In bijlage 1 bij deze beleidsregel staan de normbedragen die, met inachtneming van artikel 10:7, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet en met toepassing van het tweede en vierde lid, van dat artikel als uitgangspunt worden gehanteerd bij het opleggen van een bestuurlijke boete.
Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) 2026
Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit vervoer (wegvervoer) 2026
Opschrift
Aanhef
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op artikel 10:7, zesde lid, tweede volzin, van de Arbeidstijdenwet en artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
BESLUITEN:
Artikel 1. Definities
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
eerste bedrijfsinspectie: bedrijfsinspectie die geen tweede bedrijfsinspectie of volgende bedrijfsinspectie is;
eerste transportinspectie: transportinspectie die geen tweede of volgende transportinspectie is;
tweede bedrijfsinspectie: bedrijfsinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na een eerste bedrijfsinspectie, waarbij de eerste bedrijfsinspectie heeft geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete die onherroepelijk is op de datum waarop de huidige bedrijfsinspectie aanvangt;
tweede transportinspectie: transportinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na een eerste transportinspectie waarbij de eerste transportinspectie heeft geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete die onherroepelijk is op de datum waarop de transportinspectie aanvangt;
volgende bedrijfsinspectie: bedrijfsinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na twee of meer bedrijfsinspecties, waarbij ten minste twee van deze bedrijfsinspecties hebben geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete en deze bestuurlijke boetes onherroepelijk zijn op de datum waarop de bedrijfsinspectie aanvangt;
volgende transportinspectie: transportinspectie die plaatsvindt binnen vijf jaar na twee of meer transportinspecties, waarbij ten minste twee van deze transportinspecties hebben geresulteerd in de oplegging van een bestuurlijke boete en deze bestuurlijke boetes onherroepelijk zijn op de datum waarop de transportinspectie aanvangt;
zelfstandige: persoon als bedoeld in artikel 2:7 van de Arbeidstijdenwet.
Artikel 2. Toepassingsgebied
Deze beleidsregel is van toepassing op elke als zodanig aangemerkte overtreding van het bij of krachtens de Arbeidstijdenwet bepaalde, voor zover:
het arbeid betreft verricht in of op motorrijtuigen, genoemd in artikel 5: 12, tweede lid, onder a, van de Arbeidstijdenwet, niet zijnde een taxi;
het arbeid betreft van personen werkzaam in of op die motorrijtuigen of in bedrijven of inrichtingen die rechtstreeks betrekking hebben op die arbeid; en
voor zover daarvoor op grond van de wet een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
Artikel 3. Berekening van de bestuurlijke boete
Bij het opleggen van een bestuurlijke boete wordt in beginsel uitgegaan van een normale verwijtbaarheid als bedoeld in het derde lid, onder b.
Het normbedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt vermenigvuldigd met de factor:
0,50, indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid;
1,00, indien sprake is van normale verwijtbaarheid;
1,50, indien sprake is van grove schuld; en
2,00, indien sprake is van opzet.
Bij het bepalen van de mate van verwijtbaarheid, bedoeld in het derde lid, worden in ieder geval de volgende omstandigheden meegewogen:
eerdere interventies of overtredingen;
andere overtredingen in de controleperiode;
het met de overtreding behaalde voordeel;
de impact of duur van de overtreding;
of de overtreding op eigen initiatief is beëindigd.
In bijlage 2 bij deze beleidsregel staan de overtredingen waarvoor bij de toepassing van het eerste lid direct bij constatering een bestuurlijke boete wordt opgelegd en de overtredingen waarvoor eerst een waarschuwing wordt gegeven en pas nadat eenzelfde overtreding nogmaals is geconstateerd, wordt overgegaan tot oplegging van een bestuurlijke boete.