Home

Beschikking van de Commissie van 4 mei 2001 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor tissuepapierproducten (kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 1175) (2001/405/EG)

Beschikking van de Commissie van 4 mei 2001 tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor tissuepapierproducten (kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 1175) (2001/405/EG)

2001D0405 — NL — 03.04.2007 — 002.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 4 mei 2001

tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor tissuepapierproducten

(kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 1175)

(2001/405/EG)

(PB L 142, 29.5.2001, p.10)

Gewijzigd bij:

Publicatieblad

No

page

date

M1

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 12 mei 2005

L 127

20

20.5.2005

►M2

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 29 maart 2007

L 92

16

3.4.2007




▼B

BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE

van 4 mei 2001

tot vaststelling van de milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor tissuepapierproducten

(kennisgeving geschied onder nummer C(2001) 1175)

(2001/405/EG)



DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1980/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 inzake een herzien communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren (1), en met name op de artikelen 3, 4 en 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1980/2000 bepaalt dat de milieukeur kan worden toegekend aan een product waarvan de eigenschappen werkelijk kunnen bijdragen tot verbeteringen van essentiële milieuaspecten.

(2)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1980/2000 bepaalt dat per productengroep specifieke criteria voor de milieukeur worden vastgesteld.

(3)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1980/2000 bepaalt dat de herziening van de milieukeurcriteria en van de eisen inzake beoordeling en toezicht op de naleving van de criteria tijdig vóór het einde van de geldigheidsperiode van de voor iedere productengroep gespecificeerde criteria moet plaatsvinden en moet uitmonden in een voorstel tot verlenging, intrekking of herziening.

(4)

De Commissie heeft bij Beschikking 98/94/EG (2) milieucriteria voor de toekenning van de communautaire milieukeur voor tissuepapierproducten vastgesteld, waarvan de geldigheid krachtens artikel 3 van die beschikking, gewijzigd bij Beschikking 2000/413/EG (3), op 31 december 2001 verstrijkt.

(5)

Het is passend de definitie van de productengroep en de bij Beschikking 98/94/EG vastgestelde milieucriteria te herzien om rekening te houden met de ontwikkelingen die zich op de markt hebben voorgedaan.

(6)

Het is passend een nieuwe beschikking van de Commissie te geven tot vaststelling van de specifieke milieucriteria voor deze productengroep, welke vijf jaar lang geldig blijven.

(7)

Het is passend dat gedurende een beperkte periode van ten hoogste twaalf maanden zowel de bij deze beschikking vastgestelde nieuwe criteria als de eerder bij Beschikking 98/94/EG vastgestelde criteria gelijktijdig van toepassing zijn, teneinde de bedrijven die vóór de vaststelling van deze nieuwe beschikking voor hun producten de milieukeur hadden verkregen, voldoende tijd te gunnen om die producten met de nieuwe criteria in overeenstemming te brengen.

(8)

De in deze beschikking vervatte maatregelen werden uitgewerkt en vastgesteld overeenkomstig de procedures voor de vaststelling van milieukeurcriteria van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1980/2000.

(9)

De in deze beschikking vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1980/2000 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:



Artikel 1

Onder de productengroep „tissuepapierproducten” (hierna „de productengroep” te noemen) wordt verstaan:

Vellen of rollen tissuepapier, geschikt voor gebruik voor persoonlijke hygiëne, het absorberen van vloeistoffen en/of het schoonmaken van bevuilde oppervlakken. Gewoonlijk gaat het om gegaufreerd of crêpepapier in één of meer lagen. Het product dient voor ten minste 90 % uit vezels te bestaan. Gelamineerde tissueproducten en natte doekjes worden niet tot de productengroep gerekend.

Artikel 2

Voor deze productengroep, als omschreven in artikel 1, worden de milieuprestaties beoordeeld aan de hand van de in de bijlage vervatte specifieke milieucriteria.

▼M2

Artikel 3

De milieucriteria voor de productengroep tissuepapierproducten en de eisen inzake beoordeling en toezicht op de naleving daarvan zijn geldig tot en met 4 mei 2008.

▼B

Artikel 4

Het voor administratieve doeleinden aan deze productengroep toegekende codenummer is „004”.

Artikel 5

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.




BIJLAGE

KADER

Om voor een milieukeur in aanmerking te komen, moet een product als omschreven in artikel 1 voldoen aan de criteria van deze bijlage, waarbij de in die criteria en in het technisch aanhangsel aangegeven tests moeten worden uitgevoerd. In voorkomend geval mogen andere beproevingsmethoden worden gebruikt indien de gelijkwaardigheid daarvan door de bevoegde instantie die de aanvraag onderzoekt, wordt erkend (bijvoorbeeld indien de gelijkwaardigheid wordt gestaafd aan de hand van een ijkkromme waarbij een significantieniveau van 95 % wordt gehanteerd). Waar geen tests worden genoemd, of waar deze worden genoemd met het oog op controle of toezicht, dienen de bevoegde instanties, afhankelijk van het geval, uit te gaan van de door de aanvrager verstrekte verklaringen en documentatie en/of van onafhankelijke verificaties.

De bevoegde instanties wordt aanbevolen, bij de beoordeling van de aanvragen en het toezicht op de overeenstemming met de criteria van deze bijlage rekening te houden met de implementatie van erkende milieubeheersystemen zoals EMAS of ISO 14001 (Opmerking: de toepassing van dergelijke beheersystemen is niet verplicht.)

Deze criteria zijn met name gericht op:

—de vermindering van de lozingen van bepaalde toxische of anderszins verontreinigende stoffen in water,

—de vermindering van de milieuschade of risico's die verbonden zijn aan de omzetting en het gebruik van energie (mondiaal opwarmingsproces, verzuring, uitputting van niet-hernieuwbare hulpbronnen) door vermindering van het energieverbruik en de daarmee samenhangende uitstoot in de lucht,

—het stimuleren van het bewustzijn dat de beginselen van goed beheer dienen te worden toegepast om de bossen in stand te houden,

—de vermindering van de risico's voor de menselijke gezondheid, milieuschade en de risico's verbonden aan het gebruik van gevaarlijke chemicaliën,

—afvalpreventie en het efficiënt gebruik van afval.

De criteria zijn zo gekozen dat daardoor de toekenning van de milieukeur aan tissuepapier waarvan de productie slechts geringe milieueffecten teweegbrengt, wordt bevorderd.

MILIEUCRITERIA

1. EMISSIES IN WATER EN LUCHT

i)Hoe goed het product beantwoordt aan de criteria ten aanzien van COD, AOX, CO2, fossiel en SO2 wordt uitgedrukt door middel van een cijferscore. Die score is gebaseerd op een referentiewaarde (aangeduid als de „coëfficiënt” voor elke parameter).

De totale emissies in water en lucht welke samenhangen met het papierproduct worden berekend als de som van de emissies in het pulp- en het papierproductiestadium.



Tabel 1

Coëfficiënten en drempels voor de emissieparameters

Coëfficiënt (C), in kg/ADT (1) tissue

Drempel (H), in kg/ADT (1) tissue

1. Organische stoffen in water (COD)

C1 = 15

H1 = 40

2. Gechloreerde organische verbindingen (AOX)

C2 = 0,2

H2 = 0,5

3. Kooldioxide (CO2, fossiel)

C3 = 1 500

H3 = 3 750

4. Zwaveloxiden (uitgedrukt als S)

C4 = 1,0

H4 = 2,5

(1)ADT = air dried tonne (ton luchtgedroogd tissuepapier).

ii)De cijferscores (L) worden berekend als aangegeven in vergelijking 1. De feitelijke emissie voor elke parameter wordt gedeeld door de corresponderende coëfficiënt voor die parameter:

Li = (emissie voor parameter i)/Ci (vergelijking 1)

iii)De totaalscore (P) wordt berekend zoals in vergelijking 2, door de cijferscores voor de verschillende parameters bij elkaar op te tellen:

P = L1 + L2 + L3 + L4 (vergelijking 2)

iv)Indien een van de emissiecijfers voor de parameters COD, AOX, CO2, fossiel en SO2 voor een bepaald product de in tabel 1 als drempel gedefinieerde waarde overschrijdt, komt dat product niet in aanmerking voor de milieukeur.

v)De milieukeur kan slechts worden toegekend indien de totaalscore (P) voor het product niet méér bedraagt dan 4.

De hoeveelheid AOX (uitgedrukt als Cl) die op iedere bedrijfslocatie waar pulp geproduceerd wordt, wordt geloosd, mag niet groter zijn dan 0,5 kg per ton luchtgedroogde pulp.

Indien afsnijdsels in het eindproduct worden verwerkt, dienen de emissies (op of buiten het bedrijfsterrein) die verband houden met de productie daarvan, bij de berekening van de cijferscores in rekening te worden gebracht.

De gegevens over het waterverbruik per ton pulp en papier in het pulp- en tissueproductieproces moeten worden medegedeeld (Opmerking: deze gegevens zijn nodig voor het controleren van de berekening van de stofstromen via en de concentraties in het afvalwater).

Zwavelverbindingen: de uitstoot als gevolg van elektriciteitsproductie behoeft niet te worden meegerekend.

Kooldioxide: van fossiele bronnen, per ton geproduceerd papier, inclusief de uitstoot als gevolg van elektriciteitsproductie (op of buiten het bedrijfsterrein).

2. ENERGIEVERBRUIK

Het totale elektriciteitsverbruik voor de productie van tissuepapier wordt becijferd als de som van de in het pulp- en het tissuepapierproductiestadium gebruikte elektriciteit en mag niet meer bedragen dan:

—11 Gigajoule (3 000 kWh) elektriciteit per ton geproduceerd papier.

—De aanvrager dient het totale elektriciteitsverbruik voor de productie van pulp en tissuepapier te berekenen, met inbegrip van de elektriciteit die wordt gebruikt bij het ontinkten van afvalpapier voor de productie van kringlooppapier.

—Met elektriciteit bedoelt men de netto ingevoerde netstroom en de intern opgewekte elektriciteit, gemeten als elektrisch vermogen. De voor de zuivering van afvalwater en afgassen gebruikte elektriciteit behoeft niet te worden meegerekend.

3. VEZELS — DUURZAAM BOSBEHEER

Bij vezels kan het gaan om houtvezels, gerecycleerde vezels (4) of vezels van andere materialen dan hout.

In het geval van uit bossen afkomstige nieuwe houtvezels dienen de exploitanten van de bronnen waaruit de vezels afkomstig zijn, beginselen en maatregelen te hanteren die erop gericht zijn een duurzaam bosbeheer te verzekeren. Er moet een verklaring, handvest, gedragscode, certificaat of hiertoe strekkende verklaring van deze exploitanten en/of van de pulpfabrieken worden overgelegd.

In Europa moeten bovenbedoelde beginselen en maatregelen overeenstemmen met die van de pan-Europese operationele richtsnoeren voor duurzaam bosbeheer, als onderschreven door de ministeriële conferentie van Lissabon over de bescherming van de bossen in Europa (2-4 juni 1998). Buiten Europa moeten deze beginselen en maatregelen beantwoorden aan de UNCED-principes inzake bossen (Rio de Janeiro, juni 1992) alsook, waar van toepassing, aan de criteria of richtsnoeren voor duurzaam bosbeheer die zijn vastgesteld als onderdeel van diverse internationale en regionale initiatieven (ITTO, Montreal Process, Tarapoto Process, UNEP/FAO-initiatief voor droogtegebieden in Afrika).

4. GEVAARLIJKE CHEMISCHE STOFFEN

Bleken: Chloorgas mag niet als bleekmiddel worden gebruikt. Dit verbod geldt niet het gebruik van chloorgas in samenhang met de productie en de toepassing van chloordioxide. (Opmerking: hoewel dit verbod ook van toepassing is op het bleken van gerecycleerde vezels, wordt aanvaard dat de vezels in hun vorige levenscyclus met chloorgas zijn gebleekt.)

Ontinkting: Aan de ontinktingsproducten mogen geen alkylfenolethoxylaten (APEO's) of andere alkylfenolderivaten worden toegevoegd. Onder alkylfenolderivaten worden alle afbraakproducten van alkylfenolen verstaan.

Natsterktevergroters: Natsterktevergroters mogen — op droge basis — niet meer dan 1,0 % gechloreerde organische stoffen bevatten waaraan een van de volgende waarschuwingszinnen, als omschreven in Richtlijn 67/548/EEG van de Raad (5), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2000/33/EG van de Commissie (6), werden of kunnen worden toegekend: R45 (Kan kanker veroorzaken), R46 (Kan erfelijke genetische schade veroorzaken), R50/53 (Zeer vergiftig voor in het water levende organismen; kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken), R60 (Kan de vruchtbaarheid schaden) of R61 (Kan het ongeboren kind schaden). Voorbeelden van dergelijke gechloreerde organische stoffen zijn epichloorhydrine (ECH), 1,3-dichloor-2-propanol (DCP) en 3-monochloor-1,2-propaandiol (MCPD).

5. AFVALBEHEER

Alle producenten van pulp, papier en afgeleide tissueproducten moeten beschikken over een systeem voor de behandeling van afvalstoffen (7) en restproducten die afkomstig zijn van de productie-installaties. Het systeem moet in de aanvraag worden beschreven of toegelicht en dient ten minste de volgende elementen te omvatten:

—procedures voor het scheiden en gebruiken van recycleerbare materialen uit de afvalstroom,

—procedures voor de terugwinning van materialen voor andere toepassingen, zoals verbranding voor processtoomopwekking of voor agrarische toepassingen,

—procedures voor de behandeling van gevaarlijk afval (7) .

6. PRODUCTVEILIGHEID

Producten vervaardigd uit gerecycleerde vezels of mengsels van gerecycleerde en nieuwe vezels dienen aan de volgende hygiënische eisen te voldoen:



Formaldehyd:

1 mg/dm2 overeenkomstig testmethode EPA 8315A

Glyoxal:

1,5 mg/dm2 overeenkomstig testmethode EPA 8315A

PCB's:

2 mg/kg overeenkomstig testmethode EPA 8270.



Slijmwerende en antimicrobiële stoffen:

Geen groeivertraging bij micro-organismen overeenkomstig testmethode EN 1104

Kleurstoffen en witmakers:

Geen uitvloeiing overeenkomstig testmethode EN 646/648 (niveau 4 vereist)

Kleurstoffen en inkten:

De bij de productie van tissuepapier gebruikte kleurstoffen en inkten mogen geen azoverbindingen bevatten die bij ontbinding enig in tabel 3 van het technisch aanhangsel genoemd amine kunnen opleveren.

GESCHIKTHEID VOOR GEBRUIK

Het product moet geschikt zijn voor gebruik.

INFORMATIE VOOR DE CONSUMENT

Kader 2 van de milieukeur bevat de volgende tekst:

—geringe waterverontreiniging

—geringe luchtverontreiniging

—geringe uitstoot van broeikasgassen en gering elektriciteitsverbruik.

Bovendien kan de fabrikant naast de milieukeur ook het minimumpercentage gerecycleerde vezels vermelden.

Technische bijlage: definities, beproevingseisen en documentatie

Alle emissieparameters

De periode voor de metingen of de massabalansen moet gebaseerd zijn op de productie gedurende twaalf maanden. In het geval van een nieuwe of herbouwde productie-installatie is de grondslag voor de metingen een periode van ten minste 45 opeenvolgende dagen waarin de installatie stabiel heeft gefunctioneerd. De metingen moeten representatief zijn voor de productieperiode in kwestie.

Indien een product vervaardigd wordt uit verschillende kwaliteiten pulp, moeten de emissiewaarden voor de pulpproductie worden berekend als gewogen gemiddelden van alle gebruikte pulpsoorten. De totale emissies moeten worden becijferd door de bij de pulpproductie ontstane emissies op te tellen bij de emissies die door de productie van het tissuepapier worden veroorzaakt.

De metingen worden verricht door geaccrediteerde laboratoria of onafhankelijke testinstellingen die de norm EN 45001 volgen.

Het laboratorium van de pulp- of papierfabrikant mag evenwel bevoegd worden verklaard voor het analyseren van de emissies indien aan een van onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

—de bevoegde regelgevende instanties aanvaarden de desbetreffende bemonstering en metingen die in dat laboratorium worden verricht, of

—de fabrikant past een kwaliteitssysteem toe dat toezicht op de bemonstering en de analyses omvat en dat is gecertificeerd overeenkomstig ISO 9001 of ISO 9002, of

—het betreft een laboratorium met officiële GLP-erkenning (GLP = goede laboratoriumpraktijk).

Metingen van de emissies in water dienen te worden verricht op ongefilterde monsters waarin nog geen bezinking is opgetreden. De monsterneming geschiedt hetzij na de zuivering in de fabriek, hetzij op het punt waar het afvalwater in het openbare rioleringssysteem wordt geloosd alvorens in een openbare waterzuiveringsinstallatie te worden behandeld. In laatstgenoemd geval worden de bovenstrooms van de openbare waterzuiveringsinstallatie gemeten waarden verminderd met een factor die overeenstemt met het gemiddelde zuiveringspercentage in die installatie. De hoeveelheden die worden gemeten in het water dat de fabriek binnenkomt, mogen van de hoeveelheden die bij het proces vrijkomen en via het afvalwater van de fabriek worden geëmitteerd, worden afgetrokken.

De COD wordt gemeten in overeenstemming met ISO 6060, 2e editie, 1989.

De AOX wordt gemeten in overeenstemming met ISO 9562.

Andere testmethoden zijn aanvaardbaar indien de gelijkwaardigheid daarvan door de bevoegde instantie die de aanvraag beoordeelt, wordt erkend (bijvoorbeeld indien de gelijkwaardigheid wordt gestaafd aan de hand van een ijkkromme waarbij een significantieniveau van 95 % wordt gehanteerd).

De AOX-concentraties worden gemeten bij processen waarbij chloorverbindingen worden gebruikt voor het bleken van de pulp. Dit betekent dat een AOX-meting niet nodig is

—in het effluent van niet-geïntegreerde papierproductie;

—in de effluenten van pulpproductie zonder bleken;

—in die gevallen waarin het bleken met behulp van chloorvrije stoffen geschiedt.

Zwaveloxiden

De aanvrager moet een balans verstrekken van de uitstoot van zwavelverbindingen in de lucht. Deze balans moet alle emissies omvatten die plaatsvinden bij de productie van pulp en papier, met uitzondering van die welke ontstaan bij de productie van elektriciteit. De metingen moeten omvatten: terugwinningsinstallaties, kalkovens, stoomketels en verbrandingsovens voor sterk riekende gassen, als die beschikbaar zijn. Ook met diffuse emissies moet rekening worden gehouden.

Kooldioxide

De aanvrager moet een balans verstrekken van de uitstoot van kooldioxide in de lucht. Deze balans moet alle bronnen van niet-hernieuwbare brandstoffen omvatten waarvan bij de productie van pulp en papier gebruik werd gemaakt, met inbegrip van de uitstoot in samenhang met de productie van de netstroom. Bij de berekening van de CO2, fossiel-uitstoot van brandstoffen moeten de in tabel 2 gegeven emissiefactoren worden gebruikt.



Tabel 2

CO2, fossiel-equivalenten van niet-hernieuwbare brandstoffen

Brandstof

CO2, fossiel-uitstoot

Eenheid

Steenkool

95

g CO2, fossiel/MJ

Ruwe aardolie

73

g CO2, fossiel/MJ

Stookolie 1

74

g CO2, fossiel/MJ

Stookolie 2-5

77

g CO2, fossiel/MJ

Benzine

69

g CO2, fossiel/MJ

Aardgas

56

g CO2, fossiel/MJ

Netstroom (1)

400

g CO2, fossiel/MJ

(1)Europees gemiddelde.

Voor de netstroom moet voor alle bedrijfslocaties binnen de Europese Unie de in de tabel gegeven waarde worden gebruikt. Voor locaties buiten de Europese Unie kan de aanvrager documentatie overleggen waarin de gemiddelde waarde voor zijn elektriciteitsleverancier(s) wordt gegeven, en kan hij deze gemiddelde waarde in plaats van de in de tabel genoemde waarde gebruiken.

Bosbeheer zie criterium 3.

Gevaarlijke chemische stoffen

De aanvrager moet een verklaring van iedere pulpleverancier overleggen dat er aan het bleken van de pulp geen chloorgas te pas is gekomen.

De aanvrager moet een verklaring van iedere pulpleverancier overleggen dat er aan het ontinktingsproces geen alkylfenolethoxylaten of andere alkylfenolderivaten te pas zijn gekomen.

De aanvrager moet een lijst verstrekken van de producten die bij de papierproductie werden gebruikt om het eindproduct de juiste natsterkte te geven. Op deze lijst moeten de merknaam van het product, de gebruiksdoeleinden alsook de naam, het adres en het telefoonnummer van de leverancier worden vermeld. Naast deze lijst moet de aanvrager een verklaring indienen betreffende het gehalte aan gechloreerde organische stoffen, zoals epichloorhydrine (ECH), 1,3-dichloor-2-propanol (DCP) en 3-monochloor-1,2-propaandiol (MCPD), die als gevaarlijk voor het milieu of voor de gezondheid zijn ingedeeld uit hoofde van Richtlijn 67/548/EEG.

Afvalbeheer zie criterium 5.

Productveiligheid

De producent van tissuepapier dient een document over te leggen met de testresultaten betreffende het gehalte aan formaldehyd, glyoxal, PCB's, slijmwerende stoffen, antimicrobiële stoffen, kleurstoffen en witmakers in het gebruiksklare tissuepapier.



Tabel 3

In criterium 6 bedoelde amines

Amine

CAS-nummer

4-aminoazobenzeen

60-09-3

o-anisidine

90-04-0

4-aminodifenyl

92-67-1

benzidine

92-87-5

4-chloor-o-toluidine

95-69-2

2-naftylamine

91-59-8

o-amino-azotolueen

97-56-3

2-amino-4-nitrotolueen

99-55-8

p-chlooraniline

106-47-8

2,4-diaminoanisol

615-05-4

4,4′-diaminodifenylmethaan

101-77-9

3,3′-dichloorbenzidine

91-94-1

3,3′-dimethoxybenzidine

119-90-4

3,3′-dimethylbenzidine

119-93-7

3,3′-dimethyl-4,4′-diaminodifenylmethaan

838-88-0

p-cresidine

120-71-8

4,4′-methyleenbis(2-chlooraniline)

101-14-4

4,4′-oxydianiline

101-80-4

4,4′-thiodianiline

139-65-1

o-toluidine

95-53-4

2,4-diaminotolueen

95-80-7

2,4,5-trimethylaniline

137-17-7

2,4-xylidine

95-68-1

4,6-xylidine

87-62-7

Geschiktheid voor gebruik

De aanvrager moet aantonen dat het product geschikt is voor gebruik. Het bewijsmateriaal mag gegevens omvatten die met passende ISO- of CEN-testmethoden werden verkregen, maar mag eveneens de resultaten van nationale of in de fabriek uitgevoerde proeven omvatten. Bij de aanvraag moeten de gebruikte testprocedures nader worden toegelicht.



(1) PB L 237 van 21.9.2000, blz. 1.

(2) PB L 19 van 24.1.1998, blz. 77.

(3) PB L 155 van 28.6.2000, blz. 63.

(4) Onder gerecycleerde vezels wordt verstaan vezels verkregen uit gebruikte papierproducten of papierafval van de diverse afwerkingsstadia overeenkomstig de classificatie in de „European list of standard grades of recovered paper and board” (CEPI, februari 1999). Uitval van papierfabrieken wordt niet als gerecycleerde vezels aangemerkt.

(5) PB L 196 van 16.8.1967, blz. 1.

(6) PB L 136 van 8.6.2000, blz. 90.

(7) Zoals omschreven door de regelgevende instanties die bevoegd zijn voor de pulp- en papierproductie-installaties in kwestie.