de gelegenheid te hebben gesteld hun standpunt ter zake van de punten van bezwaar welke de Commissie in aanmerking heeft genomen kenbaar te maken,

Na het Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities te hebben geraadpleegd,

Overwegende hetgeen volgt:

DEEL I

DE FEITEN

(1)

De onderhavige beschikking vloeit voort uit verificaties die in oktober 1983 overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening nr. 17 van de Raad werden uitgevoerd bij de meeste fabrikanten van bulk thermoplastic polypropyleen, die de EEG-markt bevoorraadden. Bij de verificaties ontdekte de Commissie schriftelijk bewijsmateriaal waaruit bleek dat de mees-

te leveranciers van polypropyleen sinds ongeveer eind 1977 regelmatig hadden deelgenomen aan een geïnstitutionaliseerd systeem van bijeenkomsten van vertegenwoordigers van de fabrikanten, zowel op bestuursniveau als op dat van de technische leiding (de zogenaamde "bosses''- en "experts''-bijeenkomsten). Op deze bijeenkomsten, die zich tot een twee keer per maand plaatshebbend gebeuren ontwikkelden en

werden aangevuld met plaatselijke "ad hoc''-bijeen-

komsten voor elke Lid-Staat, ontwikkelden de fabrikanten een controlesysteem voor de jaarlijkse hoeveelheden, ten einde de beschikbare markt onder elkaar te verdelen naar een overeengekomen percentage of naar richthoeveelheden en stelden zij regelmatig richtprijzen vast die in een reeks zogeheten prijs-"initiatieven'' werden toegepast. De belangrijkste vier fabrikanten, ICI, HOECHST, MONTEPOLIMERI en SHELL (waarvan laatstgenoemde de geregelde "bosses''- of "experts''-bijeenkomsten echter niet bijwoonde), vormden een inofficieel directoraat dat bekend stond als de "grote vier'' en dat, naar is waargenomen, tot taak had de kleinere fabrikanten voor te gaan en aan te sporen bij de toepassing van de verschillende regelingen.

A. De markt

I. Het produkt

(2)

Het produkt waarop deze beschikking betrekking heeft is polypropyleen, een van de voornaamste bulk thermoplastic polymeren, uitgevonden in 1954. Het is uiteindelijk een derivaat van ruwe olie. Nafta, de belangrijkste grondstof voor de petrochemische industrie, wordt verkregen uit olie en dan verwerkt of "gekraakt'' voor de produktie van (onder meer) propyleen, de grondstof voor polypropyleen.

Polypropyleen wordt door de fabrikanten verkocht aan verwerkers, voor de verwerking tot eindprodukten of halffabrikaten. Een aantal fabrikanten is verticaal geïntegreerd in de verwerkende industrie. De verwerking kan geschieden door extrusie, "injection moulding'' of "blow moulding'' naar gelang van de specifieke toepassing.

(3)

De grootste polypropyleenfabrikanten hebben een reeks van meer dan 100 verschillende kwaliteiten die in zeer uiteenlopende uiteindelijke gebruiksdoeleinden toepassing vinden.

Voor een gemakkelijke referentie zij vermeld dat als de belangrijkste basiskwaliteiten van polypropyleen kunnen worden beschouwd raffia (of vezel), homopolymeer injection moulding, copolymeer injection moulding, high impact copolymeer en folie.

Polypropyleen wordt onder meer gebruikt voor de vervaardiging van folie en plakband voor verpakkingen, touw, kleding, auto-onderdelen, huishoudelijke goederen en andere consumentenartikelen.

Afhankelijk van de prijsverhoudingen kan polypropyleen een vervangingsmiddel zijn voor produkten zoals hout, metaal, papier, textiel of jute evenals voor andere plastics zoals polystyreen of PVC.

In de goedkopere kwaliteiten (zoals raffia en vezel) is het produkt grotendeels homogeen, maar ten aanzien van de copolymeren kan de onderlinge vervangbaarheid van de leveranciers beperkt zijn door uiteenlopende fysieke of chemische eigenschappen van hun produkten.

II. De ondernemingen

(4)

Alle ondernemingen tot welke de onderhavige beschikking is gericht, zijn belangrijke petrochemische fabrikanten. De meeste van hen zijn ondernemingen waarvan het hoofdkantoor en de produktiefaciliteiten binnen de EEG zijn gevestigd. Een klein aantal andere betrokken fabrikanten hebben hun verkoophoofdkantoor buiten de Gemeenschap, hoewel zij de EEG-markt bevoorraden.

(5)

De ondernemingen die aan inbreuken deelnamen waren:

- ANIC SpA, Milaan, Italië (ANIC),

- ATO CHIMIE SA, Parijs, Frankrijk (thans ATOCHEM) (ATO),

- BASF AG, Ludwigshafen, Duitsland (BASF),

- DSM NV, Heerlen, Nederland (DSM),

- HERCULES CHEMICALS NV, Brussel, België (HERCULES),

- HOECHST AG, Frankfurt am Main, Duitsland (HOECHST),

- CHEMISCHE WERKE HUELS, Marl, Duitsland (HUELS),

- ICI PLC, Londen, Verenigd Koninkrijk (ICI),

- CHEMISCHE WERKE LINZ, Linz, Oostenrijk (LINZ),

- MONTEPOLIMERI SpA, Milaan, Italië (thans MONTEDIPE) (MONTEPOLIMERI),

- PETROFINA SA, Brussel, België (PETROFINA),

- RHÔNE-POULENC SA, Parijs, Frankrijk (RHÔNE-POULENC),

- SHELL INTERNATIONAL CHEMICALS COMPANY LTD, Londen, Verenigd Koninkrijk (SHELL),

- SOLVAY & CIE, Brussel, België (SOLVAY),

- SAGA PETROKJEMI AS & Co. (thans onderdeel van STATOIL), Bamble, Noorwegen (SAGA).

Een mededeling van punten van bezwaar was gericht tot BP CHEMICALS LTD, de opvolger van

RHÔNE-POULENC, en tot AMOCO CHEMI-

CALS LTD, maar deze twee fabrikanten vallen niet onder deze beschikking.

III. Ontwikkeling van de polypropyleenmarkt

(6)

De EEG-markt voor polypropyleen wordt momenteel bevoorraad door ongeveer 16 Westeuropese fabrikanten, met inbegrip van hen die in Spanje en Portugal zijn gevestigd maar geen partij zijn in de onderhavige procedure (3). Sedert de datum van de laatstbekende vergadering van fabrikanten eind 1983, hebben zich bepaalde structurele wijzigingen voorgedaan in de bedrijfstak, met name de oprichting door MONTEPOLIMERI en HERCULES van een gemeenschappelijke dochtermaatschappij onder de naam HIMONT. SAGA CHEMICALS AS & Co., de Noorse fabrikant, werd eind 1983 overgenomen door de oliemaatschappij STATOIL, die een staatsbedrijf is. Zij vormt thans een winstplaats in de activiteiten van deze fabrikant en is niet meer in een afzonderlijke rechtspersoon ondergebracht.

(7)

De Westeuropese markt voor polypropyleen wordt bijna geheel bevoorraad door in Europa gevestigde produktiefaciliteiten. Leveranties uit de Verenigde

Staten, Oost-Europa en Japan zijn van betrekkelijk geringe betekenis (tussen 1 en 2,5 % per jaar van de totale markt in de laatste vijf jaren), hoewel er geen officiële kwantitatieve invoerbeperkingen van kracht zijn.

De totale vraag naar polypropyleen (alle kwaliteiten) in West-Europa in 1983 werd geraamd op ongeveer 1,6 miljoen ton. De uitvoer van de Westeuropese fabrikanten naar overzeese markten bedroeg ongeveer 350 000 ton. De geschatte nominale capaciteit in West-Europa bedroeg in 1983 2 430 000 ton, maar de daadwerkelijke capaciteit lag misschien wat lager (ongeveer 2 100 000 ton) (4).

(8)

De vier voornaamste fabrikanten, MONTEPOLIMERI, HOECHST, ICI en SHELL nemen te zamen ongeveer 50 % van de EEG-markt voor polypropyleen voor hun rekening (in 1977 bedroeg hun gezamenlijk aandeel 64 %). MONTEPOLIMERI bezat verschillende fabrieken in Italië en was samen met PETROFINA eigenaar van een produktiefaciliteit in België. HOECHST, de voornaamste Duitse fabrikant, bezat fabrieken in Frankrijk, in Spanje en in Duitsland. Desgelijks had ICI niet alleen in het Verenigd Koninkrijk maar ook in Nederland een fabriek terwijl de fabrieken van de SHELL-groep in het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Frankrijk waren gelegen.

Er bestaat een niet onaanzienlijke handel in polypropyleen tussen de Lid-Staten. De produktie-eenheden zijn gevestigd in België, Frankrijk, Duitsland, Italië, Nederland, Spanje, Portugal en het Verenigd Koninkrijk en ieder van de toenmalige EEG-producenten leverde het produkt in de meeste, zoniet alle Lid-Staten.

MONTEPOLIMERI (een onderdeel van het MONTEDISON-concern), de grootste fabrikant in de EEG, had ongeveer 15 % van de markt in 1982. Na overname van de activiteiten van een andere Italiaanse fabrikant, ANIC, in 1983, had MONTEPOLIMERI ongeveer 18 % van de Europese markt in handen. Op 1 oktober 1983 stichtte MONTEPOLIMERI een gemeenschappelijke dochtermaatschappij onder de naam HIMONT met HERCULES, de belangrijkste fabrikant van polypropyleen in de Verenigde Staten, waarvan HERCULES CHEMICALS SA de Europese chemische dochteronderneming is. In de nieuwe vennootschap HIMONT zijn de produktiefaciliteiten over de hele wereld van de beide concerns verenigd, hoewel in Europa afzonderlijke verkooporganisaties zijn gehandhaafd. MONTEPOLIMERI is, na een interne reorganisatie van het MONTEDISON-concern, thans bekend onder de naam MONTEDIPE.

ICI, SHELL en HOECHST zijn van vergelijkbare grootte en hebben thans elk een marktaandeel in West-Europa van ongeveer 11 %. Vóór de oprichting van HIMONT nam HERCULES iets minder dan 6 % van de Westeuropese markt voor zijn rekening. ATO, BASF, DSM, HUELS, LINZ, SOLVAY en SAGA (thans STATOIL) hadden een marktaandeel van 3 à 5 %. De laatste fabrikant die op de markt kwam, PETROFINA, is de kleinste producent met minder dan 2 % van de markt in 1983 (zie tabel 1 in de bijlage).

(9)

De grootste nationale markt in de EEG voor polypropyleen is Duitsland, dat in 1982 ongeveer 24 % van het Westeuropese verbruik voor zijn rekening nam, gevolgd door Italië (23 %), het Verenigd Koninkrijk (19 %) en Frankrijk (16 %) (zie tabel 2 in de bijlage).

Het verbruik van polypropyleen in West-Europa is sedert 1970 vervijfvoudigd. In de zeventiger jaren groeide de vraag met gemiddeld 15-20 % per jaar. In de tachtiger jaren zwakte de groei van de vraag wat af maar bedroeg nog steeds gemiddeld 9 %. De verkopen in 1983 van meer dan 1,6 miljoen ton in West-Europa vertegenwoordigen een stijging van 15 % ten opzichte van 1982, welk jaar een groei vertoonde van 6 % ten opzichte van het jaar daarvoor.

(10)

Voor 1977 werd de polypropyleenmarkt in West-Europa (die in dat jaar ongeveer 960 000 ton vertegenwoordigde) bevoorraad door tien fabrikanten. Naast de vier groten waren de andere fabrikanten ANIC in Italië, RHÔNE-POULENC in Frankrijk, ALCUDIA in Spanje, HUELS en BASF in Duitsland en het Oostenrijkse staatsbedrijf LINZ.

De hoofdoctrooien van MONTEDISON liepen in de meeste Europese landen af in 1976-1978.

In West-Europa gingen in 1977 zeven nieuwe fabrikanten van start: AMOCO en HERCULES in België, ATO en SOLVAY in Frankrijk, SIR in Italië, DSM in Nederland en TAQSA in Spanje. SAGA, de Noorse fabrikant, begon zijn activiteiten midden 1978. Daarnaast bouwden de gevestigde fabrikanten SHELL en ICI in Frankrijk en Nederland nieuwe fabrieken, die in de loop van 1978 op gang kwamen. De fabriek MONTEFINA in België (gezamenlijk eigendom van PETROFINA en MONTEPOLIMERI) werd in het begin van 1980 aanbesteed. Aanvankelijk trad MONTEFINA op als een gezamenlijk verkoopkantoor voor beide aandeelhouders. Sedert maart 1982 brengt PETROFINA zijn aandeel in de produktie van deze fabriek zelf op de markt en wordt het restant door MONTEPOLIMERI in de handel gebracht.

Sinds de datum van het onderzoek van de Commissie hebben een aantal fabrikanten de capaciteit van hun bestaande polypropyleen-faciliteiten uitgebreid of nieuwe fabrieken gebouwd.

(11)

De komst in 1977-1978 van de nieuwe fabrikanten met een nominale capaciteit van ongeveer 480 000

ton leidde tot een aanzienlijke toename van de in Europa aanwezige capaciteit die gedurende verschillende jaren niet gepaard ging met een toename van de vraag op die markt.

Volgend door ICI verstrekte cijfers was het gebruik van polypropyleen in West-Europa in 1977 nauwelijks voldoende om 51 % van de bestaande produktiecapaciteit draaiende te houden, ofschoon in 1983 72 % van de beschikbare capaciteit werd benut om aan de interne vraag in West-Europa te voldoen. De produktie voor overzeese uitvoer meegerekend bedroeg de bezettingsgraad van de fabrieken 60 % in 1977 en 90 % in 1983.

De mening van de bedrijfstak, zoals tot uitdrukking gebracht in de door de Commissie verkregen documentatie, is dat vraag en aanbod vanaf 1982 ongeveer in evenwicht waren en inderdaad was zelfs volgens de door ICI verstrekte cijfers de gemiddelde capaciteitsbenutting van de Europese fabrikanten in 1983 tot 90 % (inclusief export) gestegen.

De marktverhoudingen in West-Europa waren in 1980 tot en met 1983 als volgt:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

IV. Kosten en rentabiliteit

(12)

Over het grootste deel van de door het onderzoek bestreken periode werd de polypropyleenmarkt, naar is medegedeeld, gekenmerkt door hetzij een geringe rentabiliteit, hetzij aanzienlijke verliezen.

De vaste kosten zijn aanzienlijk, met als gevolg dat de rentabiliteit in grote mate afhangt van het verkrijgen van een hoge bezettingsgraad van de fabrieken.

Wat de variable kosten betreft zijn de kosten van de grondstof propyleen een van de belangrijkste bestanddelen voor polypropyleen. Volgens de fabrikanten verdubbelde de prijs van propyleen in DM tussen 1977 en 1983 (en lag deze in 1981 en 1982 bij tijden zelfs nog hoger). Terwijl de polypropyleenprijzen in dezelfde periode van 1,00 DM/kg waren gestegen tot

2,00 DM/kg of meer, waren er prijsschommelingen en periodes dat de marge tussen de polypropyleenprijs en de prijs van raffiakwaliteit polypropyleen zo gering was dat de fabrikanten naar hun zeggen de variabele kosten niet konden dekken.

Was de grondprijs (propyleen) in 1977-1978 nog 30-35 % van de prijs van raffiakwaliteit polypropyleen, tussen 1980 en 1982 steeg deze tot ongeveer 55-60 % en daalde tot ongeveer 50 % einde 1983. (Voor de betere kwaliteiten liggen de percentages lager.)

Volgens schattingen van ICI in 1982, had een "goede gemiddelde producent'' van polypropyleen een opbrengst nodig van 1 DM/kg boven de prijs van propyleen om het "break-even point'' te bereiken ("af fabriek''-kosten, inclusief alle overheadkosten en afschrijving). De "lage kosten''-producenten zouden dat break-even point met een lagere opbrengst bereiken (0,80 DM/kg), en de minder efficiënte producenten zouden iets meer nodig hebben.

Schommelingen in de polypropyleenprijzen hebben niet steeds die in de propyleenprijzen gevolgd: bij voorbeeld werden de prijzen voor propyleen einde 1982 aanzienlijk verlaagd en bleven zij gelijk gedurende het jaar 1983, terwijl de prijzen voor polypropyleen belangrijk stegen in de tweede helft van 1983.

Volgens de fabrikanten stegen de polypropyleenprijzen in 1982 langzaam, maar pas eind 1983 waren voor een aantal (maar niet voor alle) fabrikanten de marges voldoende hersteld om voor het eerst sedert 1977 weer winst te maken.

ICI, BASF, DSM, HOECHST, HUELS en MONTEPOLIMERI hebben elk afzonderlijk hun financiële resultaten over de vijfjarige periode van 1979 tot en met 1983 overgelegd aan een accountantsfirma die de geaccumuleerde verliezen van de zes ondernemingen berekent op meer dan 1 miljard DM (435 miljoen Ecu).

(13)

Naar aanleiding van informele contacten van bepaalde industrieleiders met de Commissie, werden in juli 1982 negen van de grootste thermoplastic-fabrikanten door de Commissie uitgenodigd om een zitting bij te wonen over de problemen inzake de herstructurering van de plasticindustrie: acht van hen waren fabrikanten die betrokken zijn bij de onderhavige zaak, ATO, BASF, DSM, ICI, HOECHST, MONTEPOLIMERI, SHELL en SOLVAY. De eerste bijeenkomst vond plaats op 14 juli 1982 en werd bijgewoond door de hoofdbestuurders van de ondernemingen en drie leden van de Commissie. Op de bijeenkomst werd overeenstemming bereikt over de oprichting van een werkgroep die voor de Commissie een rapport moest opstellen (het Gatti-Grenier-rapport) met voorstellen inzake capaciteitsvermindering voor de thermoplastics LDPE, HDPE en PVC. Dit rapport werd voorgelegd op een tweede bijeenkomst van de Commissie met verschillende van de ondernemingen. De belangrijkste conclusies waren dat een

"crisiskartel'' niet gewettigd was en dat eenzijdige maatregelen of tweezijdige overeenkomsten om overtollige fabrieken te sluiten aan de problemen van de bedrijfstak zouden beantwoorden. Geen van de fabrikanten was echter van mening dat een aanzienlijke capaciteitsvermindering in de polypropyleensector vereist was. De Commissie heeft altijd beklemtoond (zie bij voorbeeld het tweede verslag over het mededingingsbeleid, punten 29-31; het achtste verslag, punt 42; het twaalfde verslag, punten 38-41; het dertiende verslag; punten 56-61) dat haar goedkeuring van gezamenlijke maatregelen voor de oplossing van het probleem van structurele overcapaciteit ervan afhangt of er geen onaanvaardbare concurrentiebeperkingen zijn zoals het vaststellen van prijzen of quota. Dit voorbehoud is altijd heel duidelijk gemaakt aan alle fabrikanten die crisismaatregelen voorstelden.

B. Het onderzoek van de Commissie

(14)

Op 13 en 14 oktober 1983 voerden personeelsleden van de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening nr. 17 tegelijkertijd en onaangekondigd verificaties uit bij tien van de ondernemingen tot welke deze beschikking is gericht: ATO, BASF, DSM, HERCULES, HOECHST, HUELS, ICI, MONTEPOLIMERI, SHELL en SOLVAY. Ook werd een bezoek gebracht aan BP CHIMIE in Parijs.

Na de verificaties werden verzoeken om inlichtingen uit hoofde van artikel 11 van Verordening nr. 17 gezonden aan de fabrikanten die de Westeuropese markt bevoorraadden, met inbegrip van LINZ en SAGA. LINZ betwistte de bevoegdheid van de Commissie en weigerde op het verzoek te antwoorden.

Verdere verificaties, dit keer ingevolge artikel 14, lid 2, werden verricht bij de wederverkopers van LINZ in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, bij ANIC in Italië en bij de dochtermaatschappij van SAGA PETROKJEMI in het Verenigd Koninkrijk.

C. Bewijsmateriaal

(15)

Het belangrijkste bewijsmateriaal waarop deze beschikking berust, omvat:

a)

gedetailleerde verslagen (gewoonlijk met het opschrift "persoonlijk - geen kopie in dossier'') door werknemers van ICI van een groot aantal bijeenkomsten (hoofdzakelijk vanaf midden 1982, maar er zijn ook enkele aantekeningen van vroegere bijeenkomsten in 1979 en 1981 bij), die in sommige gevallen gedetailleerde tabellen met de overeengekomen richtprijzen voor elke belangrijke kwaliteit en in elke Europese valuta bevatten;

b)

verslagen door een werknemer van HERCULES, die betrekking hebben op twee van de bijeenkomsten waaromtrent ook verslagen van ICI zijn ontdekt (10 maart 1982; 13 mei 1982);

c)

interne memoranda van ICI, welke waren opgesteld door dezelfde werknemers die de bijeenkomsten bijwoonden en betrekking hadden op aangelegenheden die op bijeenkomsten waren of zouden worden besproken, alsmede op evaluaties van de met betrekking tot de regelingen geboekte vooruitgang en van de houding van de andere deelnemers;

d)

interne boekhoudstukken, reisopdrachten enz. die de aanwezigheid van vertegenwoordigers van de verschillende fabrikanten aantonen of bevestigen bij de meeste of alle bijeenkomsten waarvan bekend is dat zij zijn gehouden, met name in 1982 en 1983 (Het ist veelbetekenend dat het werkelijke doel van de reis in de reisdocumenten verborgen werd gehouden; doorgaans werd "bezoek aan klanten'' als doel vermeld.);

e)

door ICI gemaakte aantekeningen van bijeenkomsten tussen haar vertegenwoordigers en die van SHELL, MONTEPOLIMERI en (soms) HOECHST (de "grote vier'');

f)

bij ICI en HERCULES gevonden documenten - waarvan sommige afkomstig zijn van Italiaanse of Duitse fabrikanten - welke details bevatten van de Europese quotaregelingen vanaf 1979;

g)

uitgebreide planningdocumenten die door ICI werden opgesteld met het oog op een nieuwe Europese quotaregeling voor 1983, evenals door ICI gemaakte aantekeningen van voorstellen van elk van de fabrikanten en in sommige gevallen documenten met eigen gedetailleerde voorstellen die van dergelijke fabrikanten zelf - BASF, SAGA en SOLVAY - afkomstig waren;

h)

van ATO verkregen documenten met betrekking tot de uitwisseling van informatie over leveranties van de Franse fabrikanten in de EEG en het toepassen van quota op de Franse markt in 1979, alsmede gedetailleerde gegevens betreffende het Europese quotaplan voor 1980;

i)

bij ICI en SAGA PETROCHEMICALS (UK) LTD (thans STATOIL UK LTD) gevonden documenten met betrekking tot plaatselijke bijeenkomsten in het Verenigd Koninkrijk tijdens welke richtprijzen werden vastgesteld;

j)

interne documenten van een aantal fabrikanten met verwijzingen naar "richtprijzen'' en "prijsinitiatieven''welke overeenkomen met die waaromtrent - naar bekend is - overeenstemming is bereikt in bijeenkomsten van fabrikanten;

k)

prijsinstructies van de hoofdkantoren van de verschillende fabrikanten voor hun verschillende nationale verkoopkantoren waarbij deze werden gelast of verzocht prijsniveaus toe te passen of de prijzen op te trekken tot niveaus die overeenkomen met die waarover - naar is bewezen - overeenstemming was bereikt in de desbetreffende bijeenkomsten van de fabrikanten;

l)

antwoorden van de fabrikanten op verzoeken om inlichtingen ingevolge artikel 11 van Verordening nr. 17, waarin zij allen toegeven een groot aantal bijeenkomsten van "bosses'' en "experts'', en in veel gevallen ook "lokale'' bijeenkomsten bij te wonen.

Het door de Commissie bij de uitoefening van haar bevoegdheiden ingevolge Verordening nr. 17 verkregen schriftelijke bewijsmateriaal wordt samengevat in de punten 16 tot en met 67.

I. De oorspronkelijke "bodemprijsovereenkomst''

(16)

In 1977 dienden zich zeven nieuwe polypropyleenfabrikanten aan in West-Europa en de gevestigde fabrikanten begonnen besprekingen ten einde een aanzienlijke daling van de prijsniveaus en de daarmee gepaard gaande verliezen te voorkomen.

Als onderdeel van deze besprekingen namen de voornaamste fabrikanten, MONTEPOLIMERI (toen MONTEDISON), HOECHST, ICI en SHELL, het initatief voor een "bodemprijsovereenkomst'' die op 1 augustus 1977 zou moeten ingaan. De oorspronkelijke overeenkomst hield geen controle op hoeveelheden in, maar indien de overeenkomst zou blijken goed te voldoen, werd voor 1978 een dergelijke controle overwogen. De bodemprijsovereenkomst zou aanvankelijk voor vier maanden moeten gelden. Details van deze bodemprijsovereenkomst werden meegedeeld aan de overige fabrikanten met inbegrip van HERCULES.

De "bodemprijzen'' (zoals door de marketingdirecteur van HERCULES voor de belangrijkste kwaliteiten voor elke Lid-Staat genoteerd) waren gebaseerd op een marktprijs voor de raffiakwaliteit van 1,25 DM/kg.

De deelnemers aan de overeenkomst waren aangeduid als de "vier groten'', maar ook waren in de regeling bepalingen opgenomen dat niet met name aangeduide "importeurs'' wat lagere prijzen konden toepassen.

ICI en SHELL erkennen dat er contacten waren met andere fabrikanten om te bezien hoe het afglijden van de prijzen kon worden tegengegaan. Volgens ICI was er wellicht een prijsniveau voorgesteld waaronder de prijzen niet mochten dalen. Door ICI en SHELL is bevestigd dat de besprekingen niet tot de "grote vier'' waren beperkt. Uit een bij SOLVAY gevonden en 6 september 1977 gedateerd document blijkt dat op 30 augustus 1977 een bijeenkomst plaatsvond van SOLVAY en de NV SHELL, de Belgische SHELL-maatschappij, om de prijs van polypropyleen te bespreken. Ook HERCULES was op zijn minst zeer goed op de hoogte van het resultaat van de prijsbesprekingen. De identiteit van de overige betrokken fabrikanten kon echter niet worden vastgesteld.

Nauwkeurige details betreffende de werking van de "bodemprijs''-overeenkomst konden niet worden vastgesteld. Toen echter in november 1977 de raffia-

prijs naar gemeld tot ongeveer 1,00 DM/kg daalde, kondigde MONTEDISON een prijsverhoging tot 1,30 DM/kg aan die op 1 december moest ingaan, en op 25 november meldde de vakpers dat de overige drie groten dit plan ondersteunden met een soortgelijke verhoging die op dezelfde datum of later in december moest ingaan.

(17)

Ongeveer in die tijd begon het systeem van regelmatige bijeenkomsten van de polypropyleenfabrikanten. ICI stelt dat de bijeenkomsten niet vóór december 1977 werden gehouden (dat wil zeggen na de aankondiging van MONTEDISON) maar zij gaf toe dat vóór die datum contacten tussen de fabrikanten bestonden, waarschijnlijk per telefoon en op een "ad hoc''-basis.

SHELL zegt dat "het mogelijk is dat haar directeurs in of rond november 1977 met MONTEPOLIMERI besprekingen hebben gehad en dat MONTEPOLIMERI daarbij de mogelijkheid van een prijsverhoging heeft geopperd en heeft gepeild naar (SHELL's) opvattingen over de wijze waarop SHELL op een verhoging zou reageren'' (antwoord van SHELL op de mededeling van de punten van bezwaar).

Hoewel er geen rechtstreekse aanwijzingen zijn dat vóór december 1977 groepsbijeenkomsten zijn gehouden om prijzen vast te stellen, brachten de fabrikanten bijeenkomsten van een handelsassociatie van verbruikers (EATP: "European Association for Textile Polyolefins'') die in mei en november 1977 werden gehouden reeds op de hoogte van de door hen aangevoelde noodzaak een gemeenschappelijke actie te ondernemen om de prijsniveaus te verbeteren. HERCULES had in mei 1977 beklemtoond dat de "traditionele leiders van de industrietak'' het initiatief zouden moeten nemen terwijl HOECHST had gezegd te geloven dat de prijzen met 30-40 % zouden moeten stijgen (bron: EATP-notulen).

Het initiatief van MONTEDISON (waarmee een prijs van 1,30 DM/kg per 1 december werd beoogd) werd in de vakpers bekend gemaakt slechts enkele dagen voor de bijeenkomst van de EATP van 22 november 1977, waarop HERCULES, HOECHST, ICI, LINZ, RHÔNE-POULENC, SAGA en SOLVAY - die de bijeenkomst bijwoonden als "toegevoegde leden'' - alle verklaarden dat zij het initiatief zouden "ondersteunen''. Uit hun toespraken, zoals die in de notulen zijn weergegeven, blijkt dat het door MONTEDISON vastgestelde niveau van 1,30 DM/kg door de andere fabrikanten als een algemeen "doel'' van de industrietak was aanvaard.

Ondanks dat enkele kortingen werden verleend, was dit prijsinitiatief doeltreffend en in april 1978 waren de Europese polypropyleenprijzen naar verluidt met 25-30 % gestegen ten opzichte van november 1977.

II. Het systeem van de geregelde bijeenkomsten

(18)

In 1978 vonden ten minste zes bijeenkomsten plaats tussen hoofdbestuurders die verantwoordelijk waren

voor het algehele beleid in het polypropyleenbedrijf van enkele van de fabrikanten. Dit systeem werd al snel aangevuld met bijeenkomsten op lager niveau, die werden bijgewoond door managers die over een meer gedetailleerde kennis op het gebied van marketing beschikken (antwoord van ICI op een verzoek om inlichtingen overeenkomstig artikel 11 van Verordening nr. 17). Vanaf begin 1981 werden maandelijks afzonderlijke bijeenkomsten gehouden van "bosses'' (de hoofdbestuurders of directeuren) en van "experts'' (de specialisten op het gebied van de marketing).

Elke maand werden de data en de plaats van de eerstvolgende bijeenkomsten van "bosses'' en "experts'' afgesproken en werd een van de fabrikanten aangewezen om de voorbereidingen te treffen. Een lijst van de bekende bijeenkomsten is opgenomen in tabel 3 in de bijlage.

De regelmatige deelnemers aan deze bijeenkomsten waren ANIC, ATO, BASF, DSM, HUELS, HOECHST, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI, PETROFINA, RHÔNE-POULENC, SAGA en SOLVAY (bron: hun antwoorden op de verzoeken om inlichtingen en de vermeldingen in de notulen van de bijeenkomsten). HERCULES beweert dat zij de bijeenkomsten tot en met de eerste helft van 1982 slechts onregelmatig bijwoonde maar geeft toe vanaf mei van dat jaar vaker dan voordien aanwezig te zijn geweest.

Ofschoon alle fabrikanten krachtens artikel 11 van Verordening nr. 17 werden verzocht een lijst over te leggen van de bijeenkomsten die ieder van hen sedert 1979 had bijgewoond, verstrekten de meesten slechts gedetailleerde gegevens over de periode vanaf de tweede helft van 1982, dat wil zeggen de periode waarin hun aanwezigheid op bepaalde vergaderingen ook bleek uit de reisdocumenten die reeds in het bezit van de Commissie waren. Met uitzondering van HUELS gaven de fabrikanten echter wel toe reeds vóór die tijd aan bijeenkomsten te hebben deelgenomen. Details betreffende de aanwezigheid van iedere fabrikant afzonderlijk op vergaderingen sedert mei 1982 zijn opgenomen in tabel 4 in de bijlage.

(19)

RHÔNE-POULENC droeg haar polypropyleenbelangen over aan BP en nam sedert eind 1980 niet meer aan de bijeenkomsten deel. Evenzo woonde ANIC de bijeenkomsten niet meer bij sedert ongeveer het midden of het einde van 1982, daar haar belangen waren overgenomen door MONTEPOLIMERI ingevolge een overeenkomst die in maart 1983 werd afgerond. De Commissie neemt aan dat zowel BP als AMOCO, een dochteronderneming van een oliefabrikant in de Verenigde Staten, de bijeenkomsten niet bijwoonden, maar er bestond enige communicatie tussen deze beide fabrikanten en de overigen inzake aangelegenheden zoals prijsinitiatieven en quota die op bijeenkomsten waren besproken.

Tot augustus 1982 werden de bijeenkomsten van "bosses'' en "experts'' voorgezeten door een vertegenwoordiger van MONTEPOLIMERI. In het midden

van 1982 werd besloten dat ICI het vorzitterschap zou overnemen, een verantwoordelijkheid die zij slechts aanvaardde op voorwaarde dat door de fabrikanten energiekere pogingen zouden worden gedaan om de prijzen voor het einde van het jaar te verhogen (zie punt 58).

SHELL woonde de plenaire bijeenkomsten niet bij, maar ontmoette de andere grote fabrikanten soms op "ad hoc''-bijeenkomsten om speciale problemen in verband met de prijszetting en/of een beperking van de hoeveelheden te bespreken, en vanaf laat in 1982 nam zij regelmatig deel aan de bijeenkomsten van de "grote vier'' die de dag voorafgaande aan de normale bijeenkomsten van "bosses'' werden gehouden (antwoorden van SHELL en ICI op de verzoeken om inlichtingen).

Tabel 5 in de bijlage bevat een lijst van de bijeenkomsten van de "grote vier'' waarvan de Commissie weet heeft.

(20)

De bijeenkomsten van "bosses'' en "experts'' werden aangevuld met veelvuldige bijeenkomsten ter bespreking van de toepassing op nationaal niveau van de in de plenaire bijeenkomsten afgesproken regelingen: van deze bijeenkomsten is bekend dat zij werden gehouden voor België, Nederland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Italië en Scandinavië (bron: antwoorden op verzoeken om inlichtingen; notulen). Er zijn geen aantekeningen van een plaatselijke bijeenkomst voor Duitsland, maar de drie Duitse fabrikanten BASF, HOECHST en HUELS hadden onderling nauwe contacten en namen een gemeenschappelijk standpunt in ten aanzien van bepaalde aangelegenheden zoals quota (zie punt 59).

ATO, DSM, HERCULES, HUELS, HOECHST, ICI, MONTEPOLIMERI, PETROFINA, SHELL, SOLVAY en SAGA geven alle toe plaatselijke bijeenkomsten te hebben bijgewoond of waren daarop blijkens de notulen van die bijeenkomsten aanwezig.

Tabel 6 in de bijlage bevat een lijst van de lokale bijeenkomsten waarvan de Commissie weet heeft.

III. Het doel van de bijeenkomsten

(21)

Op de bijeenkomsten werd (blijkens het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen en de notulen van de bijeenkomsten) gestreefd naar:

a)

het vaststellen van de prijsniveaus welke de fabrikanten in een komende tijd wilden halen ("richtprijzen'') door middel van een prijs-"initiatief'', dat zich soms over verschillende maanden uitstrekte en uit verschillende "getrapte'' verhogingen bestond;

b)

afspraken omtrent een tabel of lijst van richtprijzen voor elk van de belangrijke kwaliteiten in de desbetreffende valuta, niet alleen voor elke lokale markt in de EEG maar ook voor andere landen in West-Europa;

c)

afspraken en/of aanbevelingen omtrent door de fabrikanten te nemen maatregelen ten einde te zorgen voor de toepassing van alle prijsinitiatieven zoals het bepalen van de tijdstippen van de voorgestelde prijsverhogingen en de aankondiging daarvan aan de klanten, de produktie- of verkoopbeperkingen, het controleren van voorraden of het afvoeren daarvan naar markten overzee en andere maatregelen om een gunstig klimaat voor prijsverhogingen te scheppen;

d)

een bespreking van de prijsniveaus die in het algemeen in de EEG of op een bepaalde nationale markt zijn bereikt, de mate van succes van een bepaald prijsinitiatief en de vooruitzichten voor verdere prijsverhogingen;

e)

rapportering door elk van de fabrikanten inzake de respectieve hoeveelheden welke hij contractueel op zich had genomen in de komende maanden tegen of onder de afgesproken "richtprijzen'' te leveren (vanaf ongeveer het midden van 1982);

f)

onderhandelingen over een afspraak op jaarbasis inzake verkoop-"doelen'' of "quota'' voor elke fabrikant, met inaanmerkingneming van de verwachte totale vraag op de markt, de verlangens en de prestaties in het verleden van elke fabrikant;

g)

het toezicht op de door elke fabrikant bereikte marktaandelen aan de hand van de "doel''-hoeveelheden, zowel op maand- als op jaarbasis en voor de perioden waarover geen definitieve jaarlijkse quota-afspraak was gemaakt, het toezicht op "behaalde'' verkopen aan de hand van de verkopen over een bepaalde referentieperiode in het verleden;

h)

beslissingen over mogelijke wijzen van benadering van de paar fabrikanten die de bijeenkomsten niet bijwoonden (BP en AMOCO) om hun opvattingen te vernemen of hun medewerking te verkrijgen met betrekking tot specifieke aangelegenheden in verband met prijs-"initiatieven''.

i)

het bespreken van "prijsanomalieën'' en het verstrekken van uitleg door fabrikanten die volgens de anderen "prijsvertredingen'' (dat wil zeggen verkopen beneden de overeengekomen prijzen) zouden hebben begaan.

IV. Richtprijzen

(22)

Na het vaststellen van een "bodemprijs'' in het midden van 1977 en het "initiatief'' in november van dat jaar was een van de belangrijkste taken van de eind 1977 begonnen bijeenkomsten van fabrikanten om voor elk van de voornaamste kwaliteiten polypropyleen zogeheten "richtprijzen'' vast te stellen.

Gemakshalve werden de overeengekomen doelen doorgaans uitgedrukt in de prijs van raffiakwaliteit in DM voor Duitsland (de Westduitse prijzen zijn veelal bepalend voor het algemene Europese peil). Het was echter gebruik om een gedetailleerde tabel van

doelen in elke nationale valuta op te stellen voor verschillende kwaliteiten - raffia, fijne vezel, homopolymeer injection moulding, copolymeer, batterijkwaliteit en foliokwaliteit. Voorbeelden van dergelijke tabellen waren gehecht aan de door ICI opgestelde notulen van de bijeenkomsten van januari 1981, 13 mei 1982 en 2 september 1982 en aan door HERCULES opgestelde notulen van een bijeenkomst op 10 maart 1982.

(23)

Voor de toepassing van een dergelijke richtprijs werd een datum vastgesteld. Soms werd de nadere regeling van het "prijsinitiatief'' waarmee het doelniveau door onderling afgestemd optreden moest worden vastgesteld, reeds verschillende maanden van tevoren uitgewerkt. De mogelijkheid bestond dat de richtprijzen gedurende de periode van het prijsinitiatief in verschillende afzonderlijke etappes werden toegepast (bij voorbeeld 1,50 DM/kg de eerste, 1,75 DM/kg de tweede, en 2,00 DM/kg de derde maand). Soms werden prijsinitiatieven uitgesteld of gedurende een maand gedeeltelijk uitgevoerd om een gunstig klimaat te scheppen voor een vastberaden poging in de maand daarop ("standvastig worden''). Ook konden uitzonderingen voor een bepaald land worden overeengekomen om rekening te houden met de plaatselijke marktomstandigheden, prijsbeheersing, schommelingen in de wisselkoers en andere factoren.

Om het overeengekomen prijsinitiatief uit te voeren, werden door de fabrikanten verschillende vormen van onderling afgestemde maatregelen beraamd (zie punt 27). Het hoofdeel was om een prijsverhoging tot stand te brengen in één of meer beslissende "etappes'' en niet door een algemeen omhoog gerichte tendens.

De bepaalde prijzen hadden echter de neiging onder de richtprijzen te blijven (zie de punten 73 en 74) en er kunnen verschillende zwakke plekken worden onderkend, met betrekking tot hetzij een bepaalde nationale markt hetzij een bepaald produkt, waarbij het plan moest worden gewijzigd of de uitvoering daarvan uitgesteld.

De fabrikanten volgden de ontwikkeling van elk prijsinitiatief en wisselden op bijeenkomsten informatie uit over de door hen ondernomen stappen en over de ontwikkeling van de prijsniveaus op elke markt (bron: het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen en de notulen van de bijeenkomsten).

V. Prijsinitiatieven: algemeen

(24)

Wanneer prijs-"initiatieven'' eenmaal waren overeengekomen, moesten zij worden omgezet in onderling afgestemde maatregelen op de markt om de prijsverhogingen toe te passen. (In dit verband zij opgemerkt dat bijna alle fabrikanten tijdens de administratieve procedure in deze zaak betoogden dat er geen "leiding op de markt'' was daar het geven van prijsinstructies een zuiver interne handeling van elke onderneming was.)

De gespecialiseerde vakpers maakte regelmatig bij voorbaat melding van elk prijsinitiatief, met een aanduiding van de nieuwe "richt''-prijzen (meestal in DM) en de plannen van de fabrikanten met betrekking tot mogelijke verdere verhogingen. Van deze initiatieven werd niet specifiek gezegd dat zij het resultaat waren van systematische afspraken, maar zij werden in het algemeen beschreven als een "prijsstoot'' of een "prijsoffensief'' van de fabrikanten om de prijsniveaus naar een bepaald doel te tillen.

Sedert de fabrikanten waren begonnen richtprijzen vast te stellen op bijeenkomsten, werd in de vakpers vaak bericht dat één van de grote fabrikanten de "leiding'' had genomen bij een prijsinitiatief om tot een bepaalde richtprijs te geraken, terwijl van de anderen werd vermeld dat zij de verhoging "steunden''. In aantekeningen van ICI van een bijeenkomst die nog betrekkelijk kort geleden, namelijk op 20 mei 1983, werd gehouden, stond dat een bepaald prijsinitiatief "openlijk'' door SHELL zou worden geleid en kort daarna verscheen een mededeling hieromtrent in de desbetreffende publikatie.

Wat de gevaren van dergelijke mededelingen ook mochten zijn, uit bij ICI gevonden documenten blijkt dat aankondigingen een nuttige manier werden geacht om de markt voor te bereiden op prijsstijgingen en de klanten te verstaan te geven dat deze door alle fabrikanten zouden worden "gevolgd''.

(25)

Behalve door berichten van voorgestelde prijsinitiatieven in de vakpers werd de toepassing van nieuwe doelen voorbereid doordat de fabrikanten zelf hun klanten soms lang van tevoren waarschuwden voor op handen zijnde prijsverhogingen. Zodoende waren de klanten voorbereid op de verhogingen wanneer deze formeel werden aangekondigd. Soms werden de verkoopkantoren gewaarschuwd dat zij zich niet tegenover een afnemer mochten verbinden om na een bepaalde datum tegen de nieuwe prijs te leveren, om zodoende verdere prijsverhogingen te vergemakkelijken. Tijdens een initiatief voor een verhoging in verschillende etappes instrueerde een fabrikant de verkoopkantoren soms om de nieuwe prijzen pas op het laatste ogenblik op te geven om zo veel mogelijk profijt te trekken van de "impuls'' van de stijgende prijs.

Soms instrueerden de hoofdkantoren hun verkoopstaf ook om zich "hard'' op te stellen tegenover klanten en droegen zij argumenten aan om eventuele weerstand van de klant te overwinnen en de klanten te overreden de voorgestelde prijsverhoging te aanvaarden.

Bij andere gelegenheden, wanneer het noodzakelijk of wenselijk werd geacht aan bepaalde afnemers enige toegevingen te doen om hen te overreden een prijsverhoging te aanvaarden, werd de verkoopkantoren een bepaalde handelingsvrijheid gelaten bij hun onderhandelingen, maar over het algemeen moesten zij voor een bijzondere regeling met grote klanten vooraf de toestemming van het hoofdkantoor vragen.

Prijswijzigingen werden gewoonlijk aan de klanten meegedeeld in circulaires die door de nationale verkoopkantoren werden verzonden. Dit gebeurde soms in de vorm van een korte aankondiging dat de prijs vanaf een bepaalde datum met een bepaald bedrag zou worden verhoogd. Andere keren werd een verklaring gegeven voor de prijsverhoging. Indien prijslijsten werden opgesteld, waren deze blijkbaar alleen voor intern gebruik bestemd.

(26)

Van elk van de fabrikanten heeft de Commissie de door het hoofdkantoor in de loop van de laatste paar jaren aan de verschillende nationale verkoopkantoren gegeven instructies ontvangen. Deze reeksen prijsinstructies zijn niet volledig, met name vóór 1982, en met betrekking tot een aantal fabrikanten bestrijken zij slechts enkele van de bekende prijsinitiatieven, maar het schema blijkt te zijn dat kort na bijeenkomsten waarop voor elke hoofdkwaliteit en in elke belangrijke valuta bepaalde richtprijzen werden vastgesteld, door elk van de fabrikanten aan zijn nationale verkoopkantoren of agenten instructies werden gegeven om deze richtprijzen toe te passen.

Indien aan een bepaald prijsinitiatief kracht moest worden bijgezet, dienden gunstige omstandigheden voor een verhoging te worden geschapen en van tijd tot tijd werden op bijeenkomsten verschillende maatregelen aanbevolen of afgesproken om de toepassing van een gepland initiatief te ondersteunen.

(27)

De op bijeenkomsten overeengekomen maatregelen om het bereiken van streefniveaus te ondersteunen omvatten:

- instructies aan de verkoopkantoren om liever minder te verkopen dan toegevingen te doen met betrekking tot de prijs;

- een vermindering van de verkopen door elke fabrikant tot de in een voorafgaande referentieperiode geldende niveaus. Zo werd laat in 1979 het systeem afgesproken dat elke fabrikant zijn maandelijkse verkopen over het laatste kwartaal van het jaar zou beperken tot een twaalfde van 80 % van de in een eerder jaar verkochte hoeveelheid;

- het zo veel mogelijk verleggen van leveranties naar markten overzee om een voor een prijsverhoging bevorderlijke schaarste in Europa te scheppen;

- uitwisseling van informatie over geplande tijdelijke fabriekssluitingen die ertoe zouden kunnen bijdragen het totale aanbod te verminderen;

- bij benadering door een bepaalde klant van andere fabrikanten dan diens regelmatige leveranciers, opgave door die andere fabrikanten van enigszins hogere prijzen dan de richtprijzen, ter vermijding van het gevaar van "klantentoerisme'' (dat wil zeggen dat de klant naar een nieuwe leverancier gaat in de hoop een gunstigere prijs te verkrijgen dan de door zijn vaste leverancier gedane offerte);

- informatie van de paar fabrikanten die geen bijeenkomsten bijwoonden, over het resultaat van een bijeenkomst in de hoop hen ertoe te brengen hun prijzen nauwer te doen aansluiten bij die van de "club'' of anders om te pogen hun steun voor een prijsinitiatief te verwerven;

- vanaf ongeveer september 1982 een systeem dat bekend stond als "account management'', of in een later bijgeschaafde vorm als "account leadership'' (met "account'' is "klant'' bedoeld) om een doeltreffende toepassing van een overeengekomen verhoging te garanderen door één leverancier aan te wijzen om hun contacten met een bepaalde klant (in het geheim) te cooerdineren.

Het systeem, dat was voorgesteld door de vertegenwoordiger van HERCULES, vraagt om enige uitleg. Er werd vastgesteld wie in België, Italië, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk de "essentiële'' klanten waren en voor elk van hen werd een "cooerdinator'' benoemd. In december 1982 werd een meer algemene aanvaarding van het systeem voorgesteld, waarbij voor elke belangrijke klant een "account leader'' werd benoemd die "prijsinitiatieven zou leiden, bespreken en organiseren''. Andere fabrikanten die geregeld met de betrokken klant zaken hadden gedaan stonden bekend als "betwisters'' en zouden met de "account leader'' samenwerken bij offertes aan de betrokken klant. Ten einde de account leader en de betwisters te "beschermen'' moesten alle andere fabrikanten die door de klant werden benaderd hogere prijzen dan de nagestreefde richtprijs noemen. Deze fabrikanten werden "niet-betwisters'' genoemd.

Alle fabrikanten die op dit tijdstip aan de bijeenkomsten deelnamen (met inbegrip van SHELL) waren aangewezen als cooerdinator of "leader'' voor ten minste één belangrijke klant. ICI beweert dat de regeling na slechts enkele maanden instortte wegens gedeeltelijke en ondoeltreffende toepassing. Uit volledige aantekeningen van de op 3 mei 1983 gehouden "experts''-bijeenkomst blijkt echter dat toen uitgebreide besprekingen plaatsvonden over afzonderlijke klanten, over de aan dezen door elke fabrikant opgegeven of op te geven prijzen en over de geleverde of bestelde hoeveelheden.

VI. Individuele prijsinitiatieven

(28)

Het systeem van richtprijzen en prijsinitiatieven gold vanaf laat 1977(ICI zegt dat "de gedachte om "richtprijzen'' aan te bevelen tijdens de eerste in 1978 plaats gehad hebbende bijeenkomsten werd ontwikkeld'', maar uit het schriftelijke bewijsmateriaal bljkt dat het overleg tussen de fabrikanten omtrent de prijzen reeds tijdens het voorafgaande jaar was begonnen). Er zijn geen documenten beschikbaar met betrekking tot de gedetailleerde toepassing van deze regelingen in vroegere jaren door elke fabrikant, maar de Commissie kon uit het schriftelijke bewijsmateriaal opmaken dat er sedert laat 1979 ten minste zes prijsinitiatieven

waren geweest (waarvan sommige zich elk over zes maanden uitstrekten), met betrekking waartoe de interne prijsinstructies van de meeste fabrikanten ook beschikbaar waren, namelijk:

Tijdvak

Richtprijzen voor raffiakwaliteit (DM/kg)

juli t/m december

1979:

1 juli: 1,90, 1 september: 2,05;

januari t/m mei 1981:

1 januari: 1,50, 1 februari: 1,75, 1 maart: 2,00, 1 mei: 2,15;

augustus t/m december 1981:

1 augustus: 2,00, 1 september: 2,20 (uitgesteld tot oktober), 1 december: 2,30 (gewijzigd in 2,15),

juni en juli 1982:

1 juni: 2,00;

september t/m november 1982:

1 september: 2,00, 1 oktober: 2,10 (uitgesteld tot 1 oktober en 1 november);

juli t/m november

1983:

1 juli: 1,85, 1 september: 2,00, 1 oktober: 2,10, 1 november: 2,25.

Deze zes prijsinitiatieven worden beschreven in de punten 29 tot 51 (zie ook tabel 7 in de bijlage).

a) Juli tot en met december 1979

(29)

De propyleenprijs steeg in de loop van 1979 belangrijk. De polypropyleenprijs steeg in gelijke mate als de grondstoffenprijzen. In de vakpers was sprake van "gezamenlijke pogingen'' van de fabrikanten om gelijke tred te houden met de sterk stijgende polypropyleenprijs. Tegen midden 1979 bedroeg de prijs voor raffiakwaliteit ongeveer 1,65 DM/kg.

Er is geen nader bewijsmateriaal voorhanden van gehouden bijeenkomsten of prijsinitiatieven in het eerste deel van 1979. Uit een aantekening over een op 26-27 september 1979 gehouden bijeenkomst blijkt echter, dat een prijsinitiatief in het voornemen lag op basis van een prijs voor raffiakwaliteit van 1,90 DM/kg vanaf 1 juli en 2,05 DM/kg vanaf 1 september. Dit wordt bevestigd door de notulen van een interne bijeenkomst van SHELL op 5 juli 1979: "De richtprijs voor 1 juli 1979 was 1,90 DM/kg, maar dit niveau werd niet gehaald, met name in Frankrijk of

Duitsland.''.

(30)

In de vakpers heette het dat MONTEDISON (MONTEPOLIMERI) voornemens was de prijs te verhogen tot het niveau van 2,05 DM/kg op 1 september, welke prijsbeweging gesteund werd door SHELL en ICI. Uit verkregen prijsinstructies aan de verkoopkantoren van de twee laatstgenoemde fabrikanten, evenals van ATO, BASF, HOECHST en LINZ blijkt dat zij allen hun nationale verkoopkantoren instructies hadden gegeven dit prijsniveau of het equivalent daarvan in

nationale valuta toe te passen met ingang van 1 september (BASF met ingang van 20 augustus). Deze instructies werden bijna alle gegeven vóór de bekendmaking van de door MONTEDISON voorgenomen prijsverhoging in de vakpers. (Van de andere fabrikanten waren geen prijsinstructies beschikbaar.)

(31)

Tegen einde september 1979 had de raffiaprijs 1,70-1,75 DM/kg bereikt, iets beneden de richtprijs. In de notulen van een op 12 september 1979 gehouden vergadering van de SHELL-polypropyleengroep staat vermeld: "De voorzitter merkt op dat de richtprijs van 2,05 DM/kg voor september niet werd gehaald, hetgeen bijzonder nadelig was voor SHELL gezien onze hoge overheadkosten . . . het was moeilijk de prijs nog meer te verhogen zonder dat een verhoging van de monomeerprijzen er de stoot toe gaf, temeer daar sommige concurrenten bij het huidige peil van de verkoopprijzen reeds rendabel waren.''.

De datum voor de invoering van de 2,05 DM/kg richtprijs werd derhalve met enkele maanden verschoven naar 1 december, waarbij volgens het nieuwe programma de toen geldende prijsniveaus nog moesten worden aangehouden gedurende oktober, met de mogelijkhed van een tussenliggende gedeeltelijke stijging (tot 1,90 of 1,95 DM/kg) in november (bron: de notities van ICI betreffende de vergadering van 26 september 1979).

In de notulen van ICI betreffende de bijeenkomst waarop werd besloten tot uitstel van de richtprijs van 2,05 DM/kg heet het dat "werd erkend dat een strak quotasysteem van fundamenteel belang was''. Er werd ook in verwezen naar een plan dat te Zuerich was voorgesteld of goedgekeurd, om de maandelijkse verkopen te beperken tot 80 % van het over de eerste acht maanden van het jaar behaalde gemiddelde.

Tegen eind 1979 had het algemene prijsniveau 2,00 DM/kg voor raffiakwaliteit bereikt, bijna de overeengekomen richtprijs van 2,05 DM/kg.

b) Januari tot en met mei 1981

(32)

Over 1980 werden geen aantekeningen verkregen over de bijeenkomsten, hoewel ten minste zeven vergaderingen van fabrikanten in dat jaar werden gehouden (zie tabel 3 in de bijlage).

Ofschoon de vakpers in het begin van het jaar schreef dat de fabrikanten voor een sterke prijsstijging in 1980 waren, daalden de marktprijzen aanzienlijk - tot het niveau van 1,20 DM/kg of minder - alvorens ze zich begonnen te stabiliseren rond september van dat jaar.

Uit door een aantal fabrikanten - benevens ICI ook DSM, HOECHST, LINZ, MONTEPOLIMERI en SAGA - gegeven prijsinstructies blijkt dat met het oog op herstel van het prijsniveau, doelen werden gesteld voor december 1980 tot en met januari 1981

gebaseerd op een prijs van 1,50 DM/kg voor raffia, 1,70 DM/kg voor homopolymeer en 1,95-2,00 DM/kg voor copolymeer. In een intern document van SOLVAY is een tabel opgenomen waarin de in oktober en november 1980 "werkelijk toegepaste prijzen'' worden vergeleken met hetgeen de "catalogusprijzen'' voor januari 1981 van 1,50/1,70/2,00 DM wordt genoemd. Oorspronkelijk was het de bedoeling deze niveaus met ingang van 1 december 1980 toe te passen (een bijeenkomst vond plaats te Zuerich van 13 tot 15 oktober), maar het initiatief werd uitgesteld tot 1 januari 1981.

(33)

In december 1980 werden nieuwe richtprijzen vastgesteld die op 1 februari 1981 van kracht zouden moeten worden, gebaseerd op een raffiaprijs van 1,75 DM/kg, een prijs voor homopolymeer van 1,85 DM/kg en een prijs voor copolymeer van 2,00 DM/kg. Tijdens twee bijeenkomsten in januari 1981 (in die tijd kwamen de "bosses'' en "experts'' elk eenmaal per maand bijeen) werd besloten dat een stijging in twee etappes nodig was. De richtprijs voor 1 februari bleef op 1,75 DM/kg en de prijs van 2,00 DM/kg moest "zonder uitzondering'' worden ingevoerd met ingang van 1 maart.

Er werd een tabel opgesteld van de richtprijzen in de zes nationale valuta's voor de zes voornaamste kwaliteiten, die van kracht moesten worden op 1 februari en 1 maart 1981. Deze tabel was aan de door ICI opgestelde notulen van de bijeenkomst gehecht.

De "bosses''- en "experts''-bijeenkomsten van januari werden druk bijgewoond. ANIC, ATO, DSM, HOECHST, ICI, MONTEPOLIMERI, PETROFINA en SOLVAY namen aan beide vergaderingen deel, terwijl BASF, HUELS, LINZ en SAGA slechts één van de twee bijwoonden. Het is niet bekend of HERCULES aan een van de bijeenkomsten in januari deelnam, maar het bedrijf was vertegenwoordigd op de vorige bijeenkomst op 16 december 1980.

Uit documenten van BASF, DSM, HOECHST, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI (alleen februari), SHELL en SAGA blijkt dat deze fabrikanten stappen ondernamen om de voor februari en maart vastgestelde richtprijzen in te voeren.

(34)

Het voornemen om de prijs op 1 maart op te trekken tot 2,00 DM/kg scheen echter geen succes gehad te hebben. De fabrikanten wijzigden hun verwachtingen en hoopten thans het niveau van 1,75 DM/kg in maart te bereiken.

Op 25 maart 1981 werd een bijeenkomst van experts gehouden in Amsterdam. Van deze bijeenkomst zijn geen notulen bewaard gebleven, doch onmiddellijk daarna gaven althans BASF, ICI, MONTEPOLIMERI en SHELL instructies om de richtprijzen of "catalogusprijzen'' op te trekken tot het equivalent van 2,15 DM/kg voor raffia, 2,25 DM/kg voor homopolymeer en 2,35 DM/kg voor copolymeer, met ingang van 1 mei. HOECHST gaf precies dezelfde instructies voor 1 mei, doch deed zulks ongeveer vier weken na de

anderen. (Over de andere fabrikanten zijn voor dit tijdvak geen documenten voorhanden.) Enkele fabrikanten stonden hun verkoopkantoren een zekere soepelheid toe voor de toepassing van minimum- of bodemprijzen die iets beneden de overeengekomen richtprijzen lagen.

Gedurende de eerste helft van 1981 vertoonden de prijzen een sterke opwaartse beweging maar ondanks het feit dat de verhoging van 1 mei sterk gesteund werd door de fabrikanten hield deze beweging geen stand. Tegen midden 1981 liepen de fabrikanten vooruit op ofwel een stabilisatie van het prijsniveau of zelfs een neerwaartse beweging aangezien de vraag gedurende de zomer afnam.

c) Augustus tot en met december 1981

(35)

Een verder prijsinitiatief in september-oktober 1981 was door SHELL en ICI reeds gepland in juni 1981, toen duidelijk werd dat de prijsstijging van het eerste kwartaal afnam. SHELL, ICI en MONTEPOLIMERI kwamen op 15 juni 1981 bijeen om te bespreken hoe op de markt hogere prijzen konden worden toegepast (zie punt 67). Binnen enkele dagen na deze bijeenkomst gaven ICI en SHELL beide hun verkoopkantoren opdracht de markt voor te bereiden op een aanzienlijke stijging in september op grond van een programma om de prijs van raffia op te trekken tot 2,30 DM/kg. SOLVAY herinnerde zijn verkoopkantoor in de Benelux er op 17 juli 1981 aan dat het de klanten ervan moest verwittigen dat op 1 september een aanzienlijke prijsverhoging van kracht zou worden, waarvan het precieze bedrag in de laatste week van juli zou worden vastgesteld (in dit verband is het veelbetekenend dat er op 28 juli 1981 een "experts''-bijeenkomst gepland was).

Het oorspronkelijke voornemen om de prijs te verhogen tot 2,30 DM/kg in september 1981 werd gedurende de zomer (waarschijnlijk op de genoemde bijeenkomst) herzien; dientengevolge zou het niveau in augustus weer 2,00 DM/kg bedragen voor raffia, 2,25 DM/kg voor homopolymeer en 2,40 DM/kg voor copolymeer. De prijzen zouden dan respectievelijk 2,20, 2,40 en 2,55 DM/kg bedragen. Een met de hand geschreven nota die bij HERCULES werd verkregen en gedateerd was op 29 juli 1981 (de dag na de bijeenkomst, die HERCULES waarschijnlijk niet bijwoonde) bevat een overzicht van deze prijzen als zijnde de "officiële'' prijzen voor augustus en september, waarbij in cryptische bewoordingen naar de bron van die informatie wordt verwezen.

Op 4 augustus vond een bijeenkomst plaats te Genève en op 21 augustus 1981 te Wenen. Na deze bijeenkomsten werden door de fabrikanten nieuwe instructies gegeven om met ingang van 1 oktober naar prijzen van 2,30, 2,40 en 2,55 DM/kg toe te gaan. BASF, DSM, HOECHST, ICI, MONTEPOLIMERI en SHELL gaven nagenoeg eensluidende prijsinstructies met het oog op de invoering van deze prijzen in september en oktober.

(36)

Het plan werd opgevat om in de loop van september en oktober 1981 te gaan in de richting van een "basisprijs''-niveau van 2,20-2,30 DM/kg voor raffia. Uit een SHELL-document blijkt dat oorspronkelijk een nog verdere etappegewijze verhoging tot 2,50 DM/kg op 1 november ter sprake was gebracht, waarvan men echter vervolgens had afgezien.

Uit rapporten van de diverse fabrikanten blijkt dat in de loop van september de prijzen stegen en zulks tot in oktober 1981 bleef doorgaan, waarbij uiteindelijk marktprijzen werden bereikt van ongeveer 2,00-2,10 DM/kg voor raffia. Uit een nota van HERCULES blijkt dat in de loop van december 1981 de richtprijs van 2,30 DM/kg naar beneden werd bijgesteld tot het meer realistische bedrag van 2,15 DM/kg, doch hierin werd tevens gesteld dat "door algemene vastberadenheid de prijzen stegen tot 2,05 DM, welke prijzen nog nooit zo dicht hadden gelegen bij de openbaar gemaakte (sic) richtprijzen'' (5).

Tegen eind 1981 werd in de vakpers melding gemaakt van de volgende polypropyleenmarktprijzen: raffia 1,95-2,10 DM/kg, homopolymeer 2,10-2,20 DM/kg en copolymeer 2,40 DM/kg, ongeveer 20 Pfennig beneden de richtprijzen van de fabrikanten. Vermeld werd dat de produktiecapaciteit werd benut voor een "gezonde'' 80 %.

d) Juni en juli 1982

(37)

Hoewel verwacht werd dat wanneer vraag en aanbod meer met elkaar in evenwicht zouden komen de prijzen verder zouden stijgen in het begin van 1982, was in werkelijkheid in de maand mei de marktprijs voor raffia weer gedaald tot 1,80 DM/kg.

Tijdens de bijeenkomst van de experts in Genève op 13 mei die werd bijgewoond door HERCULES en door alle "vaste deelnemers'' - ATO, BASF, DSM, HOECHST, HUELS, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI, PETROFINA, SAGA en SOLVAY - werd na een uitvoerige bespreking van de prestaties van elke fabrikant overeengekomen dat de gelegenheid "zeer gunstig'' was voor een prijsstijging voor de vakantieperiode.

Een voorstel van SOLVAY dat inhield dat bijeenkomsten in de toekomst niet noodzakelijk waren aangezien de vraag thans in overeenstemming was met het aanbod, werd op deze bijeenkomst door de anderen afgewezen met het argument dat maatregelen dienden te worden genomen voor prijsverhogingen en dat het niet aan het marktmechanisme moest worden overgelaten een evenwicht te vinden (bron: de door ICI opgestelde notulen van de bijeenkomst, bevestigd door HERCULES' relaas van dezelfde bijeenkomst).

(38)

Dienovereenkomstig werd overeengekomen een prijsniveau te bereiken gebaseerd op 2,00 DM/kg voor raffia met ingang van 1 juni voor de meeste nationale markten doch met ingang van 14 juni voor het Verenigd Koninkrijk. De deelnemers moesten "persoonlijk'' achter dit initiatief staan, waarvan bevestiging moest worden verkregen van de senior managers in de volgende bijeenkomst van de "bosses''.

Diverse maatregelen werden gepland om deze aanpak te ondersteunen, waaronder een beperking van de verkochte hoeveelheden tot een overeengekomen percentage van de gebruikelijke verkopen, een besluit om geen nieuwe contracten aan te gaan en een intenser bilateraal contact tussen de fabrikanten.

(39)

Aan het ICI-verslag van de bijeenkomst werd een gedetailleerde tabel met nieuwe doelprijzen gehecht voor 1 juni waarin de prijzen werden aangegeven voor elke belangrijke kwaliteit in de diverse nationale valuta's (de prijs voor raffia zou 2,00 DM, 36 Bfr., 5,00 Ffr., 1 100 lire per kg en 490 £ per ton bedragen).

Uit interne prijsinstructies of memoranda van ATO, BASF, HOECHST, HERCULES, HUELS, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI en SHELL, waarvan de meeste gedateerd zijn enkele dagen na de bijeenkomst van de experts van 13 mei 1982, blijkt dat al deze fabrikanten stappen ondernamen om het geplande 1 juni-initiatief uit te voeren. Op enkele onbelangrijke uitzonderingen na kwamen hun prijsinstructies precies overeen met die welke voorkwamen in de tabel met richtprijzen waarop bij ICI de hand werd gelegd.

Prijsinstructies voor juni waren niet beschikbaar met betrekking tot DSM, PETROFINA, SOLVAY en SAGA, maar in een verkooprapport van DSM wordt verwezen naar voor juni geplande prijsverhogingen die - naar werd gehoopt - een succes zouden worden.

Toen de "experts'' in juni bijeenkwamen, konden zij slechts bescheiden prijsverhogingen rapporteren. In Duitsland waren prijsverhogingen aangekondigd, maar sommige fabrikanten "hielden niet stand'' wanneer zij door hun klanten onder druk werden gezet. De richtprijs voor het Verenigd Koninkrijk van 490 £/

ton was vastgesteld op grond van de veronderstelling dat niet alleen de richtprijs van 2,00 DM/kg, maar bovendien een extra 10 Pfennig in de andere landen zou worden bereikt, en het schijnbare uitblijven van vooruitgang had twijfel doen rijzen omtrent de mogelijkheid de volle verhoging in één keer te benutten. In landen waar moeilijkheden werden verwacht, werden plaatselijke bijeenkomsten gepland (bron: de door ICI opgestelde notulen van de bijeenkomsten).

e) September tot en met november 1982

(40)

Het voor 1 juni geplande "prijsinitiatief'' deed de prijzen niet tot het verwachte niveau stijgen en op een

gezamenlijke "bosses/experts''-bijeenkomst op 20 en 21 juni 1982 werd besloten de prijzen in twee fasen te verhogen tot 2,00 DM/kg op 1 september en tot 2,10 DM/kg op 1 oktober.

Deze vergadering werd bijgewoond door ATO, BASF, DSM, HERCULES, HOECHST, HUELS, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI, PETROFINA, SOLVAY en SAGA.

In augustus 1982 nam ICI het voorzitterschap van de bijeenkomsten over van MONTEPOLIMERI. De wisseling van het voorzitterschap bood de gelegenheid om van de producenten andermaal de toezegging te verkrijgen dat zij hun prijzen vóór het einde van het jaar aanzienlijk zouden verhogen en om overeenstemming te bereiken over een controlesysteem op de quota dat begin 1983 in werking kon treden.

Een hooggeplaatst directeur van ICI's afdeling petrochemische produkten en plastics nam in een reeks bezoeken contact op met ieder van de andere producenten. In een bij ICI aangetroffen nota met instructies, getiteld "Doel van de bezoeken'', staat te lezen:

"Zoveel mogelijk druk uitoefenen voor 1 september:

- Staan zij er werkelijk achter?

- Is het hun ernst met de 1,90/2,00 DM?

- Is het hun ernst met flexibiliteit beneden die van 1 à 2 Pfennig op de thuismarkt? Welke? Op niet-thuismarkten?

. . .

- Zullen zij in de pers adverteren en klanten aanschrijven? Wanneer en waar?

- Zijn er plaatselijke bijeenkomsten in het vooruitzicht gesteld?

- Hoe lang zullen ze wachten? Dagen? Weken? Zullen ze produktie en verkoop in evenwicht brengen?

- Zouden zij het volume hoe dan ook beperken?

- Welke beschouwen zij als probleembedrijven?

- Heeft hij de zaak werkelijk in handen?''.

(41)

Het oorspronkelijke plan om de prijs per 1 september tot 2,00 DM/kg te verhogen werd op de "bosses''-bijeenkomst van 20 augustus 1982 gewijzigd. Er moest met ingang van september een onmiddellijke verhoging van 10 Pfennig worden toegepast op alle nieuwe orders en het minimum van 2,00 DM/kg zou een maand later, dat wil zeggen op 1 oktober, in werking treden. Terzelfder tijd werden de producenten ertoe aangemaand hun maandelijkse verkopen te beperken tot het equivalent van hun werkelijke marktaandeel in de eerste zes maanden van 1982.

Blijkens de notulen werden op de volgende "experts''-bijeenkomst op 2 september 1982 (waarop andermaal alle fabrikanten aanwezig waren) de persoonlijke toezeggingen van de "bosses'' bevestigd en

werden de "basisregels'' opnieuw vastgesteld. De fabrikanten moesten bereid zijn liever handel te verliezen dan van de prijs af te wijken, maar er moest wel enige tijd worden uitgetrokken om de voorgenomen verhoging om te zetten in feitelijke marktprijzen.

(42)

Op deze bijeenkomst waarschuwde de vertegenwoordiger van BASF voor de gevaren die zouden ontstaan indien alle producenten precies 2,00 DM zouden berekenen en men kwam overeen dat alle andere producenten dan de voornaamste leveranciers van een bepaalde klant, indien zij werden benaderd, meer dan 2,00 DM zouden berekenen, om zo het doel te helpen bereiken.

Andermaal werd een gedetailleerde tabel opgesteld met de minimumprijzen die voor elke kwaliteit en elke valuta met ingang van 1 oktober moesten worden toegepast.

Op die bijeenkomst werd ook het systeem van "account leadership'' ontworpen, ten einde de effectieve toepassing van de "richtprijzen'' te verzekeren door het cooerdineren van de prijsoffertes aan individuele klanten (zie punt 27).

Rond die tijd werd ook het gebruik ingevoerd dat iedere producent aan de vergadering mededeelde voor hoeveel ton orders hij enerzijds tegen de richtprijs en anderzijds beneden de richtprijs had genoteerd voor termijnlevering.

(43)

Nadat tijdens de bijeenkomsten van 20 augustus en 2 september de reeds genoemde toezeggingen waren gedaan, gaven de fabrikanten hun verkoopkantoren instructies met ingang van 1 oktober een prijsniveau toe te passen, uitgaande van een basisprijs van 2,00 DM/kg voor raffia (stukken dienaangaande werden aangetroffen met betrekking tot ATO, DSM, HERCULES, HOECHST, HUELS, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI en SHELL). In vele van deze instructies - die een neerslag zijn van de genoemde persoonlijke toezeggingen - wordt er met grote nadruk op gewezen dat het noodzakelijk is tegenover de klanten een besliste en onverzettelijke houding aan te nemen en desnoods van een verkoop af te zien om de prijs omhoog te krijgen.

(44)

Op de volgende "bosses''-bijeenkomst op 1 september 1982 (andermaal bijgewoond door alle "vaste deelnemers'', met inbegrip van HERCULES) brachten de fabrikanten verslag uit over de stappen welke ieder van hen had ondernomen om de voor 1 oktober geplande verhoging tot 2,00 DM toe te passen. Zij hadden over het algemeen hun verkoopafdelingen strenge instructies gegeven niet van het plan af te wijken. Er bleek tijdens deze bijeenkomst ook algemene instemming te bestaan over een tweede verhoging tot 2,10 DM/kg op 1 november, die in december definitief zou worden (deze verhoging met 10 Pfennig werd bevestigd op een "experts''-bijeenkomst op 6 oktober).

De producenten ondernamen ook stappen om de nieuwe verhoging met 10 Pfennig/kg die voor november gepland was, toe te passen (stukken dienaangaande werden aangetroffen met betrekking tot BASF, DSM, HERCULES, HOECHST, HUELS, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI, SHELL en SAGA. Hun instructies dienaangaande werden gegeven kort na de "experts''-bijeenkomst van 6 oktober, waarop deze stap werd bevestigd. Een telex die door SAGA op 14 oktober 1982 aan haar filiaal in het Verenigd Koninkrijk wordt gezonden, verwijst in verband met een geplande plaatselijke bijeenkomst naar de "ter zake dienende zogeheten overeengekomen minimumlijst''.

In strijd met de bewering van de fabrikanten tijdens de administratieve procedure dat de richtprijzen nooit werden bereikt, blijkt uit de cijfers betreffende de toepassing van prijzen op en boven het niveau van de richtprijs enerzijds en beneden de richtprijs anderzijds, welke werden overgelegd op de bijeenkomst waar toezeggingen voor de toekomst werden gedaan, dat in oktober en november verreweg de meeste bestellingen waren geplaatst tegen de richtprijs of een hogere prijs. Dit wordt bevestigd in een circulaire van ICI van 8 oktober 1982 aan haar Europese verkoopkantoren, waarin de eerste indrukken van het prijsinitiatief van 1 oktober worden samengevat: "Ofschoon sommige in september aangegane verbintenissen nog in oktober blijken te zijn doorgelopen, betreft het in totaal slechts een vrij geringe hoeveelheid en alle beschikbare gegevens wijzen erop dat de nieuwe niveaus op alle nieuwe bestellingen worden toegepast . . .''.

(45)

ATO, BASF, DSM, HERCULES, HOECHST, HUELS, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI, FINA, SOLVAY en SAGA waren bijgevolg alle aanwezig op de meeste, en in de meeste gevallen op alle bijeenkomsten van "bosses'' en "experts'' die van juli tot november 1982 werden gehouden en waarop het najaars-

prijsinitiatief werd gepland en gevolgd (zie tabel 7 in de bijlage). SHELL erkent dat zijn vertegenwoordigers op 13 oktober (een week voor de "bosses''-bijeenkomst van oktober) te Heathrow een bijeenkomst van de "grote vier'' hebben bijgewoond en dat er in september geregeld met ICI werd overlegd over het prijsinitiatief van oktober (bron: notities van ICI betreffende telefoongesprekken en bijeenkomsten).

Met uitzondering van FINA en SOLVAY verstrekten alle bovengenoemde producenten de Commissie de prijsinstructies die zij hun plaatselijke verkoopkantoren voor oktober en november hadden gegeven. Deze komen wat bedrag en tijdstip betreft niet alleen met elkaar overeen, maar ook met het schema van richtprijzen dat aan de door ICI opgestelde notulen van de "experts''-bijeenkomst van 2 september was gehecht (zie tabel 7 in de bijlage). (SOLVAY en FINA beweren beide dat zij hun prijsinstructies meestal per telefoon gaven).

(46)

Het prijsinitiatief werd op zijn minst als een gedeeltelijk succes beschouwd (ICI gewaagde in een interne

nota van het "solide klimaat tijdens het vierde kwartaal'') en leidde tot een daadwerkelijke verhoging van de winstmarges met circa 20 Pfennig/kg. ICI wees niettemin op diverse "zwakke punten'', waaronder het lage prijsniveau voor raffia, een aanzienlijke diversifiëring van de prijzen in de moulding-sector in Duitsland en het ontbreken op dat ogenblik van een definitieve overeenkomst over de hoeveelheden (een nieuw quotasysteem zou ingaan op 1 januari 1983).

Tijdens de bijeenkomsten van december 1982 werd overeengekomen dat het voor november/decemer gestelde streefniveau van 2,10 DM/kg tegen eind januari 1983 algemeen ingevoerd moest zijn en dat nieuwe prijsschema's moesten worden opgesteld voor de landen waar het doel niet was bereikt (bron: de door ICI opgestelde notulen). Andermaal waren alle vaste deelnemers present op een of beide bijeenkomsten van december 1982.

f) Juli tot en met november 1983

(47)

In het eerste kwartaal van 1983 zakte het prijsniveau weer, en op de eerste bijeenkomst waarvan de notulen werden aangetroffen (die van 3 mei), werd overeengekomen dat zou worden getracht in juni 1983 voor Duitsland een richtprijs van 2,00 DM/kg te berekenen. ICI achtte dit echter te hoog gegrepen en vond dat 1,80 DM/kg tegen het eind van juni een realistischer minimum zou zijn.

In mei 1983 werd besloten voor september 2,00 DM/kg als doel te stellen (in een nota van ICI staat te lezen: "2,00 van vanaf 1 september of 1 oktober''). Aangezien het niet mogelijk werd geacht deze verhoging ineens door te voeren (het prijspeil lag toen rond 1,70 DM/kg), werd als een tussenstap een doel van 1,85 DM/kg met ingang van 1 juli gesteld. Op een bijeenkomst op 1 juni 1983 "bevestigden de aanwezige fabrikanten (dat wil zeggen alle vaste deelnemers behalve HERCULES en SOLVAY) hun volledige instemming met een stijging tot 1,85 DM/kg . . .''. SHELL sloot zich, naar werd gemeld, ten volle bij het initiatief aan en zou "in het openbaar leiden in ECN'' (een verwijzing naar een vaktijdschrift). Ook HERCULES stond volledig achter het initiatief - zo werd medegedeeld - en zou in juni nieuwe prijzen aankondigen. Alle aanwezigen hadden hun verkoopafdelingen reeds gewaarschuwd en die waren op hun beurt bezig de klanten op de hoogte te brengen van de voorgenomen verhoging (bron: de door ICI opgestelde notulen).

(48)

Geheel in overeenstemming met de vermelding dat SHELL "in het openbaar'' zou leiden verscheen op 13 juni 1983 in het vaktijdschrift "European Chemical News'' (ECN) een artikel waarin werd gemeld dat de producenten een prijsverhoging wensten en dat met name SHELL voornemens was de minimumprijs per 1 juni tot 1,90 DM/kg te verhogen en in september nogmaals een verhoging toe te passen. Ook ICI en

MONTEPOLIMERI zouden volgens het artikel soortgelijke verhogingen toepassen.

Sedert oktober 1982 nam SHELL de meeste maanden deel aan de zogenaamde "voor-bijeenkomsten'' van de "grote vier''.

In het ECN-artikel wordt de markt "steeds krapper'' genoemd, en inderdaad staat in een rond einde mei door ICI opgestelde nota in telegramstijl te lezen: "Volume juni - beperkt 122 ¹/2 = markt juni, naar schatting cf 130 + waarschijnlijk''. En: "SHELL zal leiden. ECN-artikel 2 weken. ICI in kennis gesteld''.

(49)

Onmiddellijk na de "bosses''-bijeenkomst van 20 mei gaven ICI (23 mei), DSM (25 mei) en BASF (27 mei) instructies aan hun verkoopkantoren om met ingang van 1 juli een prijsschema toe te passen dat gebaseerd was op een prijs van 1,85 DM/kg voor raffia, 2,00 DM voor homopolymeren en 2,25 DM voor copolymeren. Hun prijslijsten zijn identiek voor elke kwaliteit en elke nationale valuta (40 of meer prijzen). In een intern rapport van HOECHST van 6 juni 1983 werd bepaald dat met ingang van 1 juli minimumprijzen van respectievelijk 1,85 DM, 2,00 DM en 2,25 DM/kg zouden worden toegepast voor raffia, homopolymeren en copolymeren. LINZ gaf in een telex van 8 juni (dat wil zeggen vlak na de bijeenkomst van 1 juni waarop de "instemming'' was bevestigd) zijn verkoopagenten instructies om in elke nationale valuta catalogusprijzen toe te passen die precies overeenstemden met die van BASF, DSM en ICI. MONTEPOLIMERI had reeds op 17 mei zijn verkoopkantoren opgedragen met ingang van juni een verhoging toe te passen en deze in juli te handhaven. Uit bescheiden van SHELL voor het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk blijkt dat deze producent ervan op de hoogte was welk prijsniveau bij onderling akkoord met ingang van 1 juli zou worden toegepast en dat hij zijn verkoopbeleid op deze prijzen baseerde. In een document van SHELL getiteld "PP Prijsstelling voor West-Europa'' wordt specifiek verwezen naar een "richtprijs juli'' van 1,85 DM/kg of 480 £/ton. In een "marktkwaliteit rapport'' van SHELL van 14 juni 1983 heet het dat "in West-Europa de geïntegreerde SHELL-ondernemingen hun marktaandelen in stand houden (al loopt het terug in Nederland, Verenigd Koninkrijk) ter ondersteuning van de prijsstabiliteit''. HERCULES stelde zijn verkoopkantoren op 13 en 29 juni in kennis van de minimumstreefprijzen van 1,85/2,00/2,25 DM/kg. Van ATO en PETROFINA werden slechts onvolledige prijsinstructies verkregen, maar die bevestigen dat deze producenten het nieuwe prijsniveau toepasten, zij het in het geval van PETROFINA met enige vertraging. Met het doorgeven van de prijsverhoging aan zijn verkoopkantoren bleef ook SOLVAY achter bij de andere producenten, maar in interne bescheiden van 26 juli werden voor ieder land met onmiddellijke gelding minimumprijzen vastgesteld die identiek waren met het op een richtprijs van 1,85 DM/kg gebaseerde prijsschema en waarin tevens nieuwe minima, op basis van de door de producenten overeengekomen 2,00 DM/kg, voor 1 september in het vooruitzicht werden gesteld.

Met uitzondering van HUELS (waarvoor geen prijsinstructies beschikbaar waren voor juli 1983) blijken derhalve alle producenten die de bijeenkomsten hadden bijgewoond dan wel hun steun hadden toegezegd voor de nieuwe richtprijs van 1,85 DM/kg instructies te hebben gegeven om de nieuwe prijs toe te passen.

(50)

Er vonden nog vergaderingen plaats op 16 juni, 6 en 21 juli, 10 en 23 augustus en 5, 15, en 29 september 1983. Uit reisdocumenten blijkt dat alle vaste deelnemers - inclusief HERCULES - sommige of, in de meeste gevallen, alle bijeenkomsten bijwoonden. Alleen SAGA en LINZ verstrekten niet de door de Commissie uit hoofde van artikel 11 gevraagde inlichtingen over hun deelneming aan bepaalde bijeenkomsten, maar beide geven toe dat zij vaste deelnemers aan de bijeenkomsten waren. De tussentijdse prijsverhoging van 1 juli werd als een succes beschouwd daar de raffiaprijzen in augustus het beoogde niveau van 1,85 DM/kg bereikten.

Einde juli en begin augustus 1983 deden BASF, DSM, HERCULES, HOECHST, HUELS, ICI, LINZ en SOLVAY alle aan hun diverse nationale verkoopkantoren prijsinstructies toekomen (gebaseerd op een raffiaprijs van 2,00 DM/kg), die met ingang van 1 september van kracht zouden worden en die behoudens onbeduidende afwijkingen identiek zijn voor alle kwaliteiten en nationale valuta's. (Voor ATO, zie punt 49.) Voor MONTEPOLIMERI en SAGA werden alleen de prijsinstructies voor één Lid-Staat verkregen, maar die stemmen overeen met die van de andere producenten voor het betrokken land. In een bij SAGA UK aangetroffen stuk wordt uitdrukkelijk verwezen naar de catalogusprijzen per 1 september voor het Verenigd Koninkrijk, die op een plaatselijke bijeenkomst waren overeengekomen. In de documenten van SHELL betreffende prijzen voor het Verenigd Koninkrijk, in de vorm van een interne nota van 11 augustus, wordt vermeld dat de dochteronderneming in het Verenigd Koninkrijk "ernaar streefde'' dat per 1 september basisprijzen van kracht zouden zijn die overeenstemden met de door de andere producenten vastgestelde richtprijzen (tegen het einde van de maand gaf SHELL het verkoopkantoor in het Verenigd Koninkrijk echter opdracht de volle verhoging uit te stellen tot de andere producenten het gewenste basisniveau hadden bereikt).

Uit prijsinstructies die bij de fabrikanten werden verkregen blijkt dat later werd besloten door te gaan op het elan van de verhoging van september en de prijs voor raffiakwaliteit per 1 oktober te verhogen tot 2,10 DM/kg en per 1 november tot 2,25 DM/kg.

(51)

BASF, HOECHST, HUELS, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI en SOLVAY zonden voor deze maanden ieder afzonderlijk instructies aan hun verkoopkantoren waarin identieke prijzen werden vastgesteld. HERCULES, dat zijn verkoopkantoren voor oktober een "harde opstelling'' aanbeval, gaf in eerste instantie minimumprijzen op die lichtjes beneden die van de andere producenten lagen, maar op 3 oktober werd

opdracht gegeven "met onmiddellijke inwerkingtreding'' dezelfde prijzen toe te passen als de anderen. Voor november kregen de regionale directeuren van HERCULES instructies dat hun prijzen in overeenstemming moesten worden gebracht met de algemene richtlijnen. DSM beweert dat voor oktober of november geen prijsinstructies werden gegeven, maar zijn catalogusprijzen voor september zijn voor alle kwaliteiten en alle nationale valuta's identiek met die van alle andere producenten. Ook SAGA UK paste de prijsverhoging met 10 Pfennig in oktober toe, zij het twee weken later dan de andere fabrikanten.

Ofschoon ATO en PETROFINA aanwezig waren op alle op deze aangelegenheid betrekking hebbende bijeenkomsten, beweren beide dat - voor zover in die periode interne prijsinstructies werden gegeven - dit mondeling geschiedde.

In een bij ATO aangetroffen en op 28 september gedateerde interne nota komt evenwel een tabel voor onder de kop "Rappel du prix de cota (sic)'' waarin voor Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Italië voor september en oktober prijzen worden vastgesteld voor raffia, homopolymeren en copolymeren die identiek zijn met die van BASF, DSM, HOECHST, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI en SOLVAY (zie punt 49). Tijdens de verificatie ten kantore van ATO in oktober 1983 bevestigden de vertegenwoordigers van het bedrijf dat die prijzen aan de verkoopkantoren werden medegedeeld.

Einde 1983 werd in de pers gewag gemaakt van een "stabilisering'' van de polypropyleenprijzen op een marktprijs voor raffiakwaliteit van 2,08 à 2,15 DM/kg (het nagestreefde doel was zoals gezegd 2,25 DM/kg). Volgens de vakpers vertoonde de markt een opgaande tendens, gelet op de stijging van de vraag tot 15 à 16 % boven de consumptie in 1982 en gezien de prognoses van een verdere expansie in 1984 in de orde van grootte van 6 à 8 %.

VII. Streefhoeveelheden en quota

(52)

Algemeen werd erkend dat er, om tot marktcondities te komen die het welslagen van de overeengekomen prijsinitiatieven in de hand werkten, een of ander permanent systeem van controle op de verkochte hoeveelheden noodzakelijk was.

Voordat ICI in augustus 1982 de leiding van de groep op zich nam, werden diverse systemen toegepast om de markt onderling te verdelen. Aan alle producenten werden procentuele aandelen van de naar schatting te verdelen handel toegewezen, maar in dit stadium werd vooraf nog geen systematische beperking van de totale produktie opgelegd. De ramingen van de totale markt moesten uiteraard permanent worden herzien, en de verkopen van iedere producent in absolute hoeveelheden moesten worden aangepast om in overeenstemming te blijven met het percentage waarop hij recht had.

In het kader van de systemen ter verdeling van de markt onder de producenten werd gewerkt met wat nu eens "kwantitatieve doelen'', dan weer "streefhoeveelheden'' of "quota'' werd genoemd.

Iedere deelnemende producent kreeg een quotum of "streefhoeveelheid'' toegewezen, die in ton of in procenten was uitgedrukt. Om tot een quotasysteem te komen moest ruimte worden gelaten voor producenten die de bijeenkomsten niet bijwoonden en die bijgevolg niet hadden deelgenomen aan de detailbesprekingen. In 1979 had HERCULES een eigen individueel quotum maar nadien werd deze producent te zamen genomen met AMOCO of met AMOCO

en BP.

(53)

De laatst genoemde twee fabrikanten beweren dat zij er zich niet van bewust waren dat hun ooit een quotum was toegewezen. HERCULES nam echter deel aan bijeenkomsten waarop in detail over hoeveelheden werd gesproken (een van MONTEPOLIMERI afkomstig voorbereidend document betreffende een voorstel voor een quotasysteem voor 1982 werd trouwens in zijn lokalen aangetroffen) en sprak voor het eerste kwartaal van 1983 althans zijn tevredenheid uit over de groepstoewijzing van 53 000 ton, volgens de sleutel 21:21:11 te verdelen onder HERCULES zelf, AMOCO en BP.

Op zijn minst sedert de tweede helft van 1982 was het gebruikelijk dat de producenten op de bijeenkomsten verslag uitbrachten over de hoeveelheden die ieder van hen de vorige maand had verkocht.

De verhouding tussen de voor elk jaar toegekende streefhoeveelheden of quota en de werkelijke verkopen van iedere producent komt tot uiting in tabel 8 in de bijlage.

Over de systemen die sedert 1979 (het eerste jaar waarin, voor zover bekend, een dergelijk systeem van kracht was) van jaar tot jaar werden toegepast, kunnen de volgende details worden verstrekt:

a) 1979

(54)

Voor iedere producent werden voor 1979 streefhoeveelheden (uitgedrukt in ton) vastgesteld die, althans gedeeltelijk, waren gebaseerd op hun werkelijke verkopen in de voorafgaande drie jaren. De juiste grondslag voor de toewijzing van de "streefhoeveelheden'' voor 1979 is niet bekend, maar in ieder geval moest een regeling worden getroffen om tegemoet te komen aan de verwachtingen van nieuwkomers op de markt, die per definitie geen "historische'' rechten konden laten gelden.

In tabellen die bij ICI werden aangetroffen, wordt de "herziene streefhoeveelheid'' voor iedere producent voor 1979 vergeleken met de werkelijk tijdens die periode in West-Europa verkochte hoeveelheden.

Het feit dat er in 1979 wel degelijk een systeem tot verdeling van de markt bestond, wordt bevestigd door bescheiden die bij ATO werden aangetroffen en waarin de streefhoeveelheden ("objectifs'') van de vier "Franse'' producenten ATO, RHÔNE-POULENC, SOLVAY en HOECHST FRANCE voor elke nationale markt zijn vermeld.

b) 1980

(55)

Einde februari 1980 werd door de fabrikanten overeenstemming bereikt over de "streefhoeveelheden'', andermaal uitgedrukt in ton voor 1980, waarbij werd uitgegaan van een geraamde markt van 1 390 000 ton (ongeveer 12 % meer dan het voorgaande jaar).

Bij ATO en bij ICI werd een aantal tabellen aangetroffen waarin de voor iedere producent voor 1980 "overeengekomen streefhoeveelheden'' waren aangegeven. Een van de bij ICI aangetroffen tabellen vermeldde diverse voorstellen; de uiteindelijke quota waren in het Duits genoteerd en waren klaarblijkelijk afkomstig van een (niet nader genoemde) Duitse producent.

De oorspronkelijke raming van de totale te verdelen markt op 1 390 000 ton bleek al te optimistisch te zijn. De quota van alle producenten moesten worden verminderd om aan de totale jaarconsumptie van slechts 1 200 000 ton te worden aangepast (bron: de door ICI opgestelde notulen van de "experts''-bijeenkomst van januari 1981).

Van de vier grote producenten lagen alleen de verkopen van ICI beneden het voor 1980 gestelde doel; bij de andere producenten kwamen de werkelijke verkopen in grote lijnen overeen met hun streefpercentage. Alleen de firma DSM, die "niet bereid was de toezegging te doen haar oorspronkelijke quotum te verlagen'', overschreed in noemenswaardige mate de haar toegewezen hoeveelheid (verkopen van 46 100 ton in plaats van 38 400 ton).

c) 1981

(56)

Over de verdeling van de markt voor 1981 werden langdurige en complexe onderhandelingen gevoerd.

Bij het begin van het jaar werd overeengekomen dat alle producenten, als tijdelijke maatregel om bij te dragen tot het welslagen van het prijsinitiatief van februari/maart, de maandelijkse verkopen zouden beperken tot een twaalfde van 85 % van hun "streefhoeveelheid'' voor 1980 (bron: de door ICI opgestelde notulen van de "experts''-bijeenkomst van januari).

Ter voorbereiding van een duurzamer quotasysteem deelde iedere producent de vergadering mede welke hoeveelheid hij in 1981 hoopte te verkopen. Samengeteld overtroffen deze "aspiraties'' ruimschoots de geraamde totale vraag.

Er werden verschillende compromisvoorstellen ingediend. ICI was van oordeel dat de vier groten het

goede voorbeeld moesten geven door een kleine vermindering van de hun voor 1980 toegewezen streefhoeveelheid te aanvaarden, mits de nieuwkomers ook hun eisen zouden matigen (bron: ontwerp-voorstel van ICI).

(57)

In het kader van de besprekingen met het oog op het bereiken van een overeenkomst inzake een systeem voor de verdeling van de markt in 1981 vonden op zijn minst twee ontmoetingen plaats tussen ICI en SHELL. Op één ervan was ook MONTEPOLIMERI aanwezig. SHELL was sceptisch gestemd, omdat volgens deze onderneming de voorstellen gebaseerd waren op al te optimistische marktprognoses, maar verklaarde dat zij zich tevreden zou stellen met 11 à 12 %. Striktere maatregelen ter beheersing van de geproduceerde hoeveelheid werden op deze bijeenkomsten in overweging genomen, met inbegrip van eventuele sancties voor het overschrijden van verkoopquota (bron: notities van ICI betreffende vergaderingen van 27 mei en 17 juni 1981).

Met dat al werd geen definitieve quotaovereenkomst bereikt voor 1981. Als lapmiddel werd het quotum van iedere producent van het vorige jaar als een theoretisch recht beschouwd en brachten de producenten iedere maand aan de vergadering verslag uit over hun werkelijke verkopen (bron: bij ICI aangetroffen tabellen met als kop: "Afwijking per onderneming''). Op die manier werd toezicht uitgeoefend op de feitelijke verkopen als een correctie op de louter abstracte verdeling van de markt op grond van de quota's voor 1980.

d) 1982

(58)

Met het oog op de vaststellingen van een systeem voor 1982 werden andermaal ingewikkelde voorstellen ingediend, waarin werd getracht uiteenlopende factoren zoals vroegere verkoopcijfers, marktaspiraties en de te verdelen capaciteit met elkaar te verzoenen. De totale te verdelen markt werd geschat op 1 450 000 ton. Enkele fabrikanten dienden gedetailleerde plannen in voor een verdeling van de markt terwijl anderen slechts hun eigen aspiraties qua hoeveelheid bekendmaakten.

In een voorbereidend stuk, dat werd aangetroffen bij HERCULES en ICI, maar vermoedelijk uitging van MONTEPOLIMERI, werd een formule voorgesteld - met gedetailleerde tabellen - die gebaseerd was op de feitelijke verkopen in 1981 en de nominale capaciteit van iedere producent in 1982. Volgens de notities van ICI betreffende de "experts''-bijeenkomst van 10 maart 1982 deelde de vertegenwoordiger van MONTEPOLIMERI bij die gelegenheid de tabellen rond in de hoop dat op de volgende "bosses''-bijeenkomst een quotaovereenkomst kon worden bereikt. Het voorstel van ICI betrof een systeem op grond van de feitelijke verkopen in 1981, vermeerderd met een aandeel in de geschatte groei van de markt in 1982 ten opzichte van 1981, dat gelijk zou zijn aan het procentuele aandeel van iedere fabrikant in de totale capaciteit.

Zoals in 1981 werd geen definitief akkoord bereikt en gedurende de eerste helft van het jaar werden de maandelijkse verkopen van elk der fabrikanten medegedeeld aan de vergadering en gerefereerd aan hun werkelijke procentuele marktaandeel in het voorgaande jaar.

(59)

Toen ICI in augustus 1982 het voorzitterchap van MONTEPOLIMERI overnam, legde deze producent er de nadruk op dat hij zou trachten voor 1983 een nieuw systeem in te voeren, waarbij een overeenkomst over de marktaandelen zou worden gesloten binnen een "kader'' waar alle producenten achter stonden (bron: de door ICI opgestelde notulen van de "bosses''-bijeenkomst van augustus 1982 en de nota van ICI, getiteld "Quota''). ICI voerde over dit nieuwe systeem bilaterale gesprekken met elk van de fabrikanten. In afwachting van de invoering van een dergelijk quotasysteem moesten de fabrikanten de tweede helft van 1982 streven naar een beperking van hun maandelijkse verkopen tot hetzelfde percentage van de totale markt als zij in de eerste zes maanden van 1982 werkelijk voor hun rekening hadden genomen (bron: de door ICI opgestelde notulen van de bijeenkomsten).

In 1982 bereikten de marktaandelen een relatief evenwicht (door ATO omschreven als een "bijna-eensgezindheid''). De totale consumptie in West-Europa beliep circa 1 412 000 ton. Van de grote producenten behielden ICI en SHELL ieder circa 11 % van de markt, iets meer dan HOECHST, dat 10,5 % voor zijn rekening nam. MONTEPOLIMERI, dat altijd al de grootste producent was, ging lichtjes vooruit en verwierf een marktaandeel van 15 %, tegen 14,2 % het vorige jaar.

De marktaandelen van de middelgrote producenten ATO, SOLVAY, BASF, HUELS en HERCULES bleven stabiel in vergelijking met de vorige jaren, met als enige uitzondering DSM, dat andermaal zijn vaste vooruitgang van 0,5 % per jaar boekte.

e) 1983

(60)

Voor 1983 nodigde ICI elk der fabrikanten uit, zijn eigen ambities mede te delen en suggesties te doen over het percentage dat aan elk van de anderen zou moeten worden toegestaan. MONTEPOLIMERI, ANIC, ATO, DSM, LINZ, SAGA en SOLVAY deden ieder hun eigen gedetailleerde voorstellen voor een verdeling van de markt, waarbij zij voor elke producent een quotum suggereerden. De drie Duitse producenten dienden via BASF een gemeenschappelijk voorstel in.

De diverse voorstellen werden op computer verwerkt, waarbij een gemiddelde werd berekend dat werd vergeleken met de individuele "aspiraties'' qua percentage van elke fabrikant.

(61)

De door ICI voorgestelde richtlijnen voor een nieuwe raamovereenkomst voor 1983 kwamen in hoofdzaak neer op het volgende:

a) erkenning van de marktprestaties van iedere fabrikant door zijn procentueel aandeel in de totale verkopen gedurende een referentieperiode (van 1 januari 1981 tot 30 september 1982) te berekenen en door dit vervolgens toe te passen op het gedeelte van de markt voor 1983 dat overeenkwam met die voor 1982, welke op 1 400 000 ton werd geraamd;

b) verdeling van de 75 000 ton waarmee de verkoopcijfers in 1983 naar verwachting die van 1982 zouden overtreffen, naar rata van het procentuele aandeel van ieder van de fabrikanten in de totale nominale capaciteit;

c) vergelijking van het resultaat met de verwachte prestaties van ieder van de fabrikanten in 1982 en correctie van klaarblijkelijke afwijkingen;

d) behandeling van MONTEPOLIMERI/ANIC/SIR als één groep, waarbij het aan henzelf zou worden overgelaten te bepalen hoe hun quotum onderling precies moest worden verdeeld.

(62)

ICI achtte het van wezenlijk belang voor het welslagen van ieder nieuw plan dat de "grote vier'' de andere fabrikanten een eenheidsfront zouden bieden. Het standpunt van SHELL - zoals medegedeeld aan ICI - was dat SHELL zelf, ICI en HOECHST ieder een quotum van 11 % toegewezen moesten krijgen (bron: het document van ICI met als opschrift "Kader polypropyleen'').

Volgens het voorstel van ICI voor 1983 zou aan de Italiaanse fabrikanten 19,80 % worden toegewezen, aan HOECHST en SHELL ieder 10,90 % en aan ICI zelf 11,10 %.

Met het oog op de opstelling van een quotaregeling voor 1983 werd de totale te verdelen markt door de fabrikanten in onderling overleg vastgesteld op 1 470 000 ton.

(63)

Tijdens verscheidene bijeenkomsten in november en december werden de voorstellen besproken. Op de "experts''-bijeenkomst van december werd een voorstel ingediend dat in eerste instantie beperkt was tot het eerste kwartaal van 1983. De totale vraag voor die periode werd geraamd op 367 500 ton. Blijkens een nota van ICI achtten ATO, DSM, HOECHST, HUELS, ICI, MONTEPOLIMERI en SOLVAY de hun toegewezen quota "aanvaardbaar''. Aan HERCULES, AMOCO en BP werd gezamenlijk 53 000 ton toegewezen; HERCULES verklaarde zich tevreden met 20 000 ton daarvan (later opgetrokken tot 21 000 ton) (bron: de door ICI opgestelde notulen van de "experts''-bijeenkomst van december 1982 en een notitie betreffende een telefoongesprek met HERCULES op 3 december 1982).

In de door ICI opgestelde notulen van de bijeenkomst wordt geen gewag gemaakt van de reactie van SHELL op het voorstel, maar deze producent woonde een

bijeenkomst van de "grote vier'' op 20 december 1982 bij. In een niet gedateerde nota van ICI die moest dienen ter voorbereiding van een bijeenkomst met SHELL in of omstreeks mei 1983 wordt vermeld dat SHELL "de West-Europese quotumniveaus van 39,5 kiloton/kwartaal voor kwartaal 1 en kwartaal 2 1983 had aanvaard''.

In planningdocumenten voor het eerste kwartaal van 1983 die bij SHELL werden aangetroffen, wordt een vergelijking gemaakt tussen de door de explotatiemaatschappijen van SHELL geplande verkoop in West-Europa van 43 700 ton en de "streefhoeveelheid'' van 39 500 ton, waarbij pogingen werden gedaan om het verschil weg te werken via het 10,7 %-marktaandeel voor SHELL waarop het quotasysteem voor het eerste kwartaal was gebaseerd. SHELL zelf was ervoor bezorgd dat zijn werkelijke marktaandeel niet meer dan 11 % zou bedragen - het quotum dat het bedrijf oorspronkelijk voor ICI, HOECHST en zichzelf had voorgesteld - en de individuele exploitatiemaatschappijen hadden zich bereid verklaard hun medewerking te verlenen en het tot 11 % te beperken. In de praktijk lag SHELL's werkelijke marktaandeel van 10,9 % voor de eerste vijf maanden van 1983 daar zeer dicht bij. De exploitatiemaatschappijen was namelijk medegedeeld dat zij potentiële prijsverhogingen niet in gevaar mochten brengen door naar een vergroting van de marktaandelen te streven.

(64)

Bescheiden die bij SHELL werden verkregen bevestigen dat ook in het tweede kwartaal van 1983 nog een systeem voor de controle van de hoeveelheden van kracht bleef: om zijn marktaandeel in het tweede kwartaal rond de 11 % te houden (een cijfer dat "de overeengekomen streefhoeveelheid voor SHELL'' wordt genoemd) gaf SHELL aan de nationale verkoopmaatschappijen van zijn concern opdracht hun verkopen te verminderen. Ofschoon op de laatste bijeenkomst van de fabrikanten waarvan notulen werden aangetroffen (in juni 1983) niet uitdrukkelijk melding werd gemaakt van quota, werden door de "experts'' gegevens uitgewisseld over de door ieder van hen in de loop van de vorige maand verkochte hoeveelheden, hetgeen erop wijst dat er wel degelijk een quotasysteem van toepassing was.

(65)

Ofschoon de vier voornaamste producenten op een bepaald ogenblik de mogelijkheid hadden overwogen het hoeveelhedencontrolesysteem strenger te maken door het invoeren van compensatiebetalingen of sancties voor overschrijding van het toegewezen quotum, werd een dergelijk systeem van sancties nooit in de praktijk gebracht in de polypropyleensector. De inachtneming van de overeengekomen streefhoeveelheid berustte dan ook in zekere zin op vrijwilligheid, maar de regeling dat iedere fabrikant verslag uitbracht over de hoeveelheid die hij in de voorgaande maanden had verkocht - met het risico door de anderen te worden gekritiseerd indien dit als onregelmatig werd beschouwd - vormde een aansporing om zich aan de toegewezen streefhoeveelheid te houden.

VIII. De uitwisseling van gegevens via FIDES

(66)

In juli 1976 stelden de polypropyleenfabrikanten een regeling op voor de maandelijkse uitwisseling van informatie over de produktie, de verkoop en de beweging der voorraden in West-Europa, via de FIDES TRUST COMPANY in Zuerich. Tegen april 1977 namen alle fabrikanten hieraan deel, behalve HERCULES, die later toetrad.

Krachtens de FIDES-regeling rapporteert iedere fabrikant zijn maandelijkse gegevens aan een "central clearing''-instituut, dat aan de hand hiervan samengestelde cijfers voor de gehele polypropyleenindustrie opstelt en aan de abonnees doorgeeft, waarbij geen individuele fabrikanten met name worden genoemd, maar alleen wordt verwezen naar nationale groepen die elk uit meerdere fabrikanten bestaan.

In het officiële FIDES-systeem gelden bijzondere bepalingen om de anonimiteit te waarborgen. Dergelijke garanties worden echter waardeloos wanneer de fabrikanten systematisch onder elkaar per telefoon of op vergaderingen gegevens uitwisselen betreffende de door ieder van hen op de Europese markt geleverde hoeveelheden. De officiële FIDES-cijfers zijn een bruikbaar middel om de juistheid van de verstrekte individuele gegevens te contoleren: bij optelling moet iedere afwijking van het FIDES-totaal meteen aan het licht komen.

Uit de notulen van de bijeenkomsten vanaf juni 1982 blijkt dat het gebruik werd ingevoerd dat iedere producent zijn verkopen van de vorige maand rapporteerde ter vergelijking met de hem toegewezen streefhoeveelheid. Voor AMOCO, BP en HERCULES was echter slechts een globale raming voorhanden. BP en AMOCO woonden de bijeenkomsten niet bij en HERCULES blijkt terughoudend te zijn geweest omtrent het overleggen van zijn eigen concrete verkoopcijfers. HERCULES beschikte echter wel over de individuele gegevens van de andere producenten en uit interne documenten blijkt dat het bedrijf nauwkeurig op de hoogte was van de leveringen in elke Lid-Staat en de marktaandelen van ieder van de andere producenten in 1981 en 1982.

IX. De bijzondere positie van de vier voornaamste producenten

(67)

Reeds in juni 1977 begonnen de vier voornaamste producenten - MONTEPOLIMERI, HOECHST, ICI en SHELL - zich in het kader van de besprekingen en de overeenkomst over drempelprijzen rekenschap te geven van het feit dat zij als "grote vier'' gemeenschappelijke belangen hadden (zie punt 16).

Nadat het systeem van regelmatige vergaderingen einde 1979 was ingevoerd, werd het de gewoonte dat een "prijsinitiatief'' aan de klanten ter kennis werd gebracht via een mededeling in de pers dat een van hen een prijsverhoging plande en dat de anderen daaraan "hum steun verleenden'' of dat zij "volgden''.

MONTEPOLIMERI, ICI en SHELL - HOECHST was niet aanwezig - kwamen in juni 1981 bijeen om te bespreken welke maatregelen zij zelf zouden kunnen nemen om de prijzen te verhogen. De besproken oplossingen omvatten: (a) sancties tegen "spelbrekers'' onder de producenten, (b) een controle op de produktie, (c) een nieuwe quotaregeling, (d) een nieuw initiatief van de "grote vier'' waarmee zij zich aan de kleinere fabrikanten aanpasten, maar hun verminderde verkopen goedmaakten op markten in "de rest van de wereld'' en (e) een ronde verhoging met 20 Pfennig/kg met ingang van 1 juli 1981 (bron: nota van ICI van 17 juni 1981).

(68)

In antwoord op een verzoek om inlichtingen uit hoofde van artikel 11 van Verordening nr. 17 heeft ICI erkend dat er onder de vier voornaamste producenten overeenstemming bestond over het feit dat zij, indien de prijzen moesten worden verhoogd, als marktleiders krachtig leiding moesten geven, zelfs ten koste van hun eigen verkopen.

Eind 1982 begonnen de "grote vier'' in beperkte vergaderingen samen te komen, de dag vóór elke "bosses''-bijeenkomst. Deze zogeheten "vóórbijeenkomsten'' boden de vier grote producenten een forum waarop zij vóór de plenaire vergadering een gezamenlijk standpunt konden overeenkomen. De onderliggende idee was dat de vier, die samen ongeveer 50 % van de markt in handen hadden, door een gezamenlijke aanpak stappen in de richting van prijzenstabiliteit in de hand konden werken (bron: het ICI-document getiteld "Kader polypropyleen'' en de aantekening in het dossier van SHELL van 20 oktober 1982).

ICI heeft erkend dat de op de vóórbijeenkomsten besproken onderwerpen dezelfde waren als die welke op de erop volgende "bosses''-bijeenkomsten werden besproken (bron: het antwoord van ICI op het verzoek om inlichtingen), maar SHELL loochent aan de andere kant dat de bijeenkomsten van de "grote vier'' op enigerlei wijze een voorbereiding vormden voor een plenaire bijeenkomst, dan wel cooerdinatie beoogden met het oog op het innemen van een gezamenlijk standpunt over onderwerpen die de volgende dag ter tafel zouden komen. De geschreven stukken die over bijeenkomsten van de "grote vier'' (in oktober 1982 en mei 1983) bestaan, ontzenuwen echter deze bewering.

D. De argumenten van de fabrikanten met betrekking tot de feiten

(69)

De argumenten die door de fabrikanten in de loop van de administratieve procedure met betrekking tot de feiten naar voren werden gebracht, kunnen als volgt worden samengevat:

a) notulen van de bijeenkomsten: aangevoerd wordt dat de door de Commissie bij ICI aangetroffen notities betreffende bijeenkomsten ten opzichte van de andere fabrikanten niet kunnen worden toegelaten als bewijs van de erin weergegeven

feiten, dan wel dat zij zo ongeloofwaardig waren dat er geen belang aan behoorde te worden gehecht;

b) aard van de bijeenkomsten: alle fabrikanten geven toe dat zij "bosses''- en "experts''-bijeenkomsten (of, wat SHELL betreft, bijeenkomsten van de "grote vier'') hebben bijgewoond, maar sommigen beweren dat daarop alleen algemene besprekingen over de problemen van de bedrijfstak plaatsvonden en dat nooit zelfs maar werd gerept van aangelegenheden die van invloed waren op de mededinging. Anderen geven toe dat pogingen werden ondernomen om tot overeenstemming te komen over richtprijzen of quota, maar dat op geen enkel ogenblik eensgezindheid werd bereikt. Sommige fabrikanten beweren dat - welke concurrentiebeperkende maatregelen de anderen op bijeenkomsten ook hebben besproken of genomen - zij zelf de bijeenkomsten slechts bijwoonden als "waarnemers'' of om een beter inzicht te verwerven in de markt en dat zij zich nooit bij enige overeenkomst of beperking van de mededinging hebben aangesloten;

c) marktonderzoek: de drie Duitse fabrikanten hebben een expert-econometrist een opdracht gegeven voor een studie waaruit moest blijken dat op de Duitse polypropyleenmarkt (die als representatief voor de gehele EEG werd beschouwd) een felle of zelfs moordende concurrentie werd gevoerd, dat een eventuele overeenkomst tot vaststelling van de prijzen gezien de voortdurende prijsstijgingen en -dalingen en de aanhoudende verliezen in de bedrijven denkbeeldig was en dat de prijzen werden bepaald door normale marktkrachten zoals vraag en aanbod, het algemene economische klimaat en de strijd tussen producenten om een zo groot mogelijk marktaandeel;

d) gecentraliseerde accountantscontrole: de meeste fabrikanten - ATO, BASF, HOECHST, HUELS, ICI, LINZ, MONTEPOLIMERI, PETROFINA en SOLVAY - onderwierpen voorts hun polypropyleenfacturen voor 1982 en de eerste negen maanden van 1983 aan een gecentraliseerde controle door een kantoor van registeraccountants. De producenten beweren dat deze controle grote onderlinge verschillen aan het licht bracht, niet alleen tussen de werkelijke marktprijzen en de "catalogusprijzen'' van de producenten, maar ook van producent tot producent en van afnemer tot afnemer. Hieruit leiden zij af dat er op de markt een felle concurrentie heerste, hetgeen het bestaan van een echte heimelijke verstandhouding onder de producenten uitsloot;

e) prijsinstructies: alle producenten voeren aan dat de schriftelijke prijsinstructies die zij aan hun verkoopkantoren doorgaven, zowel wat het tijdstip als wat het niveau van de te berekenen prijzen betreft, afwijkingen vertoonden ten opzichte van de zogezegd op de bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen, alsook ten opzichte van elkaar. Sommige fabrikanten houden staande dat, ongeacht hun deelname aan de bijeenkomsten, ieder

parallellisme in de prijsinstructies van verschillende producenten kan worden verklaard door factoren zoals de doorzichtigheid van de markt (gegevens verkregen van klanten of uit de pers) en de oligopolistische structuur van de markt.

Op andere specifieke argumenten die door individuele fabrikanten naar voren werden gebracht, zal nader worden ingegaan in het gedeelte van deze beschikking waarin de betrokkenheid en het aandeel van ieder afzonderlijk in de beweerde inbreuken worden beoordeeld.

E. Oordeel van de Commissie over de argumenten van de producenten met betrekking tot de feiten

a) De notulen van de bijeenkomsten

(70)

Ofschoon zij diverse andersluidende interpretaties geven van de aard en het doel van de bijeenkomsten, hebben de fabrikanten niet één verslag van de bijeenkomsten overgelegd en niet één getuigenverklaring aangebracht die twijfel zouden kunnen doen rijzen over de juistheid van de notities van ICI.

Met betrekking tot twee bijeenkomsten werd het verslag dat door ICI in interne rapporten werd opgesteld in elk relevant opzicht bevestigd door notities betreffende die bijeenkomsten welke bij HERCULES werden aangetroffen.

Door alle documentatie in verband met de op de bijeenkomsten besproken onderwerpen (richtprijzen, prijsinitiatieven, quota) die bij andere producenten (zoals ATO, DSM en SHELL) in de loop van het onderzoek werd aangetroffen, worden de feiten zoals ze in de gedetailleerde rapporten van ICI zijn uiteengezet, alleen maar bevestigd. Bescheiden die bij ICI werden aangetroffen maar die afkomstig waren van andere bedrijven leveren nog meer overtuigend bewijsmateriaal op, met name inzake streefhoeveelheden en quotasystemen.

De notulen van ICI werden opgesteld ter attentie van hooggeplaatste directeurs van de petrochemische en plasticsafdeling van ICI, die de "bosses''-bijeenkomsten bijwoonden en daarbij als voorzitter optraden. Gezien de rol van ICI als voorzitter van de groep is er alle reden om te veronderstellen dat er zorgvuldig op werd toegezien dat de notulen volledig en nauwkeurig waren. De bewering dat deze notulen louter verzinsels waren, kan niet worden aanvaard.

De Commissie komt derhalve tot de conclusie dat de notulen van de bijeenkomsten een nauwgezet, getrouw en samenhangend verslag bevatten van die bijeenkomsten, alsmede van wat er werd besproken en overeengekomen en van de rol van de diverse deelnemers.

De Commissie beschikt niet over verslagen van alle bijeenkomsten die sedert 1977 plaatsvonden, maar er werden verslagen aangetroffen betreffende bepaalde bijeenkomsten in 1979 en in 1981 waaruit blijkt dat

de behandelde onderwerpen en de bereikte resultaten in grote lijnen dezelfde waren als in 1982 en in 1983.

b) Aard van de bijeenkomsten

(71)

De beschikbare verslagen van de bijeenkomsten logenstraffen de door de fabrikanten naar voren gebrachte argumenten met betrekking tot de behandelde onderwerpen en de zogezegde geringe graad van hun betrokkenheid. Uit deze bescheiden blijkt dat gedetailleerde overeenkomsten werden gesloten over het bedrag en het tijdstip van prijsinitiatieven en over de wijze waarop ze ten uitvoer moesten worden gelegd. Wat de streefhoeveelheden en quota betreft, logenstraffen de talrijke tabellen en berekeningen die de Commissie in haar bezit heeft gekregen en die teruggaan tot 1979, de bewering dat het alleen maar om voorstellen ging waaraan nooit enig gevolg werd gegeven.

c) De marktstudie

(72)

De economische studie betreffende de Duitse markt bewijst niet dat er geen overeenkomst bestond. De in het rapport aangevoerde factoren - de marktstructuur en de doorzichtigheid van de prijzenstructuur - zouden bij gebreke van bewijs van een heimelijke verstandhouding een verklaring kunnen vormen voor een in grote trekken gelijklopend prijsstellingsgedrag. De bezwaren van de Commissie steunen echter niet op algemene parallellen in het prijsstellingsgedrag van ieder van de producenten. Zelfs indien er een rechtstreeks bewijs van de bijeenkomsten voorhanden was, zouden de verregaande uniformiteit en gelijktijdigheid van de prijsinstructies gedurende een lange tijd op zichzelf reeds een sterk vermoeden van onderling overleg hebben doen rijzen. In het onderhavige geval zijn de bewijzen nog veel sterker en staat het onomstotelijk vast dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de commerciële gedragingen van de producenten en het systeem van regelmatige bijeenkomsten.

(73)

De Commissie heeft in ieder geval nooit beweerd dat het systeem van regelmatige bijeenkomsten alle verrichtingen en verkopen van de fabrikanten volledig beheerste of dat het de enige factor was die het prijsniveau van polypropyleen bepaalde. Uit het door de Commissie in aanmerking genomen bewijsmateriaal blijkt trouwens dat de fabrikanten zich er rekenschap van gaven dat de markt werd beïnvloed door factoren, zoals wijzigingen in de vraag of verhogingen van de grondstofprijzen, die aan hun controle ontsnapten. Bij het nemen van een besluit over het bedrag, het tijdstip en de wijze van invoering en de kans op slagen van een voorgenomen prijsinitiatief moesten de fabrikanten rekening houden met dergelijke marktfactoren. Eén van de hoofddoelstellingen van de bijeenkomsten was echter juist te trachten de reactie van de fabrikanten op dergelijke factoren te cooerdineren. Het is overigens best mogelijk dat de prijs in ruime mate werd bepaald door het mechanisme van vraag en aanbod, maar uit het

schriftelijke bewijsmateriaal blijkt dat de producenten met hun controle op de verkochte hoeveelheden of hun quotasystemen probeerden dit mechanisme te manipuleren.

d) De gecentraliseerde accountantscontrole

(74)

Er is weliswaar geen reden om in twijfel te trekken dat de controle, die werd uitgevoerd door een onafhankelijk accountantskantoor, nauwkeurig de werkelijke netto-verkoopprijzen (na aftrek van alle kortingen) van de betrokken producenten in de bewuste periode weergeeft, maar de Commissie aanvaardt niet de conclusies die de producenten daaruit willen trekken.

Om te beginnen heeft de Commissie nooit beweerd - zoals sommige producenten hebben trachten aan te tonen - dat alle producenten een vaste kartelprijs berekenden of dat de werkelijke prijs die aan elke kant werd berekend overeenkwam met de "catalogusprijs'' voor een bepaalde maand. Het feit dat de gemiddelde marktprijzen slechts met vertraging of wellicht nooit de "richtprijs'' bereikten, doet niets af aan de geldigheid van de door de Commissie geopperde bezwaren. In de onderhavige zaak gaat het er in wezen om dat alle producenten, nadat op bijeenkomsten richtprijzen waren overeengekomen, hun verkoopafdelingen instructies gaven om te streven naar de toepassing van de bewuste prijsniveaus en dat de "richtprijzen'' werden gehanteerd als uitgangspunt bij prijsonderhandelingen met afnemers (zie punt 90).

De Commissie heeft in de loop van de procedures steeds erkend dat er zelfs bij een succesvol prijsinitiatief (en, toegegeven, het doel werd niet steeds bereikt) toch zwakke punten konden voorkomen in bepaalde produktgebieden of op bepaalde nationale markten en dat ieder initiatief noodzakelijkerwijze enige tijd behoefde om effect te sorteren.

Een eenvoudige vergelijking van de netto-factuurprijzen van iedere producent met zijn "catalogusprijzen'' gedurende de gehele periode bewijst niet veel. Het tijdvak waarop de controle betrekking heeft omvat niet alleen bekende prijsinitiatieven (juni 1982, laatste kwartaal 1982, juli 1983, september - maar niet oktober of november - 1983) maar ook periodes daartussenin, tijdens welke - zoals door de Commissie wordt aanvaard - de prijsniveaus stagneerden of daalden. Grote afwijkingen tussen de nominale catalogusprijzen van de producenten en de werkelijke prijzen in die perioden zijn niet meer dan normaal.

Voorts moet bij vergelijking van de werkelijke prijzen met de op de bijeenkomsten vastgestelde "richtprijzen'' in aanmerking worden genomen; (i) dat de bij de controle genoteerde prijzen nettoprijzen zijn, na aftrek van alle kortingen en verminderingen, terwijl de "richtprijzen'' brutoprijzen waren; (ii) dat bepaalde grote afnemers wellicht bijzondere jaar- of kwartaalcontracten tegen vaste prijs hadden; (iii) dat vooraf

aangegane verplichtingen die zich over verscheidene maanden uitstrekten wellicht de toepassing van de nieuwe prijs vertraagden; (iv) dat er tegen de prijsverhogingen verzet van de afnemers kon rijzen; (v) dat de tenuitvoerlegging van de genomen besluiten in sommige sectoren of Lid-Staten soms moeilijker bleek te zijn dan in andere.

Wanneer met die factoren rekening wordt gehouden, klopt de ontwikkeling van de aan individuele afnemers berekende prijzen in vergelijking met de ter gelegenheid van bepaalde prijsinitiatieven vastgestelde prijzen in grote trekken met de versie die in de bij ICI en andere producenten aangetroffen bescheiden betreffende de uitvoering van de prijsinitiatieven tot uiting komt.

Tabel 9 in de bijlage bevat een vergelijking van de op de bijeenkomsten overeengekomen richtprijzen met de werkelijke prijzen, zoals die in de vakpers zijn weergegeven, van september 1981 tot december 1983.

e) Prijsinstructies

(75)

De bewering dat hun prijsinstructies wat tijdstip en bedrag betreft niet overeenstemden met de op de bijeenkomsten overeengekomen richtprijzen en ook onderling verschilden, wordt door de feiten niet gestaafd. De Commissie heeft gedetailleerde grafieken opgesteld en aan de fabrikanten bezorgd, te zamen met kopieën van de ter zake dienende prijsinstructies van iedere fabrikant met betrekking tot alle bekende prijsinitiatieven tussen september 1979 en november 1983 (de grafieken waren noodzakelijkerwijs een vereenvoudiging van de soms complexe instructies met betrekking tot het tijdstip of het bedrag van een verhoging en de toegestane mate van soepelheid en moeten worden gelezen met inachtneming van de inhoud van de eraan gehechte volledige instructies). Bij onderzoek en onderlinge vergelijking van de instructies zelf komt als een vast patroon naar voren dat de fabrikanten prijsinstructies gaven met het oog op de toepassing van de "richtprijzen'' waarnaar in de notulen van de bijeenkomsten werd verwezen. Bij bepaalde gelegenheden (zoals in februari-maart 1981, op 1 juni 1982 en op 1 oktober 1982) werd op de bijeenkomsten een volledige lijst van richtprijzen opgesteld voor elke kwaliteit en voor elke nationale valuta en werden de instructies van verscheidene fabrikanten aan ieder van hun nationale verkoopkantoren aangetroffen, waarbij deze laatste niet alleen precies met elkaar blijken overeen te komen, maar ook met elk van de circa 40 in de lijst vastgestelde richtprijzen. Bij andere gelegenheden (zoals in september-november 1983) werd weliswaar geen volledige lijst van richtprijzen aangetroffen, maar stemden de door de fabrikanten gegeven instructies eveneens volledig met elkaar overeen. Sommige fabrikanten lieten hun plaatselijke verkoopkantoren in bepaalde gevallen een zekere vrijheid om de integrale toepassing aan een nieuwe prijs uit te stellen of gaven "mini-

mum''- of "bodem''-prijzen op waarop zij konden terugvallen. Grote afwijkingen van de voorgenomen prijs moesten echter aan het hoofdkantoor worden gemeld. Andere fabrikanten stelden bij wijze van uitzondering speciale prijzen vast voor bijzonder grote klanten. HERCULES zond telkens aan al zijn lokale verkoopkantoren in de EEG een algemene telex, waarin haast onveranderlijk werd verwezen naar het oogmerk te komen tot een prijsniveau dat overeenstemde met de op bijeenkomsten overeengekomen richtprijzen. Een telex met specifieke instructies (waarin vaak werd verwezen naar dezelfde algemene "richtprijs'' in DM of in de betrokken nationale valuta) werd naar iedere regio gezonden, ten einde rekening te houden met plaatselijke omstandigheden en met diverse factoren die van invloed konden zijn op de prijs welke werkelijk haalbaar was. De algemene regel was echter dat prijsinstructies werden gegeven met het oog op de werkelijke toepassing van de richtprijzen waartoe op de voorafgaande bijeenkomst was besloten.

(76)

Verscheidene fabrikanten hebben onder verwijzing naar bepaalde prijsinitiatieven getracht aan de tonen dat hun prijsstellingsgedrag zogezegd "onafhankelijk'' was van dat van de andere fabrikanten of van een op een bijeenkomst overeengekomen handelwijze. Zo voerde ICI in verband met de tussentijdse verhoging tot 1,85 DM/kg op 1 juli 1983 aan dat de prijsinstructies waarop de Commissie zich baseerde, door verscheidene fabrikanten reeds waren gegeven vóór de datum van de bijeenkomst waarop deze richtprijs volgens de Commissie was overeengekomen (op 1 juni). Dit argument gaat voorbij aan het feit dat de bijeenkomst van 1 juni slechts was bedoeld als een bevestiging en dat de oorspronkelijke beslissing om de richtprijs op te trekken tot 1,85 DM/kg reeds op een eerdere bijeenkomst, op 20 mei 1983, was genomen. De instructies van ICI om de bedoelde prijs toe te passen werden drie dagen na die vergadering, op 23 mei, gegeven. Overigens kon ICI geen verklaring geven voor het feit dat zijn nieuwe prijzen voor een assortiment van 40 of meer produkten precies dezelfde waren als die welke door DSM en BASF op dezelfde dag werden ingevoerd.

HERCULES kritiseert de Commissie omdat zij zogezegd prijsinstructies van verschillende fabrikanten ten onrechte als gelijktijdig ingevoerd beschouwt. Het bedrijf vestigt in het bijzonder de aandacht op het feit dat minstens vier weken verstreken tussen het verzenden van zijn eigen prijsinstructies van 26 juli 1982 betreffende een verhoging tot 2,00 DM/kg vanaf 1 september en tot 2,10 DM/kg vanaf 1 oktober en het ogenblik waarop volgens de Commissie de andere fabrikanten soortgelijke instructies gaven. De instructies van de andere fabrikanten kwamen later omdat, nadat HERCULES zijn oorspronkelijke telex had verzonden, was overeengekomen het initiatief met één maand uit te stellen, en HERCULES zelf verstuurde meer bepaald op 24 augustus 1982 een telex tot wijziging van de oorspronkelijke instructies. Nog veelbetekenender is dat de eerste prijsinstructies van HERCULES op 26 juli "voor september en oktober

streven wij naar prijsverhogingen op basis van een richtprijs voor raffia van respectievelijk 2,00 DM/kg en 2,10 DM/kg'') werden gegeven vijf dagen na de bijeenkomst van 21 juli, waarop HERCULES vertegenwoordigd was en waar precies die richtprijzen oorspronkelijk waren vastgesteld (in de door ICI opgestelde notulen van die vergadering staat: "de 2,00 DM werd algemeen aanvaard voor september; tegen 1 oktober zal gelijktijdig een nieuwe verhoging met 10 Pfennig worden aangekondigd'').

Los van de accountantscontrole die in opdracht van de andere producenten werd uitgevoerd legde HERCULES een studie over die beoogde aan te tonen dat er geen systematische correlatie bestond tussen zijn eigen "prijsrichtlijnen'' en de op de bijeenkomsten vastgestelde richtprijzen. Deze conclusie wordt grotendeels bereikt door het weglaten of selectief uitleggen van prijsinstructies en door het gebruiken van niet de werkelijke, voor een bepaalde kwaliteit in de correcte nationale valuta vastgestelde richtprijzen (zoals weergegeven in tabellen bij de door ICI opgestelde notulen van de bijeenkomsten), maar van onnauwkeurige "abstracte'' cijfers die door HERCULES speciaal met het oog op deze berekeningen van de in DM uitgedrukte richtprijs voor raffiakwaliteit werden afgeleid.

(77)

In sommige gevallen verstrekten de fabrikanten aan de Commissie geen volledig overzicht van alle prijsinstructies sedert 1979, zoals was gevraagd. Aldus was voor twee fabrikanten, HUELS en HERCULES, slechts documentatie beschikbaar met betrekking tot 1982 en 1983, en voor PETROFINA en SOLVAY alleen voor 1983. Beweerd werd dat de bescheiden met betrekking tot de vorige jaren vernietigd waren of nooit hadden bestaan. Uit de verkregen prijsinstructies blijkt echter dat deze vier producenten gedurende de periode of perioden waarvoor zij bescheiden beschikbaar stelden wel degelijk stappen ondernamen om de overeengekomen richtprijzen toe te passen.

ANIC en RHÔNE-POULENC verstrekten geen prijsinstructies, maar uit notulen van bijeenkomsten en andere bescheiden blijkt dat deze producenten regelmatig deelnamen aan bijeenkomsten waarop prijsinitiatieven werden besproken en goedgekeurd. Zoals blijkt uit de bescheiden betreffende de quotaregelingen waren zij ook bij die regelingen ten volle betrokken gedurende de periode dat zij actief waren op de polypropyleenmarkt.

F. De betrokkenheid van iedere fabrikant afzonderlijk

(78)

ICI, MONTEPOLIMERI, HOECHST en SHELL vormden samen als de "grote vier'' de spil van de regelingen die voortvloeiden uit de "bodemprijzenovereenkomst''. Nadat het systeem van regelmatige bijeenkomsten werd ingevoerd, nam MONTEPOLIMERI het leiderschap van de groep op zich, een verantwoordelijkheid die in augustus 1982 werd overgedragen aan ICI. HOECHST, ICI en MONTEPOLIMERI waren alle vaste deelnemers aan de "bosses''- en "experts''-bijeenkomsten.

SHELL woonde deze bijeenkomsten niet bij, maar was betrokken bij de oorspronkelijke bodemprijsovereenkomst, nam deel aan ad hoc-bijeenkomsten met de andere grote fabrikanten en deed mee met de quotaregelingen. SHELL geeft zelf toe dat haar opinie over de haalbaarheid van prijsverhogingen soms vóór "bosses''- of "experts''-bijeenkomsten werd gevraagd en dat zij er na dergelijke bijeenkomsten door MONTEPOLIMERI of ICI van in kennis werd gesteld dat bepaalde "richtprijzen'' waren voorgesteld, welke informatie SHELL op haar beurt doorgaf aan haar exploitatiemaatschappijen. De interne bescheiden van SHELL bevestigen dat zij op de hoogte was van en deelnam aan de "prijsinitiatieven'', in sommige gevallen zelfs als de ogenschijnlijke leider. Vanaf einde 1982 woonde een vertegenwoordiger van SHELL regelmatig de "vóórbijeenkomsten'' van de vier grote producenten bij. Exploitatiemaatschappijen van de SHELL-groep namen deel aan nationale bijeenkomsten.

Behalve van de "grote vier'' kan niet met zekerheid worden bepaald welke andere fabrikanten nog betrokken waren bij de oorspronkelijke "bodemprijsovereenkomst'' van medio 1977. Het kort daarna, op 1 december 1977, door MONTEPOLIMERI, HOECHST, ICI en SHELL genomen initiatief verkreeg echter de uitdrukkelijke "steun'' van op zijn minst HERCULES, LINZ, RHÔNE-POULENC, SAGA en SOLVAY. Al deze producenten zijn derhalve reeds sedert 1977 betrokken bij heimelijke afspraken, ongeacht de juiste datum waarop zij de bijeenkomsten zijn begonnen bij te wonen.

Het stelsel van regelmatige bijeenkomsten trad rond einde 1977 in werking, maar het is niet mogelijk te achterhalen op welke datum ieder van de fabrikanten ze precies begon bij te wonen (6).

Uit de bescheiden betreffende de streefhoeveelheden blijkt echter dat alle fabrikanten aan wie deze beschikking is gericht, betrokken waren bij de quotaregeling op het ogenblik dat de "streefhoeveelheden'' voor 1979 werden vastgesteld. Hun deelname aan de bijeenkomsten is derhalve minstens vanaf die datum bewezen (1980 voor PETROFINA).

De Commissie verwerpt uitdrukkelijk het door HUELS naar voren gebrachte argument dat de enige bijeenkomst vóór medio 1982 waaraan deze fabrikant - geheel bij toeval - deelnam, die was van januari 1981 waarvan bij ICI notulen werden aangetroffen waarin hij wordt genoemd. In de bescheiden betreffende de streefhoeveelheden vanaf 1979 komt de betrokken-

heid van HUELS aan het licht en wordt tevens duidelijk dat het bedrijf vanaf het begin aan dit soort plannen meewerkte.

ANIC hield er rond medio of einde 1982 wegens de reorganisatie van de Italiaanse petrochemische industrie mee op de bijeenkomsten bij te wonen (maar was op zijn minst nog betrokken bij de quotaregeling voor het eerste kwartaal van 1983). RHÔNE-POULENC verdween einde 1980 eveneens van de polypropyleenmarkt en droeg zijn belangen over aan zijn voormalige partner BP.

Als laatste producent die op de markt kwam begon PETROFINA pas in 1980 de bijeenkomsten bij te wonen. Oorspronkelijk werden zijn polypropyleenverkopen afgehandeld door MONTEFINA, een onderneming die PETROFINA in mede-eigendom met MONTEPOLIMERI bezat. In maart 1982 nam PETROFINA zelf de verkoopfunctie voor zijn aandeel in de produktie van MONTEPOLIMERI in handen. PETROFINA geeft toe dat zijn vertegenwoordigers van dan af regelmatig de "bosses''- en "experts''-bijeenkomsten bijwoonden. Het staat niet vast of PETROFINA vóór maart 1982 afzonderlijk vertegenwoordigd was op de bijeenkomsten, maar het feit dat het bedrijf bij het opstellen van een quotaregeling doorgaans afzonderlijk werd behandeld maakt het waarschijnlijk dat het reeds sedert 1980 bij deze regelingen was betrokken.

Af en toe worden sommige fabrikanten - waaronder met name SAGA - in documenten als "soepel'', "tegendraads'' of "overtreder van de afspraken'' op bepaalde markten aangeduid. Die fabrikanten waren echter allemaal vaste deelnemers aan de bijeenkomsten en uit hun prijsinstructies en andere interne bescheiden blijkt dat zij over het algemeen bereidwillige leden van de "club'' waren of dat zij - zoals SAGA - bereid waren zich "agressief'' op te stellen op prijsgebied om hun eisen voor een groter quotum kracht bij te zetten.

HERCULES, de enige van de betrokken fabrikanten waarvan de aandelen in Amerikaanse handen zijn, beweert dat zij alleen als "waarnemer'' de bijeenkomsten bijwoonde, en dan nog onregelmatig. Zij geeft toe vanaf mei 1979 de bijeenkomsten te hebben bijgewoond en op de hoogte te zijn geweest van wat er omging op bijeenkomsten waarop haar vertegenwoordiger niet aanwezig was. Ofschoon ooit met

opstappen werd gedreigd omdat de Duitse fabrikanten hem niet "aanvaardden'', woonde de vertegenwoordiger van HERCULES vanaf medio 1982 ongeveer vijftien van de dertig bijeenkomsten bij waarvan de Commissie weet heeft. Daarbij waren verscheidene "bosses''-vergaderingen, en uit de notulen van ICI blijkt dat hij achteraf deelnam aan de besprekingen en zelfs de indiener was van het voorstel tot het invoeren van het systeem van "account leadership''. Hij nam ook deel aan lokale bijeenkomsten, op zijn minst voor de Benelux. Ofschoon hij gedetailleerde inlichtingen ontving over de maandelijkse verkopen van de andere producenten, schijnt de vertegenwoordiger van HERCULES de cijfers van het eigen bedrijf niet aan de anderen te hebben medegedeeld.

HERCULES heeft getracht de aanwezigheid van haar vertegenwoordiger af te doen als een eigenmachtig initiatief van een betrekkelijk lage werknemer. Uit haar eigen bescheiden blijkt echter dat hij als verkoopdirecteur voor de polypropyleensector een verantwoordelijke positie in het bedrijf bekleedde en dat zijn superieuren reeds in 1977, toen de "bodemprijs''-overeenkomst werd gesloten, en later in 1981 zelf in verbinding stonden met andere producenten in verband met prijsafspraken. Het is dan ook ondenkbaar dat zij niet op de hoogte waren van het werkelijke doel van zijn zakenreizen, waarvoor zij vanaf mei 1979 hun toestemming gaven.

Twee fabrikanten, AMOCO en BP, woonden de bijeenkomsten niet bij. Het is echter bewezen dat zij in contact stonden met de "club'' in verband met de aangelegenheden die op de bijeenkomsten werden besproken, zoals het prijsbeleid en het quotasysteem. Beide ontkennen evenwel hun betrokkenheid bij concurrentiebeperkende overeenkomsten, al gaf BP wel toe dat het vrijblijvende antwoorden gaf op benaderingspogingen van ICI, die wellicht als uitdrukkingen van "steun'' zouden kunnen worden geïnterpreteerd. AMOCO trad eveneens in telefonisch contact met HERCULES in verband met de voorstellen voor een quotaregeling voor het eerste kwartaal van 1983, terwijl ICI BP over dezelfde kwestie opbelde. In sommige gevallen schijnen zowel AMOCO als BP hun prijzen in overeenstemming te hebben gebracht met de op de bijeenkomsten overeengekomen richtprijzen. Hun handelwijze was op zijn minst onvoorzichtig, maar in het licht van het totale bewijsmateriaal is hun deelneming aan een inbreuk op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag niet op afdoende wijze bewezen.

DEEL II

JURIDISCHE BEOORDELING

A. Artikel 85

I. Artikel 85, lid 1

(79)

Volgens artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en

verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en er toe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst, en met

name die welke bestaan in het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden en het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen.

II. De aard en structuur van de "overeenkomst''

(80)

Vanaf 1977 zijn de producenten die polypropyleen in de EEG verkochten partij geweest bij een geheel complex van stelsels, regelingen en maatregelen waartoe in het kader van een systeem van geregelde bijeenkomsten en voortdurende contacten werd besloten.

De algemene opzet van de producenten was bijeen te komen om overeenstemming te bereiken over specifieke onderwerpen, waaronder op verschillende tijdstippen:

- de vaststelling van doelprijzen;

- de regeling van prijsinitiatieven;

- de verdeling van markten overeenkomstig jaarlijkse quotastelsels of streefhoeveelheden;

- perioden waarin geen uitdrukkelijk quotum van kracht was, tijdelijke maatregelen voor het controleren van de verkochte hoeveelheden of het uitoefenen van toezicht daarop;

- de uitwisseling van gedetailleerde informatie over hun individuele activiteiten die gewoonlijk worden beschouwd als vallende onder het zakengeheim, een en ander om de cooerdinatie van hun gedrag te vergemakkelijken.

Door de regelmatige contacten in het kader van een geïnstitutionaliseerd systeem van bijeenkomsten werden de regelingen van de producenten regelmatig gewijzigd, gevarieerd of bijgesteld om rekening te houden met zich wijzigende omstandigheden en reacties van de markt.

(81)

De Commissie is van mening dat het gehele complex van stelsels en regelingen, waartoe in de context van een systeem van regelmatige en geïnstitutionaliseerde bijeenkomsten werd besloten, één enkele voortgezette inbreuk op de mededingingsregels vormde die het meest exact kan worden aangemerkt als een "overeenkomst'', bedoeld in artikel 85, lid 1.

Een beperking van de mededinging kan als een "overeenkomst'' in de zin van artikel 85, lid 1, worden beschouwd zonder dat de overeenkomst geacht wordt in rechte bindend te zijn voor de partijen. Er is sprake van een overeenkomst wanneer de partijen overeenstemming bereiken over een plan dat hun commerciële vrijheid beperkt of naar alle waarschijnlijkheid zal beperken door het vastleggen van de wijze waarop zij zich op de markt tegenover elkaar zullen gedragen of van bepaald gedrag zullen onthouden. Contractuele sancties of procedures om dit af te dwingen zijn niet vereist. Evenmin is het noodzakelijk dat een dergelijke overeenkomst op papier staat. In het onderhavige

geval namen de producenten - door zich aan te sluiten bij een gemeenschappelijk plan om hun commerciële gedragingen op de polypropyleenmarkt te regelen - deel aan een kaderovereenkomst, die concreet gestalte kreeg in een aantal concretere deelovereenkomsten die op gezette tijden werden uitgewerkt.

(82)

Bij de concrete uitwerking van het algemene plan werd op vele gebieden uitdrukkelijke overeenstemming bereikt (individuele prijsinitiatieven en quotaregelingen). In sommige gevallen mogen de producenten dan wel geen overeenstemming over een definitieve regeling hebben bereikt - zoals met betrekking tot de quota voor 1981 en 1982 - maar het feit dat zij noodoplossingen toepasten - zoals de uitwisseling van informatie en de toetsing van actuele maandelijkse verkopen aan prestaties in een vroegere referentieperiode - houdt niet alleen een uitdrukkelijke overeenkomst in tot het opzetten en doen functioneren van dergelijke maatregelen maar wijst ook op een stilzwijgende overeenkomst de respectieve posities van de producenten zoveel mogelijk te handhaven.

Gelet op het in de punten 28 tot en met 51 beschreven gedetailleerde bewijsmateriaal betreffende de prijsinitiatieven is de Commissie van oordeel dat zelfs vóór 1979 de diverse initiatieven die volgens de gegevens werden "geleid'' door de een of andere producent en "gevolgd'' door de anderen, steunden op een onderlinge overeenkomst.

Dit geldt bij voorbeeld voor het initiatief van december 1977 (zie de punten 16 en 17). Zelfs in aanwezigheid van afnemers, op de EATP-vergaderingen, legden producenten als HERCULES, HOECHST, ICI, LINZ, RHÔNE-POULENC, SAGA en SOLVAY de nadruk op de door hen aangevoelde noodzaak de prijzen via onderling afgestemde acties te verhogen. Onder de producenten waren er buiten de EATP-vergaderingen nog meer contacten op het gebied van prijsstelling. Gezien deze toegegeven contacten is de Commissie van oordeel dat aan het systeem waarbij een of meer producenten zich over de geringe winstmarges beklaagden en voorstellen deden voor gezamenlijke actie, terwijl de anderen hun "steun'' voor dergelijke maatregelen toezegden, een bestaande overeenkomst inzake prijzen ten grondslag lag. (Zelfs bij gebreke van andere contacten zou een dergelijk systeem op een voldoende mate van overeenstemming kunnen wijzen om van een overeenkomst in de zin van artikel 85, lid 1, te kunnen gewagen.)

(83)

Aan de conclusie dat hier sprake is van een voortgezette overeenkomst wordt niet afgedaan door het feit dat sommige producenten onvermijdelijk niet bij elke bijeenkomst aanwezig waren. Voor het opzetten en ten uitvoer leggen van elk "initiatief'' waren enige maanden nodig en het maakte voor de betrokkenheid van een producent dan ook weinig verschil als hij af en toe een bijeenkomst niet bijwoonde. In elk geval was het de normale gang van zaken dat afwezigen werden ingelicht over hetgeen op de bijeenkomst was besloten. Alle ondernemingen waaraan deze beschikking

wordt gericht namen deel aan het opzetten van alles omvattende regelingen en aan gedetailleerde besprekingen en hun mate van verantwoordelijkheid wordt niet beïnvloed door het feit dat zij bij gelegenheid niet bij een bepaalde bijeenkomst aanwezig waren (of zoals het geval was van SHELL, op alle plenaire bijeenkomsten).

Waar het in deze zaak om gaat, is het samenspel over een lange periode van de producenten met het oog op een gemeenschappelijk doel; iedere deelnemer moet verantwoordelijk zijn, niet alleen voor zijn eigen rol die hij daarbij rechtstreeks heeft gespeeld maar ook voor de werking van de overeenkomst in haar geheel. Voor de bepaling van de mate van betrokkenheid van elke producent is dan ook niet de periode beslissend waarin van hem toevallig prijsinstructies voorhanden waren, maar de gehele periode gedurende welke hij bij de gemeenschappelijke onderneming aangesloten was.

Het voorgaande geldt ook voor ANIC en RHÔNE-POULENC, welke ondernemingen de polypropyleensector verlieten voordat de Commissie met haar verificaties begon. Van geen van beide ondernemingen werden prijsinstructies aan hun verkoopkantoren aangetroffen. Hun aanwezigheid op bijeenkomsten en hun deelneming in regelingen voor doelhoeveelheden en quota kan echter aan de hand van het schriftelijke bewijsmateriaal worden aangetoond. De overeenkomst moet als een geheel worden gezien en hun betrokkenheid staat vast, zelfs wanneer geen prijsinstructies die van hen uitgingen werden aangetroffen.

(84)

Sommige producenten betoogden dat hun regelingen geen "overeenkomst'' in de zin van artikel 85, lid 1, konden zijn aangezien tenminste bij hen zo niet bij de overige deelnemers elk besef van een "verbintenis'' ontbrak. Deze door de advocaten van verschillende firma's naar voren gebrachte bewering werd niet gestaafd door mondeling of schriftelijk bewijs. Het gaat ook voorbij aan het feit dat bij een aantal gelegenheden aan de hoofdbestuurders - juist met deze specifieke uitdrukking - om een "persoonlijke verbintenis'' werd gevraagd en door deze werd aangegaan, zulks om aan een besluit van een bijeenkomst kracht bij te zetten of om het succes van een prijsinitiatief te verzekeren (bij voorbeeld, bijeenkomst van de "bosses'' van 2 september 1982; bijeenkomst van de "experts'' van 1 juni 1983).

Zelfs in de gevallen waarin de overeenkomsten niet door een dergelijke uitdrukkelijke verklaring met betrekking tot een "verbintenis'' werden bekrachtigd, blijkt evenwel uit het schriftelijk bewijsmateriaal dat de overeenkomst tussen de producenten niet enkel van denkbeeldige aard was, zoals sommigen beweren. Uit het gedrag van de producenten blijkt dat zij de bijeenkomst serieus opnamen.

(85)

Zodra prijsinitiatieven waren overeengekomen gaven de producenten daaraan (zoals uit de prijsinstructies blijkt) gevolg door hun nationale verkoopkantoren op

te dragen of te adviseren hun prijzen tot het nieuwe niveau op te trekken of anderszins de in de bijeenkomst overeengekomen actie uit te voeren. Tevens voerden zij een stelsel van regelmatige rapportage van hun activiteiten in, waardoor toezicht op de overeengekomen regelingen mogelijk werd gemaakt.

De tussen de producenten tot stand gekomen overeenstemming hield in dat zij allen instemden met, zo niet de positieve bedoeling hadden om een welomschreven plan ten uitvoer te brengen. Welke ook de niet vastgelegde geestelijke voorbehouden van sommigen van hen ten aanzien van een bepaalde regeling of bepaald prijsinitiatief mogen zijn geweest, zij waren volledig betrokken bij het algemene voornemen prijzen vast te stellen en de markt te verdelen. Het feit dat producenten in sommige gevallen na een bijeenkomst niet bij hun oorspronkelijk voornemen bleven, en aan afnemers prijsreducties toekenden die het "initiatief'' uitholden, verhindert niet dat een onrechtmatige overeenkomst als bedoeld in artikel 85, lid 1, tot stand was gekomen. Het feit dat af en toe de een of andere producent prijzen zogenaamd "tegendraads'' of "in strijd met de afspraken'' vaststelde, in een poging om zijn machtspositie te verbeteren ten koste van de anderen (door wie de "overtreder'' ter verantwoording kon werden geroepen), weerlegt geenszins de verpletterende bewijzen van het bestaan van een onderling overlegd plan om de markt te regelen.

In het bijzondere geval van HERCULES kan deze onderneming niet aan zijn verantwoordelijkheid voor de inbreuk ontsnappen door aan te voeren dat de aanwezigheid van haar vertegenwoordiger "niet officieel'' was of dat hij bepaalde gegevens niet aan de andere producenten mededeelde.

III. Onderling afgestemde feitelijke gedragingen

(86)

De Commissie is van oordeel dat het functioneren van het kartel, dat gebaseerd is op een gemeenschappelijk, gedetailleerd plan, neerkomt op een "overeenkomst'' in de zin van artikel 85, lid 1.

Er is een onderscheid tussen het begrip "overeenkomsten'' en het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedragingen'', maar in sommige gevallen kan de heimelijke verstandhouding aspecten van beide vormen van verboden samenwerking vertonen.

Onderling afgestemde feitelijke gedragingen houden een vorm van samenwerking in tussen ondernemingen waarmee, zonder dat het tot het sluiten van een overeenkomst in de volle betekenis van het woord is gekomen, doelbewust de aan mededinging verbonden risico's worden ontlopen door een pragmatische samenwerking.

(87)

Bij het invoeren van het afzonderlijke begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging'' in het Verdrag zat de bedoeling voor, de ondernemingen de mogelijkheid te ontnemen om de toepassing van artikel 85, lid 1, te ontgaan door in het geheim, zonder dat het tot

een eigenlijke overeenkomst komt, op een mededingingsverstorende manier samen te werken door (bij voorbeeld) elkaar steeds vooraf in kennis te stellen van hun beleidsintenties, zodat ieder van hen zijn commerciële gedrag kan bepalen met de wetenschap dat zijn concurrenten zich op dezelfde manier zullen gedragen (arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 1972 in zaak 48/69, IMPERIAL CHEMICAL INDUSTRIES LTD tegen de Commissie, Jurispr. 1972, blz. 619).

In zijn arrest van 16 december 1975 inzake het Europese suikerkartel (gevoegde zaken 40-48, 50 tot 56, 111, 113 en 114/73, SUIKER UNIE e.a. tegen de Commissie, Jurispr. 1975, blz. 1663) stelde het Hof dat de begrippen van cooerdinatie en samenwerking welke in 's Hofs jurisprudentie worden aangenomen, allerminst inhouden dat er een werkelijk "plan'' zou moeten zijn opgesteld en dienen te worden verstaan in het licht van de in de Verdragsvoorschriften inzake de mededinging besloten voorstelling, dat iedere ondernemer zelfstandig moet bepalen welk beleid hij op de gemeenschappelijke markt zal voeren. Deze eis van zelfstandigheid sluit weliswaar niet uit dat de ondernemer gerechtigd is zijn beleid intelligent aan het vastgestelde of te verwachten marktgedrag der concurrenten aan te passen, doch staat anderzijds onverbiddelijk in de weg aan enigerlei tussen zulke ondernemers al dan niet rechtstreeks opgenomen contact strekkend hetzij tot beïnvloeding van het marktgedrag van een bestaande of mogelijke concurrent, hetzij tot beduiding aan zulk een concurrent van het aangenomen of voorgenomen marktgedrag.

Een gedraging kan derhalve als "onderling afgestemde feitelijke gedraging'' onder de toepassing van artikel 85, lid 1, vallen, zelfs wanneer de partijen vooraf geen volledige overeenstemming hebben bereikt over een gemeenschappelijk plan waarin hun marktgedrag is vastgelegd, maar wel gebruik maken van of deelnemen aan op heimelijke verstandhouding berustende systemen die de cooerdinatie van hun commerciële gedragingen vergemakkelijken. Dit zou het geval kunnen zijn met de in 1981 en 1982 genomen maatregelen, die erin bestonden bij gebreke van een definitieve quotaregeling alle leveringen te melden en bij te houden (al moet de stelselmatige uitwisseling van gegevens op zichzelf reeds een "overeenkomst'' hebben ingehouden: zie punt 82). Voorts is het in een complex kartel best mogelijk dat sommige producenten op bepaalde ogenblikken hun uiteindelijke instemming met een bepaalde, door de anderen overeengekomen gedragslijn niet tot uiting brengen, maar niettemin hun algemene steun voor de desbetreffende regeling te kennen geven en zich daarnaar ook gedragen.

Het feit dat SHELL zich enerzijds sceptisch uitliet over quotaregelingen en anderzijds aan ICI te kennen gaf welke toewijzing zij aanvaardbaar achtte (zie punt 57) kan als een voorbeeld hiervan worden beschouwd. In sommige opzichten kan de voortgezette samenwerking en heimelijke verstandhouding tussen de producenten bij de toepassing van de algemene overeen-

komst dan ook de kenmerken van een onderling afgestemde feitelijke gedraging vertonen.

Het belang van het begrip "onderling afgestemde feitelijke gedraging'' ligt dan ook niet zozeer in het onderscheid tussen een dergelijke gedraging en een "overeenkomst'', als wel in het verschil tussen een heimelijke verstandhouding die onder artikel 85, lid 1, valt en louter gelijklopend gedrag waarmee geen overleg gemoeid is. In de onderhavige zaak hangt dan ook niets af van de precieze vorm welke de op heimelijke verstandhouding berustende regelingen hebben aangenomen.

(88)

De meeste producenten, die tijdens de adminstratieve procedure heben betoogd dat hun gedrag met betrekking tot de beweerde prijsinitiatieven niet is gebaseerd op een "overeenkomst'' in de zin van artikel 85 (zie punt 82), stellen voorts dat dit gedrag evenmin een aanleiding kan vormen voor het vaststellen van een onderling afgestemde feitelijke gedraging. Dat begrip veronderstelt volgens hen een "openlijke daad'' op de markt, welke (naar hun zeggen) in het onderhavige geval geheel ontbreekt daar geen prijslijsten of "richtprijzen'' aan de afnemers werden medegedeeld.

Dit argument moet worden verworpen. Mocht het in het onderhavige geval noodzakelijk zijn geweest te steunen op het bewijs van een onderling afgestemde feitelijke gedraging, dan was het vereiste dat bewezen moet zijn dat de deelnemers bepaalde stappen hebben gedaan om hun gemeenschappelijke doel te bereiken geheel vervuld. De diverse prijsinitiatieven staan onomstotelijk vast. Voorts kan niet worden ontkend dat de individuele producenten gelijklopende maatregelen namen om die initiatieven ten uitvoer te leggen. De zowel individueel als collectief door de producenten genomen maatregelen blijken duidelijk uit het schriftelijke bewijsmateriaal: notulen van bijeenkomsten, interne memoranda, instructies en circulaires aan de verkoopkantoren, alsmede brieven aan afnemers (zie de punten 24-27). Het doet volstrekt niet ter zake of al dan niet prijslijsten werden "gepubliceerd''. De prijsinstructies zelf leveren niet alleen het best mogelijke bewijs van de door iedere producent genomen maatregelen om het gemeenschappelijke streven ten uitvoer te leggen, maar maken door hun inhoud en het tijdstip waarop ze werden gegeven het bewijs van de heimelijke verstandhouding nog overtuigender.

IV. Doel en gevolgen van de overeenkomst

(89)

In artikel 85, lid 1, wordt uitdrukkelijk als voorbeeld van de mededingingsbeperkende overeenkomsten genoemd overeenkomsten die rechtstreeks of zijdelings de verkoopprijzen bepalen of de markten tussen de producenten verdelen; dit nu zijn de wezenlijke kenmerken van de overeenkomsten waarom het in deze zaak gaat.

In het onderhavige geval was het wezenlijke oogmerk van de organisatie van het systeem van geregelde bijeenkomsten en de voortgezette heimelijke verstand-

houding van de producenten om door middel van een complex van overeenkomsten en regelingen prijsverhogingen te bewerkstelligen.

Door gemeenschappelijke prijsinitiatieven te plannen waarbij richtprijzen voor elke kwaliteit en voor elke nationale valuta werden vastgesteld die op een overeengekomen datum van kracht werden, streefden de producenten ernaar de risico's uit te schakelen die met elke eenzijdige poging tot verhoging van de prijzen gepaard zouden gaan.

De verschillende quotastelsels en andere mechanismen waarmede de uiteenlopende belangen van de gevestigde producenten en de nieuwkomers met elkaar moes-

ten worden verzoend hadden uiteindelijk alle ten doel artificiële voorwaarden inzake "stabiliteit'' te scheppen die gunstig waren voor prijsverhogingen.

Daarvoor streefden de producenten naar een zodanige organisatie van de polypropyleenmarkt dat het vrije spel van de krachten van de mededinging werd vervangen door een geïnstitutionaliseerde en systematische heimelijke verstandhouding tussen producenten en een en ander in een kartel uitmondde.

Het feit dat de polypropyleenmarkt tijdens een periode van verschillende jaren werd gekennmerkt door een met verliezen van de producenten gepaard gaande "onderbenutting'' van de capaciteit ontneemt aan de overeenkomst niet haar met de mededinging strijdige doel.

(90)

Gezien het klaarblijkelijk met de mededinging strijdige doel van de overeenkomst is het voor de toepassing van artikel 85, lid 1, niet absoluut noodzakelijk aan te tonen dat zich ook nadelige gevolgen voor de mededinging hebben voorgedaan.

In de onderhavige zaak blijkt echter uit het bewijsmateriaal dat de overeenkomst wel degelijk een aanmerkelijke invloed op de mededingingsvoorwaarden heeft uitgeoefend.

De op de bijeenkomsten gesloten overeenkomsten inzake richtprijzen voor elke kwaliteit en elke nationale valuta werden door de producenten ten uitvoer gelegd door prijsinstructies te geven aan hun nationale verkoopkantoren of -agenten, die vervolgens op hun beurt de afnemers op de hoogte moesten stellen van het nieuwe prijsniveau.

De afnemers stonden derhalve ten gevolge van deze onderling afgestemde prijsinitiatieven tegenover een uniforme basisprijs op de markt in elke valuta en voor elke belangrijke kwaliteit. Sommige individuele afnemers kregen weliswaar bijzondere condities of kortingen en sommige producenten stelden de geplande prijsverhoging uit of deden toegevingen. Sommige producenten stelden hun werkelijke prijzen voor bepaalde kwaliteiten of in bepaalde landen iets beneden de richtprijzen, waarbij zij hun prijzen niettemin bepaalden met inachtneming van een algemene aan-

passing door de andere producenten (het zogenaamde "scheren'' onder de kartelprijs). De vaststelling van een bepaald prijsniveau - dat dan op de markt als "de catalogusprijs'' of "de officiële prijs'' werd voorgesteld - hield echter in dat de afnemers nog maar een beperkte marge hadden om met de producenten over de prijs te onderhandelen en dat zij verstoken bleven van tal van de voordelen die de vrije mededinging hun anders zou opleveren.

Uit het schriftelijke bewijsmateriaal, inclusief de marktrapporten van de producenten zelf, blijkt derhalve dat op de markt onderling afgestemde prijsinitiatieven werden genomen waarbij alle producenten betrokken waren en dat er een nauwe band bestond tussen die initiatieven en het systeem van regelmatige bijeenkomsten.

(91)

Het is juist dat het daadwerkelijke prijsniveau over het algemeen achterbleef bij de "richtprijzen'' en dat de prijsinitiatieven de tendens hadden om te verwateren en uiteindelijk soms in een sterke prijsdaling uitmondden. Uit de door de producenten zelf overgelegde grafieken blijkt evenwel dat gedurende een aantal jaren de doel- en feitelijke prijsniveaus zich regelmatig op onderling geringe afstand parallel hebben ontwikkeld. Gedurende de periode waarvan prijsinitiatieven bekend zijn bewoog het feitelijke prijsniveau zich elke maand opwaarts in de richting van de overeengekomen richtprijs. Indien zich een plotselinge prijsinzinking voordeed (bij voorbeeld wanneer de propyleenprijzen zakten), kon deze worden opgevangen door de vaststelling van een nieuwe en veel lagere richtprijs en werd de opwaartse trend hersteld. Die tactiek werd in juli-november 1983 met bijzonder veel succes toegepast.

De leveringen van de meeste producenten wijken tijdens de jaren waarin een systeem van kracht was over het algemeen niet sterk af van het voor hen gestelde quotum of doel (zie tabel 8 in de bijlage). Tijdens de jaren 1981 en 1982, toen geen overeenstemming kon worden bereikt over een quotasysteem, was het onvermijdelijk dat de ambitieuzere producenten hun marktaandeel zouden vergroten in vergelijking met hun aandeel in het voorafgaande jaar of de voorafgaande referentieperiode. Bij de maandelijkse uitwisseling van gegevens over leveringen konden de overige producenten evenwel op zijn minst hun eigen gedrag en het beeld dat zij zich van de markt maakten aanpassen, om rekening te houden met de houding van de ambitieuzere producenten. Zelfs gedurende de jaren 1981 en 1982 werd in vergelijking met de voorafgaande jaren evenwel een ruim evenwicht tussen de producenten gehandhaafd.

Enige producenten wezen op verschillen tussen hun oorspronkelijke richthoeveelheden en hun daadwerkelijke leveranties in het betrokken jaar (in het bijzonder in 1980) en betoogden dat dit fenomeen het bestaan van enig quotasysteem weerlegde. In feite werden in dit jaar de richt-"hoeveelheden'' voortdurend gewijzigd en werd de overeengekomen verdeling van de markt in procenten bekeken globaal gehand-

haafd. ATO wees bij voorbeeld op de geleidelijke toeneming van de hoeveelheden die zij elk jaar in West-Europa had verkocht (van 39 000 ton in 1979 tot 45 000 ton in 1982). In feite bleef het door haar behaalde marktaandeel in percentages uitgedrukt steeds gelijk (tussen 3,1 % en 3,2 %) en kwam dit nagenoeg precies overeen met haar procentuele richt-

hoeveelheid voor elk jaar.

Ook werd gesteld dat de wijzigingen die zich sedert 1977 in het marktaandeel van enige producenten hebben voorgedaan het bewijs van een "onbeperkte'' mededinging inhielden. Dit argument gaat voorbij aan het feit dat quota of richthoeveelheden werden overeengekomen om rekening te houden met de ambities van de nieuwkomers; de grotere ondernemingen waren bereid een vermindering van hun eigen marktaandeel te accepteren omdat zij belang hadden bij een verhoging van het prijsniveau.

(92)

Het feit dat in de praktijk de kartellering van de markt onvolledig was en de werking van de krachten van de mededinging daardoor niet volledig werd uitgesloten vormt geen belemmering voor toepassing van artikel 85. Gezien het grote aantal producenten, hun uiteenlopende commerciële belangen en de afwezigheid van dwangmaatregelen die ten uitvoer konden worden gelegd ten aanzien van een producent die de overeengekomen regelingen niet nakwam, was geen enkel kartel in staat de activiteiten van de deelnemers volledig te controleren.

De Commissie kan het in de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van verschillende producenten en in de in hun opdracht vervaardigde econometrische studie impliciet vervatte argument niet aanvaarden dat de ontwikkelingen op de markt dezelfde zouden zijn geweest wanneer zij geen regelingen zouden zijn overeengekomen. De vraag wat zou zijn gebeurd wanneer er geen overeenkomst ware geweest is van zuiver speculatieve aard, maar wat wel opvalt is dat de producenten zelf erkenden hoe doeltreffend hun bijeenkomsten wel waren toen zij in mei 1982 het voorstel verwierpen niet meer bijeen te komen, aangezien zij het beter vonden om wanneer vraag en aanbod in evenwicht waren "actieve stappen'' te ondernemen voor het optrekken van de prijzen in plaats van een en ander aan de markt over te laten.

V. Gevolgen voor de handel tussen Lid-Staten

(93)

De overeenkomst tussen de producenten was geschikt om de handel tussen de Lid-Staten merkbaar te beïnvloeden.

Artikel 85 doelt op overeenkomsten die afbreuk kunnen doen aan de totstandkoming van één enkele markt tussen de Lid-Staten, hetzij door verdeling van de nationale markten, hetzij door de structuur van de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt zelf aan te tasten.

In het onderhavige geval moest, op grond van het alomtegenwoordige karakter van de door heimelijke verstandhouding getroffen overeenkomst, die de handel in een belangrijk industrieel produkt in de gehele EEG (en in andere West-Europese landen) zo goed als volledig bestreek, de handel noodzakelijkerwijs via andere kanalen verlopen dan het geval zou zijn geweest bij ontbreken van een dergelijke overeenkomst.

Aan de structuur van de mededinging in de Gemeenschap wordt afbreuk gedaan wanneer bij overeenkomst prijzen op een kunstmatig niveau worden vastgesteld in plaats van het aan de markt over te laten zijn eigen evenwicht te vinden. De ondernemingen werden bevrijd van de dringende noodzaak te reageren op de krachten van de markt en een oplossing te vinden voor het vraagstuk van de overcapaciteit waarop zij zich beroepen.

(94)

Ofschoon het bij de vaststelling van de richtprijzen voor elke Lid-Staat nodig was enigszins rekening te houden met de omstandigheden ter plaatse - waarover in nationale bijeenkomsten uitvoerig werd gediscussieerd - moet deze vaststelling een verstorende invloed hebben gehad op het handelspatroon en het effect dat produktiviteitsverschillen tussen de producenten op het prijsniveau hebben. Het systeem van de "account leadership'' versterkte nog het effect van de prijsregelingen omdat afnemers naar bepaalde met name genoemde producenten werden gedirigeerd.

De Commissie erkent dat de producenten bij de vaststelling van quota of richthoeveelheden het aandeel niet per Lid-Staat of per regio specificeerden. Maar alleen al het bestaan van een quotum of richthoeveelheid zal ertoe leiden dat de kansen worden beperkt die voor een producent openstaan. Het is ook veelzeggend dat waar een en ander niet het voorwerp van een uitdrukkelijke overeenkomst vormde de nationale producenten er bij onderhandelingen over hoeveelheden op uit waren een bepaald percentage van hun aandeel in hun traditionele of nationale markt voor zich te behouden of terug te winnen.

VI. Rechtsbevoegdheid

(95)

Artikel 85 van het EEG-Verdrag is van toepassing op concurrentiebeperkende overeenkomsten die de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden, ook wanneer de betrokken ondernemingen hun zetel of hun hoofdvestiging buiten de Gemeenschap hebben.

Het feit dat het hoofdkantoor van twee van de ondernemingen buiten de Gemeenschap is gevestigd, doet niet af aan hun aansprakelijkheid met betrekking tot de gewraakte inbreuken. Zowel LINZ als SAGA voerden rechtstreeks uit naar de EEG en ontplooiden binnen de EEG aanzienlijke handelsactiviteiten in de polypropyleensector, welke onder het kartel vielen waarvan zij lid waren. Zij hadden plaatselijke dochterondernemingen en agenten in verscheidene Lid-Sta-

ten aan wie zij prijsinstructies gaven conform de overeengekomen richtprijzen. De quotaregelingen hadden niet alleen betrekking op hun verkopen buiten de EEG, maar ook op leveringen binnen de Gemeenschap, welke in feit zelfs het leeuwedeel van hun activiteiten in de polypropyleensector vertegenwoordigen.

Voor zover de activiteiten van het kartel betrekking hadden op niet-EEG-landen (Zwitserland, Oostenrijk, Zweden, Finland, en, op dat ogenblik, Spanje en Portugal) vallen zij buiten het toepassingsgebied van deze beschikking.

De vrijhandelsovereenkomsten tussen de Europese Economische Gemeenschap aan de ene kant en respectievelijk Noorwegen (7) en Oostenrijk (8) aan de andere kant staan de toepassing van artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag op de Noorse en Oostenrijkse bedrijven aan wie de beschikking is gericht, niet in de weg. In deze overeenkomsten wordt weliswaar bepaald dat overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van combinaties van ondernemingen of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die de mededinging beperken onverenigbaar zijn met de overeenkomsten voor zover de handel tussen de EEG en de betrokken staat erdoor kan worden beïnvloed, en wordt ook een procedure ter bestrijding van inbreuken op de mededingingsregels vastgesteld, maar er komt geen bepaling in voor die de Commissie het recht ontzegt onmiddellijk artikel 85, lid 1, toe te passen op overeenkomsten die gelden binnen de EEG en die de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloeden.

De Commissie heeft in de jegens LINZ en STATOIL ingeleide procedures de aanbevelingen van de OESO in mededingingsaangelegenheden in acht genomen.

VII. Ondernemingen

(96)

Tijdens de door de Commissie gehouden verificaties en nadien heeft in de Europese petrochemische industrie een reorganisatie plaatsgehad als gevolg waarvan in sommige gevallen een wijziging in de vennootschapsstructuur van de betrokken ondernemingen heeft plaatsgevonden.

Sommige producenten die aan de gewraakte inbreuken deelnamen hebben hun activiteiten in de sector aan andere ondernemingen overgedragen: de activiteiten van ANIC in de polypropyleensector werden bij voorbeeld overgenomen door MONTEPOLIMERI in het kader van een herstructurering van de Italiaanse plasticsindustrie, maar ANIC is als onderneming steeds blijven voortbestaan. De Commissie is niet van mening dat ANIC door de overdracht van haar activiteiten in deze sector aan MONTEPOLIMERI bevrijd is van haar verantwoordelijkheid voor inbreuken waaraan zij tot het tweede halfjaar van 1982

deelnam. Hetzelfde geldt voor RHÔNE-POULENC die begin 1981 haar activiteiten in de polypropyleensector van de hand deed.

De wijzigingen binnen het MONTEDISON-concern (sedert de inleiding van de onderhavige procedure vinden de activiteiten van het concern in de polypropyleensector plaats onder de naam van MONTEDIPE) doen geen afbreuk aan de toepassing van artikel 85, lid 1. Evenmin is dit het geval waar het de oprichting betreft van het HIMONT-project door HERCULES en het MONTEDISON-concern, die beide nog als de afzonderlijke voor de inbreuken aansprakelijke eenheden voortbestaan.

(97)

De reorganisatie van de Noorse petrochemische industrie en de overname van SAGA PETROKJEMI door het zich in staatseigendom bevindende

STATOIL-concern moet afzonderlijk worden behandeld. Deze reorganisatie werd afgerond en rechtsgeldig kort nadat de Commissie haar verificaties had verricht, namelijk met ingang van 1 januari 1984.

De produktiecapaciteit van de Noorse thermoplastics-

industrie is in het bezit van IS NORPOLEFIN, een in 1973 opgerichte vennootschap met rechtspersoonlijkheid waarin NORSK HYDRO, STATOIL en SAGA PETROKJEMI ieder voor een derde een belang hadden. De leiding van het NORPOLEFIN-project werd evenwel opgedragen aan SAGA PETROKJEMI. Vóór 1982 had SAGA PETROKJEMI verschillende aandeelhouders; in dit jaar nam een van hen, SAGA PETROLEUM, evenwel het kapitaal voor 100 % over. In 1983 ondernam SAGA PETROLEUM stappen voor de verkoop van SAGA PETROKJEMI; zij verkocht deze onderneming tenslotte aan STATOIL. De verkoop werd door de Noorse Regering en het Noorse parlement goedgekeurd.

(98)

SAGA PETROKJEMI, die als vennootschap met rechtspersoonlijkheid volgens Noors recht was opgericht, hield op 1 januari 1984 op als afzonderlijke rechtspersoon voort te bestaan, toen deze onderneming in STATOIL opging. Zij vormt thans een afzonderlijke winstplaats in de STATOIL-organisatie. Door de fusie van SAGA PETROKJEMI met STATOIL nam STATOIL het een-derde-aandeel in IS NORPOLEFIN over en verkreeg zij de leiding over deze onderneming die tot dan toe krachtens bovengenoemde overeenkomst door SAGA PETROKJEMI was uitgeoefend. STATOIL oefent thans onder haar eigen naam de activiteiten in de thermoplasticssector uit die voorheen werden waargenomen door SAGA PETROKJEMI en blijft optreden als "leider'' van het NORPOLEFIN-project. De met de afzet belaste dochterondernemingen van SAGA PETROKJEMI in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk treden thans op als dochterondernemingen van STATOIL, maar vervullen precies dezelfde functie als voorheen met betrekking tot de verkoop en marketing van thermoplastics.

STATOIL beoogt dat zij niet aansprakelijk is voor inbreuken die mochten zijn begaan door SAGA

PETROKJEMI, aangezien die onderneming op 1 januari 1984 heeft opgehouden te bestaan, dat wil dus zeggen tussen het tijdstip waarop het gewraakte gedrag plaatshad en het ogenblik waarop de Commissie haar mededeling van punten van bezwaar verzond.

(99)

De Commissie erkent dat er geen bewijzen bestaan dat STATOIL nadat SAGA PETROKJEMI door haar werd overgenomen de inbreuken voortzette door deel te nemen aan bijeenkomsten of anderszins. Evenmin bestaan er aanwijzingen dat het de bedoeling van de overneming door STATOIL was de toepassing van de mededingingsvoorschriften van de EEG te doorkruisen. Ook al heeft STATOIL altijd deelgenomen in het NORPOLEFIN-project - waarin zij oorspronkelijk voor een derde en thans voor twee derde een belang heeft - wordt echter erkend dat een inbreuk op artikel 85 niet door NORPOLEFIN maar door SAGA PETROKJEMI werd begaan, aangezien deze onderneming belast was met de leiding en de marketingactiviteiten.

Niet ernstig kan worden betwist dat de Commissie, indien SAGA PETROKJEMI in haar oorspronkelijke vorm was blijven voortbestaan, aan deze onderneming een boete had kunnen opleggen wegens haar deelneming in het kartel, voor zover dit betrekking heeft op haar activiteiten binnen de EEG.

Het wezenlijke punt waarom het in deze zaak gaat is de vraag of de onderneming die de inbreuk beging na de fusie en ondanks de wijzigingen in haar structuur en rechtsvorm nog voortbestaat of dat zij werd geliquideerd.

Voor de beantwoording van deze vraag zijn uitsluitend de voorschriften van het Gemeenschapsrecht bepalend en kan geen beroep worden gedaan op voorschriften van nationaal recht.

De subjecten van de mededingingsvoorschriften van het EEG-Verdrag zijn ondernemingen, een begrip dat niet identiek is met de vraag van de rechtspersoonlijkheid in verband met het vennootschapsrecht of het belastingrecht. De term "onderneming'' wordt niet in het Verdrag gedefinieerd, maar hij kan wijzen op een eenheid die zich bezighoudt met commerciële activiteiten, en bij vennootschappen kan hij betrekking hebben op een moeder- of dochteronderneming of op de eenheid die door de moeder- of dochterondernemingen te zamen wordt gevormd.

Ofschoon SAGA PETROLEUM voor 56 % en uiteindelijk voor 100 % feitelijke eigenaar van SAGA PETROKJEMI was meent de Commissie niet dat beide een enkele "onderneming'' vormden, zodat het gedrag van SAGA PETROKJEMI aan SAGA PETROLEUM op grond van het begrip "identiteit van onderneming'' zou kunnen worden toegerekend. SAGA PETROKJEMI trad altijd op als een afzonderlijke commerciële eenheid en kan niet worden beschouwd als deel uitmakende van dezelfde econo-

mische eenheid als SAGA PETROLEUM. Daartegenover maakten de dochterondernemingen van SAGA PETROKJEMI in Denemarken en het Verenigd Koninkrijk deel uit van hetzelfde bedrijf en hun handelingen kunnen aan SAGA PETROKJEMI worden toegerekend.

(100)

In het onderhavige geval is de Commissie van mening dat de onderneming die de inbreuk beging, ofschoon zij wegens de overname door STATOIL ophield een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid te bezitten, toch is blijven voortbestaan. Het feit dat zij in een grotere onderneming of concern, STATOIL, is opgegaan is in deze niet beslissend. Indien STATOIL bij de verwerving van SAGA PETROKJEMI deze onderneming als een afzonderlijke dochteronderneming in stand had gehouden, zou niets de Commissie hebben belet aan SAGA of STATOIL een boete op te leggen. Zoals de advocaten van STATOIL opmerkten (die een ander standpunt innemen) was de precieze vorm van een overdracht een kwestie van toeval en van de omstandigheden en kon van de grillen van het nationale recht afhangen.

Voor de bevoegdheid van de Commissie om tot STATOIL een beschikking te richten is het niet noodzakelijk dat zij aantoont dat deze onderneming het onrechtmatige gedrag van SAGA PETROKJEMI heeft voortgezet of tot het hare heeft gemaakt. De beslissende factor is de vraag of er een economische en functionele continuïteit tussen de oorspronkelijke onderneming en haar opvolgster bestaat;

STATOIL heeft het bedrijf van SAGA PETROKJEMI niet ontbonden of haar activa vereffend. Integendeel, zij heeft de economische activiteiten van SAGA voortgezet en is haar belangrijkste functies met betrekking tot de exploitatie van het NORPOLEFIN-project en de afzet van de produkten daarvan blijven uitoefenen. In STATOIL's eigen advertenties in de vakpers kort na de overname wordt de nadruk gelegd op de continuïteit wat activiteiten, beheer en personeel betreft: "De vele klanten die plastic-grondstoffen kopen bij Bamble zullen geen enkel noemenswaardig verschil merken. De enige echte verandering is de naam van het bedrijf. De organisatie blijft ongewijzigd en dezelfde mensen zetten het werk voort. Wie bij SAGA PETROKJEMI in dienst was, werkt thans bij

STATOIL . . .'' (Supplement bij een ECN Scandinavië van 26 maart 1984). De continuïteit in het beheer komt extra duidelijk tot uiting in het feit dat het hooggeplaatste kaderlid van SAGA PETROKJEMI dat dit bedrijf op de "bosses''-bijeenkomsten vertegenwoordigde, na de overname niet alleen zijn oude functie bij SAGA als vice-president voor marketing en verkoop behield, maar nadien zelfs tot president van STATOIL's afdeling petrochemie en plastic werd bevorderd.

(101)

Tussen het geval van SAGA PETROKJEMI en dat van ANIC en RHÔNE-POULENC kan onderscheid worden gemaakt. In de laatste twee gevallen is de onderneming die de inbreuk beging als een afzonder-

lijke eenheid in stand gebleven, ofschoon zij haar polypropyleenbedrijf aan andere producenten heeft overgedragen (MONTEPOLIMERI en BP). De Commissie acht ANIC en RHÔNE-POULENC daarom aansprakelijk voor de inbreuken die zij begingen totdat zij door het verlaten van de polypropyleensector ophielden deel te nemen in het kartel. Anderzijds werd in het geval van SAGA PETROKJEMI de onderneming die de inbreuk beging door een fusie met een andere onderneming verbonden. Ofschoon de activiteiten van STATOIL duidelijk veel breder zijn dan die van het voormalige SAGA PETROKJEMI, meent de Commissie dat de aansprakelijkheid van het anti-concurrentiële gedrag van de onderneming die in de fusie is opgegaan niet is opgehouden. Vanuit economisch oogpunt werd de onderneming voortgezet.

Het voormalige SAGA PETROKJEMI-project vertegenwoordigt thans binnen STATOIL immers een afzonderlijke winstplaats en vormt als zodanig in economische termen nog steeds een afzonderlijk identificeerbare eenheid. Voor doeleinden van tenuitvoerlegging is het evenwel altijd noodzakelijk een eenheid te kunnen identificeren die rechtspersoonlijkheid bezit. Aan een bedrijfsonderdeel van een vennootschap kan geen boete worden opgelegd, wanneer dit geen afzonderlijke rechtspersoon vormt en de Commissie moet dan tegen de vennootschap optreden ook al omvatten haar activiteiten andere sectoren dan die waarop de inbreuk betrekking heeft.

De aanpak van de Commissie in deze is volledig in overeenstemming met haar vroegere optreden in de zaak IV/30.907 - Peroxydeprodukten (beschikking van 23 november 1984; PB nr. L 35 van 7. 2. 1985, blz. 1). In dat geval werd de onderneming PCUK, die de inbreuk had begaan, gesplitst nadat de inbreuk was beëindigd en haar peroxydebelangen waren overgenomen door ATOCHEM. De Commissie was van mening dat waar PCUK had opgehouden als een afzonderlijke rechtspersoon voort te bestaan en nadat ATOCHEM de peroxydeactiviteiten en de economische doelstellingen van PCUK had overgenomen ATOCHEM de adressaat van een beschikking diende te zijn en aansprakelijk moest worden gesteld voor de betaling van eventuele geldboeten die wegens door PCUK begane inbreuken werden opgelegd.

(102)

Binnen het SHELL-concern is de voor de cooerdinatie en de planning van de strategie in de sector van de thermoplastics verantwoordelijke onderneming de "service''-vennootschap SHELL INTERNATIONAL CHEMICAL COMPANY. Het was deze onderneming die aan de vergaderingen met de andere belang-

rijke ondernemingen deelnam en fungeerde als communicatiekanaal tussen het kartel en de verschillende operationele (produktie en verkoop) SHELL-vennootschappen in de EEG. Laatstgenoemde vennootschappen namen deel aan de nationale of lokale bijeenkomsten.

Gezien haar algemene verantwoordelijkheid voor de planning en de cooerdinatie van de activiteiten in de

polypropyleensector van de tot het SHELL-concern behorende vennootschappen meent de Commissie dat SHELL INTERNATIONAL CHEMICAL COM-

PANY voor deze beschikking de passende adressaat is.

PETROFINA had tot maart 1982 geen afzonderlijke verkoopdienst buiten MONTEFINA, de gezamenlijke produktie-eenheid van MONTEPOLIMERI en FINA. Tot op dat ogenblik verkocht MONTEFINA de produktie van de fabriek te Feluy namens beide moedermaatschappijen. Voor de berekening van het quotum werd in deze periode echter meestal een afzonderlijk aandeel voor beide moedermaatschappijen vastgesteld. PETROFINA was derhalve vanaf 1980 uit eigen hoofde deelnemer aan de quotaregelingen. Ook wanneer dit niet het geval is, draagt PETROFINA echter de medeverantwoordelijkheid voor de deelneming van MONTEFINA aan het kartel tot maart 1982.

VIII. Verordening (EEG) nr. 2988/74

(103)

Verschillende producenten die werden genoemd in verband met de "bodemprijs''-overeenkomst van halverwege het jaar 1977 hebben betoogd dat regelingen van die aard volledig losstonden van enig later systeem van regelmatige bijeenkomsten die zich dusdanig ontwikkelden, zodat de Commissie op grond van Verordening (EEG) nr. 2988/74 van de Raad (9), die voorziet in een verjaringstermijn van vijf jaar, niet meer bevoegd is geldboeten op te leggen.

De Commissie is het er niet mee eens dat de "bodemprijs''-regelingen van halverwege het jaar 1977 zich zozeer onderscheiden van het later gedrag van de producenten aan het einde van 1977 dat deze regelingen voor de verjaringstermijn van genoemde verordening in aanmerking zouden komen. Het verschil tussen de "bodemprijs'' en de "minimum''- of "richt''-prijzen, die later in regelmatige bijeenkomsten werden vastgesteld, is hoofdzakelijk van terminologische aard. Zowel ICI als SHELL hebben het uiterste gedaan om erop te wijzen dat de besprekingen over de "bodemprijzen'' niet beperkt waren tot de belangrijkste vier producenten maar dat ook andere daarbij betrokken waren. Gesteld werd dat dezelfde situatie - de opkomst van nieuwe producenten en het waargenomen afglijden van het prijsniveau - de achtergrond was van het "bodemprijs''-systeem en van de meer gestructureerde bijeenkomsten die later plaatsvonden.

Gezien het feit dat er een duidelijk, feitelijk en uit de omstandigheden blijkend verband bestaat tussen de regelingen meent de Commissie dat Verordening (EEG) nr. 2988/74 wat de geldboetes betreft voor haar geen belemmering vormt de zogenaamde "bodemprijs''-regeling van halverwege het jaar 1977 in aanmerking te nemen.

IX. Duur van de inbreuk

(104)

De deelneming van de vier grote ondernemingen - HOECHST, ICI, MONTEPOLIMERI en SHELL - dateert van de "bodemprijsovereenkomst'', die halverwege het jaar 1977 tot stand kwam, en het "initiatief'' dat door MONTEPOLIMERI (toen MONTEDISON) aan het einde van dat jaar werd genomen.

HERCULES, LINZ, RHÔNE-POULENC, SAGA en SOLVAY verklaarden alle openlijk het prijsinitiatief van december 1977 te willen "ondersteunen'' in omstandigheden die erop wezen dat zij voorstanders waren van en deelnamen aan een gemeenschappelijk plan dat veel verder ging dan wat men als een onafhankelijke commerciële besluitvorming kan beschouwen.

ICI heeft verklaard dat tot de regelmatige deelnemers aan de bijeenkomsten van de producenten - die tegen het einde van 1977 waren begonnen op ongeveer het tijdstip waarop het initiatief van december 1977 plaatshad en waaraan onofficiële contacten waren voorafgegaan - behalve de hierboven genoemde producenten ook ANIC, ATO, BASF, DSM en HUELS en later PETROFINA behoorden.

(105)

De precieze datum waarop iedere producent begon deel te nemen aan de regelmatige voltallige vergaderingen kan niet met zekerheid worden vastgesteld, maar in het geval van HOECHST, ICI, MONTEPOLIMERI, SHELL, HERCULES, LINZ,

RHÔNE-POULENC, SAGA en SOLVAY kan hun deelneming aan de "bodemprijsovereenkomst'' en/of de heimelijke regelingen met betrekking tot het prijsinitiatief van december 1977 in ieder geval worden vastgesteld; deze dateert van halverwege het jaar 1977 of van het einde van dat jaar.

De datum waarop ANIC, ATO, BASF, DSM en HUELS aan de regelingen begonnen deel te nemen kan niet later dan 1979 zijn geweest, aangezien is gebleken dat deze vijf producenten allen betrokken waren bij de verdeling van de markt of de quotastelsels die in dat jaar voor het eerst van kracht waren.

PETROFINA kwam pas in 1980 op de markt en zelfs indien haar vertegenwoordigers de bijeenkomsten pas regelmatig begonnen bij te wonen in maart 1982 (de houding van PETROFINA is ter zake dubbelzinnig), was de onderneming vanaf 1980 betrokken bij de quotaregelingen.

Het systeem van de bijeenkomsten duurde tot tenminste einde september 1983. De meeste producenten beweren dat de vergaderingen - of tenminste hun deelneming daaraan - eindigden toen de Commissie op 13-14 oktober van dat jaar haar verificaties uitvoerde. Welke de datum van de laatste bijeenkomst ook moge zijn geweest, de overeenkomst bleef tot tenminste november 1983 effect sorteren, de laatste maand waarvan bekend is dat richtprijzen werden overeengekomen.

Wat de bepaling van de geldboetes betreft meent de Commissie dat ofschoon de inbreuk dateert van halverwege het jaar 1977, het mechanisme waarvan men zich daarbij bediende pas ongeveer begin 1979 volledig was.

B. Sancties

I. Artikel 3 van Verordening nr. 17

(106)

Indien de Commissie vaststelt dat een inbreuk op artikel 85 van het EEG-Verdrag heeft plaatsgehad kan zij overeenkomstig artikel 3 van Verordening nr. 17 de betrokken ondernemingen verplichten aan de vastgestelde inbreuk een einde te maken.

De ondernemingen hebben alle ten stelligste ontkend dat een overtreding van artikel 85 heeft plaatsgehad. Een aantal bleef betwisten dat de regelmatige overeenkomsten ook maar iets te maken hadden met onderwerpen die de mededinging raken. Enige ondernemingen hebben de Commissie weliswaar medegedeeld dat stappen waren ondernomen om er zorg voor te dragen dat haar vertegenwoordigers niet langer aan de bijeenkomsten deelnamen, maar het is niet bekend of er werkelijk een einde is gekomen aan de bijeenkomsten van of mededelingen tussen firma's.

De Commissie dient dan ook niet alleen vast te stellen dat een overtreding werd begaan, maar ook de ondernemingen te sommeren aan de genoemde inbreuk een einde te maken.

In het geval van het systeem voor uitwisseling van informatie, FIDES, moet hun worden verboden gelijk welke onofficiële contacten te onderhouden waarbij informatie wordt uitgewisseld die voor de mededinging relevant is en gewoonlijk wordt beschouwd als vallende onder het zakengeheim en die de voortzetting zou kunnen vergemakkelijken van een uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst tot verdeling van de markt of een verstandhouding ter zake.

II. Artikel 15, lid 2, van Verordening nr. 17

(107)

De Commissie kan op grond van artikel 15, lid 2, van Verordening nr. 17 aan ondernemingen bij beschikking geldboeten opleggen van ten minste duizend en ten hoogste een miljoen Ecu of tot een bedrag van ten hoogste 10 % van de omzet van elk der betrokken ondernemingen in het voorafgaande boekjaar, wanneer zij opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete moet niet alleen rekening gehouden worden met de zwaarte, maar ook met de duur van de inbreuk.

De ondernemingen tot wie de beschikking is gericht hebben artikel 85 doelbewust overtreden. Zij hebben met volledige kennis van het door het Gemeenschapsrecht opgelegde verbod en van de gevaren van aan-

zienlijke geldboeten doelbewust een geheim en geïnstitutionaliseerd systeem van regelmatige bijeenkomsten georganiseerd en in stand gehouden om prijzen en quota vast te stellen voor een belangrijk industrieprodukt. Aan verschillende van de betrokken ondernemingen - BASF, HOECHST, ICI - werden door de Commissie reeds eerder geldboeten opgelegd wegens heimelijke verstandhouding in de chemische industrie (kleurstoffen - beschikking van 24 juli 1969, PB nr. L 195 van 7. 8. 1969, blz. 11).

Nu de inbreuk dateert van 1977 was deze van betrekkelijk lange duur. In verband met het bepaalde in artikel 15, lid 2, meent de Commissie echter dat de zwaarder wegende aspecten daarvan zich manifesteerden vanaf ongeveer einde 1978 en begin 1979, toen een quotaregeling werd ingesteld. De inbreuk duurde tenminste voort totdat de Commissie in oktober 1983 haar verificaties hield. Er bestaan alle redenen om aan te nemen dat het kartel voor onbepaalde tijd zou hebben voortgeduurd, ware het niet dat de Commissie onaangekondigde verificaties had verricht. Ofschoon er geen materiële bewijzen voorhanden zijn dat de inbreuk daadwerkelijk werd beëindigd, zal de Commissie de geldboeten alleen bepalen op basis van de werking van het kartel tot tegen het einde van 1983.

De Commissie meent dat de inbreuk bijzonder zwaar is en een aanzienlijke geldboete verdient.

(108)

Bij de vaststelling van de geldboeten heeft de Commissie rekening gehouden met de volgende overwegingen:

- heimelijke verstandhouding over prijzen en verdeling van de markten vormen door hun aard zelf ernstige beperkingen van de concurrentie;

- de polypropyleenmarkt is een belangrijke en zich snel uitbreidende industriële sector met een waarde in West-Europa van ongeveer 1 500 miljoen Ecu in 1983;

- de aan de inbreuk deelnemende ondernemingen nemen deze markt vrijwel geheel voor hun rekening;

- de heimelijke verstandhouding werd geïnstitutionaliseerd door een systeem van regelmatige kartelbijeenkomsten dat ten doel had de markt voor polypropyleen tot in de kleinste details te regelen en te ordenen;

- de bijeenkomsten vonden plaats onder grote geheimhouding;

- als verzachtende omstandigheid bij de bepaling van de geldboetes werd evenwel het feit in aanmerking genomen dat de ondernemingen over een lange periode belangrijke verliezen bij hun polypropyleentransacties hebben geleden, dat prijsinitiatieven over het algemeen hun doel niet volledig bereikten en dat er in laatste instantie geen dwangmaatregelen bestonden om de nakoming van de quota of andere maatregelen te verzekeren.

(109)

De Commissie heeft bij de vaststelling van de geldboeten die aan de individuele ondernemingen moeten worden opgelegd in aanmerking genomen de rol die elk van hen speelde bij de geheime regelingen, de tijd gedurende welke zij aan de inbreuken deelnamen, hun respectievelijke leveranties van polypropyleen in de Gemeenschap en hun individuele totale omzet.

De grootste vier producenten - MONTEPOLIMERI, HOECHST, ICI en SHELL - vormden de kern van de regelingen; zij vormden een niet-officieel directorium waarvan de leden zelf meenden dat zij een bijzondere verantwoordelijkheid droegen voor de verzekering van het succes van het kartel.

MONTEPOLIMERI en ICI namen elk in bepaalde stadia het voorzitterschap van de groep waar en uit de documentatie blijkt duidelijk dat deze rol niet alleen maar in naam werd uitgeoefend. In het bijzonder wees ICI er met klem op dat zij de verantwoordelijkheid voor de leiding van de groep alleen maar op zich wilde nemen wanneer door alle betrokkenen grotere inspanningen werden ondernomen voor het bewerkstelligen van prijsverhogingen en zij nam het initiatief met haar voorstel voor een nieuw en doeltreffender quotasysteem.

De Commissie meent niet dat het feit dat SHELL afzag van deelneming aan de voltallige bijeenkomsten een wezenlijke individuele verzachtende omstandigheid oplevert. Deze onderneming was van het begin af aan bij de prijsinitiatieven en de quotasystemen betrokken. Werkmaatschappijen van het concern namen deel aan de plaatselijke bijeenkomsten. Zelfs vóór dat deze onderneming begon met het bijwonen van "vóórbijeenkomsten'' van de "grote vier'' in oktober 1982 kwam zij met de andere grote producenten bijeen voor gedetailleerde besprekingen van aangelegenheden die tot de materie van de geregelde bijeenkomsten van de "bosses'' en "experts'' behoorden.

Ook het feit dat HERCULES zelf niet in detail zijn verkoopcijfers bekendmaakte aan de andere producenten, terwijl het bedrijf zelf wel profiteerde van de informatie die zij verstrekten, vormt geen verzachtende omstandigheid.

De Commissie wijst ook van de hand dat een wezenlijk verschil zou kunnen worden gemaakt tussen de andere producenten, zulks op basis van hun individuele mate van gebondenheid aan de overeengekomen regelingen. De opvattingen over de individuele belangen kunnen wel eens uiteen hebben gelopen, maar alle producenten namen geregeld deel aan de bijeenkomsten en ondernamen stappen voor de tenuitvoerlegging van de besluiten van het kartel.

In het geval van PETROFINA, RHÔNE-POULENC en ANIC neemt de Commissie het feit in aanmerking dat hun deelneming aan de regelingen in vergelijking met de overige producenten korter heeft geduurd.

De Commissie houdt ook rekening met het feit dat een zeer gering aantal producenten bij de verificaties van

de Commissie met deze hebben samengewerkt (maar niet in die mate als zij beweren), tenminste toen het belastende bewijsmateriaal eenmaal aan het licht was gekomen,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

ANIC SpA, ATO CHEMIE SA (thans ATOCHEM), BASF AG, DSM NV, HERCULES CHEMICALS NV, HOECHST AG, CHEMISCHE WERKE HUELS (thans HUELS AG), ICI PLC, CHEMISCHE WERKE LINZ, MONTEPOLIMERI SpA (thans MONTEDIPE), PETROFINA SA, RHÔNE-POULENC SA, SHELL INTERNATIONAL CHEMICAL COMPANY LTD, SOLVAY & Cie en SAGA PETROKJEMI AG & Co (thans deel uitmakend van STATOIL) hebben inbreuk gemaakt op artikel 85, lid 1, van het EEG-Verdrag, door deel te nemen:

- in het geval van ANIC, vanaf omstreeks november 1977 tot een tijdstip tegen het einde van 1982 of in het begin van 1983;

- in het geval van RHÔNE-POULENC, vanaf omstreeks november 1977 tot einde 1980;

- in het geval van PETROFINA, van 1980 tot tenminste november 1983;

- in het geval van Hoechst, ICI, MONTEPOLIMERI en SHELL, vanaf omstreeks halverwege 1977 tot tenminste november 1983;

- in het geval van HERCULES, LINZ en SAGA, vanaf omstreeks november 1977 tot tenminste november 1983;

- in het geval van ATO, vanaf tenminste 1978 tot tenminste november 1983;

- in het geval van BASF, DSM en HUELS, vanaf een tijdstip tussen 1977 en 1979 tot tenminste november 1983,

aan een midden 1977 gesloten overeenkomst en onderling afgestemde feitelijke gedragingen krachtens welke de producenten die polypropyleen op het grondgebied van de EEG aanbieden

a) met elkaar in contact traden en regelmatig (vanaf begin 1981, tweemaal per maand) in een reeks geheime vergaderingen bijeenkwamen om hun commercieel beleid te bespreken en te bepalen;

b) van tijd tot tijd voor de verkoop van het produkt in elke Lid-Staat van de EEG "richt''- (of minimum)prijzen bepaalden;

c) verschillende maatregelen overeenkwamen waarmede de toepassing van dergelijke richtprijzen moest worden vergemakkelijkt, met inbegrip van (hoofdzakelijk) tijdelijke beperkingen van de produktie, de uitwisseling van gedetailleerde informatie over hun leveringen, het houden van plaatselijke vergaderingen, en tegen het einde van 1982 een systeem van "account management'' bedoeld om prijsverhogingen voor individuele klanten toe te passen;

d) gelijktijdig hun prijzen verhoogden met het oog op de toepassing van de genoemde richtprijzen;

e) de markt verdeelden door aan elke producent een jaarlijks doel of "quotum'' voor de verkoop toe te kennen (1979, 1980 en voor tenminste een gedeelte van 1983) of bij gebreke van een definitieve zich over het gehele jaar uitstrekkende overeenkomst door van de producenten een beperking te eisen van hun verkoop in elke maand in vergelijking met een voorafgaande periode (1981, 1982).

Artikel 2

De in artikel 1 genoemde ondernemingen moeten de genoemde inbreuken onverwijld beëindigen (indien zij dit niet reeds hebben gedaan) en zich voortaan onthouden van overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen die hetzelfde of een soortgelijk doel of gevolg kunnen hebben, met inbegrip van enigerlei uitwisseling van informatie van het type dat gewoonlijk onder het zakengeheim valt en waardoor de deelnemers rechtstreeks of zijdelings in kennis worden gesteld van de produktie, leveranties, voorraden, verkoopprijzen, kosten of investeringen of van iedere uitdrukkelijke of stilzwijgende overeenkomst of onderling afgestemde gedraging met betrekking tot prijzen of het verdelen van de markten in de EEG. Elke regeling voor de uitwisseling van algemene informatie waaraan de producenten deelnemen (zoals bij voorbeeld FIDES) zal op een wijze worden toegepast dat daarvan elke informatie is uitgesloten waaruit het gedrag van individuele producenten kan worden afgeleid; de ondernemingen onthouden zich meer in het bijzonder van de onderlinge uitwisseling van enigerlei aanvullende informatie die voor de mededinging relevant is en niet onder een dergelijke regeling valt.

Artikel 3

Aan de in deze beschikking genoemde ondernemingen worden wegens de in artikel 1 vastgestelde inbreuken de volgende geldboeten opgelegd:

i)

ANIC SpA, 750 000 Ecu, dat is 1 103 692 500 lire;

ii)

ATOCHEM, 1 750 000 Ecu, dat is 11 973 325 Ffr.;

iii)

BASF AG, 2 500 000 Ecu, dat is 5 362 225 DM;

iv)

DSM NV, 2 750 000 Ecu, dat is 6 657 640 Fl;

v)

HERCULES CHEMICALS NV, 2 750 000 Ecu, dat is 120 569 620 Bfr.;

vi)

HOECHST AG, 9 000 000 Ecu, dat is 19 304 010 DM;

vii)

HUELS AG, 2 750 000 Ecu, dat is 5 898 447,50 DM;

viii)

ICI PLC, 10 000 000 Ecu, dat is 6 447 970 £;

ix)

CHEMISCHE WERKE LINZ, 1 000 000 Ecu, dat is 1 471 590 000 lire;

x)

MONTEDIPE, 11 000 000 Ecu, dat is 16 187 490 000 lire;

xi)

PETROFINA SA, 600 000 Ecu, dat is 26 306 100 Bfr.;

xii)

RHÔNE-POULENC SA, 500 000 Ecu, dat is 3 420 950 Ffr.;

xiii)

SHELL INTERNATIONAL CHEMICAL COMPANY Ltd, 9 000 000 Ecu, dat is 5 803 173 £;

xiv)

SOLVAY & CIE, 2 500 000 Ecu, dat is 109 608 750 Bfr.;

xv)

STATOIL Den Norske Stats Oljeselskap AS (die nu SAGA PETROKJEMI omvat), 1 000 000 Ecu, dat is 644 797 £.

Artikel 4

De geldboeten bedoeld in artikel 3 moeten binnen drie maanden na de datum van kennisgeving van deze beschikking worden gestort op de volgende bankrekeningen van de Commissie:

België

( v), xi), xiv)):

nr. 426-4403001-52, Kredietbank, Agence Schuman, 2, Rond Point Schuman, 1040 Bruxelles;

Bondsrepubliek Duitsland

( iii), vi), vii)):

nr. 260/00/64910, Sal. Oppenheim und Cie, Untersachsenhausen 4, 5000 Koeln 1;

Frankrijk

( ii), xii)):

nr. 9957 M, Credit Lyonnais, Agence Intern. in 693, 16, rue du 4 septembre, 75002 Paris Cedex 02;

Italië

( i), ix), x)):

nr. 26952/018, Cassa di Risparmio delle Provincie Lombarde, Via Monte di Pieta, 8, 20121 Milano;

Verenigd Koninkrijk

( viii), xiii), xv)):

nr. 108.63.41, Lloyds Bank Ltd, Overseas Department, P.O. Box 19, 6 Eastcheap, London EC 3P 3AB;

Nederland

( iv)):

nr. 41.60.95.518, Amrobank, Rembrandtplein 47, Postbus 1220, 1000 EH Amsterdam.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot:

- ANIC SpA, Direzione Generale, 2097 San Donato Milanese, Casella Postale 12120, I-20100 Milano;

- ATOCHEM SA, La Défense 5, Cedex 24, F-92091 Paris la Défense;

- BASF AG, Karl-Bosch-Strasse 38, D-6700 Ludwigshafen;

- DSM NV, Postbus 65, NL-6400 AB Heerlen;

- SA HERCULES CHEMICALS NV, Mercure Centre, Raketstraat 100, B-1130 Brussel;

- HOECHST AG, Postfach 80 03 20, 6000 Frankfurt am Main 80;

- HUELS AG, D-4370 Marl;

- ICI PLC, Imperial Chemical House, Millbank, GB-London SW1P 3JF;

- CHEMISCHE WERKE LINZ AG:

a) Postfach 296, A-4021 Linz (Oostenrijk),

b) c/o Chemie Linz Italia, Via Mascheroni 19, I-20145 Milano;

- MONTEDIPE SpA, Via Taramelli 26, I-20124 Milano;

- PETROFINA SA, Chemical Sales Division, Wetstraat 33, B-1040 Brussel;

- RHÔNE-POULENC SA, 25 Quai Paul Doumer, F-92408 Courbevoie-Cedex;

- SHELL Chemical International Trading Company, SHELL INTERNATIONAL CHEMICAL COMPANY Ltd, Shell Centre, GB-London SE1 7PG;

- SOLVAY & CIE, Prins Albertstraat 33, B-1050 Brussel;

- STATOIL, Den Norske Stats Oljeselskap AS,

a) N-3960 Stathelle (Noorwegen),

b) c/o STATOIL (UK) Ltd, 25-29 Queen Street, Maidenhead, GB-Berk SL6 INB.

Deze beschikking vormt overeenkomstig artikel 192 van het EEG-Verdrag executoriale titel.

Gedaan te Brussel, 23 april 1986.

Voor de Commissie

Peter SUTHERLAND

Lid van de Commissie

(1) PB nr. 13 van 21. 2. 1962, blz. 204/62.

(2) PB nr. 127 van 20. 8. 1963, blz. 2268/63.

(3) De Spaanse en Portugese fabrikanten ALCUDIA en CNP woonden af en toe vergaderingen bij, maar zij beperkten hun verkoopactiviteiten tot Spanje en Portugal die in de betrokken periode geen EEG-Lid-Staten waren.

(4) De "nominale'' capaciteit is de theoretische jaarlijkse produktie van een fabriek, zoals die door de ontwerpers ervan is berekend op grond van de veronderstelling dat zij het gehele jaar door op volle toeren draait en één standaardprodukt fabriceert. De "daadwerkelijke'' capaciteit (doorgaans 85 à 90 % van de "nominale'') geeft de optimale produktie onder ideale omstandigheden aan voor een assortiment van produkten.

(5) Prijscatalogi als zodanig werden blijkbaar niet gepubliceerd of aan afnemers gegeven, doch de fabrikanten gebruiken in hun interne documenten veelvuldig uitdrukkingen als "catalogus''- of "richtprijzen'', die onderling verwisselbaar zijn.

(6) Van de producenten van wie niet bewezen is dat zij het initiatief van december 1977 "steunden'' geeft ANIC toe de bijeenkomsten vanaf het begin te hebben bijgewoond; ATO geeft toe deel te nemen vanaf 1978; BASF beweert vóór 1980 de bijeenkomsten slechts "sporadisch'' te hebben bijgewoond; DSM beweert niet te weten wanneer met de bijeenkomsten een aanvang werd gemaakt en geeft slechts toe ze vanaf 1980 te hebben bijgewoond; HUELS houdt staande dat zij vóór midden 1982 slechts één bijeenkomst bijwoonde.

(7) PB nr. L 171 van 25. 6. 1973, blz. 1.

(8) PB nr. L 300 van 31. 12. 1972, blz. 3.

(9) PB nr. L 319 van 29. 11. 1974, blz. 1.

BIJLAGE

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>