Home

Richtlijn 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen

Richtlijn 97/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1997 betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen

1997L0024 — NL — 28.03.2006 — 004.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN 97/24/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 juni 1997

betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen

(PB L 226, 18.8.1997, p.1)

Gewijzigd bij:


Gerectificeerd bij:




▼B

RICHTLIJN 97/24/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 juni 1997

betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (3) en gezien de op 4 februari 1997 door het Bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst,

(1)

Overwegende dat maatregelen moeten worden vastgesteld om de goede werking van de interne markt te verzekeren;

(2)

Overwegende dat in elke lidstaat voertuigen op twee of drie wielen voor wat betreft de onderdelen en de eigenschappen als bedoeld in deze richtlijn bepaalde technische kenmerken moeten vertonen die zijn vastgelegd in dwingende voorschriften welke van lidstaat tot lidstaat verschillen; dat deze verschillen het handelsverkeer binnen de Gemeenschap belemmeren; dat deze belemmeringen voor de werking van de interne markt kunnen worden opgeheven indien alle lidstaten dezelfde voorschriften aannemen ter vervanging van de nationale regelgeving;

(3)

Overwegende dat het noodzakelijk is geharmoniseerde voorschriften voor deze onderdelen en eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen vast te stellen om voor elk type van de genoemde voertuigen de goedkeuringsprocedures van Richtlijn 92/61/EEC van de Raad van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen (4) te kunnen toepassen;

(4)

Overwegende dat het, om de toegang tot de markt van derde landen te vergemakkelijken, noodzakelijk is ervoor te zorgen dat de voorschriften van de hoofdstukken 1 (luchtbanden), 2 (verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen), 4 (achteruitkijkspiegels) en 11 (veiligheidsgordels) van de bijlage van deze richtlijn gelijkwaardig zijn aan die van de reglementen van de ECE van de UNO nrs. 30, 54, 64 en 75 inzake luchtbanden, nrs. 3, 19, 20, 37, 38, 50, 56, 57, 72 en 82 inzake verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen, nr. 81 inzake achteruitkijkspiegels en nr. 16 inzake veiligheidsgordels;

(5)

Overwegende dat het voor wat betreft de aspecten van de milieubescherming, namelijk de luchtvervuiling en de geluidshinder, noodzakelijk is ernaar te streven het milieu permanent te verbeteren; dat hiertoe de vastgestelde grenswaarden voor verontreinigende stoffen en het geluidsniveau, die zo spoedig mogelijk moeten worden toegepast, in een later stadium moeten worden aangescherpt; dat deze aanscherping in een later stadium alleen kan worden vastgesteld aan de hand van uit te voeren of voort te zetten studies en onderzoek naar beschikbare of denkbare technologische mogelijkheden en aan de hand van analyses van de kosten-batenverhouding daarvan om een productie op industriële schaal van voertuigen die aan de strengere grenswaarden kunnen voldoen, mogelijk te maken; dat de beslissing voor deze aanscherping in een later stadium minstens drie jaar vóór de datum van vankrachtwording door het Europees Parlement en de Raad moet worden genomen om de industrie in de gelegenheid te stellen de noodzakelijke maatregelen te nemen zodat hun productie op de vastgestelde datum kan voldoen aan de nieuwe communautaire bepalingen; dat het besluit van het Europees Parlement en de Raad gebaseerd moet zijn op voorstellen die de Commissie te zijner tijd zal voorleggen;

(6)

Overwegende dat op grond van de bepalingen van Richtlijn 92/61/EEG betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen de onder die richtlijn vallende onderdelen en eigenschappen niet in de lidstaten in de handel mogen worden gebracht en verkocht, tenzij zij voldoen aan de bepalingen van die richtlijn; dat de lidstaten alle nodige maatregelen moeten treffen om ervoor te zorgen dat aan de uit die richtlijn voortvloeiende verplichtingen wordt voldaan;

(7)

Overwegende dat de lidstaten het in de handel brengen van voertuigen die reeds voldoen aan de op Gemeenschapsniveau vastgestelde voorschriften op het gebied van de milieuverontreiniging en geluidshinder, door middel van fiscale stimuleringsmaatregelen moeten kunnen bevorderen;

(8)

Overwegende dat er voor de meetmethoden voor de immuniteit van voertuigen en afzonderlijke technische eenheden voor elektromagnetische straling om de naleving van de voorschriften inzake de elektromagnetische compatibiliteit te controleren (hoofdstuk 8) ingewikkelde en kostbare apparatuur nodig is; dat hem, om de lidstaten in de gelegenheid te stellen deze apparatuur te installeren, noodzakelijk is de toepassing van deze meethethoden tot drie jaar na de vankrachtwording van deze richtlijn uit te stellen;

(9)

Overwegende dat, vanwege de omvang en de gevolgen van het overwogen optreden in de betrokken sector, met deze richtlijn beoogde communautaire maatregelen noodzakelijk en zelfs onontbeerlijk zijn om het gestelde doel te bereiken, namelijk de communautaire goedkeuring per type voertuig, en dat dit niet voldoende door de lidstaten afzonderlijk kan worden verwezenlijkt;

(10)

Overwegende dat de technische vooruitgang een snelle aanpassing van de in de bijlage van deze richtlijn vermelde technische voorschriften noodzakelijk maakt; dat, met uitzondering van de grenswaarden voor de verontreinigende stoffen en het geluidsniveau, deze taak aan de Commissie dient te worden toevertrouwd teneinde de procedure te vereenvoudigen en te bespoedigen; dat het dienstig is om in alle gevallen waarin het Europees Parlement en de Raad de Commissie bevoegdheden verlenen met het oog op de uitvoering van in de sector motorvoertuigen op twee en drie wielen vastgestelde voorschriften, in een procedure voor voorafgaand overleg tussen de Commissie en de lidstaten in het kader van een comité te voorzien;

(11)

Overwegende dat de veiligheids- en milieu-eisen beperkingen impliceren op het opvoeren van sommige voertuigen op twee of drie wielen; dat, om het onderhoud en het gebruik van het voertuig door zijn eigenaar niet te belemmeren, dergelijke beperkingen uitsluitend moeten gelden voor het zodanig opvoeren van het voertuig dat zijn prestaties aanzienlijk worden gewijzigd, alsmede de door het voertuig veroorzaakte geluidshinder en milieuverontreiniging;

(12)

Overwegende dat lidstaten de registratie of het gebruik van voertuigen die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, niet mogen weigeren; dat de voorschriften van deze richtlijn er niet toe mogen leiden dat de lidstaten die niet toestaan dat op hun grondgebied aanhangwagens getrokken worden door twee- of driewielige motorvoertuigen, verplicht worden tot wijziging van hun regelgeving,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



Artikel 1

Deze richtlijn en haar bijlage zijn van toepassing op:

—luchtbanden,

—verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen,

—uitstekende delen,

—achteruitkijkspiegels,

—maatregelen tegen luchtverontreiniging,

—brandstoftanks,

—maatregelen tegen opvoeren,

—de elektromagnetische compatibiliteit,

—het toelaatbare geluidsniveau en de uitlaatinrichting,

—koppelinrichtingen en bevestigingen,

—bevestigingspunten voor veiligheidsgordels en veiligheidsgordels, en

—ruiten, ruitenwissers, ruitensproeiers en ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen

van alle typen voertuigen gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 92/61/EEG.

Artikel 2

Binnen een periode van drie jaar na de in artikel 8, lid 1, derde alinea, bedoelde datum voert de Commissie een diepgaande studie uit teneinde te kunnen vaststellen of de maatregelen tegen het opvoeren van voertuigen, met name die van de categorieën voertuigen A en B van hoofdstuk 7 van de bijlage van deze richtlijn, kunnen worden beschouwd als passend, inadequaat of te extreem in het licht van de gestelde doeleinden. Op basis van de uitkomst van de studie stelt de Commissie, indien nodig, nieuwe wettelijke maatregelen voor.

Artikel 3

1. De goedkeuringsprocedures voor luchtbanden, verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen, achteruitkijkspiegels, brandstoftanks, uitlaatinrichtingen, veiligheidsgordels en ruiten van een type motorvoertuig op twee of drie wielen en de typegoedkeuring van een luchtband, verlichtings- en lichtsignaalinrichting, achteruitkijkspiegel, brandstoftank, uitlaatinrichting, veiligheidsgordel en ruit als onderdeel, alsmede de voorwaarden voor het vrije verkeer van deze voertuigen en voor het vrij in de handel brengen van onderdelen zijn die welke zijn vastgelegd in Richtlijn 92/61/EEG, respectievelijk in de hoofdstukken II en III.

2. De goedkeuringsprocedure voor wat betreft de uitstekende delen, de maatregelen tegen luchtverontreiniging, de maatregelen tegen opvoeren, de elektromagnetische compatibiliteit, het toelaatbare geluidsniveau, de koppelinrichtingen voor aanhangwagens en de bevestigingspunten van zijspanwagens, de bevestigingspunten van veiligheidsgordels, de ruitenwissers en de ruitensproeiers en de ontdooiings- en ontwasemingsinrichtingen van een type motorvoertuig op twee of drie wielen, alsmede de voorwaarden voor het vrije verkeer van deze voertuigen zijn die welke zijn vastgelegd in Richtlijn 92/61/EEG, respectievelijk in de hoofdstukken II en III.

Artikel 4

1. Overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 92/61/EEG wordt de gelijkwaardigheid erkend van de voorschriften van de hoofdstukken 1 (luchtbanden), 2 (verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen), 4 (achteruitkijkspiegels) en 11 (veiligheidsgordels) van de bijlage van deze richtlijn met die van de meest recente versie van de reglementen van de ECE van de UNO nrs 30 (5), 54 (6), 64 (7) en 75 (8) wat betreft luchtbanden, nrs. 3 (9), 19 (10), 20 (11), 37 (12), 38 (13), 50 (14), 56 (15), 57 (16), 72 (17) en 82 (18) wat betreft de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen, nr. 81 (19) wat betreft de achteruitkijkspiegels en nr. 16 (20) wat betreft de veiligheidsgordels, in de versies die van toepassing zijn op de datum van aanneming van deze richtlijn.

In verband met de in de eerste alinea bedoelde gelijkwaardigheid zijn de installatievoorschriften van de hoofdstukken 1 en 11 tevens van toepassing op conform de overeenkomstige reglementen van de ECE van de ONU goedgekeurde inrichtingen.

2. De instanties in de lidstaten die de goedkeuring verlenen, aanvaarden die overeenkomstig de voorschriften van de bovengenoemde reglementen verleende goedkeuringen en de goedkeuringsmerktekens in plaats van de overeenkomstige goedkeuringen en goedkeuringsmerktekens die krachtens de voorschriften van deze richtlijn worden verleend.

Artikel 5

1. De Commissie dient binnen 24 maanden, te rekenen vanaf de datum van aanneming van deze richtlijn bij het Europees Parlement en bij de Raad een voorstel in op basis van het onderzoek naar en de beoordeling van de kosten en baten van de toepassing van de aangescherpte grenswaarden, waarbij de periode wordt vastgesteld waarin maatregelen worden genomen voor de aanscherping van de grenswaarden voor milieuverontreiniging en geluidshinder veroorzaakt door de betrokken voertuigen, vastgesteld in respectievelijk hoofdstuk 5, bijlage II, tabellen I en II, en in hoofdstuk 9, bijlage I. In haar voorstel houdt de Commissie rekening met en beoordeelt zij de kosten-batenverhouding van de verschillende maatregelen voor de terugdringing van de vervuiling en stelt zij maatregelen voor die in verhouding staan tot het beoogde doel en die in verband hiermee redelijk zijn.

2. Bij het in lid 1 bedoelde besluit van het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie dat tegen 1 januari 2001 moet worden aangenomen, zal rekening worden gehouden met de noodzaak andere elementen in deze maatregelen op te nemen dan alleen de aangescherpte grenswaarden. Er zal samen met belanghebbende partijen, zoals industrie, gebruikers en consumenten- en andere organisaties, een beoordeling worden gemaakt van de kosten en de baten van de toepassing van de in dit besluit bedoelde maatregelen en deze maatregelen zullen redelijk zijn en in de juiste verhouding staan tot de beoogde doelstellingen.

Artikel 6

1. De lidstaten mogen alleen fiscale stimuleringsmaatregelen treffen voor motorvoertuigen die voldoen aan de maatregelen tegen luchtverontreiniging en geluidshinder die zijn vastgesteld in deze richtlijn, respectievelijk in hoofdstuk 5, bijlage I, punt 2.2.1.1.3, en bijlage II, tabellen I en II, en in hoofstuk 9, bijlage I.

2. De in lid 1 bedoelde maatregelen dienen in overeenstemming te zijn met de bepalingen van het Verdrag en te voldoen aan de volgende voorwaarden:

—zij moeten gelden voor alle nieuwe voertuigen die in een lidstaat in de handel worden gebracht en die vervroegd aan de in lid 1 bedoelde voorschriften van deze richtlijn voldoen;

—zij vervallen met de verplichte toepassing van maatregelen bedoeld in lid 1;

—zij moeten voor elk type motorvoertuig een bedrag vertegenwoordigen dat lager ligt dan de extra kosten van de technische oplossingen die zijn ingevoerd om aan de vastgestelde waarden te voldoen, en van de installatie daarvan op het voertuig.

3. De Commissie moet tijdig in kennis worden gesteld van het voornemen om fiscale stimuleringsmaatregelen als bedoeld in lid 1 in te stellen of te wijzigen, zodat zij haar opmerkingen kan maken.

Artikel 7

De wijzigingen die noodzakelijk zijn om

—rekening te houden met de wijzigingen in de in artikel 4 bedoelde reglementen van de ECE van de UNO,

—de bijlage aan te passen aan de technische vooruitgang — met uitzondering van grenswaarden in verband met de luchtverontreiniging en de geluidshinder, respectievelijk genoemd in hoofdstuk 5, bijlage I, punt 2.2.1.1.3, en bijlage II, tabellen I en II, en in hoofdstuk 9, bijlage I,

moeten overeenkomstig de procedure van artikel 13 van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (21) worden vastgesteld.

Artikel 8

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuurrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 18 december 1998 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Met ingang van de in de eerste alinea genoemde datum mogen de lidstaten het in het verkeer brengen van voertuigen die aan de voorschriften van deze richtlijn of aan bepaalde hoofdstukken daarvan voldoen, niet meer verbieden.

Zij passen deze voorschriften met ingang van 17 juni 1999 toe.

De toepassing van bepaalde voorschriften van de hoofdstukken 5, 8 en 9 wordt echter opgeschort overeenkomstig de bijzondere vermeldingen in voornoemde hoofdstukken.

2. Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 9

1. Vanaf de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt, wordt Richtlijn 80/780/EEG van de Raad van 22 juli 1980 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende achteruitkijkspiegels van tweewielige motorvoertuigen met of zonder zijspan en de bevestiging ervan op deze voertuigen (22) ingetrokken.

2. Onderdelen waarvoor typegoedkeuring volgens bijlage I van de in lid 1 genoemde richtlijn is verleend, kunnen echter gebruikt blijven worden.

3. Richtlijn 78/1015/EEG van de Raad van 23 november 1978 betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorrijwielen (23) wordt ingetrokken op de in artikel 8, lid 1, eerste alinea, genoemde datum.

4. Tot de in artikel 8, lid 1, eerste alinea, genoemde datum kunnen typegoedkeuringen volgens Richtlijn 78/1015/EEG worden verleend voor de goedkeuring van voertuigen die vallen onder Richtlijn 92/61/EEG. Voor het geluidsniveau gelden de grenswaarden van bijlage I, ►C3 punt 2.1.1, van Richtlijn 78/1015/EEG.

Voor het in het verkeer brengen van deze voertuigen is dus artikel 15, lid 4, onder c), van Richtlijn 92/61/EEG van toepassing.

5. Vanaf de inwerkingtreding van deze richtlijn zijn de bepalingen van Richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit (24) niet meer van toepassing op voertuigen die onder deze richtlijn vallen.

Artikel 10

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 11

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.




HOOFDSTUK 1

LUCHTBANDEN VAN MOTORVOERTUIGEN OP TWEE OF DRIE WIELEN EN DE MONTAGE DAARVAN



LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE I

Administratieve bepalingen voor de goedkeuring van een type band …

Aanhangsel 1

Inlichtingenformulier voor een type band, bedoeld voor motorvoertuigen op twee of drie wielen …

Aanhangsel 2

Goedkeuringscertificaat voor een type band, bedoeld voor motorvoertuigen op twee of drie wielen …

BIJLAGE II

Definities, opschriften en voorschriften …

Aanhangsel 1

Verklarende figuur …

Aanhangsel 2

Plaatsing van de opschriften op de band …

Aanhangsel 3

Lijst van belastingsindices en overeenkomstige toelaatbare maximummassa …

Aanhangsel 4

Opschriften en afmetingen van bepaalde typen banden …

Aanhangsel 5

Meetmethode voor de bandenmaten …

Aanhangsel 6

Werkwijze voor belasting/snelheidproeven …

Aanhangsel 7

Snelheidsafhankelijke variatie in draagvermogen …

Aanhangsel 8

Methode voor het bepalen van de dynamische expansie van de banden …

BIJLAGE III

Eisen voor voertuigen met betrekking tot de montage van banden …

Aanhangsel 1

Inlichtingenformulier voor wat betreft de montage van banden op een type motorvoertuig op twee of drie wielen …

Aanhangsel 2

Goedkeuringscertificaat voor wat betreft de montage van banden op een type motorvoertuig op twee of drie wielen …




BIJLAGE I

ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN VOOR DE GOEDKEURING VAN EEN TYPE BAND

1. GOEDKEURINGSAANVRAAG

1.1.

In de goedkeuringsaanvraag moet het type band worden aangegeven waarop het goedkeuringsmerk zal worden aangebracht.

1.2.

Voor elk type band moeten in deze aanvraag voorts de volgende gegevens worden verstrekt:

1.2.1.

de aanduiding van de bandenmaat, zoals deze in punt 1.16 van bijlage II is omschreven,

1.2.2.

het fabrieks- of handelsmerk,

1.2.3.

de gebruikscategorie: normale, speciale, winter- of bromfietsband,

1.2.4.

de structuur van de band (diagonaal, diagonaal-gordel, radiaal),

1.2.5.

het teken dat de snelheidscategorie aangeeft,

1.2.6.

de belastingsindex,

1.2.7.

of de band bedoeld is voor gebruik met of zonder binnenband,

1.2.8.

of het een „normale” dan wel een „versterkte” band betreft,

1.2.9.

het „ply-rating”-getal voor afgeleiden van motorfietsen,

1.2.10.

de buitenmaten: totale sectiebreedte en buitendiameter,

1.2.11.

de velgen waarop de band kan worden gemonteerd,

1.2.12.

de meetvelg en de proefvelg,

1.2.13.

de proefdruk en de meetdruk,

1.2.14.

de in punt 1.19 van bijlage II vermelde coëfficiënt x,

1.2.15.

voor banden, die zijn gekenmerkt met de lettercode „V” in de maataanduiding en die geschikt zijn voor snelheden van meer dan 240 km/h, en voor banden, die zijn gekenmerkt met de lettercode „Z” in de maataanduiding en die geschikt zijn voor snelheden van meer dan 270 km/h: de door de bandenfabrikant toegestane maximumsnelheid en het draagvermogen dat voor die maximumsnelheid is toegestaan. De toegestane maximumsnelheid en het bijbehorende draagvermogen worden vermeld in het goedkeuringscertificaat (aanhangsel 2 van deze bijlage).

1.3.

De goedkeuringsaanvraag moet bovendien vergezeld gaan van tekeningen of foto's in drievoud, waarop het loopvlakpatroon en de contour van de opgepompte, op de meetvelg gemonteerde band met de verschillende afmetingen (zie punten 3.1.1 en 3.1.2 van bijlage II) van de goed te keuren band te zien zijn. Voorts moet hij vergezeld gaan van het keuringsrapport van een goedgekeurd keuringslaboratorium of van twee exemplaren van het bandtype, naar keuze van de bevoegde instantie.

1.4.

De fabrikant van de band mag verzoeken de EG-goedkeuring van een bandtype uit te breiden tot andere types gewijzigde banden.

1.5.

Deze richtlijn is niet van toepassing op nieuwe banden die alleen zijn ontworpen voor terreingebruik en de aanduiding „NHS” (not for highway service) dragen, of voor wedstrijden.

2. OPSCHRIFTEN

Op exemplaren van een bandtype waarvoor de goedkeuring wordt aangevraagd, moet het fabrieks- of handelsmerk van de aanvrager duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn aangebracht en moet voldoende ruimte zijn om het goedkeuringsmerk aan te brengen.

3. GOEDKEURINGSMERK

Op elke band die overeenkomt met een krachtens deze richtlijn goedgekeurd type moet het goedkeuringsmerk zijn aangebracht dat is afgebeeld in bijlage V van Richtlijn 92/61/EEG van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen op twee of drie wielen.

De waarde „a”, die de afmetingen bepaalt van de rechthoek en de cijfers en letters waaruit het merkteken bestaat, mag niet kleiner dan 2 mm zijn.

4. WIJZIGING VAN EEN BANDTYPE

4.1.

Bij wijziging van het loopvlakpatroon van een band behoeven de in bijlage II voorgeschreven proeven niet opnieuw te worden verricht.




Aanhangsel 1

image




Aanhangsel 2

image




BIJLAGE II

DEFINITIES, OPSCHRIFTEN EN VOORSCHRIFTEN

1. DEFINITIES

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1.1.

„type band”: banden die onderling geen verschillen vertonen voor wat betreft:

1.1.1.

het fabrieks- of handelsmerk;

1.1.2.

de aanduiding van de bandenmaat;

1.1.3.

de gebruikscategorie (normaal: banden voor normaal gebruik op de weg; speciaal: banden voor speciaal gebruik, b.v. banden die zowel op de weg als in het terrein worden gebruikt; winterbanden; bromfietsbanden);

1.1.4.

de structuur (diagonaal, diagonaal-gordel, radiaal);

1.1.5.

het symbool van de snelheidscategorie;

1.1.6.

de belastingsindex;

1.1.7.

de afmetingen van het profiel van de dwarsdoorsnede, wanneer de band is gemonteerd op een gespecificeerde velg;

1.2.

„bandstructuur”: de technische kenmerken van het karkas van een band. Men onderscheidt met name de volgende structuren:

1.2.1.

„diagonaal”: een bandstructuur waarbij de koorden in de koordlagen zich tot de hiel uitstrekken en zodanig zijn gericht dat zij afwisselend hoeken vormen die aanmerkelijk kleiner zijn dan 90o ten opzichte van de mediaanlijn van het loopvlak;

1.2.2.

„diagonaal-gordel”: een bandstructuur met diagonale constructie waarin het karkas is bevestigd door een gordel, die uit twee of meer koordlagen bestaat die volstrekt onrekbaar zijn en kruiselings over elkaar liggen onder een hoek die bijna overeenstemt met die van het karkas;

1.2.3.

„radiaal”: een bandstructuur waarbij de koorden in de koordlagen zich tot de hiel uitstrekken en zodanig zijn gericht dat zij een hoek vormen die nagenoeg gelijk is aan 90o ten opzichte van de mediaanlijn van het loopvlak en waarvan het karkas wordt verstevigd door een volstrekt onrekbare gordel die de hele omtrek beslaat;

1.2.4.

„versterkt”: een bandstructuur waarbij het karkas sterker is dan dat van de overeenkomstige normale band;

1.3.

„hiel”: het deel van de band waarvan de vorm en de structuur het mogelijk maken dat de band in de velg past en hierin vast blijft zitten; (25);

1.4.

„koord”: de draden die de weefsels vormen van de koordlagen in de luchtband (25) ;

1.5.

„koordlaag”: een laag onderling evenwijdige koorden die met rubber zijn bekleed (25) ;

1.6.

„karkas”: het deel van de band buiten het loopvlak en de zijwanden (wangen) dat, als de band is opgepompt, de belasting draagt (25) ;

1.7.

„loopvlak”: het deel van de band dat met het wegdek in aanraking komt (25) ;

1.8.

„zijwand of wang”: het deel van de band tussen het loopvlak en het deel dat door de velgrand zal worden bedekt (25) ;

1.9.

„loopvlakgroef”: de ruimte tussen twee aangrenzende ribben of nokken van het loopvlakpatroon (25) ;

1.10.

„hoofdgroeven”: de brede groeven die zich in het centrale gedeelte van het loopvlak bevinden;

1.11.

„sectiebreedte (S)”: de afstand in rechte lijn tussen de buitenkant van de zijwanden van een opgepompte band, exclusief het reliëf gevormd door de opschriften, de versieringen en de stootranden (26);

1.12.

„totale breedte”: de afstand in rechte lijn tussen de buitenkant van de zijwanden van een opgepompte band met inbegrip van de opschriften, de versieringen en de stootranden (26) ; bij banden waarvan de breedte van het loopvlak groter is dan de sectiebreedte, komt de totale breedte overeen met de breedte van het loopvlak;

1.13.

„sectiehoogte (H)”: de afstand die gelijk is aan de helft van het verschil tussen de buitendiameter van de band en de nominale velgdiameter (26) ;

1.14.

„nominale hoogte-breedteverhouding (Ra)”: het honderdvoud van het getal dat wordt verkregen bij deling van de sectiehoogte (H) door de nominale sectiebreedte (S1), waarbij beide maten in dezelfde meeteenheid worden uitgedrukt;

1.15.

„buitendiameter (D)”: de totale diameter van de opgepompte nieuwe band (26) ;

1.16.

„aanduiding van de bandenmaat”: een aanduiding die het volgende omvat:

1.16.1.

de nominale sectiebreedte (S1) (uitgedrukt in mm, behalve bij bandtypen waarvan de aanduiding van de bandenmaat in de eerste kolom van de tabellen in aanhangsel 4 bij deze bijlage is vermeld);

1.16.2.

de nominale hoogte-breedte-verhouding (Ra), behalve bij bepaalde bandtypen waarvan de aanduiding van de bandenmaat in de eerste kolom van de tabellen in aanhangsel 4 bij deze bijlage is vermeld;

1.16.3.

een conventioneel getal (d) dat de nominale velgdiameter aangeeft en overeenkomt met die diameter, hetzij in code (getallen lager dan 100), hetzij in millimeter (getallen hoger dan 100).

1.16.3.1.

de waarden in millimeter van het symbool (d), uitgedrukt in code, zijn in de onderstaande tabel aangegeven:



Code „d” uitgedrukt in 1 of 2 cijfers die de nominale velgdiameter aangeven

Equivalent in mm

4

102

5

127

6

152

7

178

8

203

9

229

10

254

11

279

12

305

13

330

14

356

15

381

16

406

17

432

18

457

19

483

20

508

21

533

22

559

23

584

1.17.

„nominale velgdiameter (d)”: de diameter van de velg waarop een band volgens ontwerp moet worden gemonteerd (27);

1.18.

„velg”: steun voor buiten- en binnenband of voor een band zonder binnenband waarop de hielen van de band drukken (27) ;

1.19.

„theoretische velg”: de fictieve velg waarvan de breedte gelijk zou zijn aan x maal de nominale sectiebreedte van een band. De waarde van x moet door de bandenfabrikant worden aangegeven;

1.20.

„meetvelg”: de velg waarop de band moet worden gemonteerd om de metingen betreffende de maten te verrichten;

1.21.

„proefvelg”: de velg waarop de band moet worden gemonteerd om de proeven uit te voeren;

1.22.

„afscheuren”: het scheiden van stukjes rubber van het loopvlak;

1.23.

„separatie van de koorden”: het scheiden van de koorden van de omgevende bekleding;

1.24.

„separatie van de koordlagen”: het onderling loslaten van de koordlagen;

1.25.

„separatie van het loopvlak”: het scheiden van het loopvlak van het karkas;

1.26.

„belastingsindex”: een getal dat is verbonden met de maximale toelaatbare belasting die een band kan dragen bij de snelheid die overeenkomt met de opgegeven snelheidscategorie onder de door de fabrikant aangegeven bedrijfsomstandigheden. De lijst met indices en bijbehorende belastingen is in aanhangsel 3 bij deze bijlage opgenomen;

1.27.

„tabel snelheidsafhankelijke variatie in draagvermogen”: de tabel in aanhangsel 7 bij deze bijlage, waarin als functie van de belastingsindices en het draagvermogen bij nominale snelheid de belastingsvariaties zijn vermeld van een band die wordt gebruikt bij andere snelheden dan die welke bij de aangegeven nominale snelheidscategorie horen;

1.28.

„snelheidscategorie”:

1.28.1.

de door het symbool van de snelheidscategorie aangegeven snelheid, zoals weergegeven in punt 1.28.2;

1.28.2.

de snelheidscategorieën zijn die welke in de volgende tabel zijn aangegeven:



Symbool van de snelheidscategorie

Overeenkomstige snelheid

(km/h)

B

50

F

80

G

90

J

100

K

110

L

120

M

130

N

140

P

150

Q

160

R

170

S

180

T

190

U

200

H

210

V

240

W

270

1.28.3.

banden voor maximumsnelheden van meer dan 240 km/h moeten worden aangeduid met de letters „V” of „Z”; deze letters moeten worden aangebracht in de aanduiding van de bandenmaat, vóór de aanduiding van de bandstructuur;

1.29.

„winterband”: banden waarbij het loopvlakpatroon en de structuur in de eerste plaats zijn afgestemd op een beter gedrag in modder en verse of smeltende sneeuw dan bij normale banden. Het loopvlakpatroon wordt bij winterbanden doorgaans hierdoor gekenmerkt dat de groeven en/of de massieve vlakken (nokken) verder van elkaar liggen dan bij normale banden;

1.30.

„MST” (multiservice tyre): banden met verschillende gebruiksmogelijkheden, d.w.z. banden die zowel voor gebruik op de weg als in het terrein geschikt zijn;

1.31.

„maximumdraagvermogen”: de toelaatbare maximummassa die de band kan dragen;

1.31.1.

bij snelheden tot 130 km/h mag het maximumdraagvermogen niet hoger zijn dan het percentage van de waarde die is verbonden met de belastingsindex van de bijbehorende band, zoals aangegeven in de tabel „snelheidsafhankelijke variatie in draagvermogen” (zie punt 1.27), afhankelijk van het symbool van de snelheidscategorie van de band en de snelheid die het voertuig waarop de banden zijn gemonteerd kan bereiken;

1.31.2.

bij snelheden van meer dan 130 km/h maar maximaal 210 km/h mag het maximumdraagvermogen niet hoger liggen dan de aan de belastingsindex van de band gekoppelde waarde van de massa;

1.31.3.

bij banden, ontwerpen voor een snelheid van meer dan 210 km/h, maar maximaal 270 km/h, mag het maximumdraagvermogen niet hoger zijn dan het aan de belastingsindex van de band gekoppelde percentage van de massa, zoals in onderstaande tabel gerelateerd aan het symbool van de snelheidscategorie van de band en de door het ontwerp bepaalde maximumsnelheid van het voertuig waarop de band moet worden gemonteerd.



Maximumsnelheid

(km/h) (1)

Maximumdraagvermogen

(%)

Snelheidscategorie V

Snelheidscategorie W (3)

210

100

100

220

95

100

230

90

100

240

85

100

250

(80) (2)

95

260

(75) (2)

85

270

(70) (2)

75

(1)Voor tussenliggende snelheden is lineaire interpolatie van het maximumdraagvermogen toegestaan.

(2)Geldt alleen voor banden met de lettercode „V” in de maataanduiding, tot de door de fabrikant opgegeven maximumsnelheid (zie punt 1.2.15 van bijlage I).

(3)Geldt tevens voor banden met de lettercode „Z” in de maataanduiding.

1.31.4.

bij snelheden van meer dan 270 km/h mag het draagvermogen niet hoger liggen dan de door de fabrikant opgegeven massa, gerelateerd aan het snelheidsvermogen van de band.

Bij snelheden tussen 270 km/h en de door de bandenfabrikant toegestane maximumsnelheid geldt lineaire interpolatie van het draagvermogen;

1.32.

„bromfietsband”: een voor bromfietsen ontworpen band;

1.33.

„motorfietsband”: een hoofdzakelijk voor motorfietsen ontworpen band;

1.34.

„afrolomtrek” (Cr): de theoretische afstand die het middelpunt van het wiel van een voertuig aflegt bij een volledige omwenteling van de band kan worden berekend m.b.v. de volgende formule:

Cr = f × D, waarin

D de buitendiameter van de band overeenkomstig de bandenmaataanduiding als bedoeld in punt 3.1.2 is,

f

=

3,02 bij banden waarvan de code voor de velgdiameter groter dan of gelijk is aan 13,

3,03 bij radiaalbanden waarvan de code voor de velgdiameter kleiner dan of gelijk is aan 12,

2,99 bij diagonaalbanden of diagonaal-gordelbanden, waarvan de code voor de velgdiameter kleiner dan of gelijk is aan 12.

2. OPSCHRIFTEN

2.1.

Op de banden moeten op tenminste één zijwand de volgende aanduidingen voorkomen:

2.1.1.

het fabrieks- of handelsmerk;

2.1.2.

de aanduiding van de bandenmaat, zoals omschreven in punt 1.16;

2.1.3.

de aanduiding van de bandenstructuur:

2.1.3.1.

op diagonaalbanden, ofwel geen aanduiding ofwel de letter „D” gevolgd door de code van de velgdiameter,

2.1.3.2.

op diagonaal-gordelbanden, de letter „B”, gevolgd door de code van de velgdiameter en, facultatief, de woorden „BIAS-BELTED”,

2.1.3.3.

op radiaalbanden, de letter „R”, gevolgd door de code van de velgdiameter en, facultatief, het woord „RADIAL”;

2.1.4.

de snelheidscategorie waartoe de band behoort, door middel van het in punt 1.28.2 aangegeven symbool;

2.1.5.

de belastingsindex zoals omschreven in punt 1.26;

2.1.6.

het woord „TUBELESS” wanneer het een band betreft die is ontworpen om zonder binnenband te worden gebruikt;

2.1.7.

het woord „REINFORCED” of „REINF” wanneer het een versterkte band betreft;

2.1.8.

de fabricagedatum, bestaande uit een groep van drie cijfers, waarvan de eerste twee de week en het laatste het jaar aangeven. Dit opschrift behoeft slechts op één zijwand te staan;

2.1.9.

de letters„M +S” of „M.S” of „M & S” indien het een winterband betreft;

2.1.10.

de letters „MST” wanneer het een band met verschillende gebruiksmogelijkheden betreft;

2.1.11.

de aanduiding „MOPED”, „CICLOMOTORE” of „CYCLOMOTEUR” wanneer het een bromfietsband betreft;

2.1.12.

banden voor snelheden van meer dan 240 km/h moeten gekenmerkt worden met de lettercode „V” of „Z”, naar gelang van het geval (zie punt 1.31.3) in de bandenmaataanduiding, gevolgd door de aanduiding van de structuur (zie punt 2.1.3);

2.1.13.

op banden voor snelheden van meer dan 240 km/h (respectievelijk 270 km/h) moet tussen haakjes de bij een snelheid van meer dan 210 km/h (respectievelijk 240 km/h) geldende belastingsindex (zie punt 2.1.5) staan, alsmede het referentiesymbool van de snelheidscategorie (zie punt 2.1.4), als volgt:

—„V” bij banden met de lettercode „V” in de maataanduiding;

—„W” bij banden met de lettercode „W” in de maataanduiding.

2.2.

In aanhangsel 2 wordt een schematisch voorbeeld van de opschriften op de band gegeven.

2.3.

De in punt 2.1 vermelde opschriften en het in punt 3 van de bijlage I voorgeschreven goedkeuringsmerk moeten in reliëf in of op de banden worden aangebracht. Ze moeten duidelijk leesbaar zijn.

3. VOORSCHRIFTEN VOOR BANDEN

3.1. Afmetingen van de banden

3.1.1.

Sectiebreedte

3.1.1.1.

De sectiebreedte wordt berekend door middel van de volgende formule:

S = S1 + K (A − A1).

Hierin is:

S

=

sectiebreedte, uitgedrukt in mm, gemeten op de meetvelg;

S1

=

nominale sectiebreedte in mm zoals vermeld op de zijwand van de band in de bandenmaataanduiding;

A

=

breedte van de meetvelg, uitgedrukt in mm, zoals door de fabrikant aangegeven in de technische beschrijving;

A1

=

breedte van de theoretische velg, uitgedrukt in mm.

A1 wordt geacht gelijk te zijn aan S1 vermenigvuldigd met de factor x, zoals opgegeven door de bandenfabrikant; K wordt geacht gelijk te zijn aan 0,4.

3.1.1.2.

Bij de typen banden waarvan de maataanduiding voorkomt in de eerste kolom van de tabellen in aanhangsel 4 bij bijlage II zijn de sectiebreedte (S1) en de breedte van de theoretische velg (A1) echter die welke tegenover de bandenmaataanduiding in die tabellen is aangegeven.

3.1.2.

Buitendiameter van een band

3.1.2.1.

De buitendiameter van een band wordt berekend door middel van de volgende formule:

D = d + 2H

Hierin is:

D

=

de buitendiameter, uitgedrukt in mm;

d

=

de nominale velgdiameter, uitgedrukt in mm;

H

=

de nominale sectiehoogte;

H = S1 × 0,01 Ra, waarin

S1

=

de nominale sectiebreedte;

Ra

=

de nominale h/b-verhouding;

zoals vermeld op de zijwand van de band in de bandaanduiding overeenkomstig de voorschriften van punt 2.1.3.

3.1.2.2.

Bij de typen banden waarvan de maataanduiding voorkomt in de eerste kolom van de tabellen in aanhangsel 4 bij deze bijlage is de buitendiameter echter die welke tegenover de aanduiding van de bandenmaat in die tabellen is aangegeven.

3.1.3.

Meetmethode voor bandenmaten

De afmetingen van banden moeten worden gemeten zoals beschreven in aanhangsel 5 bij deze bijlage.

3.1.4.

Specificaties betreffende de sectiebreedte van de band

3.1.4.1.

De totale breedte van de band mag kleiner zijn dan de sectiebreedte S, zoals bepaald overeenkomstig punt 3.1.1.

3.1.4.2.

Zij mag deze waarde overschrijden tot de in aanhangsel 4 bij deze bijlage aangegeven waarde of, voor bandenmaataanduidingen die niet in aanhangsel 4 bij deze bijlage zijn vermeld, met de volgende percentages:

3.1.4.2.1.

bij bromfietsbanden en banden voor motorfietsen (banden voor normaal weggebruik en winterbanden):

+ 10 % bij een velgdiametercode van 13 of hoger;

+ 8 % bij een velgdiametercode van 12 of lager,

3.1.4.2.2.

bij MST's die voor beperkt gebruik op de weg geschikt zijn en waarop het symbool MST is vermeld: + 25 %.

3.1.5.

Specificaties betreffende de buitendiameter van de band

3.1.5.1.

De buitendiameter van de band mag niet buiten de in aanhangsel 4 bij deze bijlage vermelde minimum- en maximumwaarde van de diameter vallen.

3.1.5.2.

Wanneer de aanduiding van de bandenmaat niet in aanhangsel 4 bij deze bijlage is vermeld, mag de buitendiameter van de band niet vallen buiten de minimum- en maximumwaarden van de diameter die met behulp van de volgende formules worden berekend:

Dmin = d + (2H × a)

Dmax = d + (2H × b)

waarin H en d zijn als omschreven in punt 3.1.2.1 en a en b zijn als aangegeven in punt 3.1.5.2.1, respectievelijk punt 3.1.5.2.2.

3.1.5.2.1.

Bij bromfietsbanden, banden voor normaal weggebruik en winterbanden



a

velgdiameter ≥ 13

0,97

velgdiameter ≤ 12

0,93

Bij MST's

1,00

3.1.5.2.2.

Bij bromfietsbanden en banden voor motorfietsen voor normaal weggebruik



b

velgdiameter ≥ 13

1,07

velgdiameter ≤ 12

1,10

Bij winterbanden en MST's

1,12

3.2. Belasting/snelheidproef

3.2.1.

De band moet de belasting/snelheidproef ondergaan op de wijze die in aanhangsel 6 bij deze bijlage is beschreven.

3.2.1.1.

Indien een goedkeuringsaanvraag is ingediend voor een band met de lettercode „V” in de bandenmaataanduiding die geschikt is voor snelheden van meer dan 240 km/h, of voor een band met de lettercode „Z” in de bandenmaataanduiding die geschikt is voor snelheden van meer dan 270 km/h (zie punt 1.2.15 van bijlage I), wordt de belasting/snelheidproef met één band verricht bij de belastings- en snelheidsomstandigheden die tussen haakjes op de band zijn vermeld (zie punt 2.1.13). Daarnaast moet met een andere band van hetzelfde type een belasting/snelheidproef worden verricht bij de door de fabrikant opgegeven maximale belastings- en snelheidsomstandigheden, indien van toepassing.

3.2.2.

Op een band die met succes de belasting/snelheidproef heeft ondergaan mag nergens separatie van het loopvlak, de koordlagen en de koorden voorkomen en mag ook nergens een deel van het loopvlak zijn afgescheurd of een koord gebroken.

3.2.3.

De buitendiameter van de band, gemeten tenminste zes uur na de belasting/snelheidproef, mag ten opzichte van de vóór de proef gemeten buitendiameter geen groter verschil vertonen dan ± 3,5 %.

3.2.4.

De totale breedte van de band, gemeten aan het eind van de belasting/snelheidproef, mag de in punt 3.1.4.2 vermelde waarde niet overschrijden.

3.3. Dynamische expansie van de banden

De in punt 1.1 van aanhangsel 8 van bijlage II vermelde banden, die met succes de in punt 3.2 vereiste belasting/snelheidproeven hebben ondergaan, moeten worden onderworpen aan een dynamische expansieproef die wordt verricht op de in dat aanhangsel beschreven wijze.

3.4.

Wanneer een bandenfabrikant een assortiment banden vervaardigt, is het niet nodig elk type band uit het assortiment een belasting/snelheidproef en een dynamische expansieproef te laten ondergaan. Het wordt aan de voor de goedkeuring verantwoordelijke bevoegde instanties overgelaten het ongunstigste geval te selecteren.

3.5.

Bij wijziging van het loopvlakpatroon van een band hoeven de in de punten 3.2 en 3.3 beschreven proeven niet opnieuw te worden verricht.

3.6.

Uitbreidingen van de goedkeuring voor banden met de lettercode „V” in de bandenmaataanduiding die geschikt zijn voor snelheden van meer dan 240 km/h, en banden met de lettercode „Z” in de bandenmaataanduiding die geschikt zijn voor snelheden van meer dan 270 km/h, met het oog op certificatie voor andere maximumsnelheden en/of -belastingen, zijn toegestaan, mits de technische dienst die belast is met de proeven een nieuw keuringsrapport in verband met de nieuwe waarden van de maximumsnelheid en het maximumdraagvermogen verstrekt. De nieuwe belasting/snelheidscombinaties waarvoor de banden geschikt blijken, moeten in aanhangsel 2 van bijlage I worden aangegeven.




Aanhangsel 1

image

Verklarende figuur

(zie punt 1 van deze bijlage)




Aanhangsel 2

Plaatsing van de opschriften op de band

Voorbeeld van de opschriften die op goedgekeurde bandtypen moeten voorkomen

image



b

100/80 B 18

53 S

TUBELESS M + S

013

Deze opschriften betekenen dat het hier een band betreft:

—met nominale sectiebreedte 100;

—met nominale h/b-verhouding 80;

—met diagonaal-gordelstructuur (B);

—met een velgdiameter van 457 mm, waarvan de code 18 is;

—met een draagvermogen van 206 kg overeenkomend met de belastingsindex 53 (zie lijst in aanhangsel 3);

—die behoort tot de snelheidscategorie S (maximale snelheid 180 km/h);

—die kan worden gemonteerd zonder binnenband (tubeless);

—van het type winterband (M + S);

—die is gefabriceerd in de eerste week (01) van het jaar 1993 (3).

De opschriften die samen de bandaanduiding vormen, moeten zijn aangebracht op de volgende plaats en in de onderstaande volgorde:

a)de bandenmaataanduiding, omvattende de nominale sectiebreedte, de nominale h/b-verhouding, het symbool van het structuurtype, in voorkomend geval, en de nominale velgdiameter moet zijn gegroepeerd zoals in bovenstaand voorbeeld: 100/80 B 18;

b)de belastingsindex en het symbool van de snelheidscategorie moeten samen zijn aangebracht in de nabijheid van de bandenmaataanduiding. Zij moeten voor of na die aanduiding dan wel erboven of eronder zijn aangebracht;

c)de aanduidingen „TUBELESS”, „REINFORCED” of „REINF”, „M + S”, „M.S.” of „M & S”, „MST” en/of „MOPED”, „CICLOMOTORE” of „CYCLOMOTEUR” mogen zijn aangebracht op een zekere afstand van de maataanduiding;

d)bij banden die geschikt zijn voor snelheden van meer dan 240 km/h, moet, naar gelang van het geval, de lettercode „V” dan wel „Z” worden aangebracht vóór het symbool van de structuur (b.v. 140/60ZR18). De referentie-belastingsindex en het referentiesymbool van de snelheidscategorie moeten tussen haakjes worden geplaatst (zie punt 2.1.13 van bijlage II).




Aanhangsel 3

Lijst van belastingsindices en overeenkomstige toelaatbare maximummassa

A

=

belastingsindex

B

=

overeenkomstige maximummassa (kg)



A

B

0

45

1

46,2

2

47,5

3

48,7

4

50

5

51,5

6

53

7

54,5

8

56

9

58

10

60

11

61,5

12

63

13

65

14

67

15

69

16

71

17

73

18

75

19

77,5

20

80

21

82,5

22

85

23

87,5

24

90

25

92,5

26

95

27

97,5

28

100

29

103

30

106

31

109

32

112

33

115

34

118

35

121

36

125

37

128

38

132

39

136

40

140

41

145

42

150

43

155

44

160

45

165

46

170

47

175

48

180

49

185

50

190

51

195

52

200

53

206

54

212

55

218

56

224

57

230

58

236

59

243

60

250

61

257

62

265

63

272

64

280

65

290

66

300

67

307

68

315

69

325

70

335

71

345

72

355

73

365

74

375

75

387

76

400

77

412

78

425

79

437

80

450

81

462

82

475

83

487

84

500

85

515

86

530

87

545

88

560

89

580

90

600

91

615

92

630

93

650

94

670

95

690

96

710

97

730

98

750

99

775

100

800

101

825

102

850

103

875

104

900

105

925

106

950

107

975

108

1 000

109

1 030

110

1 060

111

1 090

112

1 120

113

1 150

114

1 180

115

1 215

116

1 250

117

1 285

118

1 320

119

1 360

120

1 400




Aanhangsel 4

Opschriften en afmetingen van bepaalde typen banden

(Zie bijlage II, punten 3.1.1.2, 3.1.2.2, 3.1.4.2 en 3.1.5.1)



TABEL 1 A

Banden voor bromfietsen

Aanduidingen en velgdiameter tot code 12

Maataanduiding

Breedte van de theoretische velg

(code)

(A1)

Totale diameter (mm)

Nominale sectiebreedte

(S1)

(mm)

Maximale totale breedte (mm)

Dmin

D

Dmax

2 —12

1.35

413

417

426

55

59

2¼—12

1.50

425

431

441

62

67

2½— 8

1.75

339

345

356

70

76

2½— 9

1.75

365

371

382

70

76

2¾— 9

1.75

375

381

393

73

79

3 —10

2.10

412

418

431

84

91

3 —12

2.10

463

469

482

84

91



TABEL 1 B

Banden voor motorfietsen

Aanduidingen en velgdiameter tot code 12

Maataanduiding

Breedte van de theoretische velg

(code)

(A1)

Totale diameter (mm)

Nominale sectiebreedte

(S1)

(mm)

Maximale totale breedte (mm)

Dmin

D

Dmax

2.50— 8

1.50

328

338

352

65

70

2.50— 9

354

364

378

2.50—10

379

389

403

2.50—12

430

440

451

2.75— 8

1.75

338

348

363

71

77

2.75— 9

364

374

383

2.75—10

389

399

408

2.75—12

440

450

462

3.00— 4

2.10

241

251

264

80

86

3.00— 5

266

276

291

3.00— 6

291

301

314

3.00— 7

317

327

342

3.00— 8

352

362

378

3.00— 9

378

388

401

3.00—10

403

413

422

3.00—12

454

464

473

3.25— 8

2.50

362

372

386

88

95

3.25— 9

388

398

412

3.25—10

414

424

441

3.25—12

465

475

492

3.50— 4

2.50

264

274

291

92

99

3.50— 5

289

299

316

3.50— 6

314

324

341

3.50— 7

340

350

367

3.50— 8

376

386

397

3.50— 9

402

412

430

3.50—10

427

437

448

3.50—12

478

488

506

4.00— 5

2.50

314

326

346

105

113

4.00— 6

339

351

368

4.00— 7

365

377

394

4.00— 8

401

415

427

4.00—10

452

466

478

4.00—12

505

517

538

4.50— 6

3.00

364

376

398

120

130

4.50— 7

390

402

424

4.50— 8

430

442

464

4.50— 9

456

468

490

4.50—10

481

493

515

4.50—12

532

544

568

5.00— 8

3.50

453

465

481

134

145

5.00—10

504

516

532

5.00—12

555

567

583

6.00— 6

4.00

424

436

464

154

166

6.00— 7

450

462

490

6.00— 8

494

506

534

6.00— 9

520

532

562



TABEL 2

Bromfietsbanden en banden voor motorfietsen

Normale doorsnede

Maataanduiding

Breedte van de theoretische velg

(code)

(A1)

Totale diameter (mm)

Nominale sectiebreedte (S1)

(mm)

Maximale totale breedte (mm)

Dmin

D

Dmax(1)

Dmax(2)

(1)

(2)

1¾—19

1.20

582

589

597

605

50

54

58

2 —14

1.35

461

468

477

484

55

58

63

2 —15

486

493

501

509

2 —16

511

518

526

534

2 —17

537

544

552

560

2 —18

562

569

577

585

2 —19

588

595

603

611

2 —20

613

620

628

636

2 —21

638

645

653

661

2 —22

663

670

680

686

2¼—14

1.50

474

482

492

500

62

66

71

2¼—15

499

507

517

525

2¼—16

524

532

540

550

2¼—17

550

558

566

576

2¼—18

575

583

591

601

2¼—19

601

609

617

627

2¼—20

626

634

642

652

2¼—21

651

659

667

677

2¼—22

677

685

695

703

2½—14

1.60

489

498

508

520

68

72

78

2½—15

514

523

533

545

2½—16

539

548

558

570

2½—17

565

574

584

596

2½—18

590

599

609

621

2½—19

616

625

635

647

2½—20

641

650

660

672

2½—21

666

675

685

697

2½—22

692

701

711

723

2¾—14

1.85

499

508

518

530

75

80

86

2¾—15

524

533

545

555

2¾—16

549

558

568

580

2¾—17

575

584

594

606

2¾—18

600

609

621

631

2¾—19

626

635

645

657

2¾—20

651

660

670

682

2¾—21

676

685

695

707

2¾—22

702

711

721

733

3 —16

1.85

560

570

582

594

81

86

93

3 —17

586

596

608

620

3 —18

611

621

633

645

3 —19

637

647

659

671

3¼—16

2.15

575

586

598

614

89

94

102

3¼—17

601

612

624

640

3¼—18

626

637

651

665

3¼—19

652

663

675

691

(1)Banden voor normaal weggebruik.

(2)Banden voor speciaal gebruik en winterbanden.



TABEL 3

Banden voor motorfietsen

Normale doorsnede

Maataanduiding

Breedte van de theoretische velg

(code)

(A1)

Totale diameter (mm)

Nominale sectiebreedte

(S1)

(mm)

Maximale totale breedte (mm)

Dmin

D

Dmax(1)

Dmax(2)

(3)

(4)

(5)

2.00—14

1.20

460

466

478

52

57

60

65

2.00—15

485

491

503

2.00—16

510

516

528

2.00—17

536

542

554

2.00—18

561

567

579

2.00—19

587

593

605

2.25—14

1.60

474

480

492

496

61

67

70

75

2.25—15

499

505

517

521

2.25—16

524

530

542

546

2.25—17

550

556

568

572

2.25—18

575

581

593

597

2.25—19

601

607

619

623

2.50—14

1.60

486

492

506

508

65

72

75

79

2.50—15

511

517

531

533

2.50—16

536

542

556

558

2.50—17

562

568

582

584

2.50—18

587

593

607

609

2.50—19

613

619

633

635

2.50—21

663

669

683

685

2.75—14

1.85

505

512

524

530

75

83

86

91

2.75—15

530

537

549

555

2.75—16

555

562

574

580

2.75—17

581

588

600

606

2.75—18

606

613

625

631

2.75—19

632

639

651

657

2.75—21

682

689

701

707

3.00—14

1.85

519

526

540

546

80

88

92

97

3.00—15

546

551

565

571

3.00—16

569

576

590

596

3.00—17

595

602

616

622

3.00—18

618

627

641

647

3.00—19

644

653

667

673

3.00—21

694

703

717

723

3.00—23

747

754

768

774

3.25—14

2.15

531

538

552

560

89

98

102

108

3.25—15

556

563

577

585

3.25—16

581

588

602

610

3.25—17

607

614

628

636

3.25—18

630

639

653

661

3.25—19

656

665

679

687

3.25—21

708

715

729

737

3.50—14

2.15

539

548

564

572

93

102

107

113

3.50—15

564

573

589

597

3.50—16

591

598

614

622

3.50—17

617

624

640

648

3.50—18

640

649

665

673

3.50—19

666

675

691

699

3.50—21

716

725

741

749

3.75—16

2.15

601

610

626

634

99

109

114

121

3.75—17

627

636

652

660

3.75—18

652

661

677

685

3.75—19

678

687

703

711

4.00—16

2.50

611

620

638

646

108

119

124

130

4.00—17

637

646

664

672

4.00—18

662

671

689

697

4.00—19

688

697

715

723

4.25—16

2.50

623

632

650

660

112

123

129

137

4.25—17

649

658

676

686

4.25—18

674

683

701

711

4.25—19

700

709

727

737

4.50—16

2.75

631

640

658

665

123

135

141

142

4.50—17

657

666

684

694

4.50—18

684

691

709

719

4.50—19

707

717

734

745

5.00—16

3.00

657

666

686

698

129

142

148

157

5.00—17

683

692

710

724

5.00—18

708

717

735

749

5.00—19

734

743

761

775

(1)Banden voor normaal weggebruik.

(2)Banden voor speciaal gebruik en winterbanden.

(3)Banden voor normaal weggebruik tot en met de snelheidscategorie P.

(4)Banden voor normaal weggebruik boven de snelheidscategorie P en winterbanden.

(5)Banden voor speciaal gebruik.



TABEL 4

Banden voor motorfietsen

Lage doorsnede

Maataanduiding

Breedte van de theoretische velg

(code)

(A1)

Totale diameter (mm)

Nominale sectiebreedte

(S1)

(mm)

Maximale totale breedte (mm)

Dmin

D

Dmax(1)

Dmax(2)

(3)

(4)

(5)

3.60—18

2.15

605

615

628

633

93

102

108

113

3.60—19

631

641

653

658

4.10—18

2.50

629

641

654

663

108

119

124

130

4.10—19

655

667

679

688

5.10—16

3.00

615

625

643

651

129

142

150

157

5.10—17

641

651

670

677

5.10—18

666

676

694

702

4.25/85—18

2.50

649

659

673

683

112

123

129

137

4.60—16

2.75

594

604

619

628

117

129

136

142

4.60—17

619

630

642

654

4.60—18

644

654

670

678

(1)Banden voor normaal weggebruik.

(2)Banden voor speciaal gebruik en winterbanden.

(3)Banden voor normaal weggebruik tot en met de snelheidscategorie P.

(4)Banden voor normaal weggebruik boven de snelheidscategorie P en winterbanden.

(5)Banden voor speciaal gebruik.



TABEL 5

Banden voor afgeleiden van motorfietsen

Maataanduiding

Breedte van de theoretische velg

(code)

(A1)

Totale diameter (mm)

Nominale sectiebreedte

(S1)

(mm)

Maximale totale breedte (mm)

Dmin

D

Dmax

3.00— 8C

2.10

359

369

379

80

86

3.00—10C

410

420

430

3.00—12C

459

471

479

3.50— 8C

2.50

376

386

401

92

99

3.50—10C

427

437

452

3.50—12C

478

488

513

4.00— 8C

3.00

405

415

427

108

117

4.00—10C

456

466

478

4.00—12C

507

517

529

4.50— 8C

3.50

429

439

453

125

135

4.50—10C

480

490

504

4.50—12C

531

541

555

5.00— 8C

3.50

455

465

481

134

145

5.00—10C

506

516

532

5.00—12C

555

567

581



TABEL 6

Lagedrukbanden voor motorfietsen

Maataanduiding

Breedte van de theoretische velg

(code)

(A1)

Totale diameter (mm)

Nominale sectiebreedte

(S1)

(mm)

Maximale totale breedte (mm)

Dmin

D

Dmax

5.4— 6

4.00

373

379

395

135

146

5.4—10

474

481

497

5.4—12

525

532

547

5.4—14

576

582

598

5.4—16

626

633

649

6.7—10

5.00

532

541

561

170

184

6.7—12

583

592

612

6.7—14

633

642

662



TABEL 7

Banden voor motorfietsen

Aanduidingen en afmetingen van Amerikaanse banden

Maataanduiding

Breedte van de theoretische velg

(code)

(A1)

Totale diameter (mm)

Nominale sectiebreedte

(S1)

(mm)

Maximale totale breedte (mm)

Dmin

D

Dmax

MH90—21

1.85

682

686

700

80

89

MJ90 —18

2.15

620

625

640

89

99

MJ90 —19

2.15

645

650

665

ML90 —18

2.15

629

634

650

93

103

ML90 —19

2.15

654

659

675

MM90—19

2.15

663

669

685

95

106

MN90—18

2.15

656

662

681

104

116

MP90 —18

2.15

667

673

692

108

120

MR90 —18

2.15

680

687

708

114

127

MS90 —17

2.50

660

667

688

121

134

MT90 —16

3.00

642

650

672

130

144

MT90 —17

3.00

668

675

697

MU90—15M/C

3.50

634

642

665

142

158

MU90—16

3.50

659

667

690

MV90 —15M/C

3.50

643

651

675

150

172

MP85 —18

2.15

654

660

679

108

120

MR85 —16

2.15

617

623

643

114

127

MS85 —18

2.50

675

682

702

121

134

MT85 —18

3.00

681

688

709

130

144

MV85 —15M/C

3.50

627

635

658

150

172




Aanhangsel 5

Meetmethode voor de afmetingen van de banden

1.

De band wordt gemonteerd op de meetvelg en opgepompt tot de spanning (28) die door de fabrikant is aangegeven.

2.

Gedurende tenminste 24 uur wordt de op de velg gemonteerde band aangepast aan de omgevingstemperatuur van het laboratorium.

3.

De spanning wordt bijgeregeld tot de in punt 1 aangegeven waarde.

4.

Met een passer wordt op zes gelijkmatig verspreide punten de totale breedte gemeten, rekening houdend met de dikte van de stootranden; de totale breedte is de grootste gemeten waarde.

5.

De buitendiameter wordt bepaald door de grootste omtrek te meten en deze waarde te delen door π (3,1416).




Aanhangsel 6

Werkwijze voor belasting/snelheidproeven

1. VOORBEREIDING VAN DE BAND

1.1.

Een nieuwe band wordt gemonteerd op de proefvelg die is aangegeven door de fabrikant.

1.2.

De band wordt opgepompt tot de passende spanning die is vermeld in onderstaande tabel:



BANDSPANNING VOOR DE PROEVEN

Bandtype

Snelheidscategorie

Spanning

bar

kPa

BROMFIETSEN

Normaal

B

2,25

225

Versterkt

B

3,00

300

MOTORFIETSEN

Normaal

F, G, J, K

2,50

250

L, M, N, P

2,50

250

Q, R, S

3,00

300

T, U, H, V (1)

3,50

350

Versterkt

F, G, J, K, L, M, N, P

3,30

330

Q, R, S, T, U, H

3,90

390

AFGELEIDEN VAN MOTORFIETSEN

4PR

F, G, J, K, L, M

3,70

370

6PR

4,50

450

8PR

5,20

520

(1)Voor snelheden van meer dan 240 km/uur bedraagt de spanning tijdens de proef 3,20 bar (320 kPa).

De overige bandtypen worden opgepompt tot de door de bandenfabrikant opgegeven spanning.

1.3.

De fabrikant kan, voor zover hij dit rechtvaardigt, vragen een andere bandenspanning voor de proeven toe te passen dan die welke in punt 1.2 worden genoemd. In dat geval wordt de band tot die spanning opgepompt (zie punt 1.2.13 in bijlage I).

1.4.

Gedurende ten minste drie uur worden band en wiel aangepast aan de omgevingstemperatuur in de testruimte.

1.5.

De bandspanning wordt bijgeregeld tot de in punt 1.2 of 1.3 aangegeven waarde.

2. UITVOERING VAN DE PROEF

2.1.

Band en wiel worden op een proefas gemonteerd en het geheel wordt aangedrukt tegen het buitenoppervlak van een effen proefwiel met een diameter van 1,70 m ± 1 % of 2 m ± 1 %.

2.2.

Op de proefas wordt een belasting aangebracht die gelijk is aan 65 % van:

2.2.1.

het draagvermogen dat overeenkomt met de belastingsindex van de band met de aanduiding van de snelheidscategorie tot en met „H”,

2.2.2.

het draagvermogen bij een maximumsnelheid van 240 km/h voor wat betreft banden met de aanduiding van de snelheidscategorie „V” (zie punt 1.31.3 van bijlage II),

2.2.3.

het draagvermogen bij een maximumsnelheid van 270 km/h voor wat betreft banden met de aanduiding van de snelheidscategorie „W” (zie punt 1.31.3 van bijlage II),

2.2.4.

het draagvermogen bij de door de bandenfabrikant opgegeven maximumsnelheid voor banden die geschikt zijn voor snelheden van meer dan 240 km/h (of, in voorkomend geval, 270 km/h) (zie punt 3.2.1.1).

2.2.5.

bij bromfietsbanden (snelheidscategoriesymbool B) bedraagt de proefbelasting 65 % bij een proefwiel van 1,7 m diameter en 67 % bij een proefwiel van 2,0 m diameter.

2.3.

Zolang de proef duurt wordt de bandspanning niet gecorrigeerd en blijft de proefbelasting constant.

2.4.

Tijdens de proef moet de temperatuur in de testruimte tussen 20 en 30 oC worden gehandhaafd, of hoger indien de fabrikant daarmee instemt.

2.5.

De proef wordt zonder onderbreking uitgevoerd overeenkomstig onderstaande aanduidingen:

2.5.1.

tijd om van snelheid 0 de beginsnelheid van de proef te bereiken: 20 minuten;

2.5.2.

beginsnelheid van de proef: voor het bandtype voorgeschreven maximumsnelheid verminderd met 40 km/h bij het proefwiel met een diameter van 1,7 m of verminderd met 30 km/h bij het proefwiel met een diameter van 2 m;

2.5.2.1.

in het geval van banden die geschikt zijn voor snelheden hoger dan 240 km/h wordt voor banden met de lettercode „V” in de maataanduiding (of 270 km/h voor banden met de lettercode „Z” in de maataanduiding) bij de tweede test de door de bandenfabrikant opgegeven maximumsnelheid als maximumsnelheid gehanteerd (zie punt 1.2.15 van bijlage I);

2.5.3.

achtereenvolgende snelheidsverhogingen: 10 km/h;

2.5.4.

duur van de proef bij elk snelheidsniveau: 10 minuten;

2.5.5.

totale duur van de proef: 1 uur;

2.5.6.

maximale snelheid van de proef: voor het bandtype voorgeschreven maximumsnelheid verminderd met 10 km/h bij het proefwiel met een diameter van 1,7 of gelijk aan de voorgeschreven maximumsnelheid bij het proefwiel met een diameter van 2 m.

2.5.7.

Bij bromfietsbanden (snelheidscategoriesymbool B) bedraagt de proefsnelheid 50 km/h, de tijd om van snelheid 0 een snelheid van 50 km/h te bereiken 10 minuten, de periode van constante snelheid 30 minuten, zodat de totale proef 40 minuten duurt.

2.6.

Wanneer er een tweede proef wordt verricht om de uiterste mogelijkheden van banden die geschikt zijn voor snelheden van meer dan 240 km/h na te gaan, is de werkwijze echter als volgt:

2.6.1.

twintig minuten om van snelheid nul de beginsnelheid van de proef te bereiken,

2.6.2.

twintig minuten op de beginsnelheid van de proef,

2.6.3.

tien minuten om de maximumsnelheid van de proef te bereiken,

2.6.4.

vijf minuten op de maximumsnelheid van de proef.

3. GELIJKWAARDIGE PROEFMETHODEN

Als een andere dan de in punt 2 beschreven methode wordt toegepast, moet de gelijkwaardigheid daarvan worden aangetoond.




Aanhangsel 7

Snelheidsafhankelijke variatie in draagvermogen



Snelheid

(km/h)

Variatie in draagvermogen (%)

Bromfiets

Code velgdiameter ≤ 12

Code velgdiameter ≥ 13

Symbool van de snelheidscategorie

Symbool van de snelheidscategorie

B

J

K

L

J

K

L

M

N

P en hoger

30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

50

0

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

+ 30

60

+ 23

+ 23

+ 23

+ 23

+ 23

+ 23

+ 23

+ 23

+ 23

70

+ 16

+ 16

+ 16

+ 16

+ 16

+ 16

+ 16

+ 16

+ 16

80

+ 10

+ 10

+ 10

+ 10

+ 10

+ 10

+ 10

+ 10

+ 14

90

+ 5

+ 5

+ 7,5

+ 5

+ 5

+ 7,5

+ 7,5

+ 7,5

+ 12

100

0

0

+ 5

0

0

+ 5

+ 5

+ 5

+ 10

110

− 7

0

+ 2,5

0

+ 2,5

+ 2,5

+ 2,5

+ 8

120

− 15

− 6

0

0

0

0

+ 6

130

− 25

− 12

− 5

0

0

+ 4

140

0

0




Aanhangsel 8

Methode voor het bepalen van de dynamische expansie van banden

1. DOEL EN TOEPASSINGSGEBIED

1.1.

Deze proefmethode is van toepassing op nieuwe banden voor motorfietsen van de in punt 3.4.1 aangegeven typen.

1.2.

De methode heeft ten doel de maximale expansie van de band te bepalen onder invloed van de middelpuntvliedende kracht bij de toelaatbare maximumsnelheid.

2. BESCHRIJVING VAN DE WERKWIJZE

2.1.

De proefas en de velg moeten gecontroleerd worden om vast te stellen dat de radiale eccentriciteit kleiner is dan ± 0,5 mm en de zijdelingse afwijking kleiner is dan ± 0,5 mm, gemeten aan de buitenzijde van de hielzone van het wiel.

2.2.

Inrichting voor het bepalen van de contour.

De inrichting (fototoestel met projectierooster, schijnwerper en toebehoren) dient om de buitenomtrek van de dwarsdoorsnede van de band afzonderlijk af te beelden of een omgrenzingsprofiel te verkrijgen, loodrecht op de omtreklijn van de band op het punt van de maximale vervorming van het loopvlak.

De door deze inrichting veroorzaakte afwijking moet tot een minimum beperkt worden en er moet voor een (bekende) constante verhouding (K) tussen de afbeelding van de omtrek en de werkelijke afmetingen van de band gezorgd worden.

Met de inrichting kan de contour van de band ten opzichte van de verticaal door het wiel worden bepaald.

3. UITVOERING VAN DE PROEF

3.1.

Tijdens de proef moet de temperatuur in de testruimte tussen 20 oC en 30 oC worden gehouden of een hogere temperatuur wanneer dit aanvaardbaar is voor de bandenfabrikant.

3.2.

De te keuren banden moeten de belasting/snelheidsproef van aanhangsel 6 hebben ondergaan zonder dat zich gebreken vertonen.

3.3.

De te keuren band moet worden gemonteerd op een wiel waarvan de velg overeenstemt met de toepasselijke norm.

3.4.

De bandspanning (proefspanning) moet beantwoorden aan de in punt 3.4.1 voorgeschreven waarden.

3.4.1.

Banden met diagonaalstructuur en met diagonaal-gordelstructuur.



Symbool van de snelheidscategorie

Bandtype

Proefspanning

bar

kPa

P/Q/R/S

normaal

2,50

250

T en hoger

normaal

2,90

290

3.5.

Gedurende ten minste drie uur worden band en wiel aangepast aan de omgevingstemperatuur van de testruimte.

3.6.

Na deze aanpassingsperiode wordt de bandspanning bijgeregeld tot de in punt 3.4.1 voorgeschreven waarde.

3.7.

De combinatie van band en wiel wordt gemonteerd op een proefas en gecontroleerd wordt of deze vrij draait. De band mag aangedreven worden met behulp van een motor die aan de as van de band is gekoppeld of door de band tegen een proeftrommel te drukken.

3.8.

Het geheel wordt ononderbroken in vijf minuten versneld tot de maximumsnelheid van de band is bereikt.

3.9.

De inrichting voor meting van de omtrek wordt opgesteld waarbij erop gelet moet worden dat deze loodrecht op de draairichting van het loopvlak van de te beproeven band staat.

3.10.

Gecontroleerd wordt of de omtreksnelheid van het loopvlak gelijk is aan de maximumsnelheid van de band ± 2 %. Gedurende minstens vijf minuten wordt de snelheid van het geheel constant gehouden, en vervolgens wordt de dwarsdoorsnede van de band in het gebied van de maximale vervorming afgetekend, tenzij wordt vastgesteld dat de band niet buiten het omgrenzingsprofiel valt.

4. BEOORDELING VAN DE RESULTATEN

4.1.

Het omgrenzingsprofiel dat voor de gemonteerde combinatie van band en wiel is voorgeschreven (zie onderstaand voorbeeld).

image

Rekening houdend met de punten 3.1.4 en 3.1.5 van bijlage II, worden de grenswaarden voor het omgrenzingsprofiel als volgt vastgesteld:



Snelheidscategorie van de band

dynH (mm)

Gebruikscategorie „normaal”

Gebruikscategorie „sneeuw en speciaal”

P/Q/R/S

H × 1,10

H × 1,15

T/U/H

H × 1,13

H × 1,18

Meer dan 210 km/h

H × 1,16

4.1.1.

De voornaamste afmetingen van het omgrenzingsprofiel moeten indien nodig worden aangepast om rekening te houden met de constante verhouding K (zie punt 2.2).

4.2.

De bij de maximumsnelheid afgetekende omtrek van de vervormde band mag niet buiten het omgrenzingsprofiel ten opzichte van de assen van de band vallen.

4.3.

De band wordt aan geen enkele andere proef onderworpen.

5. GELIJKWAARDIGE BEPROEVINGSMETHODEN

Als er een andere dan de in punt 2 beschreven methode wordt toegepast, moet de gelijkwaardigheid hiervan worden aangetoond.




BIJLAGE III

EISEN VOOR VOERTUIGEN MET BETREKKING TOT DE MONTAGE VAN BANDEN

1. ALGEMEEN

1.1.

Onverminderd het bepaalde in punt 2 moeten alle banden waarvan een voertuig is voorzien, met inbegrip van reservebanden, goedgekeurd zijn overeenkomstig onderhavige richtlijn.

1.2.

Het monteren van banden

1.2.1.

Alle banden waarvan een voertuig is voorzien moeten uit het oogpunt van punt 1.1.5 van bijlage II identiek zijn.

1.2.2.

Alle op dezelfde as gemonteerde banden moeten van hetzelfde type zijn (zie bijlage II, punt 1.1).

1.2.3.

De fabrikant van het voertuig geeft de aanduidingen van de band(en) aan overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk. Deze band(en) die door de bandenfabrikant is (zijn) vervaardigd met de in de bepalingen van de punten 3.1.4, 3.1.5 en 3.3 van bijlage II vastgestelde maattoleranties moet(en) zich vrij binnen de daarvoor bestemde ruimte kunnen bewegen. Het wiel moet binnen de door de fabrikant van het voertuig opgegeven eisen inzake vering en besturing vrij kunnen bewegen in de wielkast wanneer gebruik wordt gemaakt van de grootste toegelaten maat banden.

1.3.

Draagvermogen

1.3.1.

Het maximumdraagvermogen per band — zoals gedefinieerd in punt 1.31 van bijlage II, en rekening houdend met de voorschriften van aanhangsel 7 van bijlage II — moet minstens gelijk zijn aan:

—bij een enkele band per as de maximaal toelaatbare massa,

—bij twee onafhankelijk gemonteerde banden per as 0,5 maal de maximaal toelaatbare massa,

—bij twee banden per as, twin-gemonteerd, 0,54 maal de maximaal toelaatbare massa,

—bij tweemaal twee banden per as, twin-gemonteerd, 0,27 maal de maximaal toelaatbare massa,

die door de fabrikant van het voertuig is opgegeven voor de as waarvoor de band bestemd is.

1.4.

Snelheidscapaciteit

1.4.1.

Alle banden die gewoonlijk op een voertuig zijn gemonteerd, moeten voorzien zijn van een snelheidscategoriesymbool (zie bijlage II, punt 1.28) dat verenigbaar is met de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig (zoals opgegeven door de fabrikant van het voertuig, met inbegrip van de tolerantie die met het oog op de controle op de overeenstemming van de produktie van de serie is toegestaan) of met de toepasselijke belasting/snelheidscombinatie (zie bijlage II, punt 1.27).

1.4.2.

Dit voorschrift geldt niet: voor voertuigen die gewoonlijk met gewone banden zijn uitgerust en bij gelegenheid met sneeuwbanden of MST's.

In dit geval moet het snelheidscategoriesymbool van de sneeuwbanden of MST's overeenstemmen met een snelheid die ofwel hoger ligt dan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig (zoals opgegeven door de fabrikant) of niet lager is dan 130 km/h (of beide).

Indien de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig (zoals opgegeven door de fabrikant) desondanks hoger is dan de snelheid die overeenstemt met het snelheidscategoriesymbool van de sneeuwbanden of MST's, moet in het voertuig op een voor de bestuurder duidelijk zichtbare plaats een waarschuwingslabel voor de maximumsnelheid zijn aangebracht, waarop de snelheidscapaciteit van de sneeuwbanden is vermeld.

2. SPECIALE GEVALLEN

2.1.

Banden die zijn goedgekeurd overeenkomstig Richtlijn 92/23/EEG mogen ook op de motorfietsen met zijspan, bromfietsen op drie wielen, en drie- en vierwielen worden gemonteerd.

2.2.

Motorfietsbanden mogen tevens op bromfietsen worden gemonteerd.

2.3.

Bij voertuigen waarop banden zijn gemonteerd die wegens bijzondere gebruiksomstandigheden geen banden voor personenauto's of voor bedrijfsauto's zijn (bijvoorbeeld banden voor gebruik in de landbouw, voor industriële vrachtwagens of voor terreinvoertuigen), zijn de voorschriften van bijlage II niet van toepassing, mits ten genoegen van de goedkeuringsinstantie is aangetoond dat de gemonteerde banden geschikt zijn voor de rijomstandigheden van het voertuig.

2.4.

Banden voor bromfietsen met verminderde prestaties, als gedefinieerd in de voetnoot van bijlage I van Richtlijn 92/61/EEG betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen op twee of drie wielen, mogen van een andere type zijn dan die welke onder de bepalingen van dit hoofdstuk vallen vanwege de bijzondere gebruiksomstandigheden, mits de voor de goedkeuring van het voertuig verantwoordelijke bevoegde instantie de verzekering krijgt dat de gemonteerde banden geschikt zijn voor de gebruiksomstandigheden van het voertuig.




Aanhangsel 1

image




Aanhangsel 2

image

►(1) M4




HOOFDSTUK 2

VERLICHTINGS- EN LICHTSIGNAALINRICHTINGEN VAN MOTORVOERTUIGEN OP TWEE OF DRIE WIELEN



LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE I

Algemene voorschriften met betrekking tot de goedkeuring van een type verlichtings- en lichtsignaalinrichting van motorvoertuigen op twee of drie wielen

Aanhangsel 1

Kleuren van de lichten — trichromatische coördinaten …

Aanhangsel 2

Uitgewerkte voorbeelden van goedkeuringsmerken …

BIJLAGE II

Voorschriften met betrekking tot de typegoedkeuring van de breedtelichten, achterlichten, stoplichten, richtingaanwijzers, achterkentekenplaatverlichting, mistlichten voor, mistlichten achter, achteruitrijlichten en retroreflectoren voor motorvoertuigen op twee of drie wielen …

Aanhangsel 1

Horizontale (h) en verticale (v) minimumhoeken van ruimtelijke lichtverdeling

Aanhangsel 2

Fotometrische metingen …

Aanhangsel 3

Fotometrische metingen van de achterkentekenplaatverlichting …

Aanhangsel 4

Inlichtingenformulier …

Aanhangsel 5

Goedkeuringscertificaat …

BIJLAGE III

Voorschriften met betrekking tot de typegoedkeuring van inrichtingen met gloeilampen of halogeengloeilampen die groot- en/of dimlicht uitstralen (koplichten) voor motorvoertuigen op twee of drie wielen …

BIJLAGE III A

Koplichten voor bromfietsen …

Aanhangsel 1

Fotometrische proeven voor koplichten met lampen van de categorieën S3 en S4

Aanhangsel 2

Fotometrische proeven voor koplichten met halogeenlampen van categorie HS2

Aanhangsel 3

Inlichtingenformulier met betrekking tot een type koplicht bestemd voor bromfietsen …

Aanhangsel 4

Goedkeuringscertificaat met betrekking tot een type koplicht bestemd voor bromfietsen …

BIJLAGE III B

Koplichten voor motorfietsen en driewielers die een symmetrische dimlichtbundel en groot licht uitstralen door middel van gloeilampen …

Aanhangsel 1

Fotometrische proeven …

Aanhangsel 2

Stabiliteitsproef voor het fotometrische gedrag van koplichten in werking …

Aanhangsel 3

Voorschriften voor lampen met kunststoflenzen — proeven voor lens- of materiaalmonsters en volledige lichten …

Aanhangsel 4

Inlichtingenformulier met betrekking tot een type koplicht met gloeilampen dat een symmetrische dimlichtbundel en groot licht uitstraalt en dat bestemd is voor motorfietsen en driewielers …

Aanhangsel 5

Goedkeuringscertificaat met betrekking tot een type koplicht met gloeilampen dat een symmetrische dimlichtbundel en groot licht uitstraalt en dat bestemd is voor motorfietsen en driewielers …

BIJLAGE III C

Koplichten voor motorfietsen en driewielers die een asymmetrische dimlichtbundel en groot licht uitstralen door middel van halogeengloeilampen (HS1-lampen) of gloeilampen van categorie R2

Aanhangsel 1

Meetscherm …

Aanhangsel 2

Stabiliteitsproeven voor het fotometrische gedrag van koplichten in werking …

Aanhangsel 3

Voorschriften voor lampen met kunststoflenzen — proeven voor lens- of materiaalmonsters en volledige lichten …

Aanhangsel 4

Inlichtingenformulier met betrekking tot een type koplicht met halogeenlampen (HS1-lampen) of gloeilampen van categorie R2 dat een asymmetrische dimlichtbundel en groot licht uitstraalt en dat bestemd is voor motorvoertuigen op twee of drie wielen …

Aanhangsel 5

Goedkeuringscertificaat met betrekking tot een type koplicht met halogeenlampen (HS1-lampen) of gloeilampen van categorie R2 dat een asymmetrische dimlichtbundel en groot licht uitstraalt en dat bestemd is voor motorvoertuigen op twee of drie wielen …

BIJLAGE III D

Koplichten voor motorfietsen en driewielers die een asymmetrische dimlichtbundel en groot licht uitstralen door middel van andere halogeengloeilampen dan HS1-lampen …

Aanhangsel 1

Meetscherm …

Aanhangsel 2

Stabiliteitsproeven voor het fotometrische gedrag van koplichten in werking …

Aanhangsel 3

Voorschriften voor lampen met kunststoflenzen — proeven voor lens- of materiaalmonsters en volledige lichten …

Aanhangsel 4

Inlichtingenformulier met betrekking tot een type koplicht met halogeengloeilampen dat een asymmetrische dimlichtbundel en groot licht uitstraalt en dat bestemd is voor motorfietsen en driewielers …

Aanhangsel 5

Goedkeuringscertificaat met betrekking tot een type koplicht met halogeengloeilampen dat een asymmetrische dimlichtbundel en groot licht uitstraalt en dat bestemd is voor motorfietsen en driewielers …

BIJLAGE IV

Gloeilampen voor gebruik in goedgekeurde lichten voor bromfietsen, motorfietsen en driewielers …

Aanhangsels 1 tot en met 22

(zie bijlage IV) …

Aanhangsel 23

Voorbeeld van de plaatsing van het goedkeuringsmerk …

Aanhangsel 24

Lichtmiddelpunt en vormen van de gloeidraden …




BIJLAGE I

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE GOEDKEURING VAN EEN TYPE VERLICHTINGS- EN LICHTSIGNAALINRICHTING VAN MOTORVOERTUIGEN OP TWEE OF DRIE WIELEN

1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

„type inrichting”

inrichtingen die onderling geen wezenlijke verschillen vertonen op de volgende punten:

1.1.

fabrieks- of handelsmerk;

1.2.

de eigenschappen van het optische systeem:

1.3.

aanvullende onderdelen of het weglaten hiervan waardoor de optische resultaten door weerkaatsing, breking of absorptie en/of vervorming tijdens hun werking kunnen worden gewijzigd;

1.4.

speciaal aangepast voor rechts verkeer of links verkeer of mogelijkheid van gebruik voor beide soorten verkeer;

1.5.

de materialen van lenzen en coating, indien aanwezig.

2.

AANVRAAG VOOR GOEDKEURING VAN EEN TYPE INRICHTING

2.1.

De aanvraag voor goedkeuring van een type inrichting die wordt ingediend in overeenstemming met artikel 3 van Richtlijn 92/61/EEG van 30 juni 1992 betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen op twee of drie wielen, dient bovendien de volgende gegevens te verstrekken:

2.1.1.

de bedoelde functie(s) van de inrichting;

2.1.2.

indien het een koplicht betreft, of dit ontworpen is voor gebruik aan een te kiezen kant van de weg of voor uitsluitend rechts of links verkeer;

2.1.3.

indien het een richtingaanwijzer betreft: de categorie ervan.

2.2.

Voor ieder type inrichting waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd dient deze aanvraag te worden vergezeld van:

2.2.1.

tekeningen in drievoud, die voldoende gedetailleerd zijn om identificatie van het type mogelijk te maken en waarop de geometrische gegevens voor de installatie van de inrichting op het voertuig zijn aangegeven, tezamen met de richting van de referentie-as waarlangs tijdens de proeven moet worden gekeken (horizontale hoek H = 0o, verticale hoek V = 0o) en het referentiepunt bij deze proeven; in het geval van een koplicht dient de tekening een dwarsdoorsnede (axiaal) en een vooraanzicht te tonen, met in voorkomend geval een gedetailleerde weergave van de ribbels van de lens; op de tekening moet ook zijn aangegeven welke plaats bestemd is voor het verplichte goedkeuringsmerk en, waar van toepassing, voor extra symbolen ten opzichte van de rechthoek van het voornoemde merk;

2.2.2.

een korte technische beschrijving met in het bijzonder nadere gegevens over de bedoelde gloeilampcategorie(ën), behalve voor lampen met niet-vervangbare lichtbronnen.

2.3.

Aanvragers moeten ook twee monsters leveren van de inrichting waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd.

2.4.

Voor de proeven op de kunststof waaruit de lenzen van de koplichten (29) en de mistlichten voor bestaan, moet het volgende worden verstrekt:

2.4.1.

dertien lenzen:

2.4.1.1.

zes van deze lenzen mogen worden vervangen door zes materiaalmonsters van ten minste 60 × 80 mm met een vlak of bol uitwendig oppervlak en een nagenoeg vlak middengedeelte (kromtestraal minimaal 300 mm) van ten minste 15 × 15 mm;

2.4.1.2.

deze lenzen of materiaalmonsters moeten vervaardigd zijn volgens de voor massaproduktie bestemde methode;

2.4.2.

een reflector waarop de lens kan worden aangebracht overeenkomstig de voorschriften van de fabrikant.

2.5.

De materialen van de lenzen en eventuele coatings gaan vergezeld van de proefverslagen betreffende de kenmerken van die materialen en coatings, indien die al getest zijn.

2.6.

Voordat de typegoedkeuring wordt verleend, verifieert de bevoegde autoriteit of er voldoende maatregelen bestaan voor het waarborgen van een effectieve controle van de overeenstemming van de produktie.

3.

AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT OPSCHRIFTEN EN MERKTEKENS OP INRICHTINGEN

3.1.

De inrichtingen dienen duidelijk zichtbaar en onuitwisbaar van onderstaande opschriften te zijn voorzien:

3.1.1.

fabrieks- of handelsmerk;

3.1.2.

een verklaring betreffende de categorie(ën) waartoe de lamp moet gaan behoren; dit geldt niet voor lampen met niet-vervangbare lichtbronnen;

3.1.3.

in het geval van lampen met niet-vervangbare lichtbronnen, de nominale spanning en het nominale vermogen;

3.1.4.

het goedkeuringsmerk volgens artikel 8, lid 2, van Richtlijn 92/61/EEG. In het geval van koplichten moet het merk aangebracht worden op de lens of het lamphuis (de reflector of spiegel wordt beschouwd als een lamphuis). Indien de lens niet kan worden gescheiden van het lamphuis, is het aanbrengen op de lens voldoende. De plaats voor het goedkeuringsvermerk moet zijn aangegeven in de onder punt 2.2.1 genoemde tekeningen. Zie voor voorbeelden aanhangsel 2 bij deze bijlage.

4.

GOEDKEURING VAN EEN INRICHTING

4.1.

Wanneer ten minste twee inrichtingen onderdeel vormen van dezelfde inrichting, dan kan goedkeuring alleen worden toegekend als elk van die inrichtingen voldoet aan de eisen van dit hoofdstuk.

5.

MINIMUMEISEN MET BETREKKING TOT DE PROCEDURES VOOR DE CONTROLE VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTEN

5.1. Algemeen

5.1.1.

Vanuit zowel mechanisch als meetkundig standpunt gezien wordt geacht te zijn voldaan aan de eisen van deze richtlijn als de verschillen de onvermijdelijke fabricagetoleranties niet te boven gaan.

5.1.2.

De overeenstemming van de produktie van in massa geproduceerde inrichtingen met betrekking tot fotometrische prestaties wordt niet betwist, als tijdens fotometrische proeven op een aselect gekozen inrichting en met betrekking tot richtingaanwijzers, koplichten en mistlichten voor, die voorzien zijn van een standaard gloeilamp, geen van de gemeten waarden meer dan 20 % afwijkt van de minimumwaarden die in deze richtlijn zijn vastgesteld.

5.1.3.

Als de resultaten van de hierboven omschreven proeven met betrekking tot richtingaanwijzers, koplichten of mistlichten voor, niet aan de voorschriften voldoen, moeten de proeven worden herhaald met gebruikmaking van een andere standaardgloeilamp.

5.1.4.

Inrichtingen met duidelijke defecten worden van de proeven uitgesloten.

5.1.5.

Voor richtingaanwijzers, koplichten en mistlichten voor, die voorzien zijn van een op standaard-A-kleurtemperatuur afgestelde gloeilamp geldt dat de trichromatische coördinaten in acht moeten worden genomen.

5.2. Minimumeisen met betrekking tot de controle van de overeenstemming door de fabrikant

Voor ieder type inrichting moet de houder van de goedkeuring met een passende regelmaat ten minste de volgende proeven verrichten. Die proeven worden uitgevoerd volgens de voorschriften van deze richtlijn.

Bemonstering die aangeeft dat er niet wordt voldaan aan de overeenstemming van de produktie moet aanleiding zijn voor verdere bemonstering en proeven. De fabrikant dient er alles aan te doen om aan de overeenstemming van de produktie te voldoen.

5.2.1. Aard van de proeven

De proeven betreffende de overeenstemming van de produktie hebben betrekking op de fotometrische en colorimetrische eigenschappen voor koplichten van motorfietsen en driewielers en de controle van de verticale verschuiving van de licht/donkerscheiding onder invloed van warmte.

5.2.2. Beproevingsomstandigheden

5.2.2.1.

De proeven worden in het algemeen uitgevoerd volgens de methoden die in deze richtlijn zijn beschreven.

5.2.2.2.

Bij bepaalde proeven met betrekking tot de overeenstemming van de produktie die door de fabrikant worden uitgevoerd, mogen evenwel gelijkwaardige methoden worden gebruikt na goedkeuring door de bevoegde instantie die met de goedkeuringsproeven is belast. Van fabrikanten wordt verlangd dat zij bewijs leveren dat de gebruikte methoden gelijkwaardig zijn aan de in deze richtlijn beschreven methoden.

5.2.2.3.

Toepassing van de punten 5.2.2.1 en 5.2.2.2 vereist regelmatige kalibratie van de beproevingsapparatuur en correlatie met metingen door een bevoegde instantie.

5.2.2.4.

In al deze gevallen zijn de methoden die in deze richtlijn worden beschreven de referentiemethoden, in het bijzonder waar het betreft de administratieve controle en bemonstering.

5.2.3. Aard van de bemonstering

De te beproeven inrichtingen moeten aselect worden gekozen uit een homogene verzameling. „Homogene verzameling” is een groep inrichtingen van hetzelfde type, als bepaald door de produktiemethode van de fabrikant.

De beoordeling heeft in het algemeen betrekking op serieprodukties uit afzonderlijke fabrieken. Een fabrikant mag echter dossiers van verschillende fabrieken over hetzelfde type samenvoegen, op voorwaarde dat deze fabrieken hetzelfde kwaliteits- en kwaliteitsbeheersingssysteem hanteren.

5.2.4. Meting en registratie van fotometrische en colorimetrische eigenschappen

De gekozen inrichtingen moeten worden onderworpen aan de fotometrische proeven die zijn beschreven in de desbetreffende bijlagen, tenzij anders is bepaald. De trichchromatische coördinaten moeten in acht genomen worden.

5.2.5. Aanvaardbaarheidscriteria

De fabrikant is verantwoordelijk voor het verrichten van een statistische analyse van de proefresultaten en voor het definiëren, in overleg met de bevoegde instantie, van de criteria voor het bepalen van de aanvaardbaarheid van zijn produkten ten einde te voldoen aan de specificaties die voor de verificatie van de overeenstemming van de produktie zijn vastgesteld in bijlage VI van Richtlijn 92/61/EEG.

De aanvaardbaarheidscriteria moeten zodanig zijn dat bij een betrouwbaarheidsniveau van 95 % de minimumwaarschijnlijkheid dat de in punt 6 beschreven controles (eerste bemonstering) worden doorstaan, 0,95 bedraagt.

6.

MINIMUMEISEN MET BETREKKING TOT BEMONSTERING DOOR EEN INSPECTEUR

6.1. Algemeen

6.1.1.

Aan de overeenstemmingseisen van deze richtlijn wordt geacht zowel mechanisch als meetkundig te zijn voldaan als de verschillen de onvermijdelijke fabricageafwijkingen niet overschrijden.

6.1.2.

De overeenstemming van in massa geproduceerde inrichtingen met betrekking tot fotometrische prestaties wordt niet betwist als bij de fotometrische proeven op een willekeurig gekozen inrichting en in het geval van richtingaanwijzers, koplichten en mistlichten voor, die voorzien zijn van een standaardgloeilamp, geen van de gemeten waarden meer dan 20 % in ongunstige zin afwijkt van de minimumwaarden die in deze richtlijn zijn vastgesteld.

6.1.3.

Voor richtingaanwijzers, koplichten en mistlichten voor, die voorzien zijn van een op standaard-A-kleurtemperatuur afgestelde gloeilamp geldt dat de trichromatische coördinaten in acht moeten worden genomen.

6.2. Eerste monstertrekking

Bij de eerste monstertrekking worden aselect vier inrichtingen gekozen. Twee daarvan worden A gemerkt, de andere twee B.

6.2.1.

De overeenstemming van de produktie wordt niet betwist.

6.2.1.1.

De overeenstemming van de produktie bij inrichtingen in massaproduktie wordt niet betwist als bij het volgen van de monstertrekkingsprocedure getoond in afbeelding 1 van deze bijlage, de afwijking van de gemeten waarden van de inrichting in de ongunstige richtingen, bedraagt:

6.2.1.1.1.

monster A



A1:

één inrichting

0 procent

één inrichting niet meer dan

20 procent,

A2:

beide inrichtingen meer dan

0 procent

maar niet meer dan

20 procent;

ga verder met monster B;

6.2.1.1.2.

monster B



B1:

beide inrichtingen

0 procent.

6.2.2.

De overeenstemming van de produktie wordt betwist.

6.2.2.1.

De overeenstemming van de produktie bij inrichtingen in massaproduktie wordt betwist en van de fabrikant zal worden verlangd dat deze zijn produktie in overeenstemming brengt met de eisen (aanpassing) als bij het volgen van de in afbeelding 1 van deze bijlage weergegeven monstertrekkingsprocedure, de afwijkingen van de gemeten waarden van de inrichtingen bedragen:

6.2.2.1.1.

monster A



A3:

één inrichting niet meer dan

20 procent

één inrichting meer dan

20 procent

maar niet meer dan

30 procent;

6.2.2.1.2.

monster B



B2:

in het geval van A2

één inrichting meer dan

0 procent

maar niet meer dan

20 procent

één inrichting niet meer dan

20 procent;

B3:

in het geval van A2

één inrichting

0 procent

één inrichting meer dan

20 procent

maar niet meer dan

30 procent.

6.2.3.

Goedkeuring ingetrokken

De overeenstemming van de produktie wordt betwist en artikel 10 van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad wordt toegepast als bij het volgen van de in afbeelding 1 van deze bijlage weergegeven monstertrekkingsprocedure, de afwijkingen van de gemeten waarden van de inrichtingen bedragen:

6.2.3.1.

monster A



A4:

één inrichting niet meer dan

20 procent

één inrichting meer dan

30 procent;

A5:

beide inrichtingen meer dan

20 procent.

6.2.3.2.

monster B



B4:

in het geval van A2

één inrichting meer dan

0 procent

maar niet meer dan

20 procent

één inrichting meer dan

20 procent;

B5:

in het geval van A2

beide inrichtingen meer dan

20 procent;

B6:

in het geval van A2

één inrichting

0 procent

één inrichting meer dan

30 procent.

6.3. Herhaalde monstertrekking

In de gevallen van A3, B2 en B3 moet binnen twee maanden na de kennisgeving een herhaalde monstertrekking plaatsvinden van een derde monster C bestaande uit twee inrichtingen en een vierde monster D bestaande uit twee inrichtingen die aselect gekozen worden uit een voorraad die na de aanpassing geproduceerd is.

6.3.1.

Gevallen waarin de overeenstemming niet wordt betwist.

6.3.1.1.

De overeenstemming van de produktie bij inrichtingen in massaproduktie wordt niet betwist als bij het volgen van de in afbeelding 1 van deze bijlage weergegeven monsternemingsprocedure, de afwijkingen van de gemeten waarden van de inrichtingen bedragen:

6.3.1.1.1.

monster C



C1:

één inrichting

0 procent

één inrichting niet meer dan

20 procent;

C2:

beide inrichtingen meer dan

0 procent

maar niet meer dan

20 procent;

ga verder met monster D;

6.3.1.1.2.

monster D



D1:

in het geval van C2

beide inrichtingen

0 procent.

6.3.2.

Gevallen waarin de overeenstemming van de produktie wordt betwist.

6.3.2.1.

De overeenstemming van de produktie bij inrichtingen in massaproduktie wordt betwist en van de fabrikant zal worden verlangd dat deze zijn produktie in overeenstemming brengt met de eisen (aanpassing) als bij het volgen van de in afbeelding 1 van deze bijlage weergegeven monstertrekkingsprocedure getoond, de afwijkingen van de gemeten waarden van de inrichtingen, bedragen:

6.3.2.1.1.

monster D



D2:

in het geval van C2

één inrichting meer dan

0 procent

maar niet meer dan

20 procent

één inrichting niet meer dan

20 procent.

6.3.3.

Goedkeuring ingetrokken

De overeenstemming van de produktie wordt betwist en artikel 10 van Richtlijn 92/61/EEG wordt toegepast als bij het volgen van de in afbeelding 1 van deze bijlage weergegeven monstertrekkingsprocedure, de afwijkingen van de gemeten waarden van de inrichtingen bedragen:

6.3.3.1.

monster C



C3:

één inrichting niet meer dan

20 procent

één inrichting meer dan

20 procent.

C4:

beide inrichtingen meer dan

20 procent;

6.3.3.2.

monster D



D3:

in het geval van C2

één inrichting 0 of meer dan

0 procent

één inrichting meer dan

20 procent.

image

Afbeelding 1




Aanhangsel 1

Kleuren van de lichten

Trichromatische coördinaten



ROOD:

grens naar geel:

y ≤ 0,335

grens naar purper:

z ≤ 0,008

WIT:

grens naar blauw:

x ≥ 0,310

grens naar geel:

x ≤ 0,500

grens naar groen:

y ≤ 0,150 + 0,640 ×

grens naar groen:

y ≤ 0,440

grens naar purper:

y ≥ 0,050 + 0,750 ×

grens naar rood:

y ≥ 0,382

AMBERGEEL:

grens naar geel:

y ≤ 0,429

grens naar rood:

y ≥ 0,398

grens naar wit:

z ≤ 0,007

Voor het controleren van de bovengenoemde colorimetrische eigenschappen kan gebruik worden gemaakt van een lichtbron met een kleurtemperatuur van 2 856 K (standaard-lichtbron A van de Internationale Commissie voor Verlichtingskunde (CIE) in combinatie met passende filters).

In het geval van retroreflectoren wordt de inrichting belicht met een standaard-A CIE-lichtbron met een divergentiehoek van 1/3o en een belichtingshoek V = H = 0o, of als daarmee een kleurloze oppervlaktereflectie bereikt wordt een hoek V ± 5o, H = 0o; de trichromatische kleurcoördinaten van de weerkaatste lichtstroom moeten binnen bovengenoemde grenzen liggen.




Aanhangsel 2

Uitgewerkte voorbeelden van goedkeuringsmerken

image

Figuur 1

Een inrichting met bovenstaand goedkeuringsmerk is een richtingaanwijzer van categorie 11, die in Nederland (e 4) is goedgekeurd onder nr. 00243. De eerste twee cijfers van het goedkeuringsnummer geven aan dat de goedkeuring was verleend overeenkomstig de voorschriften van bijlage II van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm.

Voor een richtingaanwijzer geeft de pijl aan dat de lichtverspreiding in een horizontaal vlak asymmetrisch is en dat aan de voorgeschreven fotometrische waarden wordt voldaan tot een hoek van 80o naar rechts, gezien vanuit de tegengestelde richting van het uitgestraalde licht. In het voorbeeld wordt een aan de rechterkant van het voertuig gemonteerde richtingaanwijzer getoond.

Vereenvoudigde kenmerking van gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten wanneer twee of meer lichten deel zijn van hetzelfde samenstel

image

Figuur 1a

(De vorm van de lichtsignaalinrichting is schematisch weergegeven met de verticale en horizontale lijnen. Deze maken geen deel uit van het goedkeuringsmerk.)

Noot:

Deze drie voorbeelden van goedkeuringsmerken (modellen A, B en C) stellen drie varianten voor die mogelijk zijn voor het kenmerken van een verlichtingsinrichting, wanneer twee of meer lichten deel uitmaken van hetzelfde samenstel van gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten.

Zij geven aan dat de inrichting in Nederland (e 4) is goedgekeurd onder goedkeuringsnummer 3333 en het volgende omvat:

—een retroreflector van klasse 1, die is goedgekeurd in overeenstemming met Richtlijn 76/757/EEG in haar oorspronkelijke vorm,

—een rood achterlicht (R), dat is goedgekeurd in overeenstemming met bijlage II van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm,

—een mistachterlicht (F), dat is goedgekeurd in overeenstemming met Richtlijn 77/538/EEG in haar oorspronkelijke vorm,

—een achteruitrijlicht (AR), dat is goedgekeurd in overeenstemming met Richtlijn 77/539/EEG in haar oorspronkelijke vorm,

—een stoplicht (S), dat is goedgekeurd in overeenstemming met bijlage II van deze richtlijn in haar oorspronkelijk vorm.

Voorbeeld van een EG-goedkeuringsmerk



image Figuur 1b

image Figuur 1c

image Figuur 1d

De retroreflector met bovenstaand EG-goedkeuringsmerk is een retroreflector van klasse I, waarvoor in Nederland (e 4) onder nummer 216 een EG-goedkeuring overeenkomstig Richtlijn 76/757/EEG is verleend. Voor retroreflectoren overeenkomstig punt 9.1 van bijlage II van deze richtlijn is a ≥ 4 mm.

image

Figuur 2

Het koplicht met bovenstaand goedkeuringsmerk is in Nederland (e 4) onder goedkeuringsnummer 00243 goedgekeurd overeenkomstig bijlage III A van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm. De eerste twee cijfers van het goedkeuringsnummer geven aan dat de goedkeuring is verleend in overeenstemming met de voorschriften van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm.

image

Figuur 3

Het koplicht met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplicht dat beantwoordt aan de voorschriften van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm, bijlage III A, en uitsluitend ontworpen is voor rechts verkeer.



image Figuur 4

image Figuur 5

Het koplicht met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplicht dat beantwoordt aan de voorschriften van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm, bijlage III B, en ontworpen is:

uitsluitend voor links verkeer

voor beide verkeerssystemen door middel van een juiste aanpassing van de stand van de optische eenheid of de lamp op het voertuig.

image

Figuur 6

Het koplicht met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplicht met kunststoflens, dat beantwoordt aan de voorschriften van bijlage III C van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm.

Het is zodanig ontworpen dat de gloeidraad van het dimlicht tegelijk samen met groot licht en/of een andere samengebouwde lichtfunctie kan worden ingeschakeld.



image Figuur 7

image Figuur 8

Het koplicht met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplicht dat beantwoordt aan de voorschriften van bijlage III D van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm,

uitsluitend met betrekking tot het dimlicht en alleen ontworpen voor links verkeer

uitsluitend met betrekking tot het groot licht.



image Figuur 9

image Figuur 10

Het koplicht met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplicht met kunststoflens dat beantwoordt aan de voorschriften van bijlage III D van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm, uitsluitend met betrekking tot het dimlicht, en ontworpen:

voor beide verkeerssystemen

uitsluitend voor rechts verkeer.

Vereenvoudigde kenmerking voor gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten

image

Figuur 11

(De vorm van de lichtsignaalinrichting is schematisch weergegeven met de verticale en horizontale lijnen. Deze maken geen deel uit van het goedkeuringsmerk.)

Noot:

De vier bovenstaande voorbeelden hebben betrekking op een verlichtingsinrichting met een goedkeuringsmerk voor:

—een breedtelicht (A) dat is goedgekeurd in overeenstemming met bijlage II van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm;

—een koplicht (HCR) met een voor rechts- en linksrijdend verkeer ontworpen dimlicht en een groot licht met een maximumlichtsterkte van 86.250 tot 101.250 candelas (zoals aangegeven met nummer 30), dat is goedgekeurd in overeenstemming met bijlage III D van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm, met een kunststoflens;

—een mistvoorlicht (B) dat is goedgekeurd in overeenstemming met Richtlijn 76/762/EEG, met een kunststoflens;

—een voorrichtingaanwijzer van categorie 11 die is goedgekeurd in overeenstemming met bijlage II van deze richtlijn in haar oorspronkelijke vorm.



image Figuur 12

image Figuur 13

Het koplicht met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplicht dat beantwoordt aan de voorschriften van Richtlijn 76/761/EEG,

uitsluitend met betrekking tot het dimlicht, en alleen ontworpen voor links verkeer

uitsluitend met betrekking tot het groot licht.



image Figuur 14

image Figuur 15

Identificatie van een koplicht met kunststoflens dat beantwoordt aan de voorschriften van Richtlijn 76/761/EEG met betrekking tot aanhangsel 3 van bijlage III D van deze richtlijn.

voor zowel het dimlicht als het groot licht en alleen ontworpen voor rechts verkeer

uitsluitend voor het dimlicht en alleen ontworpen voor links verkeer.

De gloeidraad van het dimlicht mag niet tegelijk kunnen werken met de gloeidraad van het groot licht en/of een ander koplicht waarmee het is samengebouwd.




BIJLAGE II

VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE TYPEGOEDKEURING VAN DE BREEDTELICHTEN, ACHTERLICHTEN, STOPLICHTEN, RICHTINGAANWIJZERS, ACHTERKENTEKENPLAATVERLICHTING, MISTLICHTEN VOOR, MISTLICHTEN ACHTER, ACHTERUITRIJLICHTEN EN RETROREFLECTOREN VOOR MOTORVOERTUIGEN OP TWEE OF DRIE WIELEN

1. DEFINITIES

De ter zake doende definities in bijlage I bij Richtlijn 93/92/EEG van 29 oktober 1993, betreffende de installatie van de verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen op twee- of driewielige motorvoertuigen, zijn van toepassing.

1.1.

Lens, het buitenste deel van het licht (de inrichting) dat licht doorlaat door het lichtdoorlatende gedeelte.

1.2.

Coating, één of meer produkten die in één of meer lagen op de buitenzijde van een lens zijn aangebracht.

1.3.

Inrichtingen van verschillende typen, inrichtingen die van elkaar verschillen op wezenlijke punten, zoals:

1.3.1.

het handels- of fabrieksmerk;

1.3.2.

de eigenschappen van het optische systeem;

1.3.3.

de aan- of afwezigheid van onderdelen waarmee tijdens de werking de optische effecten gewijzigd kunnen worden door weerkaatsing, breking, absorptie en/of vervorming;

1.3.4.

het soort gloeilamp;

1.3.5.

de materialen van lenzen en eventuele coating.

2. AANVULLENDE GEGEVENS BIJ HET GOEDKEURINGSMERK VAN RICHTINGAANWIJZERS

2.1.

In het algemeen waar het een richtingaanwijzer betreft moet met een nummer zijn aangegeven of het een voorrichtingaanwijzer (categorie 11) dan wel een achterrichtingaanwijzer (categorie 12) betreft. Dit nummer moet zijn aangebracht dicht bij de rechthoek van het goedkeuringsmerk en tegenover het goedkeuringsnummer.

2.2.

In het geval van een richtingaanwijzer die niet, in overeenstemming met punt 4.7.1, aan één zijde de minimaal vereiste lichtsterkte bereikt tot een hoek van H = 80o, een horizontale pijl, waarvan de punt wijst in de richting waar de minimale lichtsterkte in overeenstemming met punt 4.7.1 wordt bereikt met een hoek van minstens H = 80o. Deze pijl moet zijn aangebracht onder de rechthoek voor het goedkeuringsmerk.

3. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

De inrichtingen moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks trillingen waaraan zij in dat geval blootgesteld kunnen zijn, goed blijven functioneren en de in deze bijlage voorgeschreven eigenschappen blijven behouden.

4. STERKTE VAN HET UITGESTRAALDE LICHT

Op de referentie-as moet de sterkte van het uitgestraalde licht van ieder van de twee inrichtingen tenminste gelijk zijn aan de twee minimumwaarden en ten hoogste gelijk zijn aan de maximumwaarden in onderstaande tabel. De gestelde maximumwaarden mogen in geen enkele richting worden overschreden.



min. (cd)

max. (cd)

4.1.

Achterlichten

4

12

4.2.

Breedtelichten

4

60

4.3.

Stoplichten

40

100

4.4.

Richtingaanwijzers

4.4.1.

Voor (categorie 11)

(zie aanhangsel 1)

90

700 (1)

4.4.2.

Achter (categorie 12)

(zie aanhangsel 1)

50

200

(1)Is uitsluitend van toepassing op het gebied tussen de twee verticale snijlijnen door V = 0o/H = ± 5o en de twee horizontale snijlijnen door V = ± 10o/H = 0o. Voor alle andere richtingen geldt een maximum van 400 cd.

4.5.

Buiten de referentie-as moet de sterkte van het uitgestraalde licht binnen het in de tekeningen van aanhangsel 1 aangegeven hoekveld in iedere richting die overeenkomt met de punten in de lichtverdelingstabel in aanhangsel 2, tenminste gelijk zijn aan het produkt van de in de punten 4.1 tot 4.4 vermelde minima en het percentage dat in die tabel voor de desbetreffende richting is aangegeven.

4.6.

In afwijking van punt 4.1 is voor achterlichten die met stoplichten zijn samengebouwd en maximumlichtsterkte van 60 cd onder een vlak dat met het horizontale vlak een hoek van 5o naar beneden vormt, toelaatbaar.

4.7.

Bovendien,

4.7.1.

mag de sterkte van het uigestraalde licht binnen de in aanhangsel 1 omschreven bereiken nergens minder dan 0,05 cd bedragen voor breedtelichten en achterlichten en 0,3 cd voor stoplichten en richtingaanwijzers;

4.7.2.

moet, wanneer een achterlicht is gegroepeerd of samengebouwd met een stoplicht, de verhouding van de werkelijk gemeten lichtsterkte van de twee gelijktijdig ontstoken lichten tot de lichtsterkte van het alleen ontstoken achterlicht minimaal 5:1 bedragen op de 11 meetpunten die in aanhangsel 2 zijn aangegeven en die liggen binnen het veld dat wordt afgebakend door de verticale rechten door 0o V/± 10o H en de horizontale lijnen door ± 5o V/0o H als aangegeven in de lichtverdelingstabel;

4.7.3.

moeten de voorschriften van punt 2.2 in aanhangsel 2 betreffende plaatselijke variaties in lichtsterkte in acht worden genomen.

4.8.

De lichtsterkten worden gemeten bij een continu brandende lamp. Wanneer de lichten onderbroken werken, moet er voor gezorgd worden dat de inrichting niet oververhit raakt.

4.9.

In aanhangsel 2 waarnaar punt 4.5 verwijst, staan nadere gegevens over de toe te passen meetmethoden.

4.10.

De achterkentekenplaatverlichting moet voldoen aan de voorwaarden van aanhangsel 3.

4.11.

De fotometrische prestaties van lampen met verschillende lichtbronnen worden gecontroleerd overeenkomstig de voorschriften van aanhangsel 2.

5. PROEFOMSTANDIGHEDEN

5.1.

Alle metingen moeten worden uitgevoerd met een standaard kleurloze lamp die binnen de voor de inrichting bedoelde categorie valt en die zodanig is ingesteld dat de referentielichtstroom die voor de betreffende lamp is voorgeschreven, wordt uitgestraald. Bij lampen met niet-vervangbare lichtbronnen worden alle metingen verricht bij respectievelijk 6,75 V en 13,5 V.

5.2.

De verticale en horizontale randen van het lichtdoorlatende oppervlak moeten worden bepaald en weergegeven in verhouding tot het referentiemiddelpunt.

6. KLEUR VAN HET UITGESTRAALDE LICHT

Stoplichten en achterlichten moeten rood licht, breedtelichten wit licht, richtingaanwijzers ambergeel licht geven.

De kleur van het licht, gemeten met een gloeilamp van de door de fabrikant opgegeven categorie, moet binnen de in aanhangsel 1 bij bijlage I voorgeschreven grenzen van de trichromatische coördinaten liggen, wanneer die gloeilamp gebruikt wordt bij de in bijlage IV opgegeven proefspanning.

Bij lampen met niet-vervangbare lichtbronnen moeten de kleureigenschappen echter met de lichtbronnen in de lampen worden gecontroleerd bij een spanning van 6,75 V, 13,5 V of 28,0 V.

7. MISTLICHTEN VOOR EN ACHTER

De voorschriften van Richtlijn 76/762/EEG betreffende mistlichten voor en van Richtlijn 77/538/EEG betreffende mistlichten achter zijn van toepassing.

8. ACHTERUITRIJLICHTEN

De voorschriften van Richtlijn 77/539/EEG betreffende achteruitrijlichten zijn van toepassing.

9. RETROREFLECTOREN

9.1. Pedaalretroreflectoren

9.1.1.

De vorm van de retroreflectoren moet zodanig zijn dat zij passen binnen een rechthoek waarvan de afmetingen van de zijden een verhouding hebben van niet meer dan 8.

9.1.2.

Pedaalretroreflectoren moeten in ambergele kleur aan de voorschriften van bijlage VIII bij Richtlijn 76/757/EEG voldoen.

9.1.3.

Het effectieve retroreflecterende oppervlak van elk van de vier pedaalretroreflectoren mag niet minder zijn dan 8 cm2.

9.2. Andere retroreflectoren

De voorschriften van Richtlijn 76/757/EEG betreffende retroreflectoren zijn van toepassing.




Aanhangsel 1

Horizontale (H) en verticale (V) minimumhoeken van ruimtelijke lichtverdeling

image




Aanhangsel 2

Fotometrische metingen

1. MEETMETHODE

1.1.

Tijdens fotometrische metingen moet storend strooilicht worden vermeden door middel van passende afschermingen.

1.2.

In geval van twijfel over de resultaten van de metingen, moeten deze als volgt worden uitgevoerd:

1.2.1.

de meetafstand moet zodanig zijn dat de wet van het omgekeerde van het kwadraat van de afstand van toepassing is;

1.2.2.

de meetapparatuur moet zodanig zijn dat de openingshoek van de lichtgevoelige ontvanger, gezien vanuit het referentiepunt van het licht, tussen een hoek van tien minuten en één graad ligt;

1.2.3.

aan de eis betreffende de lichtsterkte in een bepaalde waarnemingsrichting wordt voldaan wanneer dit wordt bereikt in een richting die niet meer dan een kwart graad van de waarnemingsrichting afwijkt.

2. TABEL VAN DE GENORMALISEERDE RUIMTELIJKE LICHTVERDELING

image

2.1.

Richting H = 0o en V = 0o komt overeen met de referentie-as (op het voertuig loopt deze horizontaal en evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig in de richting van het voorgeschreven zicht). Zij loopt door het referentiemiddelpunt. De in de tabel aangegeven waarden geven voor de verschillende meetrichtingen de minimumlichtsterkten in procenten van het vereiste minimum voor elk licht in de as (in de richting H = 0o en V = 0o).

2.2.

Binnen het lichtverdelingsvlak dat in schematische vorm is weergegeven in punt 2 door een raster, moet de verdeling van het licht in hoofdlijnen zodanig gelijkmatig zijn dat de lichtsterkte in elke richting van een deel van het veld dat gevormd wordt door de lijnen van het raster tenminste de laagste minimumwaarde bereikt die aangegeven is in procenten (of laagste beschikbare waarde) op de lijnen van het raster die de betrokken richting omgeven.

3. FOTOMETRISCHE METING VAN LAMPEN MET VERSCHEIDENE LICHTBRONNEN

De fotometrische prestatie wordt gecontroleerd:

3.1.

Bij niet-vervangbare (vaste) gloeilampen of andere lichtbronnen:

bij de door de fabrikant opgegeven spanning; de technische dienst mag van de fabrikant de voor dergelijke lampen benodigde stroomvoorziening verlangen;

3.2.

Bij vervangbare gloeilampen:

indien uitgerust met gloeilampen uit serieproduktie moet de geproduceerde lichtsterkte bij 6,75 V, 13,5 V of 28,0 V tussen de in deze bijlage gegeven maximum- en minimumlimiet liggen, verhoogd overeenkomstig de toelaatbare afwijking van de lichtstroom die voor het gekozen type gloeilamp is toegestaan, zoals vermeld in bijlage IV voor produktiegloeilampen; als alternatief mag in elk van de verschillende standen een standaard gloeilamp bij de referentielichtstroom worden gebruikt, waarna de metingen in elk van die standen bij elkaar worden opgeteld.




Aanhangsel 3

Fotometrische metingen van de achterkentekenplaatverlichting

1. TE VERLICHTEN POSITIE

Inrichtingen vallen in categorie 1 of 2. Inrichtingen van categorie 1 moeten zodanig zijn ontworpen dat er een gebied wordt verlicht van tenminste 130 × 240 mm en inrichtingen van categorie 2 moeten zodanig zijn ontworpen dat ze een gebied verlichten van tenminste 200 × 280 mm.

2. KLEUR VAN HET UITGESTRAALDE LICHT

Het licht van de in de inrichting gebruikte lamp moet wit zijn, doch zo neutraal dat geen merkbare kleurverandering van de kentekenplaat optreedt.

3. INVALSHOEK VAN HET UITGESTRAALDE LICHT

De fabrikant van de verlichtingsinrichting stelt de installatievoorwaarden voor deze inrichting vast ten opzichte van de plaats waar de kentekenplaat moet worden aangebracht. Deze inrichting moet zo worden geplaatst dat de invalshoek van het licht op geen enkel punt van het te verlichten oppervlak meer dan 82o bedraagt. Deze hoek wordt gemeten ten opzichte van de buitenste rand van het lichtdoorlatende gedeelte van de inrichting die het verst van het oppervlak van de plaat verwijderd is. Wanneer er meer dan één optische component is, is dit voorschrift slechts van toepassing op het gedeelte van de plaat dat door de betreffende component moet worden verlicht.

De inrichting moet zodanig zijn ontworpen dat geen licht naar achteren is gericht, met uitzondering van rood licht ingeval de inrichting is gecombineerd of gegroepeerd met een achterlicht.

4. MEETMETHODE

De luminantie wordt gemeten op schoon wit vloeipapier met een diffuse reflectie van minimaal 70 %, dat de afmetingen heeft van de kentekenplaat en dat zich bevindt op de plaats die normaal door de kentekenplaat wordt ingenomen op 2 mm voor de steunplaat daarvan.

De luminantie wordt gemeten loodrecht op het oppervlak van het papier op de punten die in het schema onder punt 5 hieronder worden aangegeven, waarbij elk punt een cirkelvormige zone vertegenwoordigt met een diameter van 25 mm.

5. FOTOMETRISCHE KENMERKEN

Luminantie B moet minstens gelijk zijn aan 2 cd/m2 op elk van de hieronder omschreven meetpunten.



image Afbeelding 1Meetpunten voor categorie 1

image Afbeelding 2Meetpunten voor categorie 2

De luminantiegradiënt tussen de waarden B1 en B2, gemeten op twee willekeurige punten 1 en 2 die gekozen zijn uit bovengenoemde punten, mag niet meer bedragen dan 2 × Bo/cm, waarbij Bo de minimale luminantie is die op de verschillende meetpunten is vastgesteld, dat wil zeggen

image




Aanhangsel 4

image




Aanhangsel 5

image




BIJLAGE III

VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT DE TYPEGOEDKEURING VAN INRICHTINGEN MET GLOEILAMPEN OF HALOGEENGLOEILAMPEN DIE GROOT- EN/OF DIMLICHTLAMPEN UITSTRALEN (KOPLICHTEN) VOOR MOTORVOERTUIGEN OP TWEE OF DRIE WIELEN

1. DEFINITIES

De relevante definities gesteld in Bijlage I van Richtlijn 93/92/EEG zijn van toepassing.

1.1.

Lens, het buitenste deel van het koplicht (eenheid) door het lichtdoorlatende gedeelte waarvan het licht gaat.

1.2.

Coating, één of meerdere produkten die in één of meer lagen op de buitenzijde van een lens zijn aangebracht.

1.3.

Koplichten van verschillende typen, inrichtingen die op wezenlijke punten verschillen, bij voorbeeld:

1.3.1.

handels- of fabrieksmerk;

1.3.2.

eigenschappen van het optische systeem;

1.3.3.

aan- of afwezigheid van onderdelen waarmee tijdens de werking de optische effecten gewijzigd kunnen worden door weerkaatsing, breking, absorptie en/of deformatie. Het aanbrengen of weglaten van filters om de kleur van de lichtbundel te wijzigen zonder dat de lichtverdeling wordt beïnvloed, houdt geen wijziging van het type in;

1.3.4.

geschiktheid voor links of rechts verkeer of voor beide;

1.3.5.

uitgestraalde lichtbundel (dimlicht, grootlicht of beide);

1.3.6.

de houder waarin de gloeilamp(en) van een van de relevante categorieën bevestigd moet worden;

1.3.7.

de materialen van lenzen en eventuele coating.

2. KOPLICHTEN

Er wordt onderscheid gemaakt tussen:

2.1. Koplichten voor bromfietsen

(zie bijlage III A)



2.1.1.

met een lamp met

enkele gloeidraad

15 W (categorie S3)

2.1.2.

met een lamp met

dubbele gloeidraad

15/15 W (categorie S4)

2.1.3.

met een halogeenlamp met

enkele gloeidraad

15 W (categorie HS2)

2.2. Koplichten voor motorfietsen en driewielers

(zie bijlagen III B en III C)



2.2.1.

met een lamp met

dubbele gloeidraad

25/25 W (categorie S1)

2.2.2.

met een lamp met

dubbele gloeidraad

35/35 W (categorie S2)

2.2.3.

met een halogeenlamp met

dubbele gloeidraad

35/35 W (categorie HS1)

2.2.4.

met een lamp met

dubbele gloeidraad

40/45 W (categorie R2)

2.3. Koplichten voor motorfietsen en driewielers

(zie bijlage III D — koplichten met andere halogeengloeilampen dan HS1-lampen)



2.3.1.

met een lamp met

enkele gloeidraad

55 W (categorie H1)

2.3.2.

met een lamp met

enkele gloeidraad

55 W (categorie H2)

2.3.3.

met een lamp met

enkele gloeidraad

55 W (categorie H3)

2.3.4.

met een lamp met

enkele gloeidraad

60 W (categorie HB3)

2.3.5.

met een lamp met

enkele gloeidraad

51 W (categorie HB4)

2.3.6.

met een lamp met

enkele gloeidraad

55 W (categorie H7)

2.3.7.

met een lamp met

dubbele gloeidraad

55/60 W (categorie H4)




BIJLAGE III A

KOPLICHTEN VOOR BROMFIETSEN

1. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

1.1.

De koplichten moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks trillingen waaraan zij in dat geval blootgesteld kunnen zijn, goed blijven functioneren en de in deze richtlijn voorgeschreven eigenschappen blijven behouden.

1.2.

De delen waarmee de lamp wordt bevestigd moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zelfs in het donker de lamp op de juiste wijze gemonteerd kan worden.

2. BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN

2.1.

De juiste positie van de lens ten opzichte van het optische systeem moet duidelijk zijn aangegeven en op zijn plaats worden geborgd zodat rotatie tijdens het bedrijf niet mogelijk is.

2.2.

Teneinde de door een koplicht geproduceerde verlichtingssterkte te controleren wordt er gebruik gemaakt van een scherm als beschreven in aanhangsel 1 of 2 en van een gladde en kleurloze standaardlamp die in één van de in punt 2.1 van bijlage III beschreven categorieën valt.

De standaardlamp wordt ingesteld op de referentielichtstroom in overeenstemming met de waarden die voor deze lampen in het technische document (zie bijlage IV) zijn aangegeven.

2.3.

De dimlichtbundel moet op het scherm een zodanig duidelijke licht-donkerscheiding vertonen dat een goede afstelling met behulp van deze scheiding mogelijk is. De licht-donkerscheiding moet een vrijwel horizontale rechte zijn over een horizontale lengte van tenminste ± 900 mm, gemeten op een afstand van 10 m (in het geval van een halogeenlamp: een lengte van tenminste ± 2 250 mm gemeten op een afstand van 25 m; zie aanhangsel 2). Bij afstelling volgens aanhangsel 1 moeten de koplichten voldoen aan de eisen van dat aanhangsel.

2.4.

Het beeld van de lichtbundel mag geen zijdelingse variaties vertonen die een goede zichtbaarheid schaden.

2.5.

De verlichtingssterkten op het scherm waarnaar in punt 2.2 wordt verwezen, worden gemeten met behulp van een fotocel met een nuttig oppervlak dat valt binnen een vierkant met zijden van 65 mm.

3. AANVULLENDE EISEN VOOR CONTROLES DIE DOOR DE BEVOEGDE INSTANTIES KUNNEN WORDEN UITGEVOERD BIJ HET CONTROLEREN VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTIE OVEREENKOMSTIG PUNT 5.2.4 VAN BIJLAGE I

Bepaling van de fotometrische kenmerken van koplichten die zijn bemonsterd volgens de algemene voorschriften met betrekking tot de controle op de overeenstemming van de produktie, moet worden beperkt tot de punten HV — LH — RH — L 600 — R 600 (zie de afbeelding in aanhangsel 1).




Aanhangsel I

Fotometrische proeven voor koplichten met lampen van de categorieën S3 en S4

1.

Het meetscherm moet op een afstand van 10 m voor het koplicht worden geplaatst, loodrecht op de lijn die de gloeidraad voor het groot licht en punt HV verbindt (zie onderstaande afbeelding); de lijn H—H moet horizontaal lopen.

2.

VOORSCHRIFTEN BIJ DIMLICHT

2.1.

Het koplicht moet in het horizontale vlak zodanig gericht zijn dat de bundel zo symmetrisch mogelijk is ten opzichte van lijn V—V.

2.2.

Het koplicht moet in het verticale vlak zodanig gericht zijn dat de licht-donkerscheiding zich 100 mm onder lijn H—H bevindt.

2.3.

Wanneer het koplicht is afgesteld volgens bovenstaande punten 2.1 en 2.2, moeten de verlichtingswaarden als volgt zijn:

2.3.1.

op lijn H—H en daarboven: ten hoogste 2 lux;

2.3.2.

op een lijn gelegen 300 mm onder lijn H—H en over een breedte van 900 mm aan beide zijden van lijn V—V: tenminste 8 lux;

2.3.3.

op een lijn gelegen 600 mm onder lijn H—H en over een breedte van 900 mm aan beide zijden van lijn V—V: tenminste 4 lux.

3.

VOORSCHRIFTEN MET BETREKKING TOT HET GROOT LICHT (indien van toepassing)

3.1.

Indien afgesteld volgens bovenstaande punten 2.1 en 2.2 moet het koplicht aan de volgende eisen voldoen met betrekking tot het groot licht:

3.1.1.

Het snijpunt (HV) van lijnen H—H en V—V moet binnen de isoluxkromme liggen die 80 % van de maximum verlichtingssterkte aangeeft;

3.1.2.

de maximum verlichtingssterkte (Emax) van het groot licht mag niet minder bedragen dan 50 lux;

3.1.3.

beginnend vanuit punt HV moet de verlichtingssterkte van het groot licht tot 0,90 m naar links en naar rechts tenminste Emax/4 bedragen.

(afmetingen in mm op een afstand van 10 m)

image

Afbeelding




Aanhangsel 2

Fotometrische proeven voor koplichten met halogeenlampen van categorie HS2

1.

Het meetscherm moet op een afstand van 25 m voor het koplicht worden geplaatst, loodrecht op de lijn die de gloeidraad voor het groot licht en punt HV verbindt (zie onderstaande afbeelding); de lijn H—H moet horizontaal lopen.

2.

Het koplicht moet in het horizontale vlak zodanig gericht zijn dat de bundel ervan symmetrisch is ten opzichte van lijn V—V.

3.

Het koplicht moet in het verticale vlak zodanig gericht zijn dat de licht-donkerscheiding zich 250 mm onder lijn H—H bevindt. De licht-donkerscheiding moet zo veel mogelijk een horizontale lijn benaderen.

4.

Wanneer het koplicht is afgesteld volgens bovenstaande punten 2 en 3, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:



Meetpunt

Verlichtingssterkte E/lux

Elk punt op en boven lijn H—H

≤ 0,7

Elk punt op lijn 35 L—35 R met uitzondering van 35 V

≥ 1

Punt 35 V

≥ 2

Elk punt op lijn 25 L—25 R

≥ 2

Elk punt op lijn 15 L—15 R

≥ 0,5

5.

Meetscherm

MEETSCHERM

(afmetingen in mm op een afstand van 25 m)

image

Afbeelding




Aanhangsel 3

image




Aanhangsel 4

image




BIJLAGE III B

KOPLICHTEN VOOR MOTORFIETSEN EN DRIEWIELERS DIE EEN SYMMETRISCHE DIMLICHTBUNDEL EN GROOT LICHT UITSTRALEN DOOR MIDDEL VAN GLOEILAMPEN

1. AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE MERKEN EN OPSCHRIFTEN OP SPECIFIEKE INRICHTINGEN

1.1.

Koplichten moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar voorzien zijn van de letters „MB” (symbool voor groot licht) tegenover het goedkeuringsnummer.

1.2.

Op koplichten die zodanig geconstrueerd zijn dat het tegelijkertijd oplichten van de gloeidraad van het dimlicht en die van enige andere lichtbron waarmee zij kunnen zijn samengebouwd onmogelijk is, moet een schuine streep (/) zijn aangebracht na het symbool (MB) voor dimlicht in het goedkeuringsmerk.

1.3.

Op koplichten met een kunststoflens wordt bij het in punt 1.1 omschreven symbool de lettergroep „PL” aangebracht.

2. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

2.1.

Elk van de monsters moet voldoen aan de voorschriften van onderstaand punt 3.

2.2.

De koplichten moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks trillingen waaraan zij in dat geval blootgesteld kunnen zijn, goed blijven functioneren en de in deze richtlijn voorgeschreven eigenschappen blijven behouden.

2.2.1.

Koplichten moeten zijn uitgerust met een inrichting die het mogelijk maakt hen op het voertuig in te stellen volgens de hiervoor geldende regels. Dit type inrichting is niet vereist bij koplampeenheden die bestaan uit een reflector en lens die onscheidbaar zijn, mits het gebruik van eenheden van dit type beperkt is tot voertuigen waarbij de koplichten op een andere wijze worden ingesteld.

Als specifiek voor groot licht geconstrueerde koplichten en specifiek voor dimlicht geconstrueerde koplichten, die elk van een eigen lamp zijn voorzien, in een enkele inrichting gegroepeerd dan wel samengebouwd zijn, moet met de instelinrichting elk van de optische systemen apart kunnen worden afgesteld teneinde aan de voorgeschreven afstelling te voldoen.

2.2.2.

Deze bepalingen zijn evenwel niet van toepassing op samengebouwde koplichten waarvan de reflectoren onscheidbaar zijn. Voor deze koplichten gelden de eisen van punt 3.3. Wanneer voor het groot licht meer dan één lichtbron wordt gebruikt, worden alle lichtbronnen ingeschakeld om de maximumwaarde van de verlichtingssterkte (Emax) te bepalen.

2.3.

De delen die zijn bestemd om de gloeilamp aan de reflector te bevestigen moeten zodanig zijn geconstrueerd dat de lamp zelfs in het duister met absolute zekerheid alleen in haar juiste positie kan worden bevestigd.

2.4.

Aanvullende proeven volgens de voorschriften van aanhangsel 2 moeten worden uitgevoerd om te controleren of er geen buitensporige variaties in fotometrische prestaties optreden tijdens gebruik.

2.5.

Indien de koplichten een kunststoflens hebben, moeten verdere proeven worden verricht volgens de eisen van aanhangsel 3.

3. BIJZONDERE VOORSCHRIFTEN

3.1.

De juiste positie van de lens ten opzichte van het optische systeem moet duidelijk zijn aangegeven en op zijn plaats worden geborgd zodat rotatie tijdens het bedrijf niet mogelijk is.

3.2.

Teneinde de door een koplicht geproduceerde verlichtingssterkte te controleren wordt er gebruik gemaakt van een scherm als beschreven in aanhangsel 1 en van een gladde en kleurloze standaardlamp (S1 en/of S2, zie bijlage IV).

Standaardlampen moeten worden afgeregeld op de relevante referentielichtstroom die voldoet aan de waarden die voor zulke lampen zijn voorgeschreven.

3.3.

De dimlichtbundel moet op het scherm een zodanig duidelijke licht-donkerscheiding vertonen dat een goede afstelling met behulp van deze scheiding mogelijk is. De licht-donkerscheiding moet zo horizontaal en zo recht mogelijk zijn over een horizontale lengte van tenminste ± 5o. Bij afstelling volgens aanhangsel 1 moeten de koplichten voldoen aan de eisen van dat aanhangsel.

3.4.

Het beeld van de bundel mag geen zijdelingse variaties vertonen die een goede zichtbaarheid schaden.

3.5.

De verlichtingssterkten op het scherm waarnaar in punt 3.2 wordt verwezen, worden gemeten met behulp van een fotocel met een nuttig oppervlak dat valt binnen een vierkant met zijden van 65 mm.

4. AANVULLENDE EISEN BIJ CONTROLES DIE DOOR DE BEVOEGDE INSTANTIES KUNNEN WORDEN UITGEVOERD BIJ HET CONTROLEREN VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTIE OVEREENKOMSTIG PUNT 5.1 VAN BIJLAGE I

4.1.

Voor zone III mag de maximale ongunstige afwijking respectievelijk:

—0,3 lux equivalent 20 %

—0,45 lux equivalent 30 %.

—bedragen

4.2.

als bij groot licht HV binnen de isoluxkromme van 0,75 Emax is gelegen en bij de fotometrische waarden voor geen enkel in aanhangsel 1, punten 4.3 en 4.4, van deze richtlijn vermelde punten een tolerantie van + 20 % voor maximumwaarden en − 20 % voor minimumwaarden wordt overschreden.

4.3.

Met betrekking tot de controle van de verticale verschuiving van de licht/donkerscheiding als gevolg van warmte wordt de volgende procedure gehanteerd:

Een van de koplichten uit het monster wordt beproefd overeenkomstig de procedure van punt 2.1 van aanhangsel 2, nadat eerst driemaal achtereen de proefcyclus van punt 2.2.2 van aanhangsel 2 werd doorlopen.

Het koplicht wordt geacht te voldoen indien Δr ten hoogste 1,5 mrad bedraagt.

Indien deze waarde hoger is dan 1,5 mrad maar niet hoger dan 2,0 mrad wordt een tweede koplicht beproefd, waarna het gemiddelde van de bij beide beproefde lichten gemeten waarden ten hoogste 1,5 mrad mag bedragen.




Aanhangsel 1

Fotometrische proeven

1.

Voor het afstellen moet het relevante scherm tenminste 10 m voor het koplicht worden geplaatst. De lijn H—H moet dan horizontaal zijn. Voor de metingen moet de fotocel zich 25 m voor het koplicht bevinden en loodrecht staan op de lijn die de gloeidraad van de koplamp verbindt met punt HV.

2.

Het koplicht moet in het horizontale vlak zodanig gericht zijn dat de verdeling van de ongedimde lichtbundel symmetrisch is ten opzichte van lijn V—V.

3.

Het koplicht moet in het verticale vlak zodanig afgesteld zijn dat de licht-donkerscheiding van het dimlicht zich 250 mm onder lijn H—H bevindt (op een afstand van 25 m).

4.

Wanneer het koplicht is afgesteld volgens bovenstaande punten 2 en 3 moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan voor wat betreft het groot licht:

4.1.

het midden van de grootlichtbundel mag niet meer dan 0,6o boven of onder lijn H—H liggen;

4.2.

de verlichtingssterkte van de grootlichtbundel moet zijn maximumwaarde (Emax) bereiken in het midden van de gehele lichtbundel en moet naar beide zijden afnemen;

4.3.

de maximum verlichtingssterkte (Emax) van de grootlichtbundel moet tenminste 32 lux bedragen;

4.4.

de verlichtingssterkte van de grootlichtbundel moet aan de volgende waarden voldoen:

4.4.1.

snijpunt HV van de lijnen H—H en V—V moet zich bevinden binnen de isoluxkromme van 90 % van de maximum verlichtingssterkte;

4.4.2.

uitgaande van punt HV, horizontaal naar rechts en naar links, moet de verlichtingssterkte van de grootlichtbundel minstens 12 lux bedragen tot op een afstand van 1,125 m en niet minder dan 3 lux tot op een afstand van 2,25 m.

4.5.

de verlichtingssterkte van het dimlicht moet aan de volgende waarden voldoen:



Elk punt op en boven lijn H—H

≤ 0,7 lux

Elk punt op de lijn 50 L—50 R m.u.v. 50 V (1)

≥ 1,5 lux

Punt 50 V

≥ 3,0 lux

Elk punt op de lijn 25 L—25 R

≥ 3,0 lux

Elk punt binnen zone IV

≥ 1,5 lux

(1)

image

5.

MEET- EN AFSTELSCHERM

(afmetingen in mm voor een afstand van 25 m)

image




Aanhangsel 2

Stabiliteitsproef voor het fotometrische gedrag van koplichten in werking

Voldoen aan het gestelde in dit aanhangsel is niet voldoende voor de goedkeuring van koplichten met kunststoflenzen.

Zie aanhangsel 2 in bijlage III D




Aanhangsel 3

Voorschriften voor lampen met kunststoflenzen

Proeven voor lens- of materiaalmonsters en volledige lichten

Zie aanhangsel 3 in bijlage III D.




Aanhangsel 4

image




Aanhangsel 5

image




BIJLAGE III C

KOPLICHTEN VOOR MOTORFIETSEN EN DRIEWIELERS DIE EEN ASYMMETRISCHE DIMLICHTBUNDEL EN GROOT LICHT UITSTRALEN DOOR MIDDEL VAN HALOGEENGLOEILAMPEN (HS1-LAMPEN) OF GLOEILAMPEN VAN CATEGORIE R2

1. AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE MERKEN EN OPSCHRIFTEN OP INRICHTINGEN

1.1.

Bij koplichten die zodanig zijn geconstrueerd dat wordt voldaan aan de eisen van één soort verkeer (hetzij rechts, hetzij links), moeten op de lens de grenzen worden aangegeven van de zone die eventueel kan worden gemaskeerd teneinde te voorkomen dat gebruikers in een land waar op de andere zijde van de weg wordt gereden dan die waarvoor het koplicht is ontworpen, hiervan hinder ondervinden. Wanneer deze zone door de constructie evenwel direct herkenbaar is, is deze aanduiding niet noodzakelijk.

1.2.

Bij koplichten die zodanig zijn geconstrueerd dat zij voldoen aan de eisen van rechts verkeer en die van links verkeer, worden de twee standen waarin het optische systeem op het voertuig of de lamp ten opzichte van de reflector kan worden vergrendeld, aangeduid; deze aanduidingen bestaan uit de letters „R/D” voor rechts verkeer en de letters „L/G” voor links verkeer.

1.3.

Op koplichten die zodanig zijn geconstrueerd dat oplichten van de gloeidraad van het dimlicht tegelijkertijd met enige andere lichtbron waarmee deze samengebouwd kunnen zijn, onmogelijk is, moet binnen het goedkeuringsmerk een schuine streep (/) zijn aangebracht na het dimlichtsymbool.

1.4.

Op koplichten die uitsluitend voldoen aan de eisen voor links verkeer, wordt onder het goedkeuringsmerk een horizontale pijl aangebracht die gericht is naar de rechterzijde van een waarnemer die het licht van voren aanschouwt, dat wil zeggen naar de zijde van de weg waar het verkeer zich voortbeweegt.

1.5.

Op koplichten die door opzettelijke wijziging van de vergrendeling van het optisch systeem of de lamp voldoen aan de eisen van links en rechts verkeer, wordt onder het goedkeuringsmerk een horizontale pijl aangebracht die is voorzien van twee punten waarvan de ene naar links en de andere naar rechts is gericht.

1.6.

Op koplichten met HS1-lampen moeten de letters „MBH” tegenover het goedkeuringsnummer worden aangebracht.

1.7.

De hierboven vermelde merken en opschriften moeten duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn.

1.8.

Op koplichten met kunststoflenzen wordt naast de in de punten 1.2 tot en met 1.7 beschreven symbolen de lettergroep „PL” aangebracht.

2. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

2.1.

Elk van de monsters moet voldoen aan de voorschriften van de punten 3 tot en met 5 hieronder.

2.2.

De koplichten moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks trillingen waaraan zij in dat geval blootgesteld kunnen zijn, goed blijven functioneren en de in deze bijlage voorgeschreven eigenschappen blijven behouden.

2.2.1.

Koplichten moeten zijn voorzien van een inrichting waarmee ze zodanig ten opzichte van het voertuig kunnen worden ingesteld, dat ze aan de gestelde eisen voldoen. Genoemde inrichting hoeft niet aangebracht te zijn waar het een koplampeenheid betreft waarbij de lens en de reflector niet kunnen worden gescheiden, mits het gebruik van dergelijke eenheden wordt beperkt tot voertuigen waarbij de koplichten op een andere wijze kunnen worden afgesteld.

Als een koplicht met een eigen lamp voor groot licht en een koplicht met een eigen lamp voor dimlicht zijn gegroepeerd zodat ze een samengestelde eenheid vormen, dan moet met de afstelinrichting elk optisch systeem afzonderlijk op de juiste wijze kunnen worden afgesteld.

2.2.2.

Deze bepalingen zijn evenwel niet van toepassing op gegroepeerde koplichten waarvan de reflectoren niet kunnen worden gescheiden. In dat geval zijn de voorschriften van punt 2.3 van deze bijlage van toepassing. Wanneer meer dan één lichtbron het groot licht levert, moeten deze lichtbronnen samen worden ingeschakeld om de maximum verlichtingssterkte (Emax) te bepalen.

2.3.

De delen die zijn bestemd om de gloeilamp aan de reflector te bevestigen moeten zodanig zijn geconstrueerd dat de lamp zelfs in het duister met absolute zekerheid alleen in haar juiste positie kan worden bevestigd.

2.4.

De juiste positie van de lens ten opzichte van het optische systeem moet duidelijk zijn aangegeven en op zijn plaats worden geborgd zodat rotatie tijdens het bedrijf niet mogelijk is.

2.5.

Voor koplichten die zodanig zijn geconstrueerd dat zij zowel aan de eisen voor rechts verkeer als aan die voor links verkeer voldoen, kan de aanpassing aan een bepaald soort verkeer worden verkregen door een juiste beginafstelling bij de bouw van de voertuigen of door een corrigerende afstelling naderhand. Deze beginafstelling of deze corrigerende afstelling bestaat bijvoorbeeld in het bevestigen onder een bepaalde hoek, hetzij van het optisch systeem op het voertuig, hetzij van de lampen ten opzichte van het optisch systeem. In alle gevallen moeten uitsluitend twee duidelijk bepaalde verschillende bevestigingsstanden, die elk aan één soort verkeer (rechts of links) beantwoorden, mogelijk zijn en moet verstelling in een tussenstand onmogelijk zijn. Wanneer de lamp twee verschillende standen kan innemen, moeten de delen die zijn bestemd om de lamp aan de reflector te bevestigen zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat in elk van deze beide standen de lamp met dezelfde nauwkeurigheid wordt bevestigd als die welke vereist is voor koplichten die voor een enkel soort verkeer (rechts of links) zijn ontworpen. De controle op de overeenstemming wordt visueel verricht en indien nodig door middel van een proefopstelling.

2.6.

Om zich ervan te vergewissen dat tijdens het gebruik geen overmatige veranderingen in de fotometrische prestaties ontstaan, moeten aanvullende proeven als beschreven in aanhangsel 2 worden uitgevoerd.

2.7.

Indien de koplichten een kunststoflens hebben, moeten verdere proeven worden verricht volgens de eisen van aanhangsel 3.

3. VERLICHTINGSSTERKTE

3.1. Algemene voorschriften

3.1.1.

Koplichten moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij met de geschikte HS1- of R2-lampen bij dimlicht een lichtbundel uitstralen die niet verblindend is en toch voldoende verlichtingssterkte geeft en bij groot licht een goede verlichtingssterkte geven.

3.1.2.

Teneinde de door de koplichten geproduceerde verlichtingssterkte te controleren wordt gebruik gemaakt van een scherm dat verticaal op een afstand van 25 m vóór het koplicht wordt geplaatst als aangegeven in aanhangsel 1.

3.1.3.

Bij het controleren van de koplichten wordt gebruik gemaakt van een kleurloze standaardlamp die bestemd is voor een nominale spanning van 12 V. De spanning bij de contacten van de lamp tijdens het beproeven van het koplicht moet op de volgende karakteristieken worden ingesteld:



Categorie HS1

Verbruik in Watt

Lichtstroom in lumen

Gloeidraad dimlicht

image 35

450

Gloeidraad groot licht

image 35

700



Categorie R2

Verbruik in Watt

Lichtstroom in lumen

Gloeidraad dimlicht

image 40

450

Gloeidraad groot licht

image 45

700

Het koplicht wordt geacht te voldoen als het voldoet aan de voorschriften van punt 3 met tenminste één standaardlamp die bij het koplicht geleverd mag worden.

3.1.4.

De afmetingen die de positie van de gloeidraden binnen de HS1 of R2-standaardlamp bepalen zijn beschreven in bijlage IV.

3.1.5.

Het glas van de standaardgloeilamp moet een zodanige vorm en optische eigenschappen bezitten dat dit een minimum aan weerkaatsing of breking veroorzaakt die negatieve gevolgen hebben voor de lichtverdeling.

3.2. Voorschriften met betrekking tot het dimlicht

3.2.1.

De dimlichtbundel moet een zodanig duidelijke licht-donkerscheiding vertonen dat een goede afstelling met behulp van deze scheiding mogelijk is. De licht-donkerscheiding moet aan de zijde tegengesteld aan de verkeersrichting waarvoor het koplicht is bestemd, een horizontale lijn zijn. Aan de andere zijde mag de licht-donkerscheiding zich niet verder uitstrekken dan de onderbroken lijn HV H1 en H4 gevormd door een lijn HV H1 onder een hoek van 45o met de horizontaal en een lijn H1 H4, 1 % verschoven ten opzichte van lijn hh, of lijn HV H3 onder een naar boven gerichte hoek van 15o met deze horizontale lijn (zie aanhangsel 1). In geen geval is een licht-donkerscheiding toegestaan die zich uitstrekt voorbij zowel lijn HV H2 als lijn H2 H4 en resulteert uit de combinatie van de twee voorgaande mogelijkheden.

3.2.2.

Het koplicht moet zodanig zijn afgesteld dat:

3.2.2.1.

voor koplichten die zijn ontworpen om te voldoen aan de eisen van rechts verkeer, de licht-donkerscheiding op de linkerhelft van het scherm horizontaal is en voor koplichten die zijn ontworpen om te voldoen aan de eisen van links verkeer, de licht-donkerscheiding op de rechterhelft van het scherm horizontaal is. Het scherm moet voldoende breed zijn om de licht-donkerscheiding over tenminste 5o aan elke zijde van de lijn vv te controleren;

3.2.2.2.

dit horizontale deel van de licht-donkerscheiding zich, op het scherm, op 25 cm bevindt beneden het horizontale vlak dat door het brandpunt van het koplicht loopt (zie aanhangsel 1);

3.2.2.3.

de punt van de licht-donkerscheiding bevindt zich op lijn vv. Als de bundel een licht-donkerscheiding zonder duidelijke „elleboog” heeft, moet de breedte-instelling zodanig uitgevoerd worden dat het best wordt tegemoetgekomen aan de verlichtingseisen die van toepassing zijn op punten 75 R en 50 R voor rechts verkeer en punten 75 L en 50 L voor links verkeer.

3.2.3.

Wanneer het koplicht op deze wijze is afgesteld, moet het koplicht voldoen aan de voorschriften van de punten 3.2.5 tot en met 3.2.7 en 3.3.

3.2.4.

Indien een op bovengenoemde wijze afgesteld koplicht niet aan de voorschriften van de punten 3.2.5 tot en met 3.2.7 en 3.3 voldoet, is het toegestaan de afstelling te wijzigen, mits de as van de bundel niet meer dan 1o (= 44 cm) zijdelings naar links of rechts wordt verplaatst. Deze afwijkende afstellimiet van 1o naar links of rechts is niet strijdig met een afwijkende verticale afstelling die uitsluitend beperkt wordt door de voorschriften van punt 3.3. Het horizontale deel van de licht-donkerscheiding mag evenwel niet voorbij de lijn hh komen. Om de instelling met behulp van de licht-donkerscheiding te vergemakkelijken mag het koplicht gedeeltelijk worden bedekt teneinde een duidelijker scheiding te verkrijgen.

3.2.5.

De verlichtingssterkte van de dimlichtbundel op het scherm moet aan de voorschriften van de volgende tabel voldoen:



Meetpunten op het scherm

Vereiste verlichtingssterkte in lux

Koplicht voor rechts verkeer

Koplicht voor links verkeer

Punt

B 50 L

Punt

B 50 R

≤ 0,3

Punt

B 75 R

Punt

B 75 L

≥ 6

Punt

B 50 R

Punt

B 50 L

≥ 6

Punt

B 25 L

Punt

B 25 R

≥ 1,5

Punt

B 25 R

Punt

B 25 L

≥ 1,5

Elk punt binnen zone III

≤ 0,7

Elk punt binnen zone IV

≥ 2

Elk punt binnen zone I

≤ 20

3.2.6.

In geen van de zones I, II, III en IV mogen er zijdelingse verschillen in verlichtingssterkte zijn die een goede zichtbaarheid schaden.

3.2.7.

Koplichten die zijn ontworpen om zowel aan de eisen van rechts verkeer als aan de eisen van links verkeer te voldoen, moeten voor elk van de beide standen van de vergrendeling van het optisch systeem of van de lamp voldoen aan de hierboven vermelde voorschriften voor het verkeer overeenkomende met de desbetreffende stand van de vergrendeling.

3.3. Voorschriften met betrekking tot het groot licht

3.3.1.

De verlichtingssterkte van het groot licht op het scherm wordt gemeten bij dezelfde instelling van het koplicht als voor de metingen die in de punten 3.2.5 tot en met 3.2.7 hierboven zijn beschreven.

3.3.2.

De verlichtingssterkte van het groot licht op het scherm moet aan de volgende voorschriften voldoen:

3.3.2.1.

Snijpunt HV waar de lijnen hh en vv elkaar snijden moet zich bevinden binnen de isoluxkromme van 90 % van de maximale verlichtingssterkte. Deze maximale waarde (Emax) mag niet lager zijn dan 32 lux. De waarde mag de 240 lux niet overschrijden.

3.3.2.2.

Uitgaande van punt HV, horizontaal naar rechts en naar links, moet de verlichtingssterkte minstens gelijk zijn aan 16 lux tot op een afstand van 1,125 m en minstens gelijk aan 4 lux tot een afstand van 2,25 m.

3.4.

De in de punten 3.2.5 tot en met 3.2.7 en 3.3 vermelde verlichtingssterkten worden gemeten met behulp van een fotocel met een nuttig oppervlak, dat valt binnen een vierkant met zijden van 65 mm.

4. STANDAARDKOPLICHT

Onder „standaardkoplicht” wordt verstaan een koplicht:

4.1.

dat voldoet aan de bovengenoemde goedkeuringsvoorwaarden;

4.2.

dat een effectieve diameter heeft van minstens 160 mm;

4.3.

dat met een standaardlamp op de verschillende punten en in de verschillende zones, als bedoeld in punt 3.2.5, verlichtingssterkten geeft;

4.3.1.

die ten hoogste gelijk zijn aan 90 % van de maximumgrenswaarden en

4.3.2.

die minstens gelijk zijn aan 120 % van de minimumgrenswaarden, zoals deze zijn voorgeschreven in de tabel van punt 3.2.5.

5. AANVULLENDE EISEN BIJ CONTROLES DIE DOOR DE BEVOEGDE INSTANTIES KUNNEN WORDEN UITGEVOERD BIJ HET CONTROLEREN VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTIE OVEREENKOMSTIG PUNT 5.1 VAN BIJLAGE I

5.1.

Voor de waarden B 50 L (of R) en Zone III mag de maximale afwijking respectievelijk



— B 50 L (of R):

0,2 lux equivalent 20 %

0,3 lux equivalent 30 %

— Zone III:

0,3 lux equivalent 20 %

0,45 lux equivalent 30 %

bedragen.

5.2.

Bij dimlicht worden de in deze richtlijn vereiste waarden bereikt in HV (met een tolerantie van 0,2 lux) en bij dezelfde afstelling op tenminste een punt binnen elk gebied dat op het meetscherm (op 25 m) begrensd wordt door een cirkel met een diameter van 15 cm rond de punten B 50 L (of R) (met een tolerantie van 0,1 lux), 75 R (of L), 50 R (of L), 25 R, 25 L en in gehele zone IV tot 22,5 cm boven lijn 25 R en 25 L.

5.2.1.

Als bij grootlicht HV binnen de isoluxkromme van 0,75 Emax licht en bij de fotometrische waarden voor geen enkel in punt 3.2.5 van deze bijlage vermelde meetpunt een tolerantie van + 20 % voor maximumwaarden en − 20 % voor minimumwaarden wordt overschreden, wordt het referentiemerk niet in aanmerking genomen.

5.3.

Indien de resultaten van de hierboven genoemde proeven niet aan de eisen voldoen, mag het koplicht anders worden ingesteld op voorwaarde dat de as van de lichtbundel zijdelings niet meer dan 1o naar links of rechts wordt verplaatst.

5.4.

Koplichten met zichtbare defecten worden niet in aanmerking genomen.

5.5.

Het referentiemerk wordt niet in aanmerking genomen.




Aanhangsel 1

Meetscherm

UNIFORME EUROPESE BUNDEL

Koplicht voor rechts verkeer (30)

image

(afmetingen in mm)




Aanhangsel 2

Stabiliteitsproeven voor het fotometrische gedrag van koplichten in werking

Voldoen aan de voorschriften is niet voldoende voor de goedkeuring van koplichten met kunststoflenzen.

Zie aanhangsel 2 in bijlage III D.




Aanhangsel 3

Voorschriften voor lampen met kunststoflenzen proeven voor lens- of materiaalmonsters en volledige lichten

Zie aanhangsel 3 in bijlage III D.




Aanhangsel 4

image




Aanhangsel 5

image




BIJLAGE III D

KOPLICHTEN VOOR MOTORFIETSEN EN DRIEWIELERS DIE EEN ASYMMETRISCHE DIMLICHTBUNDEL EN GROOT LICHT UITSTRALEN DOOR MIDDEL VAN ANDERE HALOGEENGLOEILAMPEN DAN HS1-LAMPEN

1. AANVULLENDE VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE MERKEN EN OPSCHRIFTEN OP INRICHTINGEN

1.1.

Bij koplichten die zodanig zijn geconstrueerd dat wordt voldaan aan de eisen van één soort verkeer (hetzij rechts, hetzij links), moeten op de lens de grenzen worden aangegeven van de zone die eventueel kan worden gemaskeerd ten einde te voorkomen dat gebruikers in een land waar op de andere zijde van de weg wordt gereden dan die waarvoor het koplicht is ontworpen, hiervan hinder ondervinden. Wanneer deze zone door de constructie evenwel direct herkenbaar is, is deze aanduiding niet noodzakelijk.

1.2.

Bij koplichten die zodanig zijn geconstrueerd dat zij voldoen aan de eisen van rechts verkeer en die van links verkeer, worden de twee standen waarin het optische systeem op het voertuig of de lamp ten opzichte van de reflector kan worden vergrendeld, aangeduid; deze aanduidingen bestaan uit de letters „R/D” voor rechts verkeer en de letters „L/G” voor links verkeer.

1.3.

Op koplichten die zodanig zijn geconstrueerd dat oplichten van de gloeidraad van het dimlicht tegelijkertijd met enige andere lichtbron waarmee deze samengebouwd kunnen zijn, onmogelijk is, moet binnen het goedkeuringsmerk een schuine streep (/) zijn aangebracht na het dimlichtsymbool.

1.4.

Op koplichten die uitsluitend voldoen aan de eisen voor links verkeer, wordt onder het goedkeuringsmerk een horizontale pijl aangebracht die gericht is naar de rechterzijde van een waarnemer die het licht van voren aanschouwt, dat wil zeggen naar de zijde van de weg waar het verkeer zich voortbeweegt.

1.5.

Op koplichten die door opzettelijke wijziging van de vergrendeling van het optisch systeem of de lamp voldoen aan de eisen van links en rechts verkeer, wordt onder het goedkeuringsmerk een horizontale pijl aangebracht die is voorzien van twee punten waarvan de ene naar links en de andere naar rechts is gericht.

1.6.

Het (de) aanvullende symbool (symbolen):

1.6.1.

op koplichten die uitsluitend voldoen aan de eisen voor links verkeer, een horizontale pijl die gericht is naar de rechterzijde van een waarnemer die het licht van voren aanschouwt, d.w.z. naar de wegzijde waar het verkeer zich voortbeweegt;

1.6.2.

op koplichten die zijn ontworpen om door de juiste wijziging van de instellingen van het optische systeem of de gloeilamp te voldoen aan de eisen van zowel links als rechts verkeer, een horizonale pijl met aan elk uiteinde een punt waarvan de ene naar links en de andere naar rechts is gericht;

1.6.3.

op koplichten die uitsluitend voor dimlicht aan de eisen van deze richtlijn voldoen, de letters „HC”;

1.6.4.

op koplichten die alleen voor groot licht aan de eisen van deze richtlijn voldoen, de letters „HR”;

1.6.5.

op koplichten die zowel voor dimlicht als voor groot licht aan de eisen van deze richtlijn voldoen, de letters „HCR”;

1.6.6.

op koplichten met een kunststoflens wordt naast de in de punten 1.6.3 tot en met 1.6.5 voorgeschreven symbolen de lettergroep „PL” aangebracht.

2. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

2.1.

Elk van de monsters moet voldoen aan de voorschriften van de punten 6 tot en met 8 hieronder.

2.2.

De koplichten moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks trillingen waaraan zij in dat geval blootgesteld kunnen zijn, goed blijven functioneren en de in deze bijlage voorgeschreven eigenschappen blijven behouden.

2.2.1.

Koplichten moeten zijn voorzien van een inrichting waarmee ze zodanig ten opzichte van het voertuig kunnen worden ingesteld, dat ze aan de gestelde eisen voldoen. Genoemde inrichting hoeft niet aangebracht te zijn waar het een koplampeenheid betreft waarbij de lens en de reflector niet kunnen worden gescheiden, mits het gebruik van dergelijke eenheden wordt beperkt tot voertuigen waarbij de koplichten op een andere wijze kunnen worden afgesteld. Als een koplicht met een eigen lamp voor groot licht en een koplicht met een eigen lamp voor dimlicht zijn gegroepeerd zodat ze een samengestelde eenheid vormen, dan moet met de afstelinrichting elk optisch systeem afzonderlijk op de juiste wijze kunnen worden afgesteld. Deze bepalingen zijn evenwel niet van toepassing op gegroepeerde koplichten waarvan de reflectoren niet van elkaar kunnen worden gescheiden. In dat geval zijn de voorschriften van punt 6 van deze bijlage van toepassing.

2.3.

De delen die zijn bestemd om de gloeilamp(en) aan de reflector te bevestigen moeten zodanig zijn geconstrueerd dat de lamp(en) zelfs in het duister met absolute zekerheid alleen in de juiste positie kan (kunnen) worden bevestigd (31) (32).

De gloeilamphouder moet voldoen aan de voorgeschreven afmetingen volgens onderstaande gegevensstaten van CIE-publikatie 61-2:



Gloeilampen

Houder

Gegevensstaat

H1

P 14.5s

7005.46.3

H2

X 5111

7005.99.2

H3

PK 22s

7005.47.1

HB3

P 20d

7005.31.1

HB4

P 22d

7005.32.1

H7

PX 26d

7005.5.1

H4

P43t-38

7005.39.2

2.4.

Voor koplichten die zodanig zijn geconstrueerd dat zij zowel aan de eisen voor rechts verkeer als aan die voor links verkeer voldoen, kan de aanpassing aan een bepaald soort verkeer worden verkregen door een juiste beginafstelling bij de bouw van de voertuigen of door een corrigerende afstelling naderhand. Deze beginafstelling of deze corrigerende afstelling bestaat bijvoorbeeld in het bevestigen onder een bepaalde hoek, hetzij van het optisch systeem op het voertuig, hetzij van de lampen ten opzichte van het optisch systeem. In alle gevallen moeten uitsluitend twee duidelijk bepaalde verschillende bevestigingsstanden, die elk aan één soort verkeer (rechts of links) beantwoorden, mogelijk zijn en moet verstelling in een tussenstand onmogelijk zijn. Wanneer de lamp twee verschillende standen kan innemen, moeten de delen die zijn bestemd om de lamp aan de reflector te bevestigen zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat in elk van deze beide standen de lamp met dezelfde nauwkeurigheid wordt bevestigd als die welke vereist is voor koplichten die voor een enkel soort verkeer (rechts of links) zijn ontworpen. De controle op de overeenstemming wordt visueel verricht en indien nodig door middel van een proefopstelling.

2.5.

Alleen voor koplichten met enkele halogeengloeilampen:

Bij koplichten die bestemd zijn om afwisselend een grootlichtbundel en een dimlichtbundel uit te stralen, moet een eventuele mechanische, elektromechanische of andere inrichting die in het koplicht is ingebouwd om van de ene bundel op de andere over te schakelen (33), zo zijn geconstrueerd dat:

2.5.1.

de inrichting sterk genoeg is om 50 000 keer te werken zonder schade te ondergaan, ondanks de trillingen waaraan zij bij normaal gebruik kan zijn blootgesteld;

2.5.2.

het bij een defect mogelijk is automatisch dimlichtbundel te verkrijgen;

2.5.3.

steeds hetzij de dimlichtbundel hetzij de grootlichtbundel kan worden verkregen zonder enige mogelijkheid dat het mechanisme tussen beide standen in blijft staan;

2.5.4.

de gebruiker niet met gewone werktuigen de vorm of stand van de bewegende delen kan veranderen.

2.6.

Overeenkomstig aanhangsel 2 worden er aanvullende proeven uitgevoerd om te controleren dat er bij gebruik geen te grote verandering in de fotometrische prestaties optreedt.

2.7.

Als de lens van het koplicht van kunststof is, moeten er proeven worden uitgevoerd overeenkomstig de eisen in aanhangsel 3.

3. VERLICHTINGSSTERKTE

3.1. Algemene voorschriften

3.1.1.

Koplichten moeten zodanig zijn geconstrueerd dat zij met de geschikte H1-, H2-, H3-, HB3-, HB4-, H7- en/of H4-lampen bij dimlicht een lichtbundel uitstralen die niet verblindend is en toch voldoende verlichtingssterkte geeft en bij groot licht een goede verlichtingssterkte geven.

3.1.2.

Teneinde de door de koplichten geproduceerde verlichtingssterkte te controleren wordt gebruik gemaakt van een scherm dat verticaal op een afstand van 25 m vóór het koplicht wordt geplaatst als aangegeven in aanhangsel 1.

3.1.3.

Bij het controleren van de koplichten wordt gebruik gemaakt van een kleurloze standaardlamp die bestemd is voor een nominale spanning van 12 V. De spanning bij de contacten van de lamp tijdens het beproeven van het koplicht moet op de volgende karakteristieken worden ingesteld:



Gloeilampen

Voedingsspanning (in V) bij de metingen (bij benadering)

Lichtstroom in lumen

H1

12

1 150

H2

12

1 300

H3

12

1 100

HB3

12

1 300

HB4

12

825

H7

12

1 100

H4

dimlicht

12

750

groot licht

12

1 250

Het koplicht wordt geacht te voldoen als het voldoet aan de voorschriften van punt 3 met tenminste één 12-volt standaard(referentie)lamp, die bij het koplicht geleverd mag worden.

3.1.4.

De afmetingen die de positie van de gloeidraden binnen de 12-volt standaard(referentie)lamp bepalen zijn beschreven in de desbetreffende gegevensstaat van bijlage 4.

3.1.5.

Het glas van de standaard(referentie)gloeilamp moet een zodanige vorm en optische eigenschappen bezitten dat dit een minimum aan weerkaatsing of breking veroorzaakt die negatieve gevolgen hebben voor de lichtverdeling. Dit wordt gecontroleerd door de lichtverdeling te meten wanneer een standaardkoplicht is uitgerust met de standaard(referentie)lamp.

3.2. Voorschriften met betrekking tot het dimlicht

3.2.1.

De dimlichtbundel moet een zodanig duidelijke lichtonderscheiding vertonen dat een goede afstelling met behulp van deze scheiding mogelijk is. De licht-donkerscheiding moet aan de zijde tegengesteld aan de verkeersrichting waarvoor het koplicht is bestemd, een horizontale rechte zijn. Aan de andere zijde mag de licht-donkerscheiding zich niet verder uitstrekken dan de onderbroken lijn HV H1 en H4 gevormd door een rechte HV H1 onder een hoek van 45o met de horizontaal en een rechte H1 H4, 25 cm boven rechte hh, of rechte HV H3 onder een naar boven gerichte hoek van 15o met deze horizontale lijn (zie aanhangsel 1). In geen geval is een licht-donkerscheiding toegestaan die zich uitstrekt voorbij zowel lijn HV H2 als lijn H2 H4 en resulteert uit de combinatie van de twee voorgaande mogelijkheden.

3.2.2.

Het koplicht moet zodanig zijn afgesteld dat:

3.2.2.1.

voor koplichten die zijn ontworpen om te voldoen aan de eisen van rechts verkeer, de licht-donkerscheiding op de linkerhelft van het scherm (34) horizontaal is en voor koplichten die zijn ontworpen om te voldoen aan de eisen van links verkeer, de licht-donkerscheiding op de rechterhelft van het scherm horizontaal is.

3.2.2.2.

dit horizontale deel van licht-donkerscheiding zich 25 cm onder lijn hh bevindt (zie aanhangsel 1);

3.2.2.3.

de „elleboog” van de licht-donkerscheiding bevindt zich op lijn vv (35).

3.2.3.

Wanneer het koplicht op deze wijze is afgesteld en de goedkeuring uitsluitend aangevraagd wordt voor een dimlichtbundel (36), moet het koplicht uitsluitend aan de voorschriften van de punten 3.2.5 t/m 3.2.7 en 3.3 voldoen.

3.2.4.

Indien een op bovengenoemde wijze afgesteld koplicht niet aan de voorschriften van de punten 3.2.5 t/m 3.2.7 en 3.3 voldoet, is het toegestaan de afstelling te wijzigen, mits de as van de bundel zijdelings niet meer dan 1o (= 44 cm) naar links of rechts wordt verplaatst (37). Om de instelling met behulp van de licht-donkerscheiding te vergemakkelijken, mag het koplicht gedeeltelijk worden bedekt teneinde een duidelijker licht-donkergrens te verkrijgen.

3.2.5.

De verlichtingssterkte van de dimlichtbundel op het scherm moet aan de voorschriften van de volgende tabel voldoen:



Meetpunten op het scherm

Vereiste verlichtingssterkte in lux

Koplicht voor rechts verkeer

Koplicht voor links verkeer

Punt

B 50 L

Punt

B 50 R

≤ 0,4

Punt

B 75 R

Punt

B 75 L

≥ 12

Punt

B 75 L

Punt

B 75 R

≤ 12

Punt

B 50 L

Punt

B 50 R

≤ 15

Punt

B 50 R

Punt

B 50 L

≥ 12

Punt

B 50 V

Punt

B 50 V

≥ 6

Punt

B 25 L

Punt

B 25 R

≥ 2

Punt

B 25 R

Punt

B 25 L

≥ 2

Elk punt binnen zone III

≤ 0,7

Elk punt binnen zone IV

≥ 3

Elk punt binnen zone I

≤ 2 × (E50 R of E50 L) (1)

(1)E50 R en E50 L zijn de gemeten verlichtingssterkten.

3.2.6.

In geen van de zones I, II, III en IV mogen er zijdelingse verschillen in verlichtingssterkte zijn die een goede zichtbaarheid schaden.

3.2.7.

De in afbeelding C in bijlage IV vermelde verlichtingswaarden in de zones A en B worden gecontroleerd door meting van de fotometrische waarden in de punten 1 t/m 8 op deze afbeelding; deze waarden moeten liggen binnen de volgende grenzen:

—0,7 lux ≥ 1, 2, 3, 7 ≥ 0,1 lux

—0,7 lux ≥ 4, 5, 6, 8 ≥ 0,2 lux.

3.2.8.

Koplichten die zijn ontworpen om zowel aan de eisen van rechts verkeer als aan de eisen van links verkeer te voldoen, moeten voor elk van de beide standen van de vergrendeling van het optisch systeem of van de lamp voldoen aan de hierboven vermelde voorschriften voor het verkeer overeenkomende met de desbetreffende stand van de vergrendeling.

3.3. Voorschriften met betrekking tot het groot licht

3.3.1.

Bij koplichten die ontworpen zijn voor het uitstralen van dimlicht en groot licht wordt de verlichtingssterkte van de grootlichtbundel op het scherm gemeten met dezelfde instelling van het koplicht als voor de metingen in de punten 3.2.5 tot en met 3.2.7 hierboven is beschreven. Koplichten met alleen groot licht worden zo ingesteld dat de zone van de maximale verlichtingssterkte gecentreerd wordt op het snijpunt van de lijnen hh en vv. Deze koplichten hoeven alleen maar aan de voorschriften van punt 3.3 te voldoen.

3.3.2.

De verlichtingssterkte van het groot licht op het scherm moet aan de volgende voorschriften voldoen:

3.3.2.1.

snijpunt HV van de lijnen hh en vv moet zich bevinden binnen de isoluxkromme van 90 % van de maximale verlichtingssterkte. Deze maximale waarde (Emax) mag niet lager liggen dan 48 lux. De maximale waarde mag in geen geval de 240 lux overschrijden. Bovendien mag dit maximum bij een koplicht voor gecombineerd dim- en groot licht niet meer dan 16 maal de in punt 75 R (of 75 L) gemeten verlichtingssterkte van de dimlichtbundel bedragen;

3.3.2.1.1.

de maximale lichtsterkte (lmax) van het groot licht uitgedrukt in duizendste cd wordt berekend door middel van de volgende formule:

lmax = 0,625 Emax;

3.3.2.1.2.

het in punt 1.6 hierboven vermelde referentiemerk (l′max) waarmee deze maximumlichtsterkte wordt aangegeven wordt verkregen door middel van de formule:

image

;

deze waarde wordt afgerond op de dichtstbijzijnde van de volgende waarden: 7,5; 10; 12,5; 17,5; 20; 25; 27,5; 30; 37,5; 40; 45; 50;

3.3.2.2.

uitgaande van punt HV, horizontaal naar rechts en naar links, moet de verlichtingssterkte tenminste gelijk zijn aan 24 lux tot een afstand van 1,125 m en tenminste gelijk zijn aan 6 lux tot een afstand van 2,25 m.

3.4.

De in de punten 3.2.5 tot en met 3.2.7 en 3.3 vermelde verlichtingssterkten worden gemeten met behulp van een fotocel met een nuttig oppervlak dat valt binnen een vierkant met zijden van 65 mm.

4. METING VAN DE HINDER

De hinder ten gevolge van het dimlicht van koplichten wordt geijkt.

5. STANDAARDKOPLICHT

5.1.

Onder standaardkoplicht wordt verstaan een koplicht:

5.1.1.

dat voldoet aan bovengenoemde goedkeuringsvoorwaarden;

5.1.2.

dat een effectieve diameter heeft van minstens 160 mm;

5.1.3.

dat met een standaardlamp op de verschillende punten en in de verschillende zones bedoeld in punt 3.2.5 verlichtingssterkten geeft:

5.1.3.1.

die ten hoogste gelijk zijn aan 90 % van de maximale grenswaarden en

5.1.3.2.

die tenminste gelijk zijn aan 120 % van de minimale grenswaarden, voorgeschreven in de tabel van punt 3.2.5.

6. AANVULLENDE EISEN BIJ CONTROLES DIE DOOR DE BEVOEGDE INSTANTIES KUNNEN WORDEN UITGEVOERD BIJ HET CONTROLEREN VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTIE OVEREENKOMSTIG PUNT 5.1 VAN BIJLAGE I

6.1.

Voor de waarden B 50 L (of R) en Zone III mag de maximale afwijking respectievelijk



— B 50 L (of R):

0,2 lux equivalent 20 %

0,3 lux equivalent 30 %

— Zone III:

0,3 lux equivalent 20 %

0,45 lux equivalent 30 %

bedragen.

6.2.

Bij dimlicht worden de in deze richtlijn vereiste waarden bereikt in HV (met een tolerantie van 0,2 lux) en bij dezelfde afstelling tenminste één punt binnen het gebied dat op het meetscherm (op 25 m) begrensd wordt door een cirkel met een diameter van 15 cm rond de punten B 50 L (of R) (met een tolerantie van 0,1 lux), 75 R (of L), 50 R (of L), 25 R, 25 L en in gehele zone IV tot 22,5 cm boven lijn 25 R en 25 L.

6.2.1.

Als bij groot licht HV binnen de isoluxkromme van 0,75 Emax licht en bij de fotometrische waarden voor geen enkel in punt 3.2.5 van deze bijlage vermelde meetpunten een tolerantie van + 20 % voor maximumwaarden en − 20 % voor minimumwaarden wordt overschreden, wordt het referentiemerk niet in aanmerking genomen.

6.3.

Indien de resultaten van de hierboven genoemde proeven niet aan de eisen voldoen mag het koplicht anders worden ingesteld op voorwaarde dat de as van de lichtbundel zijdelings niet meer dan 1o naar links of rechts wordt verplaatst.

6.4.

Koplichten met zichtbare defecten worden niet in aanmerking genomen.

6.5.

Het referentiemerk wordt niet in aanmerking genomen.




Aanhangsel 1

Meetscherm

Uniforme Europese Bundel

A. Koplicht voor rechts verkeer

image

(afmetingen in mm)

B. Koplicht voor links verkeer

image

(afmetingen in mm)

C. Meetpunten verlichtingssterkte

image

NB:

Afbeelding C toont de meetpunten voor rechts verkeer. Voor links verkeer verschuiven de punten 7 en 8 naar de overeenkomstige punten aan de rechterkant van de afbeelding.




Aanhangsel 2

Stabiliteitsproeven voor het fotometrische gedrag van koplichten in werking

PROEVEN VOOR COMPLETE KOPLICHTEN

Als eenmaal de fotometrische metingen uitgevoerd zijn als vereist in deze bijlage voor het punt Emax voor groot licht en de punten HV, 50 R, B 50 L voor dimlicht (of HV, 50 L, B 50 R voor koplichten bestemd voor links verkeer), moet een exemplaar van het complete koplicht onderworpen worden aan een proef op het fotometrisch gedrag in bedrijf. Onder „compleet koplicht” wordt verstaan het gehele koplicht zelf, met inbegrip van de omringende onderdelen en lichten die van invloed kunnen zijn op de warmteafvoer.

1. PROEF OP DE STABILITEIT VAN HET FOTOMETRISCHE GEDRAG

De proef moet worden uitgevoerd in een droge, rustige atmosfeer bij een omgevingstemperatuur van 23 oC ± 5 oC, waarbij het complete koplicht moet zijn bevestigd aan een steun die de werkelijke bevestiging aan het voertuig voorstelt.

1.1. Schoon koplicht

Het koplicht moet gedurende twaalf uur op in punt 1.1.1 aangegeven wijze branden en gecontroleerd worden zoals voorgeschreven in punt 1.1.2.

1.1.1. Proeven

Men laat het koplicht voor de voorgeschreven duur op de volgende wijze branden:

1.1.1.1.

a)indien een enkele verlichtingsfunctie (groot licht of dimlicht) moet worden goedgekeurd, laat men betreffende gloeidraad de vereiste tijd branden (38);

b)indien het een samengebouwd dimlicht en groot licht betreft (lamp met dubbele gloeidraad of twee lampen met gloeidraad):

—indien de aanvrager verklaart dat het koplicht bedoeld is voor gebruik met slechts één brandende gloeidraad (39), wordt de proef dienovereenkomstig uitgevoerd en laat men elk van beide lichtbronnen gedurende de helft van de in punt 1.1 aangegeven tijd branden (39) ;

—in alle andere gevallen (39)(39) wordt het koplicht voor de voorgeschreven duur aan de volgende cyclus onderworpen:

—15 minuten, gloeidraad van het dimlicht ontstoken

—5 minuten, alle gloeidraden ontstoken;

c)alle afzonderlijke lichtbronnen die gegroepeerd zijn, moeten tegelijkertijd branden gedurende de voor de afzonderlijke lichtbronnen voorgeschreven tijd, a) waarbij tevens rekening wordt gehouden met de wijze van gebruik van de samengebouwde lichtbronnen, b) in overeenstemming met de instructies van de fabrikant.

1.1.1.2.

Proefspanning

De spanning moet worden ingesteld op 90 % van het maximumvermogen dat voor de betreffende gloeilampen in bijlage IV is opgegeven. Het gebruikte vermogen komt in alle gevallen overeen met de overeenkomstige waarde van voor een 12 volt-gloeilamp geschikte spanning, behalve als de indiener van de aanvraag om goedkeuring opgeeft dat het koplicht bij een andere spanning gebruikt mag worden. In dat geval wordt de proef uitgevoerd met de lamp met het hoogste vermogen.

1.1.2. Resultaten van de proeven

1.1.2.1.

Visuele controle

Als de temperatuur van het koplicht zich heeft gestabiliseerd op de omgevingstemperatuur, wordt de lens van het koplicht en, indien aanwezig, de buitenlens van het koplicht met een schone, vochtige katoenen doek gereinigd. Bij de visuele controle daarna mogen geen vertekeningen, vervormingen, barsten of veranderingen van de kleur van de lens van het koplicht of van de eventueel aanwezige buitenlens zijn opgetreden.

1.1.2.2.

Fotometrische proef

De fotometrische waarden worden overeenkomstig de voorschriften van deze bijlage op de volgende punten gecontroleerd:

Dimlicht:

—50 R — B 50 L — HV indien de koplichten voor rechts verkeer zijn ontworpen;

—50 L — B 50 R — HV indien de koplichten voor links verkeer zijn ontworpen.

Groot licht:

—Punt van Emax.

—Er mag een nieuwe afstelling plaatsvinden ter compensatie van vervorming door warmte van de koplichtsteunen (zie voor het verschuiven van de licht-donkerscheiding punt 2).

—Tussen de fotometrische eigenschappen en de waarden die voor de proef zijn gemeten, is een afwijking van 10 % toegestaan, met inbegrip van de afwijkingen ten gevolge van de meetmethode.

1.2. Vervuilde koplichten

Nadat het koplicht op de in punt 1.1 voorgeschreven wijze is beproefd, wordt het geprepareerd als beschreven in punt 1.2.1. Vervolgens laat men het gedurende een uur branden zoals beschreven in punt 1.1.1, waarna het wordt gecontroleerd volgens de methode van punt 1.1.2.

1.2.1. Prepareren van het koplicht

1.2.1.1.

Mengsel voor de beproeving

Het mengsel van water en vuil dat op het koplicht moet worden aangebracht, bestaat uit negen gewichtsdelen kiezelzand met een korrelgrootte tussen 0 en 100 µm, één gewichtsdeel plantaardig kolenstof met een korrelgrootte tussen 0 en 100 µm, 0,2 gewichtsdelen NaCMC (40) en een passende hoeveelheid gedestilleerd water met een soortelijke geleiding van minder dan mS/m.

Het mengsel mag niet ouder zijn dan 14 dagen.

1.2.1.2.

Aanbrengen van het proefmengsel op het koplicht

Het proefmengsel wordt gelijkmatig op het gehele lichtuitvalsvlak van het koplicht aangebracht waarna men het laat drogen. Deze handeling wordt herhaald tot de verlichtingssterkte op elk van de volgende punten is teruggelopen tot een waarde tussen 15 en 20 % van de waarde die is gemeten onder de in dit aanhangsel beschreven omstandigheden:

—Emax groot licht voor een koplicht met dimlicht/groot licht,

—Emax groot licht voor een koplicht met alleen groot licht,

—50 R en 50 V (41) voor een koplicht met alleen dimlicht dat voor rechts verkeer is ontworpen,

—50 L en 50 V voor een koplicht met alleen dimlicht dat voor links verkeer is ontworpen.

1.2.1.3.

Meetapparatuur

De meetapparatuur moet gelijkwaardig zijn aan de apparatuur die gebruikt is voor de goedkeuringsproeven met de koplichten. Voor de fotometrische controle wordt gebruik gemaakt van een referentiegloeilamp.

2. CONTROLE VAN DE VERTICALE VERSCHUIVING VAN DE LICHT-DONKERSCHEIDING ALS GEVOLG VAN WARMTE

Er moet gecontroleerd worden of de verticale verschuiving van de licht-donkerscheiding van een brandend dimlicht als gevolg van warmte een voorgeschreven waarde niet overschrijdt.

Na de in punt 1 beschreven proeven te hebben ondergaan wordt het koplicht aan de in punt 2.1 beschreven proef onderworpen zonder van zijn steunen te zijn losgenomen en zonder te zijn bijgesteld.

2.1. Proef

De proef moet worden uitgevoerd in een droge, rustige atmosfeer bij een omgevingstemperatuur van 23 oC ± 5 oC.

Een gloeilamp uit de massaproduktie die al minstens een uur heeft gebrand wordt in de dimlichtstand ontstoken zonder van zijn steun te zijn losgenomen en zonder ten opzichte hiervan bijgesteld te zijn. (Voor deze proef moet de spanning worden ingesteld op de in punt 1.1.1.2 voorgeschreven wijze). De positie van het horizontale deel van de licht-donkerscheiding (tussen VV en de verticale lijn door punt B 50 L bij koplichten die voor rechts verkeer zijn ontworpen of punt B 50 R bij koplichten voor links verkeer) wordt drie minuten (r3), respectievelijk 60 minuten (r60) na het inschakelen gecontroleerd.

Meting van de verschuiving van de licht-donkerscheiding als hierboven beschreven mag geschieden volgens elke willekeurige methode die voldoende nauwkeurigheid en reproduceerbare resultaten biedt.

2.2. Resultaat van de proef

Het resultaat wordt uitgedrukt in milliradialen (mrad) en wordt alleen als acceptabel beschouwd wanneer de bij het koplicht gemeten absolute waarde Δ

image

1,0 mrad bedraagt (Δr1 ≤ 1,0 mrad).

2.2.1.

Als deze waarde 1,0 mrad evenwel te boven gaat maar 1,5 mrad niet overschrijdt (1,0 mrad < Δr1 ≤ 1,5 mrad), moet er een tweede koplicht worden beproefd als beschreven in punt 2.1 na drie keer de hieronder beschreven cyclus te hebben doorlopen. Dit laatste dient om de positie van de mechanische onderdelen van het koplicht te stabiliseren op de steun die een goede weergave is van de juiste installatie op het voertuig.

—Dimlicht ontstoken gedurende een uur (bij spanning als omschreven in punt 1.1.1.2).

—Dimlicht gedurende een uur uitgeschakeld.

Het type koplicht wordt als aanvaardbaar beschouwd als het gemiddelde van de absolute waarden Δr1, gemeten bij het eerste monster, en Δr11, gemeten bij het tweede monster, een waarde van 1,0 mrad niet overschrijdt.

image




Aanhangsel 3

Voorschriften voor lampen met kunststoflenzen

Proeven voor lens- of materiaalmonsters en volledige lichten

1. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

1.1.

De overeenkomstig de voorschriften van punt 2.4 van bijlage I geleverde monsters moeten voldoen aan de voorschriften van de punten 2.1 tot en met 2.5 hieronder.

1.2.

De twee overeenkomstig punt 2.3 van bijlage I geleverde lichten met kunststoflenzen moeten wat het materiaal van de lenzen betreft, voldoen aan de voorschriften als beschreven in punt 2.6 hieronder.

1.3.

De monsters van kunststoflenzen of materiaalmonsters worden, indien van toepassing met de reflector waarop zij moeten worden bevestigd, onderworpen aan de goedkeuringsproeven in de in tabel A van aanhangsel 3.1 vermelde chronologische volgorde.

1.4.

Als de koplichtfabrikant echter kan aantonen dat het produkt de proeven voorgeschreven in de punten 2.1 tot en met 2.5 hieronder of de gelijkwaardige proeven krachtens een andere richtlijn reeds heeft doorlopen, hoeven deze proeven niet herhaald te worden; in dat geval zijn alleen de proeven voorgeschreven in aanhangsel 3.1, tabel B, verplicht.

2. PROEVEN

2.1. Bestandheid tegen temperatuurwisselingen

2.1.1. Proeven

Drie nieuwe monsters (lenzen) worden onderworpen aan vijf dynamische cycli van temperatuur- en vochtigheidswisseling (RH = relatieve vochtigheid) volgens het volgende programma:

—3 uur bij 40 oC ± 2 oC en 85-95 procent RH;

—1 uur bij 23 oC ± 5 oC en 60-75 procent RH;

—15 uur bij −30 oC ± 2 oC;

—1 uur bij 23 oC ± 5 oC en 60-75 procent RH;

—3 uur bij 80 oC ± 2 oC;

—1 uur bij 23 oC ± 5 oC en 60-75 procent RH.

Voor deze proef worden de monsters gedurende tenminste vier uur bewaard bij een temperatuur van 23 oC ± 5 oC en 60-75 procent RH.

Noot:

Bij de perioden van één uur op 23 oC ± 5 oC zijn inbegrepen de perioden voor de overgang van de ene temperatuur naar een andere temperatuur die nodig zijn om een thermische schok te voorkomen.

2.1.2. Fotometrische metingen

2.1.2.1.

Meetmethode

Voor en na de tests worden op de monsters fotometrische metingen verricht. Voor deze metingen wordt gebruik gemaakt van een referentielamp, met als meetpunten:

B 50 L en 50 R voor de dimlichtbundel van een koplicht voor dimlicht of een koplicht voor dim- en grootlicht (B 50 R en 50 L in het geval van koplichten voor links verkeer) of B 50 en 50 R/L voor een symmetrische dimlichtbundel;

Emax route voor de grootlichtbundel van een koplicht voor grootlicht of een koplicht voor dim- en groot licht;

HV en Emax zone D voor een voormistlicht.

2.1.2.2.

Resultaten

De verschillen tussen de voor en de na de proef aan elk monster gemeten fotometrische waarden mogen niet meer dan 10 procent bedragen, met inbegrip van de toleranties van de fotometrische methode.

2.2. Bestandheid tegen verwering en chemicaliën

2.2.1. Bestandheid tegen verwering

Drie nieuwe monsters (lenzen of materiaalmonsters) worden blootgesteld aan straling van een bron waarvan de spectrale energieverdeling gelijk is aan die van een zwart lichaam bij een temperatuur tussen 5 500 en 6 000 K. Tussen bron en monsters worden filters geplaatst om stralingen met golflengtes kleiner dan 295 nm of groter dan 2 500 nm zoveel mogelijk te beperken. De monsters worden zo lang blootgesteld aan een energetische verlichtingssterkte van 1 200 W/m2 ± 200 W/m2 dat de totale lichtenergie die zij ontvangen gelijk is aan 4 500 MJ/m2 ± 200 MJ/m2. Binnen de opstelling bedraagt de temperatuur gemeten op het zwarte vlak dat zich op gelijke hoogte met de monsters bevindt 50 oC ± 5 oC. Ter verkrijging van een gelijkmatige blootstelling draaien de monsters met een snelheid tussen 1 en 5 omwentelingen per minuut rond de stralingsbron.

De monsters worden besproeid met gedestilleerd water met een soortelijke elektrische geleiding van minder dan 1 mS/m op een temperatuur van 23 oC ± 5 oC volgens de volgende cyclus:



— besproeiing:

5 minuten

— drogen:

25 minuten.

2.2.2. Bestandheid tegen chemicaliën

Na de proef als omschreven in punt 2.2.1 hierboven en de meting als beschreven in punt 2.2.3.1 hieronder wordt de buitenkant van diezelfde monsters behandeld als omschreven in punt 2.2.2.2 met het in punt 2.2.2.1 hieronder omschreven mengsel.

2.2.2.1.

Proefmengsel

Het proefmengsel bestaat uit 61,5 % n-heptaan, 12,5 % tolueen, 7,5 % ethyltetrachloride, 12,5 % trichloorethyleen en 6 % xyleen (volumeprocenten).

2.2.2.2.

Aanbrengen van het proefmengsel

Een katoenen doek (volgens ISO 105) wordt verzadigd met het in punt 2.2.2.1 hierboven omschreven mengsel en vervolgens binnen 10 seconden voor de duur van 10 minuten aangebracht op de buitenkant van het monster onder een druk van 50 N/cm2, hetgeen overeenkomt met een kracht van 100 N op een proefoppervlak van 14 × 14 mm.

Gedurende deze 10 minuten wordt de doek opnieuw met het mengsel doordrenkt zodat de samenstelling van de aangebrachte vloeistof voortdurend gelijk is aan die van het voorgeschreven proefmengsel.

Gedurende de tijd dat de doek op het monster is aangebracht, mag de druk op het monster gecompenseerd worden om barsten te voorkomen.

2.2.2.3.

Reiniging

Nadat de doek is verwijderd worden de monsters in de open lucht gedroogd en vervolgens bij een temperatuur van 23 oC ± 5 oC gewassen met de in punt 2.3 (Bestandheid tegen reinigingsmiddelen) beschreven oplossing.

Vervolgens worden de monsters bij een temperatuur van 23 oC ± 5 oC zorgvuldig gespoeld met gedestilleerd water dat niet meer dan 0,2 procent verontreiniging bevat en daarna met een zachte doek afgeveegd.

2.2.3. Resultaten

2.2.3.1.

Na het beproeven van de bestandheid tegen verwering mag de buitenkant van de monsters geen scheuren, krassen, schilfers of vervorming vertonen en mag het verschil in lichtdoorlating

image

,

gemeten aan de drie monsters overeenkomstig de procedure van aanhangsel 3.2 bij deze bijlage, niet meer bedragen dan 0,020 (Δtm ≤ 0,020).

2.2.3.2.

Na de beproeving van de bestandheid tegen chemicaliën mogen de monsters geen sporen van chemische aantasting vertonen waardoor verschillen kunnen ontstaan in de verstrooiing van de lichtbundel, waarvan het gemiddelde verschil

image

,

gemeten aan de drie monsters volgens de procedure van aanhangsel 3.2 bij deze bijlage niet meer mag bedragen dan 0,020 (Δdm ≤ 0,020).

2.3. Bestandheid tegen reinigingsmiddelen en koolwaterstoffen

2.3.1. Bestandheid tegen reinigingsmiddelen

De buitenkant van de drie monsters (lenzen of materiaalmonsters) wordt verwarmd tot 50 oC ± 5 oC en vijf minuten ondergedompeld gehouden in een op 23 oC ± 5 oC gehouden mengsel dat bestaat uit 99 delen gedestilleerd water met niet meer dan 0,02 % onzuiverheden en één deel alkylarylsulfonaat.

Na de proef worden de monsters bij 50 oC ± 5 oC gedroogd. De opervlakte van de monsters wordt gereinigd met een vochtige doek.

2.3.2. Bestandheid tegen koolwaterstoffen

De buitenkant van de drie zelfde monsters worden vervolgens gedurende één minuut licht ingewreven met een in een mengsel van 70 % n-heptaan en 30 % tolueen (volumeprocenten) gedrenkte katoenen doek en daarna in de open lucht gedroogd.

2.3.3. Resultaten

Na de twee hierboven genoemde opeenvolgende proeven mag het gemiddelde verschil in lichtdoorlating

image

,

gemeten aan de drie monsters volgens de procedure van aanhangsel 3.2 bij deze bijlage niet meer bedragen dan 0,010 (Δtm ≤ 0,010).

2.4. Bestandheid tegen mechanische slijtage

2.4.1. Proefprocedure voor mechanische slijtage

De buitenkant van de drie nieuwe monsters (lenzen) wordt onderworpen aan de uniforme mechanische-slijtageproef volgens de in aanhangsel 3.3 bij deze bijlage beschreven methode.

2.4.2. Resultaten

Na deze proef worden de verschillen:

in lichtdoorlating:

f

image

en

in verstrooiing:

image

in de in punt 2.2.4 hierboven omschreven zone gemeten volgens de in aanhangsel 3.2 bij deze bijlage beschreven procedure. De gemiddelde waarde van de drie monsters moet zodanig zijn dat:

—Δtm ≤ 0,100

—Δdm ≤ 0,050.

2.5. Beproeving van de hechting van eventuele coatings

2.5.1. Voorbereiding van het monster

Op het beklede deel van de lens wordt met een scheermes of een naald op een oppervlakte van 20 × 20 mm een rooster van vierkanten van ongeveer 2 × 2 mm gekrast. De druk op het snijblad of de naald moet voldoende zijn om tenminste door de coating te snijden.

2.5.2. Beschrijving van de proef

Gebruik plakband met een kleefkracht van 2 N per strekkende cm ± 20 % gemeten onder de standaardvoorwaarden omschreven in aanhangsel 3.4 bij deze bijlage. Dit plakband moet tenminste 25 mm breed zijn en gedurende tenminste 5 minuten op de als in punt 2.5.1 omschreven voorbewerkte oppervlakte gedrukt worden.

Dan wordt het einde van het plakband zo belast dat de kleefkracht op de beschermde oppervlakte wordt tegengegaan door een kracht loodrecht op die oppervlakte. Vervolgens wordt het plakband losgetrokken met een constante snelheid van 1,5 m/s ± 0,2 m/s.

2.5.3. Resultaten

Het roosterpatroon mag geen duidelijke beschadiging vertonen. Beschadigingen op de snijpunten tussen de vierkanten of op de randen van de insnijdingen zijn wel toegestaan, mits de beschadigde zone niet meer dan 15 % van de roosteroppervlakte bedraagt.

2.6. Beproeving van het complete koplicht met een kunststoflens

2.6.1. Bestandheid tegen mechanische slijtage van het lensoppervlak

2.6.1.1.

Proeven

De lens van koplichtmonster nr. 1 wordt onderworpen aan de in punt 2.4.1 hierboven beschreven proef.

2.6.1.2.

Resultaten

Na de proef mogen de resultaten van de fotometrische metingen die overeenkomstig deze richtlijn op het koplicht worden verricht de voorgeschreven maximumwaarden in punt B 50 L en punt HV met niet meer dan 30 % overschrijden en niet meer dan 10 % lager liggen dan de voorgeschreven minimumwaarden in punt 75 R (voor koplichten voor links verkeer betreft het de punten B 50 R, HV en 75 L). In het geval van een symmetrische dimlichtbundel worden de punten B 50 en H genomen.

2.6.2. Beproeving van de hechting van eventuele coatings

De lens van koplichtmonster nr. 2 wordt onderworpen aan de in punt 2.5 hierboven omschreven proef.

3. CONTROLE VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTIE

3.1.

Met betrekking tot de materialen die gebruikt worden voor de vervaardiging van de lenzen, worden de lichten uit een serie geacht aan deze richtlijn te voldoen indien:

3.1.1.

na de proef op bestandheid tegen chemicaliën en de proef op bestandheid tegen reinigingsmiddelen en koolwaterstoffen de buitenkant van de monsters geen met het blote oog zichtbare barsten, schilfers of vervorming vertoont (zie de punten 2.2.2, 2.3.1 en 2.3.2);

3.1.2.

na de proef beschreven in punt 2.6.1.1 de fotometrische waarden op de in punt 2.6.1.2 vermelde meetpunten binnen de voorgeschreven grenzen voor de overeenstemming van produktie van deze richtlijn liggen.

3.2.

Als de proefresultaten niet aan de voorschriften voldoen worden de proeven herhaald met willekeurig gekozen andere koplichten.




Aanhangsel 3.1

Chronologische volgorde van de goedkeuringsproeven

A.

Proeven op kunststof (overeenkomstig de voorschriften van punt 2.4 van bijlage I geleverde lenzen of materiaalmonsters)



Proeven

Lenzen of materiaalmonsters

Lenzen

Monsters

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

12

13

1.1.Beperkte fotometrie(punt 2.1.2)

x

x

x

1.1.1.Temperatuurwisseling (punt 2.1.1)

x

x

x

1.2.Beperkte fotometrie(punt 2.1.2)

x

x

x

1.2.1.Meting van de lichtdoorlating

x

x

x

x

x

x

x

x

x

1.2.2.Meting van de verstrooiing

x

x

x

x

x

x

1.3.Verwering (punt 2.2.1)

x

x

x

1.3.1.Meting van de lichtdoorlating

x

x

x

1.4.Chemicaliën (punt 2.2.2)

x

x

x

1.4.1.Meting van de verstrooiing

x

x

x

1.5.Reinigingsmiddelen (punt 2.3.1)

x

x

x

1.6.Koolwaterstoffen (punt 2.3.2)

x

x

x

1.6.1.Meting van de lichtdoorlating

x

x

x

1.7.Slijtage (punt 2.4.1)

x

x

x

1.7.1.Meting van de lichtdoorlating

x

x

x

1.7.2.Meting van de verstrooiing

x

x

x

1.8.Hechting (punt 2.5)

x

B.

Proeven met volledige koplichten (verstrekt ingevolge punt 1.2.3 van bijlage I)



Proeven

Compleet koplicht

Monster nr.

1

2

2.1.Slijtage (punt 2.6.1.1)

x

2.2.Fotometrie (punt 2.6.1.2)

x

2.3.Hechting (punt 2.6.2)

x




Aanhangsel 3.2

Methode voor de meting van de verstrooiing en doorlating van licht

1. APPARATUUR (zie figuur)

De bundel van een collimator K met een halve divergentie van

image

wordt begrensd door een diafragma DT met een opening van 6 mm, waartegen de proefstand is geplaatst.

Een convergente achromatische lens L2, gecorrigeerd voor sferische aberraties, verbindt diafragma DT met de receptor R; de diameter van de lens L2 moet zodanig zijn dat het door het monster in een kegel met een halve tophoek van

image

verstrooide licht niet wordt gediafragmeerd.

In een beeldbrandvlak van de lens L2 wordt een ringvormig diafragma DD met hoeken

image

en

image

geplaatst.

Het niet-transparente centrale deel van het diafragma is nodig om het licht dat rechtstreeks van de lichtbron komt te elimineren. Het moet mogelijk zijn het centrale deel van het diafragma op zodanige wijze uit de lichtbundel te verwijderen dat het exact naar zijn oorspronkelijke positie kan terugkeren.

De afstand L2 DT en de brandpuntafstand F2 (42) van de lens L2 moeten zo worden gekozen dat het beeld van DT de receptor R volledig bedekt.

Wanneer de oorspronkelijke invallende lichtstroom op 1 000 eenheden wordt gesteld, moet de absolute nauwkeurigheid van iedere meetwaarde beter dan 1 eenheid zijn.

2. METINGEN

De volgende metingen worden verricht:



Waarde

met monster

met centraal deel van DD

Gemeten grootte

T1

nee

nee

Invallende lichtstroom bij beginmeting

T2

ja

(vóór proef)

nee

Door het nieuwe materiaal doorgelaten lichtstroom in een veld van 24 oC

T3

ja

(na proef)

nee

Door het beproefde materiaal doorgelaten lichtstroom in een veld van 24 oC

T4

ja

(vóór proef)

ja

Door het nieuwe materiaal verstrooide lichtstroom

T5

ja

(na proef)

ja

Door het beproefde materiaal verstrooide lichtstroom

image




Aanhangsel 3.3

Spuitproefmethode

1. PROEFAPPARATUUR

1.1. Spuitpistool

Er moet een spuitpistool met een spuitmond van 1,3 mm diameter worden gebruikt, dat een vloeistofstroom van 0,24 ± 0,02 l/minuut geeft bij een bedrijfsdruk van 6,0 bar + 0,5 bar.

Onder die bedrijfsomstandigheden moet op een afstand van 380 mm ± 10 mm van de spuitmond een waaierpatroon van 170 mm ± 50 mm diameter op het aan slijtage blootgestelde oppervlak worden verkregen.

1.2. Proefmengsel

Het proefmengsel bestaat uit:

—kiezelzand met een hardheid van 7 op de schaal van Mohs, met een korrelgrootte tussen 0 en 0,2 mm en een vrijwel normale distributie, en een hoekfactor van 1,8 tot 2;

—water met een hardheid van niet meer dan 205 g/m3 voor een mengsel van 25 g zand per liter water.

2. PROEF

Het buitenoppervlak van de lamplenzen wordt eenmaal of meermaals aan de werking van de bovenbeschreven zandstraal blootgesteld. De straal moet bijna loodrecht op het te beproeven oppervlak worden gericht.

De slijtage wordt gecontroleerd met een of meer glasmonsters die als referentie bij de te beproeven lenzen worden geplaatst. Het mengsel wordt gespoten totdat de met de in aanhangsel 2 beschreven methode gemeten verandering in de lichtverstrooiing op het monster of de monsters zodanig is dat:

image

Er mogen verscheidene referentiemonsters worden gebruikt om te controleren dat het gehele te beproeven oppervlak homogeen gesleten is.




Aanhangsel 3.4

Hechtingsproef met kleefband

1. DOEL

Met deze methode wordt de lineaire adhesiekracht van kleefband op een glasplaat onder standaardomstandigheden bepaald.

2. PRINCIPE

Meting van de kracht die nodig is om een kleefband onder een hoek van 90o van een glasplaat te trekken.

3. ATMOSFERISCHE OMSTANDIGHEDEN

De proef wordt verricht bij een temperatuur van 23 oC ± 5 oC en een relatieve vochtigheid (RH) van 65 ± 15 procent.

4. PROEFSTUKKEN

Voor de proef wordt de te beproeven kleefbandrol gedurende 24 uur in de aangegeven atmosfeer (zie punt 3) geconditioneerd.

Van elke rol worden vijf proefstukken van elk 400 mm lengte beproefd. Alvorens die proefstukken van de rol worden gehaald, worden de eerste drie windingen weggegooid.

5. WERKWIJZE

De proef wordt onder de in punt 3 aangegeven omgevingsomstandigheden verricht.

Neem de vijf proefstukken terwijl de band radiaal wordt afgerold met een snelheid van ongeveer 300 mm/s, en breng ze binnen 15 seconden op de volgende wijze aan:

—breng de band geleidelijk op de glasplaat aan met een lichte wrijfbeweging van de vinger in de lengterichting, zonder al te veel te drukken, en wel zo dat er geen luchtbellen tussen de band en de glasplaat blijven;

—laat het geheel gedurende 10 minuten in de aangegeven atmosferische omstandigheden;

—maak ongeveer 25 mm van het proefstuk los van de plaat in een vlak, loodrecht op de as van het teststuk;

—zet de plaat vast en vouw het vrije uiteinde van de band 90o om. Oefen kracht uit op zodanige wijze dat de scheidingslijn tussen de band en de plaat loodrecht op die kracht staat en loodrecht op de plaat;

—trek los met een snelheid van 300 mm/s en registreer de benodigde kracht.

6. RESULTATEN

De vijf verkregen waarden worden gerangschikt en de mediaanwaarde geldt als meetresultaat. Die waarde wordt uitgedrukt in Newton per centimeter bandbreedte.




Aanhangsel 4

image




Aanhangsel 5

image




BIJLAGE IV

GLOEILAMPEN VOOR GEBRUIK IN GOEDGEKEURDE LICHTEN VOOR BROMFIETSEN, MOTORFIETSEN EN DRIEWIELERS



Aanhangsel 1

Gloeilampen van categorie R2

Aanhangsel 2

Gloeilampen van categorie H1

Aanhangsel 3

Gloeilampen van categorie H2

Aanhangsel 4

Gloeilampen van categorie H3

Aanhangsel 5

Gloeilampen van categorie H4

Aanhangsel 6

Gloeilampen van categorie HS1

Aanhangsel 7

Gloeilampen van categorie HB3

Aanhangsel 8

Gloeilampen van categorie HB4

Aanhangsel 9

Gloeilampen van categorie H7

Aanhangsel 10

Gloeilampen van categorie HS2

Aanhangsel 11

Gloeilampen van de categorieën S1 en S2

Aanhangsel 12

Gloeilampen van categorie S3

Aanhangsel 13

Gloeilampen van categorie S4

Aanhangsel 14

Gloeilampen van categorie P21W

Aanhangsel 15

Gloeilampen van categorie P21/5W

Aanhangsel 16

Gloeilampen van categorie R5W

Aanhangsel 17

Gloeilampen van categorie R10W

Aanhangsel 18

Gloeilampen van categorie T4W

Aanhangsel 19

Gloeilampen van categorie C5W

Aanhangsel 20

Gloeilampen van categorie C21W

Aanhangsel 21

Gloeilampen van categorie W3W

Aanhangsel 22

Gloeilampen van categorie W5W

Aanhangsel 23

Voorbeeld van de plaatsing van het goedkeuringsmerk

Aanhangsel 24

Lichtcentrum en vorm van de gloeidraden

1. AANVRAAG OM TYPEGOEDKEURING VAN EEN GLOEILAMP ALS ONDERDEEL

1.1.

De aanvraag om typegoedkeuring van een gloeilamp als onderdeel die wordt ingediend overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 92/61/EEG moet bovendien de volgende gegevens bevatten:

1.1.1.

tekeningen in drievoud met voldoende details voor de identificatie van het type;

1.1.2.

een korte technische beschrijving;

1.1.3.

vijf exemplaren van iedere kleur waarvoor een aanvraag is ingediend.

1.2.

In het geval van een type gloeilamp dat slechts qua handelsnaam of merk verschilt van een reeds goedgekeurd type kan worden volstaan met het verstrekken van:

1.2.1.

een verklaring van de fabrikant van de lamp dat het verstrekte type identiek is (behalve de handelsnaam of het merk) met het reeds goedgekeurde type en door dezelfde fabrikant geproduceerd is, waarbij dat reeds goedgekeurde type wordt geïdentificeerd aan de hand van de goedkeuringscode;

1.2.2.

twee exemplaren die de nieuwe handelsnaam of het nieuwe merk dragen.

2. VERDERE VOORSCHRIFTEN VOOR HET KENMERKEN VAN EN DE MERKEN OP GLOEILAMPEN

2.1.

Bij gloeilampen die voor typegoedkeuring worden voorgelegd moet op de voet of het glas van de lamp het volgende vermeld zijn (in het tweede geval mogen de lichteigenschappen niet ongunstig worden beïnvloed):

2.1.1.

de handelsnaam of het merk van de aanvragen;

2.1.2.

de nominale spanning;

2.1.3.

de internationale aanduiding van de toepasselijke categorie;

2.1.4.

het nominale vermogen (in de volgorde hoofdgloeidraad/secundaire gloeidraad voor lampen met dubbele gloeidraad); dit behoeft niet apart te worden vermeld indien het deel uitmaakt van de internationale aanduiding van de toepasselijke gloeilampcategorie;

2.1.5.

voldoende ruimte voor het aanbrengen van het goedkeuringsmerk.

2.2.

De in punt 2.1.5 genoemde ruimte wordt aangegeven in de tekeningen die de aanvraag om typegoedkeuring vergezellen.

2.3.

Andere dan de onder punt 2.1 vallende opschriften mogen worden aangebracht, mits zij de lichteigenschappen niet ongunstig beïnvloeden.

3. TYPEGOEDKEURING VAN EEN GLOEILAMP ALS ONDERDEEL

3.1.

Indien alle overeenkomstig de punten 1.1.3 of 1.2.2 verstrekte exemplaren van een type gloeilamp voldoen aan de eisen van deze bijlage, wordt typegoedkeuring verleend.

3.2.

Een merk voor de typegoedkeuring als onderdeel overeenkomstig de bepalingen van artikel 8 van Richtlijn 92/61/EEG wordt aangebracht in de in punt 2.1.5 bedoelde ruimte.

3.3.

Aanhangsel 23 bij deze bijlage geeft een voorbeeld van de plaatsing van het goedkeuringsmerk.

4. TECHNISCHE EISEN

4.1.

Van toepassing zijn de technische eisen van de punten 2.1 en 3 van VN-ECE-reglement 37, die zijn geconsolideerd in het volgende document:

—Revision 2 incorporating the 02 and 03 series of amendments, Corrigendum 2 and supplements 1 to 9 to the 03 series of amendments.

5. OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUKTIE

5.1.

Volgens deze bijlage goedgekeurde gloeilampen worden zodanig vervaardigd dat zij voldoen aan de kenmerkingsvoorschriften en de technische eisen van de punten 2.1, 3.2 en 4 en van de toepasselijke aanhangsels bij deze bijlage en dientengevolge in overeenstemming zijn met het goedgekeurde type.

5.2.

Om na te gaan of aan de eisen van punt 5.1 is voldaan worden controles verricht als beschreven in punt 4 en de bijlagen 6, 7, 8 en 9 van VN-ECE-Reglement 37, als nader aangeduid in punt 4.1.

5.3.

De typegoedkeuring die overeenkomstig deze bijlage wordt verleend voor een type gloeilamp kan worden ingetrokken, indien niet wordt voldaan aan de eisen van de punten 5.1 en 5.2, of indien een gloeilamp die een goedkeuringsmerk draagt niet in overeenstemming is met het goedgekeurde type.




Aanhangsel 1

Categorie R2

BLAD R2/1

image

(43)

(44)

(45)

De tekeningen dienen alleen ter illustratie van de hoofdafmetingen van de gloeilamp.



Elektrische en fotometrische kenmerken

Gloeilampen uit seriefabricage

Referentiegloeilamp

Nominale waarden

Volt

6 (1)

12 (1)

24 (1)

12 (1)

Watt

45

40

45

40

55

50

45

40

Proefspanning

Volt

6,3

13,2

28

13,2

Normale waarden

Watt

53

max.

47

max.

57

max.

51

max.

76

max.

69

max.

52 + 0 %

− 10 %

46 ± 5 %

Lichtstroom 1 m

720

min.

570

± 15 %

860

min.

675

± 15 %

1 000

min.

860

± 15 %

Standaardlichtstroom bij ± 12 V

700

450

(1)De linker- en rechterwaarden staan voor de gloeidraad van respectievelijk het grootlicht en het dimlicht.

BLAD R2/2

Positie en afmetingen van afscherming en gloeidraden

image

De tekeningen houden geen verplichtingen voor het ontwerp van de afscherming en gloeidraden in

BLAD R2/3



Positie en maten van gloeidraden en afscherming (1)

Maten in mm

Tolerantie

Gloeilampen uit seriefabricage

Referentiegloeilamp

6 V

12 V

24 V

12 V

a

0,60

± 0,35

± 0,15

b1/30,0 (2)

b1/33,0

0,20

b1/30,0 mw (3)

± 0,35

± 0,15

b2/30,0 (2)

b2/33,0

0,20

b2/30,0 mw (3)

± 0,35

± 0,15

c/30,0 (2)

c/33,0

0,50

c/30,0 mw (3)

± 0,30

± 0,15

e

6 V, 12 V

24 V

28,5

28,8

± 0,35

± 0,15

f

6 V, 12 V

24 V

1,8

2,2

± 0,40

± 0,20

g

0

± 0,50

± 0,30

h/30,0 (2)

h/33,0

0

h/30,0 mw (3)

± 0,50

± 0,30

1/2 (p—q)

0

± 0,60

± 0,30

lc

5,5

± 1,50

± 0,50

γ (4)

15o nom.

Lampvoet P45t-41 overeenkomstig CIE-Publikatie 61 (blad 7004-95-4)

(1)De positie en de maten van de afscherming en gloeidraden worden met de meetmethoden van CIE-Publikatie 809 gecontroleerd.

(2)Te meten op de in mm achter de streep aangegeven afstand van het referentievlak.

(3)mw = meetwaarde.

(4)De hoek γ is alleen voor het ontwerp van de afscherming en behoeft bij eindproductgloeilampen niet te worden gecontroleerd.




Aanhangsel 2

Categorie H1

BLAD H1/1

image

(Maten in millimeter)

De tekeningen zijn slechts bedoeld ter illustratie van de hoofdafmetingen van de gloeilamp.

BLAD H1/2



Maten in mm

Toleranties

Gloeilampen uit seriefabricage

Referentiegloeilamp

6 V

12 V

24 V

b

0,7 f

e (5) (9)

25,0

(8)

± 0,15

f (5) (9)

6 V

4,5

± 1,0

12 V

5,0

± 0,5

+ 0,5

0

24 V

5,5

± 1,0

g (6)

0,5 d (7)

± 0,5 d

± 0,25 d

h1

0

(8)

± 0,20 (4)

h2

(8)

± 0,25 (4)

ε

45o

± 12o

± 3o

Lampvoet P14, 5e volgens CIE-publikatie 61 (blad 7004-46-1)

ELEKTRISCHE EN FOTOMETRISCHE KENMERKEN

Nominale waarden

Volt

6

12

24

12

Watt

55

70

55

Proefspanning

Volt

6,3

13,2

28,0

Normale waarden

Watt

max.

63

max.

68

max.

84

max.

68 à 13,2 V

Lichtstroom lm

1 350

1 550

1 900

± %

15

Standaardlichtstroom voor koplichtproeven: 1 150 lm bij ongeveer 12 V

BLAD H1/3

Noten:

(1) De referentie-as is de loodlijn op het referentievlak door het punt dat bepaald wordt door de met (1) aangegeven maten.

(2) Beide stroomtoevoerende elektroden moeten binnen in de lamp zijn, met de langste boven de gloeidraad (wanneer de lamp wordt gezien als getoond in de tekening). De inwendige constructie van de lamp moet zodanig zijn dat zwerflichtbeelden en reflecties zo veel mogelijk beperkt worden, bijvoorbeeld door koelmantels aan te brengen rond niet-spiraalvormige delen van de gloeidraad.

(3) Het cilindrische gedeelte van het lampglas over de lengte „f” moet zodanig zijn dat het geprojecteerde beeld van de gloeidraad niet zodanig wordt vervormd dat de optische resultaten er belangrijk door worden beïnvloed.

(4) De excentriciteit wordt uitsluitend gemeten in de horizontale en de verticale richting van de lamp als aangegeven in de tekening. De meetpunten zijn de snijpunten van de projectie van het buitenste deel van de uiteinden van de spiralen dat het dichtst bij of het verst verwijderd is van het referentievlak, met de as van de gloeidraad.

(5) De meetrichting is de loodlijn op de referentie-as binnen het vlak begrensd door de referentie-as en het midden van de tweede lampvoetnok.

(6) Verschuiving van de gloeidraad ten opzichte van de lamp-as op 27,5 mm van het referentievlak.

(7) d: diameter van de gloeidraad.

(8) Wordt gecontroleerd door middel van een „Box System”, blad H1/4.

(9) De uiteinden van de gloeidraad worden gedefinieerd als de snijpunten van de projectie van het buitenste deel van de uiteinden van de spiralen dat het dichtst bij of het verst verwijderd is van het referentievlak, met de referentie-as, waarbij de meetrichting dezelfde is als aangegeven in noot 5. (Voor dubbelspiraal gloeidraden worden nog aanvullende instructies bestudeerd)

BLAD H1/4

Voorschriften met betrekking tot het meetscherm

Met deze proef wordt vastgesteld of een lamp aan de voorschriften voldoet door te controleren of de gloeidraad juist gepositioneerd is ten opzichte van de referentie-as en het referentievlak.

image

(Maten in millimeters)



a1

a2

b1

b2

c1

c2

6 V

1,4 d

1,9 d

0,25

6

3,5

12 V

6

4,5

24 V

7

4,5

d = diameter van de gloeidraad

Het begin van de gloeidraad, als gedefineerd in noot 2 bij blad H1/1, moet liggen tussen de lijnen Z1 en Z2

De positie van de gloeidraad wordt uitsluitend gecontroleerd in richtingen FH en FV als aangegeven in de tekening op blad H1/1.

De gloeidraad moet geheel binnen de aangegeven grenzen liggen.




Aanhangsel 3

Categorie H2

BLAD H2/1

image

(Maten in millimeters)

De tekeningen zijn slechts bedoeld ter illustratie van de hoofdmaten van de gloeilamp.

BLAD H2/2



Maten in mm

Toleranties

Gloeilampen uit seriefabricage

Referentiegloeilamp

6 V

12 V

24 V

e (6)

12,25

(5)

± 0,15

f (6)

6 V

4,5

± 1,0

12 V

5,5

± 0,50

24 V

g (1) (2)

0,5 d