Home

Beschikking van de Commissie van 13 augustus 2008 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan verven en vernissen voor gebruik buitenshuis (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 4452) (Voor de EER relevante tekst) (2009/543/EG)

Beschikking van de Commissie van 13 augustus 2008 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan verven en vernissen voor gebruik buitenshuis (Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 4452) (Voor de EER relevante tekst) (2009/543/EG)

2009D0543 — NL — 19.06.2013 — 002.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 13 augustus 2008

tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan verven en vernissen voor gebruik buitenshuis

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 4452)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/543/EG)

(PB L 181, 14.7.2009, p.27)

Gewijzigd bij:

Publicatieblad

No

page

date

M1

BESLUIT VAN DE COMMISSIE van 14 november 2011

L 297

64

16.11.2011

►M2

BESLUIT VAN DE COMMISSIE van 17 juni 2013

L 167

57

19.6.2013




▼B

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 13 augustus 2008

tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan verven en vernissen voor gebruik buitenshuis

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2008) 4452)

(Voor de EER relevante tekst)

(2009/543/EG)



DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1980/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 inzake een herzien communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren (1), en met name op artikel 6, lid 1, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1980/2000 kan de communautaire milieukeur worden toegekend aan een product waarvan de eigenschappen werkelijk kunnen bijdragen tot verbeteringen van essentiële milieuaspecten.

(2)

In Verordening (EG) nr. 1980/2000 wordt bepaald dat per productengroep specifieke criteria voor de milieukeur worden vastgesteld.

(3)

Er dient een nieuwe beschikking te worden aangenomen tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur aan verven en vernissen voor gebruik buitenshuis.

(4)

De milieucriteria en de desbetreffende eisen inzake beoordeling en controle dienen vier jaar lang geldig te zijn.

(5)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn gebaseerd op de ontwerpcriteria die zijn ontwikkeld door het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie dat is ingesteld krachtens artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1980/2000.

(6)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1980/2000 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:



Artikel 1

1. De productengroep „verven en vernissen voor gebruik buitenshuis” omvat decoratieve en beschermende verven en vernissen, houtbeitsen en verwante producten voor gebruik buitenshuis, bestemd om door doe-het-zelvers en professionele gebruikers te worden aangebracht op gebouwen en buitenmeubelen, vloeren en afsluitingen als omschreven in lid 2, en die in eerste instantie worden ontwikkeld voor gebruik buitenshuis en als zodanig op de markt worden gebracht.

Hieronder vallen, onder andere, vloercoatings en vloerverven, producten die door distributeurs op verzoek van doe-het-zelvers of beroepsschilders worden gekleurd, kleursystemen, decoratieve verven in de vorm van vloeibare of pasteuze mengsels die eventueel zijn voorbehandeld, gekleurd of voorbereid door de fabrikant om aan de behoeften van de consument te voldoen, met inbegrip van houtverven, houtbeitsen en dekkende beitsen, muurcoatings en aflakken voor metaal (met uitsluiting van anticorrosieve aflakken en primers) alsook de primers (en grondverven) van dergelijke productsystemen.

2. Onder „verf” wordt een gepigmenteerd dekmateriaal verstaan, in vloeibare of pasteuze vorm of in poedervorm, dat bij aanbrenging op een ondergrond een dekkende laag vormt met beschermende, decoratieve of specifieke technische eigenschappen.

Onder „vernis” wordt een helder dekmateriaal verstaan dat bij aanbrenging op een ondergrond een harde transparante laag vormt met beschermende, decoratieve of specifieke technische eigenschappen.

Na aanbrenging droogt de verf of het vernis op tot een harde, zich hechtende en beschermende laag.

Decoratieve verven en vernissen zijn verven en vernissen die voor decoratieve en beschermende doeleinden worden aangebracht op gebouwen, het houtwerk en toebehoren ervan, alsook op buitenmeubelen, vloeren en afsluitingen. Zij worden ter plaatse aangebracht. Zij zijn als decoratie bedoeld maar hebben ook een beschermende functie.

Houtbeitsen (lazuren) zijn coatings die een transparante of semitransparante laag produceren voor decoratie en voor bescherming van hout tegen verwering, waardoor er eenvoudig onderhoud kan worden verricht.

Muurcoatings zijn coatings die een decoratieve en beschermende laag vormen en op beton, (beschilderbare) baksteen, bouwblokken, bepleistering of met calciumsilicaat of vezels versterkt cement worden aangebracht. Zij zijn hoofdzakelijk bedoeld voor gebruik buitenshuis, maar kunnen ook binnenshuis of op soffieten en op de onderkant van balkondaken worden gebruikt.

Onder „kleursysteem” wordt een methode verstaan om gekleurde verven aan te maken door een basisverf te mengen met kleurmiddelen.

3. De volgende producten vallen niet onder deze productengroep:

a)anticorrosieve coatings;

b)aangroeiwerende coatings;

c)houtconserveringsmiddelen;

d)coatings voor bepaalde industriële en professionele toepassingen, met inbegrip van coatings voor zwaar gebruik;

e)ieder product dat in eerste instantie is ontwikkeld voor gebruik binnenshuis en als zodanig in de handel wordt gebracht.

Artikel 2

1. Voor de toekenning van de communautaire milieukeur in het kader van Verordening (EG) nr. 1980/2000 dienen verven en vernissen, met inachtneming van het bepaalde in de leden 2 en 3, te vallen onder de productengroep „verven en vernissen voor gebruik buitenshuis” zoals gedefinieerd in artikel 1, en dienen ze te voldoen aan de in de bijlage bij deze beschikking beschreven milieucriteria.

2. Tweecomponentencoatings met bijzondere eigenschappen, bestemd voor specifieke toepassingen, dienen aan de volgende voorwaarden te voldoen:

a)elk van beide componenten afzonderlijk dient te voldoen aan de in de bijlage beschreven milieucriteria (met uitzondering van het criterium voor vluchtige organische stoffen (VOS));

b)zij dienen vergezeld te gaan van informatie waarin wordt verduidelijkt dat de beide componenten noch afzonderlijk mogen worden gebruikt, noch met andere producten mogen worden gemengd;

c)het gebruiksklare eindproduct dient eveneens aan de milieucriteria, inclusief het criterium voor VOS, te voldoen.

3. Coatings die zowel voor gebruik binnenshuis als voor gebruik buitenshuis in de handel worden gebracht, dienen zowel aan de criteria van deze beschikking inzake verven en vernissen voor gebruik buitenshuis als aan de criteria van Beschikking 2009/544/EG van de Commissie (2) inzake verven en vernissen voor gebruik binnenshuis te voldoen.

▼M2

Artikel 3

De milieucriteria voor de productgroep „verven en vernissen voor gebruik buitenshuis”, alsmede de daarmee verband houdende eisen inzake beoordeling en controle, zijn geldig tot en met 30 juni 2014.

▼B

Artikel 4

Het voor administratieve doeleinden aan de productengroep „verven en vernissen voor gebruik buitenshuis” toegewezen codenummer is „33”.

Artikel 5

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.




BIJLAGE

A. KADER

Doelstellingen van de criteria

Deze criteria zijn hoofdzakelijk gericht op:

—een efficiënt gebruik van het product en de beperking van afval tot een minimum;

—vermindering van milieurisico’s en overige risico’s (zoals troposferisch ozon) door verlaging van de uitstoot van oplosmiddelen;

—de beperking van de lozing van toxische of anderszins verontreinigende stoffen in wateren. De criteria worden op een zodanig niveau vastgesteld dat wordt bevorderd dat verven en vernissen voor gebruik buitenshuis met geringere milieueffecten de milieukeur krijgen.

Eisen inzake beoordeling en controle

Bij elk criterium worden de specifieke eisen inzake beoordeling en controle vermeld.

Wanneer de aanvrager verplicht is verklaringen, documentatie, analyses, testverslagen of ander bewijsmateriaal in te dienen waaruit blijkt dat aan de criteria wordt voldaan, wordt ervan uitgegaan dat deze, zoals aangewezen, afkomstig kunnen zijn van de aanvrager en/of diens leveranciers en/of hun leveranciers enz.

Eventueel mogen andere testmethoden worden gebruikt dan voor elk criterium worden vermeld, indien deze door de bevoegde instantie die de aanvraag beoordeelt als gelijkwaardig worden geaccepteerd.

Indien nodig kunnen de bevoegde instanties aanvullende documentatie verlangen en onafhankelijke controles uitvoeren.

De bevoegde instanties wordt aangeraden bij de beoordeling van aanvragen en het toezicht op de inachtneming van de criteria rekening te houden met de toepassing van erkende milieubeheersystemen, zoals EMAS of EN ISO14001 (NB: toepassing van dergelijke milieubeheersystemen is niet verplicht).

Wanneer in de criteria het begrip „ingrediënten” wordt gebruikt, omvat dit zowel stoffen als preparaten. De definities van „stoffen” en „preparaten” zijn opgenomen in de REACH-verordening (Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3).

De precieze formulering van het product dient aan de bevoegde instantie te worden meegedeeld voor alle door de aanvrager gebruikte (bestanddelen van) ingrediënten. Alle stoffen, met inbegrip van onzuiverheden, die aanwezig zijn in concentraties groter dan 0,01 massaprocent moeten worden aangemeld, tenzij elders in de criteria een lagere concentratie wordt gespecificeerd.

B. MILIEUCRITERIA

Alle criteria met uitzondering van criterium 3 inzake grenswaarden voor VOS gelden voor de verf of het vernis in de verpakking. Overeenkomstig Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) hebben de VOS-grenswaarden betrekking op het gebruiksklare product; bijgevolg moet het maximale VOS-gehalte worden berekend rekening houdend met de eventueel aanbevolen toevoeging van, bijvoorbeeld, kleurstoffen en/of verdunners. Voor die berekening zijn gegevens over het vastestof- en het VOS-gehalte en de dichtheid van het product vereist die door de leveranciers van grondstoffen moeten worden verstrekt.

De criteria 1 en 2 gelden alleen voor witte en lichtgekleurde verven (met inbegrip van aflakken, primers, grondverven en/of tussencoatings).

Voor kleursystemen zijn de criteria 1 en 2 alleen van toepassing op de witte basisverf, die de grootste hoeveelheid TiO2 bevat. Ingeval de witte basisverf niet het vereiste spreidend vermogen heeft van ten minste 6 m2 per liter bij een dekvermogen van 98 % overeenkomstig criterium 7, onder a), moet aan de criteria worden voldaan na een kleuring die resulteert in standaardkleur RAL 9010.

De criteria 1 en 2 zijn niet van toepassing op transparante coatings.

1. Witte pigmenten

Gehalte aan witte pigmenten (witte anorganische pigmenten met een brekingsindex die hoger is dan 1,8): Verven dienen een gehalte aan witte pigmenten te hebben van ten hoogste 38 g per m2 droge film, met een dekvermogen van 98 %. Deze eis geldt niet voor vernissen en houtbeitsen.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring indienen waarin staat dat er geen witte pigmenten worden gebruikt of mededeling doen van het gehalte aan witte pigmenten en het spreidend vermogen, tezamen met de gedetailleerde berekening waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan.

2. Titaandioxide

Titaandioxide: De emissies en lozingen van afvalstoffen afkomstig van de productie van de gebruikte titaandioxidepigmenten mogen de volgende waarden (ontleend aan het referentiedocument (BREF) over de beste beschikbare technologie voor de fabricage van anorganische bulkchemicaliën (augustus 2007)) niet overschrijden:

—SOx-uitstoot (uitgedrukt als SO2): 266 mg per m2 droge film (98 % dekvermogen);

—sulfaatafval: 19 g per m2 droge film (98 % dekvermogen);

—chlorideafval: 3,9, 6,8 en 12,5 g per m2 droge film (98 % dekvermogen) voor respectievelijk natuurlijk rutiel, synthetisch rutiel en ertsen waarbij slakken achterblijven.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring indienen waarin staat dat deze stoffen niet worden gebruikt, of moet ter staving documentatie verstrekken waarin de respectieve niveaus van uitstoot en lozing van afval voor deze parameters, het titaandioxidegehalte van het product en het spreidend vermogen worden aangegeven, tezamen met de gedetailleerde berekeningen waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan.

3. Vluchtige organische stoffen (VOS)

Het gehalte aan vluchtige organische stoffen (VOS) mag niet hoger zijn dan:



Productindeling (Richtlijn 2004/42/EG)

VOS-grenswaarde (in g/l, inclusief water)

Coatings voor buitenmuren (minerale ondergrond)

40

Hout- en metaalverven voor buitendecoratie inclusief grondverven

90

Vernissen en beitsen voor buitenhoutwerk, inclusief dekkende beitsen

90

Houtbeitsen met minimale laagdikte voor gebruik buitenshuis

75

Primers (voor gebruik buitenshuis)

15

Hechtprimers (voor gebruik buitenshuis)

15

Eencomponentcoatings met bijzondere eigenschappen

100

Tweecomponentencoatings met bijzondere eigenschappen, bestemd voor specifieke toepassingen zoals vloeren

100

Binnen deze context is een vluchtige organische stof (VOS) een organische stof met een beginkookpunt van 250 oC of lager, gemeten bij een standaarddruk van 101,3 kPa als omschreven in Richtlijn 2004/42/EG. De in de richtlijn gedefinieerde subcategorieën voor verven en vernissen worden gebruikt ter vaststelling van de VOS-grenswaarde. Hier worden alleen de categorieën opgevoerd die in aanmerking komen als coatings voor gebruik buitenshuis.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan. Voor alle producten moet de aanvrager het VOS-gehalte aangeven.

4. Vluchtige aromatische koolwaterstoffen (VAK)

Vluchtige aromatische koolwaterstoffen mogen niet rechtstreeks aan het product worden toegevoegd voor of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren; wel mogen ingrediënten die VAK bevatten in zodanige hoeveelheden worden toegevoegd dat het VAK-gehalte in het eindproduct niet meer bedraagt dan 0,1 massaprocent.

Binnen deze context is een vluchtige aromatische koolwaterstof (VAK) een organische stof met een beginkookpunt van 250 oC of lager, gemeten bij een standaarddruk van 101,3 kPa, als omschreven in Richtlijn 2004/42/EG, met ten minste één aromatische ring in de structuurformule.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan en dat geen VAK zijn toegevoegd in enige andere vorm dan als geprefabriceerde ingrediënten, alsook, in voorkomend geval, verklaringen van de leveranciers van de ingrediënten met betrekking tot het VAK-gehalte daarvan.

5. Zware metalen

De volgende zware metalen of hun verbindingen mogen niet worden gebruikt als ingrediënt van het product of (in voorkomend geval) het kleurmiddel (als stof of als bestanddeel van enig preparaat dat wordt gebruikt): cadmium, lood, chroom (VI), kwik, arseen, barium (uitgezonderd bariumsulfaat), seleen, antimoon.

Ook kobalt mag niet als ingrediënt worden toegevoegd, met uitzondering van kobaltzouten die als droogmiddel in alkydverven worden toegepast. Daarvan mag een zodanige hoeveelheid worden gebruikt dat de concentratie in het eindproduct, gemeten als zuiver kobalt, ten hoogste 0,05 massaprocent bedraagt. Kobalt in pigmenten valt evenmin onder deze verbodsbepaling.

Er wordt geaccepteerd dat ingrediënten sporen van deze metalen (tot 0,01 massaprocent) bevatten als gevolg van onzuiverheden in de grondstoffen.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, alsook (in voorkomend geval) verklaringen van de leveranciers van de ingrediënten.

6. Gevaarlijke stoffen

(a)Het product: Het product mag noch vóór, noch (in voorkomend geval) na de kleuring als zeer vergiftig, vergiftig, gevaarlijk voor het milieu, kankerverwekkend, vergiftig voor de voortplanting, schadelijk, bijtend, mutageen of irriterend (uitsluitend als dit het gevolg is van de aanwezigheid van ingrediënten waarvoor risicozin R43 geldt) ingedeeld zijn overeenkomstig Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad (5).

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, tezamen met een veiligheidsinformatieblad over het productmateriaal dat voldoet aan de eisen van bijlage II bij de REACH-verordening.

(b)Ingrediënten (zeer vergiftig, vergiftig, kankerverwekkend, mutageen, vergiftig voor de voortplanting): Er mag noch in het product, noch (in voorkomend geval) bij de kleuring enig ingrediënt worden gebruikt waarvoor ten tijde van de aanvraag een van de onderstaande risicozinnen (of combinaties ervan) geldt of kan gelden:

—R23 (vergiftig bij inademing),

—R24 (vergiftig bij aanraking met de huid),

—R25 (vergiftig bij opname door de mond),

—R26 (zeer vergiftig bij inademing),

—R27 (zeer vergiftig bij aanraking met de huid),

—R28 (zeer vergiftig bij opname door de mond),

—R33 (gevaar voor cumulatieve effecten),

—R39 (gevaar voor ernstige onherstelbare effecten),

—R40 (carcinogene effecten zijn niet uitgesloten),

—R42 (kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing),

—R45 (kan kanker veroorzaken),

—R46 (kan erfelijke genetische schade veroorzaken),

—R48 (gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling),

—R49 (kan kanker veroorzaken bij inademing),

—R60 (kan de vruchtbaarheid schaden),

—R61 (kan het ongeboren kind schaden),

—R62 (mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid),

—R63 (mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind),

—R68 (onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten),

zoals vastgelegd in Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (6), als gewijzigd, of in Richtlijn 1999/45/EG, als gewijzigd. Actieve ingrediënten die in de formulering worden gebruikt als conserveermiddel en waarvoor een van de risicozinnen R23, R24, R25, R26, R27, R28, R39, R40 of R48 (of een combinatie daarvan) geldt, mogen toch worden gebruikt tot een grenswaarde van 0,1 massaprocent van de totale hoeveelheid product.

Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (GHS) (7). In dat geval mogen ingrediënten, in voorkomend geval met inbegrip van ingrediënten bestemd voor de kleuring, die in een van de volgende categorieën (of combinaties daarvan) worden ingedeeld, niet worden gebruikt:

—acute orale toxiciteit — categorie I, II, III,

—acute dermale toxiciteit — categorie I, II, III,

—acute toxiciteit bij inademing — categorie I, II, III,

—sensibilisatie van de luchtwegen — categorie I,

—mutageniteit — categorie I, II,

—kankerverwekkendheid — categorie I, II,

—voortplantingstoxiciteit — categorie I, II,

—specifieke doelorgaantoxiciteit bij eenmalige blootstelling — categorie I, II,

—specifieke doelorgaantoxiciteit bij herhaalde blootstelling — categorie I, II,

zoals vastgesteld in ST/SG/AC.10/30 (8) en herzien in ST/SG/AC.10/34/Add.3 betreffende het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen. Actieve ingrediënten die als conserveermiddel in de formulering worden gebruikt en die in een van de volgende GHS-categorieën zijn ingedeeld, mogen toch worden gebruikt tot een grenswaarde van 0,1 massaprocent van de totale hoeveelheid product:

—acute toxiciteit (orale, dermale en bij inademing) — categorie I, II, III (alleen orale en dermale toxiciteit),

—specifieke doelorgaantoxiciteit (bij eenmalige en/of herhaalde blootstelling) — categorie I, II (of combinaties daarvan), en

—kankerverwekkendheid — categorie II.

Methylethylketoxim mag in alkydverven worden gebruikt tot een grenswaarde van 0,3 massaprocent.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, tezamen met een veiligheidsinformatieblad over het productmateriaal dat voldoet aan de eisen van bijlage II bij de REACH-verordening.

c)Ingrediënten (gevaarlijk voor het milieu): Geen enkel in het product of (in voorkomend geval) bij de kleuring gebruikt ingrediënt mag meer dan 2 massaprocent vertegenwoordigen indien voor dat ingrediënt op het tijdstip van indiening van de aanvraag een van de hierna genoemde risicozinnen geldt of kan gelden:

—N R50 (zeer vergiftig voor in het water levende organismen),

—N R50/53 (zeer vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

—N R51/53 (vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

—N R52/53 (schadelijk voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

—R51 (vergiftig voor in het water levende organismen),

—R52 (schadelijk voor in het water levende organismen),

—R53 (kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken),

zoals vastgelegd in Richtlijn 67/548/EEG of in Richtlijn 1999/45/EG.

Als alternatief kan gebruik worden gemaakt van het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (9). In dit geval mag geen enkel in het product of (in voorkomend geval) bij de kleuring gebruikt ingrediënt meer dan 2 massaprocent vertegenwoordigen indien dat ingrediënt op het tijdstip van indiening van de aanvraag wordt of kan worden ingedeeld in een van de hierna genoemde categorieën:

Toxiciteit voor het aquatisch milieu (de vermelde categorieën en combinaties daarvan):

—acute toxiciteit — categorieën I, II, III

—chronische toxiciteit — categorieën I, II, III, IV,

zoals vastgesteld in ST/SG/AC.10/30 en herzien in ST/SG/AC.10/34/Add.3 betreffende het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen.

In ieder geval mag de totale hoeveelheid van alle ingrediënten waarvoor op het tijdstip van indiening van de aanvraag een van deze risicozinnen (of combinaties ervan) of GHS-categorieën geldt of kan gelden, de grenswaarde van 4 massaprocent niet overschrijden.

Deze vereiste geldt niet voor ammoniak of alkylammoniak.

Deze vereiste doet geen afbreuk aan de verplichting om te voldoen aan de in criterium 6, onder a), omschreven vereiste.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, tezamen met een lijst van ingrediënten alsook voor elk ingrediënt een veiligheidsinformatieblad dat voldoet aan de eisen van bijlage II bij de REACH-verordening.

d)Alkylfenolethoxylaten (APEO’s): Er mogen in het product geen APEO’s worden gebruikt vóór of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

e)Isothiazolinonverbindingen: Het gehalte aan isothiazolinonverbindingen in het product mag vóór of (in voorkomend geval) na het kleuren niet meer bedragen dan 0,05 massaprocent. Voor houtcoatings mag het gehalte aan isothiazolinonverbindingen niet meer bedragen dan 0,2 massaprocent. Evenzo mag het gehalte van het mengsel van 5-chloor-2-methyl-2H-isothiazool-3-on (EG-nr. 247-500-7) en 2-methyl-2H-isothiazool-3-on (EG-nr. 220-239-6) (3:1) in het product niet meer bedragen dan 0,0015 massaprocent.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan, waarbij de hoeveelheden (indien gebruikt) worden aangegeven.

f)Perfluoralkylsulfonaten (PFAS), perfluorcarbonzuren (PFCA) met inbegrip van perfluoroctaanzuur (PFOA) en aanverwante stoffen die zijn opgenomen in de „Preliminary lists of PFOS, PFAS, PFOA, PFCA, related compounds and chemicals that may degrade to PFCA” van de OESO (herziene versie 2007) zijn in het product niet toegestaan. De OESO-lijst is als bijlage aan dit document gehecht.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

g)Formaldehyd: Er mag geen vrij formaldehyd worden toegevoegd. Stoffen die formaldehyd afgeven, mogen alleen in zodanige hoeveelheden worden toegevoegd dat gegarandeerd wordt dat het uiteindelijke totale gehalte aan vrij formaldehyd (in voorkomend geval na kleuring) niet meer bedraagt dan 0,001 massaprocent.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan. Daarnaast moet de aanvrager testresultaten van de grondstoffenleveranciers overleggen, gebaseerd op de „VdL-RL 03”-methode „In-blik formaldehydgehalte vastgesteld aan de hand van de acetyl-aceton-methode” (VdL-richtsnoer 03), alsmede berekeningen waarbij de gegevens van deze tests worden gerelateerd aan het eindproduct om aan te tonen dat de hoogst mogelijke eindconcentratie van het formaldehyd dat vrijkomt uit formaldehydafgevende stoffen in het product niet hoger is dan 0,001 massaprocent. Als alternatief mag het van formaldehydafgevende stoffen afkomstige formaldehyd in het eindproduct worden bepaald met behulp van een nationale standaard of een gevalideerde methode zoals beschreven in ISO/IEC 17025 op basis van hogedrukvloeistofchromatografie.

h)Gehalogeneerde organische oplosmiddelen: Onverminderd het bepaalde in criterium 6, onder a), b) en c), mogen in het product vóór of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren alleen gehalogeneerde verbindingen worden gebruikt die op het tijdstip van indiening van de aanvraag reeds aan een risicobeoordeling zijn onderworpen en waaraan niet overeenkomstig de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG een van de volgende risicozinnen (of een combinatie daarvan) is toegekend: R26/27, R45, R48/20/22, R50, R51, R52, R53, R50/53, R51/53, R52/53 en R59.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

i)Ftalaten: Onverminderd het bepaalde in criterium 6, onder a), b) en c), mogen in het product vóór of (in voorkomend geval) tijdens het kleuren alleen ftalaten worden gebruikt die op het tijdstip van indiening van de aanvraag reeds aan een risicobeoordeling zijn onderworpen en waaraan niet overeenkomstig Richtlijn 67/548/EEG, als gewijzigd, een van de volgende risicozinnen (of een combinatie daarvan) is toegekend: R60, R61, R62, R50, R51, R52, R53, R50/53, R51/53 en R52/53. Bovendien zijn DNOP (di-n-octylftalaat), DINP (diisononylftalaat) en DIDP (diisodecylftalaat) niet toegestaan in het product.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een verklaring overleggen waarin staat dat aan dit criterium is voldaan.

7. Gebruiksgeschiktheid

a)Spreidend vermogen: Witte en lichtgekleurde verven (met inbegrip van aflakken, primers, grondverven en/of tussencoatings) moeten een spreidend vermogen hebben (bij een dekvermogen van 98 %) van ten minste 6 m2 per liter product.

Voor kleursystemen is dit criterium alleen van toepassing op de witte basisverf, die de grootste hoeveelheid TiO2 bevat. Ingeval de witte basisverf niet het vereiste spreidend vermogen van ten minste 6 m2 per liter heeft bij een dekvermogen van 98 %, moet aan het criterium worden voldaan na een kleuring van de witte basisverf die resulteert in standaardkleur RAL 9010. Op alle andere basisverven die voor de vervaardiging van gekleurde producten worden gebruikt — dit zijn basisverven die in de regel minder TiO2 bevatten en die niet het vereiste spreidend vermogen van ten minste 6 m2 per liter product hebben bij een dekvermogen van 98 % — is het criterium niet van toepassing. Voor verven die deel uitmaken van een kleursysteem moet de aanvrager de eindgebruiker op het verkooppunt en/of via een mededeling op de verpakking informeren welke kleur of welke primer/grondverf (zo mogelijk voorzien van de communautaire milieukeur) als basiscoating moet worden gebruikt alvorens de donkerdere tint wordt aangebracht.

Primers met specifieke afschermende/afdichtende c.q. doordringende/bindende eigenschappen en primers met bijzondere hechtingseigenschappen voor aluminium- en gegalvaniseerde oppervlakken dienen een spreidend vermogen (bij een dekvermogen van 98 %) van ten minste 6 m2 per liter product te hebben.

Elastomere verven moeten een spreidend vermogen hebben (bij een dekvermogen van 98 %) van ten minste 4 m2 per liter product.

Deze vereiste geldt niet voor vernissen, houtbeitsen, vloercoatings, vloerverven, grondverven, andere zelfhechtende primers of andere transparante coatings.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen waarbij gebruik wordt gemaakt van de methode ISO6504/1 (Verven en vernissen — Bepaling van de dekkracht — deel 1: Methode volgens Kubelka-Munk voor witte en lichtgekleurde verven) of 6504/3 (deel 3: Bepaling van de contrastverhouding van lichtgekleurde verven bij een gegeven verspreiding), of, voor verven die speciaal zijn ontwikkeld om een driedimensionaal decoratief effect te verkrijgen en gekenmerkt worden door een zeer dikke laag, de methode NF T 30 073 (of gelijkwaardig). Voor basisverven die voor de vervaardiging van gekleurde producten worden gebruikt en niet aan de hand van bovenvermelde eisen worden beoordeeld, moet de aanvrager aantonen dat de eindgebruiker advies wordt verstrekt over het gebruik van een primer en/of een grijze (of eventueel anders gekleurde) grondverf alvorens het product in kwestie wordt aangebracht.

b)Waterbestendigheid: Vernissen, vloercoatings en vloerverven moeten waterbestendig zijn, zoals vastgesteld overeenkomstig de ISO 2812-3-norm, zodat na 24 uur blootstelling en 16 uur herstel er geen verandering is in glans of in kleur.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de ISO 2812-3-methode (Verven en vernissen — Bepaling van de weerstand tegen vloeistoffen — deel 3: Methode met absorberend medium).

c)Hechting: Muurverven (met uitzondering van transparante primers) dienen een voldoende te scoren in de EN 24624-lostrekproef voor hechting (ISO 4624); vloercoatings, vloerverven en grondverven voor beton-, hout- en metaalcoatings dienen ten minste een 2 te scoren in de EN 2409-ruitjesproef voor hechting. Wanneer bij de uitvoering van de EN 24624-proef de cohesiekracht van de ondergrond geringer is dan de adhesiekracht van de verf, wordt dit als een voldoende aangemerkt; in de andere gevallen dient de adhesie van de verf meer te bedragen dan de met een voldoende overeenstemmende waarde van 1,5 MPa.

De aanvrager beoordeelt de primer en/of de aflak hetzij afzonderlijk, hetzij tezamen als componenten van een systeem. Indien de beproeving een systeem betreft, dient zo mogelijk gebruik te worden gemaakt van producten waaraan de communautaire milieukeur is toegekend (met uitzondering van systemen bestemd voor metaaloppervlakken). Als de aflak afzonderlijk wordt beproefd, wordt dit als worstcasescenario voor hechting aangemerkt.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de EN ISO 2409-methode c.q. de EN 24624-methode (ISO 4624).

d)Schuren: Vloercoatings en vloerverven dienen een zodanige slijtvastheid te hebben dat het massaverlies niet meer bedraagt dan 70 mg na 1 000 testcycli met een belasting van 1 000 g en een CS10-schuurwiel overeenkomstig EN ISO 7784-2:2006.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een op de EN ISO 7784-2:2006-methode gebaseerd testverslag indienen waaruit blijkt dat aan dit criterium wordt voldaan.

e)Verwering: Muuraflakken en hout- en metaalaflakken, met inbegrip van vernissen, worden blootgesteld aan kunstmatige verwering in een toestel met fluorescerende uv-lampen en condensatiewater of verneveld water overeenkomstig norm 11507:2007. Muurverven worden gedurende 1 000 uur aan de proefomstandigheden blootgesteld, hout- en metaalaflakken (met inbegrip van vernissen) gedurende 500 uur. De proefomstandigheden zijn: uv A 4u/60 oC + vochtigheid 4u/50 oC.

Als alternatief kunnen houtaflakken en houtvernissen gedurende 500 uur aan verwering worden blootgesteld in een QUV-toestel voor versnelde veroudering met cyclische blootstelling aan uv A-straling en besproeiing overeenkomstig EN 927-6.

De kleurverandering van de aan verwering blootgestelde monsters mag niet meer bedragen dan ΔΕ * = 4 en voor vernissen mag de glansvermindering niet meer bedragen dan 30 % van de beginwaarde. De glans wordt gemeten volgens ISO 2813. Het criterium voor kleurverandering geldt niet voor transparante vernissen en basisverven.

Voor muuraflakken en (in voorkomend geval) hout- en metaalaflakken wordt de mate van krijten bepaald volgens de EN ISO 4628-6:2007-methode nadat de monsters aan verwering zijn blootgesteld. Coatings dienen voor deze proef een score van 1,5 of beter (0,5 of 1,0) te halen. In de norm wordt een en ander met illustraties verduidelijkt.

Voor muuraflakken en hout- en metaalaflakken moeten ook de volgende parameters worden bepaald nadat de monsters aan verwering zijn blootgesteld:

—afbladdering overeenkomstig ISO 4628-5:2003; schilferdichtheid 2 of minder, schilfergrootte 2 of minder,

—barstvorming overeenkomstig ISO 4628-4:2003; barstgetal 2 of minder, barstgrootte 3 of minder,

—blaarvorming overeenkomstig ISO 4628-2:2003; blaardichtheid 3 of minder, blaargrootte 3 of minder.

Wegens het brede scala van mogelijke kleuren worden deze proeven beperkt tot de gebruikte basisverf.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet testverslagen indienen gebaseerd op het gebruik van hetzij ISO 11507:2007 (met inachtneming van de gespecificeerde parameters), hetzij EN 927-6, hetzij beide (voor zover relevant). Voorts moet de aanvrager testverslagen indienen gebaseerd op het gebruik van EN ISO 4628-2, -4, -5 en -6 voor zover toepasselijk. De aanvrager moet ook een verklaring overleggen dat (voor zover toepasselijk) de kleurverandering van de coating de in dit document vastgestelde maximumwaarde niet overschrijdt.

f)Doorlatendheid voor waterdamp: Wanneer van muur- en betonverven voor gebruik buitenshuis wordt beweerd dat zij ademend zijn, dient de verf in kwestie volgens testmethode EN ISO 7783-2 in klasse II (gemiddelde dampdoorlatendheid) of beter te zijn ingedeeld. Wegens het brede scala van mogelijke kleuren wordt voor dit criterium uitsluitend de basisverf beproefd; de eis geldt niet voor transparante primers.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de EN ISO 7783-2-methode.

g)Doorlatendheid voor vloeibaar water: Wanneer van muur- en betonverven voor gebruik buitenshuis wordt beweerd dat zij waterafstotend of elastomeer zijn, dient de coating volgens de methode DIN EN 1062-3:1999 in klasse III (geringe waterdoorlatendheid) te zijn ingedeeld. Wegens het brede scala van mogelijke kleuren wordt voor dit criterium uitsluitend de basisverf beproefd. Alle andere muurverven dienen volgens testmethode DIN EN 1062-3:1999 in klasse II (gemiddelde waterdoorlatendheid) of beter te zijn ingedeeld.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de methode DIN EN 1062-3:1999.

h)Schimmelbestendigheid: Wanneer van muuraflakken wordt beweerd dat zij schimmelwerende eigenschappen bezitten, dient de coating in kwestie een score van 2 of beter te halen (minder dan 10 % schimmeldek) bij toepassing van de BS 3900:G6-methode. Wegens het brede scala van mogelijke kleuren wordt voor dit criterium uitsluitend de basisverf beproefd.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de BS 3900:G6-methode.

i)Scheuroverbrugging: Wanneer van een muurverf (of betonverf) wordt beweerd dat zij elastomere eigenschappen bezit, dient zij volgens de methode DIN EN 1062-7:2004 ten minste in klasse A1 te zijn ingedeeld bij 23 oC. Wegens het brede scala van mogelijke kleuren wordt voor dit criterium uitsluitend de basisverf beproefd.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de methode DIN EN 1062-7:2004.

j)Alkalibestendigheid: Muurverven en -primers mogen geen merkbare schade vertonen wanneer de coating overeenkomstig de methode ISO 2812-4:2007 gedurende 24 uur met een 10 % NaOH-oplossing wordt bespat. De beoordeling vindt plaats na 24 uur drogen/herstel.

Beoordeling en controle: De aanvrager moet een testverslag indienen gebaseerd op het gebruik van de methode ISO 2812-4:2007.

8. Consumenteninformatie

De volgende informatie moet op de verpakking staan of aan de verpakking zijn bevestigd:

—het gebruik, de ondergrond en de gebruiksomstandigheden waarvoor het product is bestemd. Hieronder valt ook advies over voorbereidende werkzaamheden enz., zoals de juiste voorbereiding van de ondergrond, advies over gebruik buitenshuis (waar van toepassing), of temperatuur;

—aanbevelingen voor het reinigen van gereedschappen en adequaat afvalbeheer (teneinde waterverontreiniging zoveel mogelijk te beperken). Deze aanbevelingen moeten zijn aangepast aan het desbetreffende soort product en het desbetreffende toepassingsgebied en kunnen zo nodig gebruikmaken van pictogrammen;

—aanbevelingen met betrekking tot productopslag na het openen (teneinde vast afval zoveel mogelijk te beperken), met inbegrip van advies inzake veiligheid, indien van toepassing;

—voor donkere coatings waarop criterium 7, onder a), niet van toepassing is: advies over het gebruik van de juiste primer of grondverf (zo mogelijk voorzien van de communautaire milieukeur);

—de vermelding dat ongebruikte verf een specifieke behandeling vereist met het oog op milieuvriendelijke verwijdering, en daarom niet mag worden weggegoten of samen met het huishoudelijk afval mag worden weggegooid. Advies over verwijdering en inzameling is verkrijgbaar bij de plaatselijke overheid;

—aanbevelingen met betrekking tot preventieve beschermingsmaatregelen voor de schilder. De volgende tekst (of een vergelijkbare tekst) dient op de verpakking te worden vermeld of aan de verpakking te worden bevestigd:

—„Meer informatie over de vraag waarom dit product de milieukeur van de Europese Unie heeft gekregen, is te vinden op de website: http://ec.europa.eu/environment/ecolabel.”

Beoordeling en controle: Bij de indiening van de aanvraag dient een monster van de verpakking van het product te worden verstrekt, tezamen met een passende verklaring dat aan deze criteria is voldaan.

9. Informatie op de milieukeur

Kader 2 van de milieukeur moet de volgende tekst bevatten:

—goede resultaten bij gebruik buitenshuis,

—gevaarlijke stoffen beperkt,

—laag gehalte aan oplosmiddelen.

Beoordeling en controle: De aanvrager dient een monster van de verpakking van het product met het etiket te verstrekken, alsmede een verklaring dat aan dit criterium is voldaan.



(1) PB L 237 van 21.9.2000, blz. 1.

(2) Zie bladzijde 39 van dit Publicatieblad.

(3) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(4) PB L 143 van 30.4.2004, blz. 87.

(5) PB L 200 van 30.7.1999, blz. 1.

(6) PB 196 van 16.8.1967, blz. 1.

(7) Op 27 juni 2007 heeft de Commissie het voorstel aangenomen „voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en tot wijziging van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad en Verordening (EG) nr. 1907/2006” (COM(2007) 355 definitief). Voor meer informatie over de overlappingen tussen het bestaande systeem en GHS, zie bijlage VII in volume III van het voorstel dat is aangenomen: http://ec.europa.eu/enterprise/reach/docs/ghs/ghs_prop_vol_iii_en.pdf

(8) Deskundigencomité van de Verenigde Naties voor het vervoer van gevaarlijke goederen en het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen: http://www.unece.org/trans/main/dgdb/dgcomm/ac10rep.html

(9) Zie voetnoot 5.